← België

ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050310.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 10 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050310.8 Rolnummer: 28048 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-06-03 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-01 02:49 Fiches 1 - 7 Vooreerst stelt de rechtbank vast dat het voorliggend geschil inhoudelijk betrekking heeft op de terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. Daarom valt het geschil onder de toepassing van artikel 580, 2° van het Gerechtelijk Wetboek. Bijgevolg heeft eiser zijn vordering terecht ingeleid bij verzoekschrift met een aangetekende brief van 4/8/2004 gezonden aan de griffie van de arbeidsrechtbank, overeenkomstig artikel 704, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek. Het verzoekschrift werd neergelegd overeenkomstig de wettelijke bepalingen ter zake. Ditzelfde artikel 704, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek regelt de oproeping van de partijen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. Die oproeping vermeldt het voorwerp van de vordering. De wet vereist niet dat die oproeping bij gerechtsbrief geschiedt. Bij het oproepen van de geadresseerde ter openbare terechtzitting moet tegenspraak worden gegarandeerd. De rechtbank moet niet alleen nazien of de wettelijke formaliteiten zijn nageleefd, doch ook of verweerder een redelijke kans gekregen heeft om voor de rechter te verschijnen. In het ontkennend geval zal de rechter geen verstek toekennen. Doordat eiser in zijn verzoekschrift een adres opgaf van verweerder waar deze niet meer woonde, werd verweerder niet regelmatig opgeroepen overeenkomstig artikel 704, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek. Vervolgens vroeg eiser de zaak te willen oproepen overeenkomstig artikel 803 Ger. W. aan de heer Procureur des Konings omdat tegenpartij geen gekende woonplaats heeft in België en integendeel ambtshalve werd afgeschreven. De rechtbank is van oordeel dat de griffie ten onrechte gevolg gaf aan het verzoek van eiser om verweerder per adres van de procureur des Konings bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 803 Ger. W op te roepen voor de zitting van 13 januari 2005. Verweerder kon nog niet opgeroepen worden overeenkomstig artikel 803 Ger. W. omdat hij niet regelmatig opgeroepen werd overeenkomstig artikel 704 Ger. W.. Een oproeping overeenkomstig artikel 704 Ger. W. biedt meer waarborgen aan verweerder in de mate dat de oproeping het voorwerp van de vordering moet vermelden. De vermelding van het voorwerp van de vordering is daarentegen niet vereist door artikel 803 Ger. W.. Bovendien heeft artikel 803 Ger. W. betrekking op een situatie waarin tegen de niet verschenen partij op de inleidende zitting geen verstek is gevorderd. Dit veronderstelt dat de niet verschenen partij kon verschijnen en dat tegen haar kon verstek gevorderd worden. Dit is hier niet het geval: verweerder kon niet verschijnen op de inleidingszitting van 25/11/2004 aangezien hij niet aan zijn persoon noch op zijn juiste adres opgeroepen was. Er kan slechts sprake zijn van verstek wanneer de niet verschenen partij rechtsgeldig werd opgeroepen. De rechtbank oordeelt dat verweerder voor de inleidingszitting van 25/11/2004 niet regelmatig werd opgeroepen zodat voor een nieuwe oproeping opnieuw artikel 704 1ste lid Ger. W. moet worden toegepast en niet artikel 803 Ger. W.. De rechtbank gaat dan ook niet in op de vraag van eiser om verstek te verlenen tegenover de niet verschenen verwerende partij. De vraag is op welke wijze en op welk adres verweerder bij toepassing van artikel 704 1ste lid Ger. W. voor een volgende zitting moet opgeroepen worden? Artikel 46 ,§ 2 van het gerechtelijk wetboek regelt de kennisgeving bij gerechtsbrief door de griffier. Artikel 46 ,§ 2 van het gerechtelijk wetboek voorziet echter niet de situatie waarin de verzoekende partij geen kennis heeft van een woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats van de tegenpartij in België noch in het buitenland en waarin de kennisgeving van de gerechtsbrief niet kon geschieden aan de persoon van de opgeroepene. Bedoelde situatie wordt wel geregeld door artikel 40 2de lid van het gerechtelijk wetboek: "heeft de betrokkene in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats, dan wordt de betekening gedaan aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt." Deze betekening bestaat in de terhandstelling van het afschrift van het exploot aan de procureur des Konings. Uit een samenlezing met artikel 38 ,§ 2 tweede lid Ger. W. blijkt dat het de bedoeling is dat de procureur des Konings ervoor zorgt dat het afschrift binnen de kortst mogelijke tijd bij de geadresseerde toekomt. Voormelde betekeningswijze is slechts toegelaten wanneer alle nodige opsporingen gedaan zijn om de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de geadresseerde te achterhalen. (J. LAENENS, K. BROECKX en D. SCHEERS, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2004, p.324-325). Het gaat om een uitzonderlijke procedure en dus van strikte uitlegging. (Arbeidsh. Brussel 30 april 1990, rolnr. 24.179, http://www.juridat.

  1. be)Voor zover vaststaat dat verweerder in België noch in het buitenland een gekende woon-plaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, oordeelt de rechtbank dat de oproeping van verweerder overeenkomstig artikel 704 Ger. W. moet gebeuren aan het adres van de procureur des Konings te Veurne, zijnde de procureur van het rechtsgebied waarin de arbeidsrechtbank te Veurne, die van de vordering moet kennis nemen, zitting houdt. De vraag die nu nog rest is of de oproeping van verweerder aan het adres van de procureur des Konings, overeenkomstig artikel 704 Ger. W. moet geschieden door de griffier of door de verzoekende partij en verder per gerechtsbrief of per deurwaardersexploot? De verzoekschriftprocedure van artikel 704 van het gerechtelijk wetboek is een procedure waarbij op vereenvoudigde wijze bij volstrekt vormloos verzoekschrift of aangetekende brief eisen kunnen worden ingeleid voor de arbeidsrechtbank in een aantal limitatief opge-somde sociaalrechtelijke geschillen. De verzoekschriftprocedure is kostenbesparend en soepel. (Parl. St. Senaat 1964-65, nr. 170,p.123;Parl. St. Senaat 1991-92, nr. 103-2, p. 99). Deze principes van kostenbesparing en soepele formaliteiten mogen echter geen inbreuk plegen op het principe van de tegenspraak in de rechtspleging, dat als een rode draad doorheen het gerechtelijk wetboek loopt. In de context van de oproeping voor de rechtbank, schrijft artikel 46 ,§ 4 Ger. W. het vol-gende voor: "Wanneer een eisende of verzoekende partij zulks verlangt in het exploot van rechtsingang of in het verzoekschrift, hetzij schriftelijk en ten laatste op het ogenblik van de eerste verschijning voor de rechter, worden de kennisgevingen bij gerechtsbrief evenwel vervangen door betekeningen, verricht op verzoek van de partij wie de betekening toe-komt." Uit dit artikel 46 ,§ 4 Ger. W. leidt de rechtbank ondermeer af dat een kennisgeving bij ge-rechtsbrief kan vervangen worden door een betekening, verricht op verzoek van de partij wie de betekening toekomt. Nergens in het gerechtelijk wetboek wordt voorzien dat een oproeping van een te verschijnen procespartij aan het adres van de procureur des konings mogelijk is bij gerechtsbrief. Aangezien de betekening aan de procureur des konings een uitzonderlijke procedure is en van strikte uitlegging, aanvaardt de rechtbank enkel dat de te verschijnen partij aan het adres van de procureur des konings opgeroepen wordt bij gerechtsdeurwaardersexploot, op initiatief van de meest gerede partij. In afwachting hiervan dient de zaak naar de bijzondere rol van de tweede kamer verwezen te worden. Vrije woorden: Ziekte- en invaliditeitsverzekering werknemers - terugvordering ten onrechte betaalde uitkeringen - gerechtelijk recht - oproeping artikel 704 Ger. W. - ambtshalve afschrijving uit de bevolkingsregisters - nieuwe oproeping art. 704 Ger. W. - betekening aan de procureur des konings - door meest gerede partij - met gerechtsdeurwaardersexploot - artikel 40 2de lid Ger. W. - artikel 46 ,§ 4 Ger. W. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 508,2° Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Ziekte- en invaliditeitsverzekering werknemers - terugvordering ten onrechte betaalde uitkeringen - gerechtelijk recht - oproeping artikel 704 Ger. W. - ambtshalve afschrijving uit de bevolkingsregisters - nieuwe oproeping art. 704 Ger. W. - betekening aan de procureur des konings - door meest gerede partij - met gerechtsdeurwaardersexploot - artikel 40 2de lid Ger. W. - artikel 46 ,§ 4 Ger. W. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 704,1elid Gerechtelijk Wetboek - 803 Gerechtelijk Wetboek - 46,§2 Gerechtelijk Wetboek - 40,2elid Gerechtelijk Wetboek - 38,§2 Gerechtelijk Wetboek - 46,§4 Tekst van de beslissing TWEEDE 10 maart 2005 28048 De Arbeidsrechtbank te Veurne, Tweede Kamer, heeft het volgend vonnis uitgesproken : In de zaak nr. 28048 der algemene rol : L.C.M., met zetel te. - EISENDE PARTIJ Hebbende als raadsman Mr. K. VERSTEELE, advocaat te Veurne. tegen : J. D., laatst wonende te. - VERWERENDE PARTIJ Niet verschenen. Bij verzoekschrift aangetekend verstuurd op 4 augustus 2004 naar de griffie van de arbeidsrechtbank te Veurne stelt eiser een vordering in tegen verweerder tot het verlenen van een uitvoerbare titel op basis van de niet betwiste terugvordering van de onverschuldigde betaling ten aanzien van verweerder voor een bedrag van 12.841,20 euro. De rechtbank heeft eiser gehoord ter openbare terechtzitting van 13 januari 2005, waarbij hij verstek en vonnis vorderde tegen de niet verschenen verwerende partij. Het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie werd opgemaakt door mevrouw Gerda Verhamme, Eerste Substituut Arbeidsauditeur en neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Veurne op 26/01/2005. Eiser repliceerde niet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie. De rechtbank heeft de zaak in beraad genomen na het verstrijken van de repliektermijnen op 10 februari 2005. De stukken van de rechtspleging en de stukken neergelegd door eisende partij werden door de rechtbank doorgenomen. De rechtspleging verliep in het Nederlands overeenkomstig artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. 1.Rechtspleging overzicht van de relevante gebeurtenissen Zoals reeds hierboven uiteengezet stuurde eiser met een aangetekende zending van 4/8/2004 zijn verzoekschrift naar de griffie van de Arbeidsrechtbank te Veurne, alwaar het ontvangen werd op 5/8/2004. Dit verzoekschrift was gericht tegen verweerder, de heer D.J.. Reeds op 5/8/2004 deelde mevrouw de Arbeidsauditeur mede dat er geen bezwaar bestond om een rechtsdag te bepalen en werd er kennisgegeven dat de mededeling van de zaak aan het Openbaar Ministerie overeenkomstig artikel 764 Ger. W. geboden was. Op 13/9/2004 ging de griffie van de Arbeidsrechtbank te Veurne over tot de oproeping van eiser en verweerder overeenkomstig artikel 704 Ger. W.. Verweerder werd opgeroepen op het adres te met de mededeling dat een verzoekschrift werd ingediend door de L.C.M. op 5/8/2004, waarbij tegen hem een rechtsvordering werd ingesteld om de redenen erin vermeld. Een kopie van het verzoekschrift werd bij de oproeping gevoegd. Overeenkomstig artikel 704 Ger. W. werd verweerder opgeroepen om te verschijnen op de in artikel 728 Ger. W. bepaalde wijze op donderdag 25 november 2004 te 14u30 voor de Arbeidsrechtbank te Veurne, teneinde over de ingestelde rechtsvordering te horen beslissen. De gerechtsbrief op naam van D. J. met adres te, keerde terug met de vermelding "verhuisd". Op 15 september 2004 gaf de griffier mededeling aan eiser van het terugkeren van de gerechtsbrief met de vermelding "verhuisd". Tevens vroeg de griffier om voor het nieuwe adres van J. te willen zorgen zodat een nieuwe oproeping kon toegestuurd worden en de procedure niet vertraagd zou worden. Ter zitting van 25/11/2004 vroeg eiser de verzending van de zaak naar de bijzondere rol. Bij brief van 1/12/2004 vroeg eiser aan de griffie om de zaak te willen oproepen overeenkomstig artikel 803 Ger. W.. Eiser deelde mee dat verweerder geen gekende woonplaats heeft in België en ambtshalve werd afgeschreven. Hij verzocht aan de griffie om de oproeping over te maken aan de heer Procureur des Konings. Bij toepassing van artikel 803 Ger. W. heeft de griffier J. D. opgeroepen bij gerechtsbrief op 7/12/2004 verstuurd per adres van de Procureur des Konings te Veurne, voor de openbare terechtzitting van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Veurne op donderdag 13 januari 2005 te 14u30. Ter openbare terechtzitting van 13 januari 2005 hoorde de rechtbank eiser die tegen de niet verschenen verwerende partij verstek en vonnis vorderde. De debatten werden hierop gesloten. Het Openbaar Ministerie verstrekte schriftelijk advies. 2. Beoordeling door de rechtbank over de rechtspleging Vooreerst stelt de rechtbank vast dat het voorliggend geschil inhoudelijk betrekking heeft op de terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. Daarom valt het geschil onder de toepassing van artikel 580, 2° van het Gerechtelijk Wetboek. Bijgevolg heeft eiser zijn vordering terecht ingeleid bij verzoekschrift met een aangetekende brief van 4/8/2004 gezonden aan de griffie van de arbeidsrechtbank, overeenkomstig artikel 704, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek. Het verzoekschrift werd neergelegd overeenkomstig de wettelijke bepalingen ter zake. Ditzelfde artikel 704, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek regelt de oproeping van de partijen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. Die oproeping vermeldt het voorwerp van de vordering. De wet vereist niet dat die oproeping bij gerechtsbrief geschiedt. Bij het oproepen van de geadresseerde ter openbare terechtzitting moet tegenspraak worden gegarandeerd. De rechtbank moet niet alleen nazien of de wettelijke formaliteiten zijn nageleefd, doch ook of verweerder een redelijke kans gekregen heeft om voor de rechter te verschijnen. In het ontkennend geval zal de rechter geen verstek toekennen. Doordat eiser in zijn verzoekschrift een adres opgaf van verweerder waar deze niet meer woonde, werd verweerder niet regelmatig opgeroepen overeenkomstig artikel 704, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek. Wegens het versturen van de oproeping naar een adres, waar hij klaarblijkelijk niet meer woonde, kon de geadresseerde geen kennis nemen van de oproeping om te verschijnen ter openbare terechtzitting van de Arbeidsrechtbank te Veurne, tweede kamer, op donderdag 25 november 2004 te 14u30. De gerechtsbrief keerde terug als niet besteld wegens verhuizing van verweerder. Op vraag van eiser werd de zaak verwezen naar de bijzondere rol van de tweede kamer. Vervolgens vroeg eiser de zaak te willen oproepen overeenkomstig artikel 803 Ger. W. aan de heer Procureur des Konings omdat tegenpartij geen gekende woonplaats heeft in België en integendeel ambtshalve werd afgeschreven. De rechtbank is van oordeel dat de griffie ten onrechte gevolg gaf aan het verzoek van eiser om verweerder per adres van de procureur des Konings bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 803 Ger. W op te roepen voor de zitting van 13 januari 2005. Verweerder kon nog niet opgeroepen worden overeenkomstig artikel 803 Ger. W. omdat hij niet regelmatig opgeroepen werd overeenkomstig artikel 704 Ger. W.. Een oproeping overeenkomstig artikel 704 Ger. W. biedt meer waarborgen aan verweerder in de mate dat de oproeping het voorwerp van de vordering moet vermelden. In de arbeidsrechtbank te Veurne is het de gewoonte dat een kopie van het verzoekschrift bij de oproeping wordt gevoegd. Bovendien wordt in onze rechtbank elke oproeping volgens artikel 704 Ger. W. per gerechtsbrief verstuurd, wat nochtans niet wettelijk verplicht is, maar wel een betere tegenspraak waarborgt. De vermelding van het voorwerp van de vordering is daarentegen niet vereist door artikel 803 Ger. W.. Bovendien heeft artikel 803 Ger. W. betrekking op een situatie waarin tegen de niet verschenen partij op de inleidende zitting geen verstek is gevorderd. Dit veronderstelt dat de niet verschenen partij kon verschijnen en dat tegen haar kon verstek gevorderd worden. Dit is hier niet het geval: verweerder kon niet verschijnen op de inleidingszitting van 25/11/2004 aangezien hij niet aan zijn persoon noch op zijn juiste adres opgeroepen was. Er kan slechts sprake zijn van verstek wanneer de niet verschenen partij rechtsgeldig werd opgeroepen. De rechtbank oordeelt dat verweerder voor de inleidingszitting van 25/11/2004 niet regelmatig werd opgeroepen zodat voor een nieuwe oproeping opnieuw artikel 704 1ste lid Ger. W. moet worden toegepast en niet artikel 803 Ger. W.. Bijgevolg oordeelt de rechtbank dat verweerder voor de zitting van 13 januari 2005 evenmin rechtsgeldig werd opgeroepen aangezien ten onrechte toepassing gemaakt werd van artikel 803 Ger. W. tegenover een partij die op de inleidende zitting niet kon verschijnen en tegen wie geen verstek kon worden gevorderd, zonder vermelding van het voorwerp van de vordering. (zie ook voor de vereiste van een nieuwe oproeping wanneer de oproeping niet aan verweerder kon worden bezorgd, omdat het door eiser opgegeven adres niet langer correct blijkt: J. HERMAN, Behandeling van de zaak in Sociaal Procesrecht, editor G. Van Limberghen, Antwerpen, Maklu, 1995, p. 211). De rechtbank gaat dan ook niet in op de vraag van eiser om verstek te verlenen tegenover de niet verschenen verwerende partij. De zienswijze dat de oproeping geacht wordt regelmatig te zijn gebeurd en dat op de zitting een verstekvonnis kan gevorderd worden indien de gerechtbrief die verstuurd werd naar de woonplaats van de verstekmakende partij onbesteld terugkeert met de vermelding dat de op te roepen partij er zijn woonplaats niet meer heeft, wordt door deze rechtbank niet gedeeld. (M. Castermans, Gerechtelijk Privaatrecht: algemene beginselen, bevoegdheid en burgerlijke rechtspleging, Gent, Academia Press, 2004, p. 296). In sommige rechtspraak werd geoordeeld dat het de partij die haar woonplaats heeft gewijzigd terloops het geding, toekomt de adreswijziging te melden aan de griffie en de tegenpartij. (Arbrb. Charleroi 9 januari 1995, J.L.M.B. 1995, 552; Cass. 9 juni 2000, Arr. Cass. 2000, 1073; Cass. 21 juni 2001, http://www.cass.be). (zie ook de noot van Patricia VANLERSBERGHE over Adreswijziging en opzoekingsplicht van de initiatiefnemende partij in RABG, Brussel, Larcier, 2005/3, p. 258-261). Deze rechtspraak is hier niet van toepassing aangezien verweerder zijn woonplaats niet heeft gewijzigd terloops het geding maar klaarblijkelijk voor de inleiding van het geding. Aangezien D. J. in casu nog niet rechtsgeldig in het geding is opgeroepen kan men hem niet verwijten dat hij aan de griffier en aan de tegenpartij zijn adreswijziging niet gemeld heeft. De vraag is op welke wijze en op welk adres verweerder bij toepassing van artikel 704 1ste lid Ger. W. voor een volgende zitting moet opgeroepen worden? Artikel 32 van het Gerechtelijk wetboek maakt een onderscheid tussen de betekening: "de afgifte van een afschrift van een akte; zij geschiedt bij deurwaardersexploot" en de kennisgeving: "de toezending van een akte van rechtspleging in origineel of in afschrift; zij geschiedt langs de post of, in de gevallen die de wet bepaalt, in de vormen die deze voorschrijft". In het gerechtelijk wetboek wordt als woonplaats verstaan: "de plaats waar de persoon op de bevolkingsregisters is ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf". Onder de verblijfplaats: "iedere andere vestiging, zoals de plaats waar de persoon kantoor houdt of een handels- of nijverheidszaak drijft". Nu vaststaat dat verweerder ambtshalve is afgeschreven van zijn adres te, kan men zich afvragen of verweerder een andere woonst of verblijfplaats heeft in België of in het buitenland. In tegenstelling met de verplichting om bij het tegensprekelijk verzoekschrift zoals bedoeld in de artikelen 1034bis tot 1034 sexies van het gerechtelijk wetboek, een getuigschrift van woonplaats van de op te roepen persoon te voegen, is dit niet vereist bij de verzoekschriftprocedure van artikel 704 Ger. W. voor de arbeidsrechtbanken. (art. 704, 2de lid Ger. W.). In het voorliggend geschil kon een getuigschrift van woonplaats of ambtshalve afschrijving echter wel nuttig geweest zijn. Artikel 46 ,§ 2 van het gerechtelijk wetboek regelt de kennisgeving bij gerechtsbrief door de griffier. Artikel 46 ,§ 2 van het gerechtelijk wetboek voorziet echter niet de situatie waarin de verzoekende partij geen kennis heeft van een woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats van de tegenpartij in België noch in het buitenland en waarin de kennisgeving van de gerechtsbrief niet kon geschieden aan de persoon van de opgeroepene. Bedoelde situatie wordt wel geregeld door artikel 40 2de lid van het gerechtelijk wetboek: "heeft de betrokkene in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats, dan wordt de betekening gedaan aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt." Deze betekening bestaat in de terhandstelling van het afschrift van het exploot aan de procureur des Konings. Uit een samenlezing met artikel 38 ,§ 2 tweede lid Ger. W. blijkt dat het de bedoeling is dat de procureur des Konings ervoor zorgt dat het afschrift binnen de kortst mogelijke tijd bij de geadresseerde toekomt. Voormelde betekeningswijze is slechts toegelaten wanneer alle nodige opsporingen gedaan zijn om de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de geadresseerde te achterhalen. (J. LAENENS, K. BROECKX en D. SCHEERS, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2004, p.324-325). Het gaat om een uitzonderlijke procedure en dus van strikte uitlegging. (Arbeidsh. Brussel 30 april 1990, rolnr. 24.179, http://www.juridat.
  2. be)Om te vermijden dat de betekening aan de procureur des Konings zou misbruikt worden is er een sanctie voorzien in het laatste lid van artikel 40 Ger. W. : "De betekening in het buitenland of aan de procureur des Konings is ongedaan indien de partij op wier verzoek ze verricht is, de woonplaats of de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van degene aan wie betekend wordt, in België, of in voorkomend geval in het buitenland, kende." (zie ook Code Judiciaire et son annexe, Loi du 10 octobre 1967 et ses travaux préparatoires, Bruxelles, Ets. Emile Bruylant, 1967, p. 818). Voor zover vaststaat dat verweerder in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, oordeelt de rechtbank dat de oproeping van verweerder overeenkomstig artikel 704 Ger. W. moet gebeuren aan het adres van de procureur des Konings te Veurne, zijnde de procureur van het rechtsgebied waarin de arbeidsrechtbank te Veurne, die van de vordering moet kennis nemen, zitting houdt. De vraag die nu nog rest is of de oproeping van verweerder aan het adres van de procureur des Konings, overeenkomstig artikel 704 Ger. W. moet geschieden door de griffier of door de verzoekende partij en verder per gerechtsbrief of per deurwaardersexploot? De verzoekschriftprocedure van artikel 704 van het gerechtelijk wetboek is een procedure waarbij op vereenvoudigde wijze bij volstrekt vormloos verzoekschrift of aangetekende brief eisen kunnen worden ingeleid voor de arbeidsrechtbank in een aantal limitatief opgesomde sociaalrechtelijke geschillen. De verzoekschriftprocedure is kostenbesparend en soepel. (Parl. St. Senaat 1964-65, nr. 170,p.123;Parl. St. Senaat 1991-92, nr. 103-2, p. 99). Deze principes van kostenbesparing en soepele formaliteiten mogen echter geen inbreuk plegen op het principe van de tegenspraak in de rechtspleging, dat als een rode draad doorheen het gerechtelijk wetboek loopt. In de context van de oproeping voor de rechtbank, schrijft artikel 46 ,§ 4 Ger. W. het volgende voor: "Wanneer een eisende of verzoekende partij zulks verlangt in het exploot van rechtsingang of in het verzoekschrift, hetzij schriftelijk en ten laatste op het ogenblik van de eerste verschijning voor de rechter, worden de kennisgevingen bij gerechtsbrief evenwel vervangen door betekeningen, verricht op verzoek van de partij wie de betekening toekomt." Uit dit artikel 46 ,§ 4 Ger. W. leidt de rechtbank ondermeer af dat een kennisgeving bij gerechtsbrief kan vervangen worden door een betekening, verricht op verzoek van de partij wie de betekening toekomt. In casu heeft eiser dit verzoek niet geformuleerd. Mocht hij dit nu nog vragen, is dit verzoek wellicht laattijdig, maar die laattijdigheid is door het gerechtelijk wetboek niet gesanctioneerd. Artikel 704 1ste lid Ger. W. regelt weliswaar een oproeping door de griffier, maar de oproeping van een procespartij aan het adres van de procureur des Konings is uitzonderlijk en dient, zoals hier boven reeds overwogen, te gebeuren door een betekening met gerechtsdeurwaardersexploot. Dit exploot wordt door de gerechtsdeurwaarder steeds opgemaakt op verzoek van de initiatiefnemende partij, dit is de meest gerede partij. De griffier moet hierin niet tussenkomen. De rechtbank is van oordeel dat dit de meest correcte werkwijze is in de voorliggende rechtspleging: eiser kan een gerechtsdeurwaarder verzoeken om de oproeping van verweerder overeenkomstig artikel 704 te laten gebeuren door middel van een betekening aan de procureur des Konings te Veurne. Het voordeel van een betekening bij gerechtsdeurwaardersexploot is dat deze wijze van oproeping zich inpast in het artikel 40, 2de lid van het gerechtelijk wetboek. Nergens in het gerechtelijk wetboek wordt voorzien dat een oproeping van een te verschijnen procespartij aan het adres van de procureur des konings mogelijk is bij gerechtsbrief. Aangezien de betekening aan de procureur des konings een uitzonderlijke procedure is en van strikte uitlegging, aanvaardt de rechtbank enkel dat de te verschijnen partij aan het adres van de procureur des konings opgeroepen wordt bij gerechtsdeurwaardersexploot, op initiatief van de meest gerede partij. In afwachting hiervan dient de zaak naar de bijzondere rol van de tweede kamer verwezen te worden. OM DEZE REDENEN, DE ARBEIDSRECHTBANK, Vooraleer verder te oordelen, Verzendt de zaak naar de bijzondere rol van deze kamer, teneinde eiser toe te laten verweerder op rechtsgeldige wijze op te roepen bij toepassing van artikel 704 Ger. W. , met vermelding van het voorwerp van de vordering, door middel van een betekening van de oproeping aan de heer procureur des Konings te Veurne met een deurwaardersexploot voor zover verweerder nog steeds in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft. Kosten aangehouden. Aldus het vonnis, uitgesproken in het gerechtsgebouw te Veurne, in openbare terechtzitting van de Arbeidsrechtbank, Tweede Kamer, op DONDERDAG, TIEN MAART TWEEDUIZEND EN VIJF. Aanwezig : Luc ROUSSEEUW, Ondervoorzitter, Voorzitter Tweede Kamer. Jan JACOBS, Rechter in Sociale Zaken, Werkgever. Peter DEBAENST, Rechter in Sociale Zaken, Werknemer-Bediende. Shirly DEVOS, Griffier, Nadat door Ons, Luc ROUSSEEUW, Ondervoorzitter, Voorzitter Tweede Kamer, bij wettig belet van de Voorzitter en in toepassing van artikel 779 Ger.W., werd aangewezen de heer Jan JACOBS voornoemd, ter vervanging van de heer Geert EGGERMONT, Rechter in Sociale Zaken, Werkgever, die op heden wettig verhinderd is de uitspraak van onderhavig vonnis, waarover hij mede heeft beraadslaagd, bij te wonen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.