← België

ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050412.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050412.6 Rolnummer: 27836II;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-17 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-01 03:03 Fiche Krachtens artikel 1991 van het Burgerlijk Wetboek is de lasthebber gehouden de lastgeving te volbrengen zolang hij niet is ontheven en is hij verantwoordelijk voor de schade die uit het niet uitvoeren ervan zou kunnen ontstaan. Volgens artikel 1992 van het Burgerlijk Wetboek is de lasthebber niet alleen aansprakelijk voor opzet maar voor zijn schuld in de uitvoering van zijn opdracht. Niettemin wordt de aansprakelijkheid wegens schuld minder streng toegepast ten aanzien van diegene die de lastgeving om niet op zich neemt dan ten aanzien van diegene die daar-voor een loon ontvangt. Alhoewel de verwerende partij geen loon ontving in de strikte zin van het woord kan toch niet worden gezegd dat het hier gaat om een lastgeving "om niet" nu juridische bijstand be-grepen is in het lidgeld van de vakbond. De verbintenis van een mandataris is geen resultaatverbintenis maar een middelenverbintenis d.w.z. dat de lasthebber, als een goede huisvader, alle middelen moet aanwenden om tot het beoogde resultaat te komen. Er rest dan de vraag of de verwerende partij dit mandaat foutief heeft uitgevoerd in het licht van een middelenverbintenis. Zoals reeds gezegd heeft de eisende partij de globale behandeling van zijn dossier op sociaal-rechtelijk vlak tegen zijn ex-werkgever toevertrouwd aan de verwerende partij.Dit impliceert dat de eisende partij van de verwerende partij kon verwachten dat zij niet alleen stappen deed tegen de werkgever maar ook dat de verwerende partij, in acht genomen het faillissement, de nodige stappen deed bij andere instanties (o.a. Fonds Sluiting van Ondernemingen) om de rechten van de eisende partij te vrijwaren. Uit het dossier blijkt onbetwistbaar dat de verwerende partij zich bezig hield met het dossier toen er nog geen sprake kon zijn van verjaring ten aanzien van de vermelde instanties. Indien de verwerende partij van oordeel was dat haar mandaat beperkt was tot welbepaalde handelingen, dan had zij minstens de eisende partij moeten informeren dat hijzelf de nodige initiatieven diende te nemen vooraleer de verjaring intrad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verwerende partij het mandaat van de eisende partij foutief, minstens onzorgvuldig uitgevoerd. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK Mandaat Verantwoordelijkheid van vakbond. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 1992 Tekst van de beslissing Uitgifte Eerste bladzijde. V. . op A.R. nr. 27.836/II. Rep. nr. . aan ____________________________________________________________________________ C.D. R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, tweede kamer, spreekt het hieronder R.P. volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van dinsdag twaalf april Verminderd tweeduizend en vijf Griffierecht IN DE ZAAK: H. A., arbeider, wonende te, eisende partij, verwerende partij op tegenvordering, vertegenwoordigd door Mr. J. Thomas, advocaat te Brakel, tegen 1. D. B. J. F., in zijn hoedanigheid van voorzitter van het A.C.V. (A.C.V.), gewestelijke afdeling A.-O., waarvan de burelen gevestigd zijn te, wonende te 9550 Herzele, Molenstraat nr. 107, 2. HET A.C.V. (A.C.V.), gewest A.-O., waarvan de burelen gevestigd zijn te, verwerende partijen, eisende partijen op tegenvordering, vertegenwoordigd door Mr. I. Walravens namens Mr. G. Van Aken, advocaten te Aalst. De artikelen 2, 30, 34, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. De verwerende partijen werden regelmatig gedagvaard bij exploot hun betekend op 10 april 2001 door de gerechtsdeurwaarder B. Verschelden om te verschijnen voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde. Bij vonnis van 13 december 2004 heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde de zaak naar de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde verwezen. Tijdens de terechtzitting van 8 maart 2005 werd tevergeefs een poging tot minnelijke schikking aangewend. De rechtbank heeft de partijen gehoord; de conclusies van partijen en de stukken van het dossier werden ingezien. De vordering strekte er aanvankelijk toe: 1° de verwerende partijen solidair te doen veroordelen om aan de eisende partij te betalen:

  1. a)een bedrag van 1.621,03 euro voor achterstallig loon augustus 1994;
  2. b)een bedrag van 1.018,72 euro voor weerverlet- en getrouwheidszegels;
  3. c)een bedrag van 1.370,63 euro voor verlies aan wettelijk vakantiegeld;
  4. d)een bedrag van 810,51 euro voor opzeggingsvergoeding; een totaal bedrag van 4.820,89 euro;
  5. e)de vergoedende interesten op de netto bedragen vanaf 29 augustus 1994 en meer de gerechtelijke interesten hierop; minstens de moratoire interesten vanaf 14 februari 2001, datum van de ingebrekestelling; 2° de verwerende partijen solidair in de kosten van het geding te doen verwijzen; 3° de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te horen toestaan zonder dat een zekerheid zal moeten gesteld worden. Bij conclusie, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde dd. 29 augustus 2003, heeft de eisende partij zijn vordering verminderd met de betaling van de bedragen van 1.642,91 euro op 29 juni 2001, 69,70 euro en 313,67 euro op 22 april 2002. De vordering strekte er nog toe: 1° de verwerende partijen in solidum te doen veroordelen om aan de eisende partij te betalen:
  6. a)een saldobedrag van 635,34 euro voor weerverlet- en getrouwheidszegels;
  7. b)een bedrag van 1.370,62 euro voor verlies aan wettelijk vakantiegeld;
  8. c)de vergoedende interesten vanaf 29 augustus 1994 en de gerechtelijke interesten hierop;
  9. d)de vergoedende interest op: x 1.642,91 euro vanaf 29 augustus 1994 tot 31 augustus 1996 aan 8 %: 263,94 euro; x 1.642,91 euro vanaf 1 september 1996 tot 29 juni 2001 aan 7 %: 555,16 euro; x 383,37 euro vanaf 29 augustus 1994 tot 31 augustus 1996 aan 8 %: 61,59 euro; x 383,37 euro vanaf 1 september 1996 tot 22 april 2002 aan 7 %: 151,38 euro; 2° de verwerende partijen in solidum in de kosten van het geding te doen verwijzen; 3° de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te horen toestaan zonder dat een zekerheid zal moeten gesteld worden. Bij conclusie, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde dd. 26 februari 2004, hebben de verwerende partijen een tegenvordering ingesteld. De tegenvordering strekt ertoe de verwerende partij op tegenvordering te veroordelen om aan de eisende partijen op tegenvordering wegens tergend en roekeloos geding te betalen een bedrag van 1.500 euro, meer de vergoedende interesten vanaf 10 april 2001. Bij conclusie, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde dd. 31 maart 2004, heeft de eisende partij nogmaals zijn vordering verminderd. De vordering strekt er thans nog toe: 1° de verwerende partijen in solidum te doen veroordelen om aan de eisende partij te betalen:
  10. a)een bedrag van 1.370,62 euro voor verlies aan wettelijk vakantiegeld;
  11. b)de vergoedende interesten hierop vanaf 29 augustus 1994 tot 31 augustus 1996 aan 8 %, het zij een bedrag van 219,30 euro, meer de vergoedende interesten vanaf 1 september 1996 tot 10 april 2001 ten bedrage van 442,13 euro, meer de gerechtelijke interesten;
  12. c)minstens een bedrag van 359,86 euro en de vergoedende interest vanaf 29 augustus 1994 op: x 383,37 euro vanaf 29 augustus 1994 tot 31 augustus 1996 aan 8 %: 61,59 euro; x 383,37 euro vanaf 1 september 1996 tot 22 april 2002 aan 7 %: 151,38 euro, meer de gerechtelijke interesten; 2° de verwerende partijen in solidum in de kosten van het geding te doen verwijzen; 3° de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te horen toestaan zonder dat een zekerheid zal moeten gesteld worden. Nopens de procespartijen Zoals reeds was vermeld in de conclusie dd. 27 april 2004 van de verwerende partijen (geschreven vermelding op pag. 4 van deze conclusie) en bevestigd ter terechtzitting van 8 maart 2005, verzaakt de tweede verwerende partij aan haar middelen van niet ontvankelijkheid en/of niet toelaatbaarheid en wordt het debat aanvaard als (rechtsgeldige) verwerende partij. Tijdens de terechtzitting van 8 maart 2005 heeft de eisende partij afstand van geding gedaan ten aanzien van de eerste verwerende partij, zonder kosten. Het geschil is bijgevolg beperkt tot een beoordeling ten gronde tussen de eisende partij en het A.C.V. (afgekort ACV) als enige verwerende partij. De feiten De eisende partij, als lid aangesloten sinds minstens 1994 bij de verwerende partij, was werkzaam voor de vennootschap C., met zetel te. Op 29 augustus 1994 werd de arbeidsovereenkomst verbroken door de werkgever zonder betaling van loon, opzeggingsvergoeding, vakantiegeld en de weerverlet- en getrouwheidszegels. Op 30 augustus 1994 kwam de vakbond van de eisende partij, de C.H en B, tussen voor de eisende partij bij de werkgever en het arbeidsauditoraat van Leuven. De firma C. werd failliet verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk op 2 januari 1996 en op 23 januari 1996 werd het faillissement reeds afgesloten bij gebrek aan actief. Op 27 november 1997 werd aangifte van schuldvordering gedaan bij de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk. Op 28 juni 2000 werd verstekvonnis verleend door de Arbeidsrechtbank van Kortrijk inzake de eisende partij (vertegenwoordigd door een afgevaardigde van de verwerende partij) en de vennootschap C. Bij schrijven dd. 27 juli 2000 werd dit vonnis door de verwerende partij overgemaakt aan het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen. Bij schrijven dd. 14 februari 2001 stelde de raadsman van de eisende partij de verwerende partij in gebreke wegens nalatigheden bij de behandeling van het dossier en vorderde een schadevergoeding ten bedrage van 306.142,- frank. Bij schrijven dd. 13 maart 2001 betwistte de verwerende partij met klem enige aansprakelijkheid. Bij schrijven dd. 15 maart 2001 stelde de raadsman van de eisende partij dat er werd volhard in het standpunt. Standpunt van partijen. De eisende partij stelt dat zijn vordering is gebaseerd op de lastgeving conform artikel 1991 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens de eisende partij staat het mandaat van de verwerende partij onbetwistbaar vast en de eisende partij verwijst naar diverse stukken en briefwisseling. De eisende partij verwijt aan de verwerende partij dat zij niet het nodige heeft gedaan binnen de verjaringstermijn. Ondergeschikt, voor zo ver er geen mandaat zou zijn, steunt de eisende partij zijn vordering op artikel 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. De eisende partij vordert nog interesten op de (laattijdig) betaalde getrouwheids- en weerverletzegels en betaling van het vakantiegeld voor een bedrag van 1.370,62 euro, minstens 359,86 euro, meer de vergoedende en gerechtelijke interesten. Inzake de tegenvordering stelt de eisende partij dat deze compleet ongegrond is. De verwerende partij betwist dat een mandaat werd gegeven en stelt dat de eisende partij dit niet bewijst. De verwerende partij stelt dat aanvankelijk alleen wat "eerste lijnrechtshulp" werd verleend en op het ogenblik van het formele mandaat ook het nodige werd gedaan, zoals blijkt uit de procedure voor de Arbeidsrechtbank van Kortrijk. De verwerende partij wijst erop dat de eisende partij ook een persoonlijke raadsman had en de eisende partij zelf voor onduidelijkheid heeft gezorgd "wie op welk ogenblik met wat was gelast en welke gerechtelijke stappen diende te ondernemen". De verwerende partij wijst erop dat haar opdracht zeker geen resultaatverbintenis betrof. Volgens de verwerende partij bewijst de eisende partij ook geen enkele fout noch schade. Ondergeschikt merkt de verwerende partij op dat het grootste gedeelte van het gevorderde vakantiegeld wel werd betaald en alleszins de vergoedende of moratoire interesten niet kunnen worden toegekend. De verwerende partij verzet zich ondergeschikt ook tegen de gevraagde tenuitvoerlegging. De tegenvordering, ingesteld bij conclusie dd. 26 februari 2004, strekt ertoe de eisende partij te veroordelen om, wegens tergend en roekeloos geding, een schadevergoeding te betalen aan de verwerende partij van 1.500 euro, meer de vergoedende interesten vanaf 10 april 2001. Beoordeling A. Hoofdvordering 1. Nopens het bewijs van het mandaat De verwerende partij betwist niet dat artikel 1984 en volgende van het Burgerlijk Wetboek inzake de lastgeving van toepassing is op de relatie met de eisende partij doch stelt dat geen lastgeving is bewezen, minstens dat de omvang ervan niet duidelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is het mandaat van de verwerende partij afdoende bewezen aan de hand van de stukken 2 tot 10 van het dossier van de eisende partij en de stukken 7 en 8 van het dossier van de verwerende partij. Uit deze stukken blijkt dat de verwerende partij, zij het door de C. H. en B., zij het door haar rechtskundige dienst, zij het door advocaten aangesteld door de verwerende partij, het dossier van de eisende partij behandelde inzake de aanspraken op werkgever C. en andere instanties in kader van het faillissement (o.a. Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers). Ter illustratie kan worden verwezen naar de aangifte van schuldvordering op 27 november 1997, waarbij de eisende partij woonst kiest bij de verwerende partij (te O.) en het nemen van een verstekvonnis voor de Arbeidsrechtbank te Kortrijk, waarbij de eisende partij is vertegenwoordigd door een vakbondsafgevaardigde van de verwerende partij. Het stuk 8 van het dossier van de verwerende partij is meer dan overtuigend nu in dit schrijven van de rechtskundige dienst van de verwerende partij aan de advocaat, gelast door de verwerende partij, wordt gesteld dat voor collega's van de eisende partij (reeds in november 1995) het nodige werd gedaan en de zaak dan ook snel ten gronde moet worden nagezien en desgevallend moet worden overgegaan tot dagvaarding. Uit stuk 10 van het dossier van de verwerende partij blijkt zelfs uitdrukkelijk dat het mandaat van de verwerende partij op vraag van de eisende partij een einde nam op 30 november 2000. Uit de diverse stukken kan afdoende worden afgeleid dat het mandaat van de verwerende partij zeker geen "eerstelijnshulp" betrof maar dat de eisende partij er terecht mocht vanuit gaan dat de verwerende partij zijn dossier zou behartigen tegen de werkgever en ook tegen alle andere instanties die zouden tussenkomen (bij faillissement) om zijn aanspraken te realiseren, zoals bv. vermeld Fonds voor Sluiting van Ondernemingen. De vordering van de eisende partij was aan de verwerende partij genoegzaam bekend en in het kader van haar juridische dienstverlening kan de verwerende partij niet stellen dat zij enkel maar handelde volgens welbepaalde concrete opdrachten van de eisende partij. 2. Nopens de uitvoering van het mandaat 2.1. Krachtens artikel 1991 van het Burgerlijk Wetboek is de lasthebber gehouden de lastgeving te volbrengen zolang hij niet is ontheven en is hij verantwoordelijk voor de schade die uit het niet uitvoeren ervan zou kunnen ontstaan. Volgens artikel 1992 van het Burgerlijk Wetboek is de lasthebber niet alleen aansprakelijk voor opzet maar voor zijn schuld in de uitvoering van zijn opdracht. Niettemin wordt de aansprakelijkheid wegens schuld minder streng toegepast ten aanzien van diegene die de lastgeving om niet op zich neemt dan ten aanzien van diegene die daarvoor een loon ontvangt. Alhoewel de verwerende partij geen loon ontving in de strikte zin van het woord kan toch niet worden gezegd dat het hier gaat om een lastgeving "om niet" nu juridische bijstand begrepen is in het lidgeld van de vakbond. De verbintenis van een mandataris is geen resultaatverbintenis maar een middelenverbintenis d.w.z. dat de lasthebber, als een goede huisvader, alle middelen moet aanwenden om tot het beoogde resultaat te komen. 2.2. Er rest dan de vraag of de verwerende partij dit mandaat foutief heeft uitgevoerd in het licht van een middelenverbintenis. Zoals reeds gezegd heeft de eisende partij de globale behandeling van zijn dossier op sociaalrechtelijk vlak tegen zijn ex-werkgever toevertrouwd aan de verwerende partij. Dit impliceert dat de eisende partij van de verwerende partij kon verwachten dat zij niet alleen stappen deed tegen de werkgever maar ook dat de verwerende partij, in acht genomen het faillissement, de nodige stappen deed bij andere instanties om de rechten van de eisende partij te vrijwaren. Hierbij kan in de eerste plaats worden gedacht aan de tussenkomst bij het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen, het Fonds voor Bestaanszekerheid (voor de getrouwheidszegels en het weerverlet) en de Patroonkas voor het betaald verlof in de bouwbedrijven en volstond het eigenlijk om bij deze instanties tijdig een aanvraag in te dienen. Uit het dossier blijkt onbetwistbaar dat de verwerende partij zich bezig hield met het dossier toen er nog geen sprake kon zijn van verjaring ten aanzien van de vermelde instanties. Indien de verwerende partij van oordeel was dat haar mandaat beperkt was tot welbepaalde handelingen, dan had zij minstens de eisende partij moeten informeren dat hijzelf de nodige initiatieven diende te nemen vooraleer de verjaring intrad. Ten onrechte stelt de verwerende partij dat de eisende partij voor verwarring zorgde door het raadplegen van een persoonlijke raadsman. Uit het dossier blijkt dat deze raadsman uitsluitend tussenkwam op penaal gebied (bij de onderzoeksrechter). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verwerende partij het mandaat van de eisende partij foutief, minstens onzorgvuldig uitgevoerd. 3. Nopens de schade van de eisende partij 3.1. In hoofdsom vordert de eisende partij enkel nog het verlies aan vakantiegeld, in hoofdorde een bedrag van 1.370,62 euro en ondergeschikt een bedrag van 359,86 euro. Uit het dossier en de debatten ter terechtzitting is gebleken dat het in hoofdorde gevorderde bedrag ook betrekking heeft op de prestaties voor de vroegere werkgever A., wat werd geregeld, en enkel het bedrag van 359,86 betrekking heeft op de werkgever C.. Dit bedrag wordt als dusdanig niet betwist door de verwerende partij en had kunnen worden bekomen indien tijdig een aanvraag was ingediend bij de Nationale Patroonkas voor het betaald verlof in de bouwbedrijven en openbare werken (stuk 23 van het dossier van de eisende partij). 3.2. Daarnaast vordert de eisende partij ook interesten op de (op 2 april 2002) bekomen bedragen van het Fonds voor Bestaanszekerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf (inzake de weerverlet- en getrouwheidzegels) alsook op vermeld bedrag aan vakantiegeld. Nu geen zekerheid bestaat wanneer de eisende partij deze bedragen had bekomen indien de verwerende partij tijdig het nodige had gedaan bij deze instellingen en het verlies aan interesten niet kan worden becijferd, zijn enkel interesten verschuldigd vanaf de aangetekende aanmaning door de raadsman van de eisende partij aan de verwerende partij op 14 februari 2001 en de gerechtelijke interesten. B. De tegenvordering Aangezien de hoofdvordering (gedeeltelijk) is gegrond kan er uiteraard geen sprake zijn van tergend en roekeloos geding en is de tegenvordering ongegrond. C. Voorlopige tenuitvoerlegging Bij gebrek aan concrete argumentatie van de eisende partij zijn er geen redenen voorhanden om de voorlopige tenuitvoerlegging toe te staan. D. De gerechtskosten Deze dienen ten laste te worden gelegd van de verwerende partij, die in het ongelijk werd gesteld. Deze kosten kunnen evenwel niet worden begroot aangezien partijen voor deze rechtbank geen begroting van de kosten hebben neergelegd. OP DEZE GRONDEN: de rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, - wijst de meeromvattende en strijdige conclusies af; - laat de vordering en de tegenvordering toe; - verleent aan de eisende partij afstand van geding ten aanzien van de heer J. D. B.; - verklaart de vordering gedeeltelijk gegrond en veroordeelt de verwerende partij A.C.V. (ACV) om te betalen aan de eisende partij de som van driehonderd en negenenvijftig euro en zesentachtig cent (EUR 359,86), meer de verwijlinteresten vanaf de aanmaning dd. 14 februari 2001 op de som van 743,23 euro tot 22 april 2002, en vanaf dan op 359,86 euro, meer de gerechtelijke interesten; - verklaart de tegenvordering ongegrond; - stelt vast dat bij ontstentenis van een omstandige opgave het bedrag van de tot op heden te vereffenen kosten van de partijen niet kan worden bepaald; - verwijst de verwerende partij in de kosten van het geding; - wijst de vordering voor het overige af. Aanwezig: Luc HOEDAERT, voorzitter van de Arbeidsrechtbank, voorzitter van de kamer; Marc PROVOST, rechter in sociale zaken benoemd als werkgever; Lucien DE WAELE, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider; Myriam DE BOCK, griffier. De Waele Provost De Bock Hoedaert PDF document ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050412.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.