id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 10 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050510.1 Rolnummer: 26861II;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-17 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-07-01 03:12 Fiche Ten onrechte vordert de eisende partij een vergoeding voor hulp van derden in toepassing van artikel 4 ,§2 van de vermelde Wet van 3 juli
- Volgens de deskundige kan hulp nodig zijn bij niet dagelijkse onderhoudsactiviteiten, zoals de "grote kuis" (o.a. verplaatsen van meubels). Om aanspraak te kunnen maken op de bijkomende vergoeding moet de toestand van het slachtoffer absoluut de geregelde hulp van derden vereisen, hetgeen hier niet het geval is. Het moet gaan om essentiële handelingen van het dagelijks leven (Arbh. Brussel, 12 mei 1998, De Verz., 1998, 456) want elk ongeval geeft beperkingen, die worden "opgevangen" via de vergoedingen voor blijvende arbeidsongeschiktheid. De vergoeding voor hulp van derden vindt zijn oorsprong in het vermoeden van loonderving van de personen die de getroffene verzorgen terwijl de eisende partij zeker niet "absoluut ge-regelde" bijstand nodig heeft van derden. Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . ARBEIDSONGEVALLEN IN DE OVERHEIDSSECTOR Hulp van derden Noodzaak. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - 4§2 - 01 ELI link Pub nr 1967070305 Tekst van de beslissing Uitgifte Eerste bladzijde. V. . op A.R. nr. 26.861/II. Rep. nr. . aan ____________________________________________________________________________ C.D. R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, tweede kamer, spreekt het hieronder R.P. volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van dinsdag tien mei Verminderd tweeduizend en vijf Griffierecht IN DE ZAAK: R. H., postbeambte, voorheen wonende te, thans wonende te, eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. R. Simon namens Mr. M. Vander Kimpen, advocaten te Zottegem, tegen D. P., naamloze vennootschap van publiek recht, waarvan de zetel gevestigd is te, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. J. Decraeye, advocaat te Oudenaarde namens Mr. M. Broeckaert, advocate te Geraardsbergen. De artikelen 2, 30, 34, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. De verwerende partij werd regelmatig gedagvaard bij exploot haar betekend op 29 maart 1999 door de gerechtsdeurwaarder L. Santy, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van H. Cleopater te Schaarbeek. Tijdens de terechtzitting van 2 december 2003 werd de zaak overeenkomstig artikel 730 ,§ 2 a) van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve van de algemene rol weggelaten. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 24 maart 2004, heeft de eisende partij verzocht de zaak opnieuw op de rol te plaatsen. De vordering strekt ertoe te horen vaststellen: - de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid en de graad dezer, alsmede de graad van de blijvende arbeidsongeschiktheid, die de eisende partij heeft opgelopen en overgehouden ingevolge letsels opgelopen bij het arbeidsongeval haar overkomen op 14 november 1996 te B.; - de aan de eisende partij toekomende vergoeding, te berekenen op basis van de graad der arbeidsongeschiktheid en van het basisloon. Bij tussenvonnis van 11 mei 1999 werd de vordering toegelaten en werd als deskundige aangesteld dokter L. Dhont, geneesheer-specialist te Zingem (Huise). De deskundige legde op 10 november 1999 zijn verslag neer ter griffie. Daarin besluit hij dat de eisende partij ingevolge de letsels opgelopen bij het ongeval haar overkomen op 14 november 1996 tijdelijk arbeidsongeschikt was voor honderd percent vanaf 14 november 1996 tot 20 juli 1997, voor vijfentwintig percent vanaf 21 juli 1997 tot 7 september 1997, voor honderd percent vanaf 8 september 1997 tot 12 september 1997, voor vijfentwintig percent van 13 september 1997 tot 24 september 1997, voor honderd percent vanaf 25 september 1997 tot 26 september 1997, voor vijfentwintig percent vanaf 27 september 1997 tot 5 oktober 1997 en voor honderd percent vanaf 6 oktober 1997 tot 10 oktober 1997 en een blijvende arbeidsongeschiktheid van vijftien percent overhoudt vanaf de datum der consolidatie, zijnde 11 oktober
- Het dragen van een prothese moet worden voorzien: een lumbostaat of lendensteunverband, in elastische stof of tijk en metaal of eventueel met plastieken rugplaat, met vernieuwing om de vier jaar. Bij conclusie, neergelegd ter griffie op 20 december 2004, heeft de eisende partij haar vordering uitgebreid. De eisende partij vordert een bedrag van 121,94 euro voor medische kosten (dokter en apotheker) en een bedrag van 210,63 euro voor verplaatsingskosten. De eisende partij vraagt tevens betaling van een vergoeding voor hulp van derden, interesten en voorbehoud te verlenen met betrekking tot de kosten verbonden aan de door de deskundige voorgeschreven prothese. De rechtbank heeft de partijen gehoord; de stukken van het dossier en de conclusies van de partijen werden ingezien. Standpunt van partijen na deskundig verslag In de conclusie dd. 20 december 2004 na deskundig verslag vraagt de eisende partij, naast de toekenning van de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid, een vergoeding voor hulp van derden, betaling van medische kosten en verplaatsingskosten en voorbehoud met betrekking tot de prothese. De verwerende partij betwist de medische kosten alsook de vergoeding voor hulp van derden. Beoordeling
- Er is geen betwisting inzake de periodes en graad van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid en ook wordt het percentage (vijftien percent) van de blijvende arbeidsongeschiktheid, conform het deskundig verslag, niet betwist.
- De verwerende partij dient overeenkomstig artikel 3 van de Wet van 3 juli 1967, betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, en artikel 9 van het Koninklijk Besluit van 12 juni 1970, betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden der instellingen van openbaar nut en de autonome overheidsbedrijven voor arbeidsongevallen en ongevallen op de weg naar en van het werk, in te staan voor de medische kosten (o.a. dokter en apotheker). De voorwaarde is evenwel dat deze kosten (ook toekenbaar na de datum van consolidatie) zijn genoodzaakt door het arbeidsongeval, waarvan de bewijslast op de eisende partij rust. De eisende partij, die deze kosten voor het eerst vordert in de conclusie dd. 20 december 2004 (meer dan 8 jaar na het ongeval en meer dan 5 jaar na de neerlegging van het deskundig eindverslag ), toont niet aan dat deze kosten in oorzakelijk verband staan met het ongeval.
- Inzake de verplaatsingskosten, verschuldigd door de verwerende partij in toepassing van vermeld artikel 9 van het Koninklijk Besluit van 12 juni 1970, voert de verwerende partij geen concrete betwisting zodat het gevorderde bedrag van 210,63 euro kan worden toegekend.
- De door deskundige voorziene prothese kan worden weerhouden.
- Ten onrechte vordert de eisende partij een vergoeding voor hulp van derden in toepassing van artikel 4,§2 van de vermelde Wet van 3 juli 1967 (waarvan de berekening overigens enkel kan geschieden op basis van het gewaarborgd maandloon). Volgens de deskundige kan hulp nodig zijn bij niet dagelijkse onderhoudsactiviteiten, zoals de "grote kuis" (o.a. verplaatsen van meubels). Om aanspraak te kunnen maken op de bijkomende vergoeding moet de toestand van het slachtoffer absoluut de geregelde hulp van derden vereisen, hetgeen hier niet het geval is. Het moet gaan om essentiële handelingen van het dagelijks leven (Arbh. Brussel, 12 mei 1998, De Verz., 1998, 456) want elk ongeval geeft beperkingen, die worden "opgevangen" via de vergoedingen voor blijvende arbeidsongeschiktheid. De vergoeding voor hulp van derden vindt zijn oorsprong in het vermoeden van loonderving van de personen die de getroffene verzorgen terwijl de eisende partij zeker niet "absoluut geregelde" bijstand nodig heeft van derden.
- Over het bedrag van het basisloon (EUR 15.887,54 euro voor het jaar 1996) is er geen betwisting.
- Op grond van het verslag van de deskundige acht de rechtbank dat de eisende partij ingevolge de letsels opgelopen bij het arbeidsongeval haar overkomen op 14 november 1996 arbeidsongeschikt was voor honderd percent vanaf 14 november 1996 tot 20 juli 1997, voor vijfentwintig percent vanaf 21 juli 1997 tot 7 september 1997, voor honderd percent vanaf 8 september 1997 tot 12 september 1997, voor vijfentwintig percent van 13 september 1997 tot 24 september 1997, voor honderd percent vanaf 25 september 1997 tot 26 september 1997, voor vijfentwintig percent vanaf 27 september 1997 tot 5 oktober 1997 en voor honderd percent vanaf 6 oktober 1997 tot 10 oktober 1997 en dat zij een blijvende arbeidsongeschiktheid van vijftien percent overhoudt met ingang van 11 oktober
- Dienvolgens heeft de eisende partij recht op de wettelijke vergoedingen voor de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, alsmede vanaf 11 oktober 1997 op een jaarlijkse vergoeding, die, berekend op basis van de hoger vermelde graad der blijvende arbeidsongeschiktheid en van het basisloon, 2383,13 euro bedraagt. Overeenkomstig artikel 20 bis van de vermelde Wet van 3 juli 1967 zijn interesten verschuldigd vanaf de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin de renten en vergoedingen eisbaar zijn. Volledigheidshalve dient gezegd dat voor de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid de eisbaarheid ontstaat bij de consolidatie (en niet bij de rechterlijke beslissing), conform het arrest van het Arbitragehof dd. 8 mei
- OP DEZE GRONDEN: De rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, - verklaart de vordering gedeeltelijk gegrond; - zegt dat de eisende partij ingevolge het arbeidsongeval haar overkomen op 14 november 1996 te Brussel tijdelijk arbeidsongeschikt was voor honderd percent vanaf 14 november 1996 tot 20 juli 1997, voor vijfentwintig percent vanaf 21 juli 1997 tot 7 september 1997, voor honderd percent vanaf 8 september 1997 tot 12 september 1997, voor vijfentwintig percent van 13 september 1997 tot 24 september 1997, voor honderd percent vanaf 25 september 1997 tot 26 september 1997, voor vijfentwintig percent vanaf 27 september 1997 tot 5 oktober 1997 en voor honderd percent vanaf 6 oktober 1997 tot 10 oktober 1997; - stelt de datum van de consolidatie vast op 11 oktober 1997; - zegt dat de eisende partij als gevolg der bij dit arbeidsongeval opgelopen letsels een blijvende arbeidsongeschiktheid van vijftien percent (15 %) overhoudt vanaf 11 oktober 1997; - stelt het bedrag van het basisloon vast op vijftienduizend achthonderd zevenentachtig euro en vierenvijftig cent (EUR 15.887,54); - zegt dat de verwerende partij aan de eisende partij de wettelijke vergoedingen voor de hierboven vermelde periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid zal uitkeren; - bepaalt het bedrag van de jaarlijkse vergoeding die de verwerende partij vanaf 11 oktober 1997 aan de eisende partij zal uitkeren op tweeduizend driehonderd drieëntachtig euro en dertien cent (EUR 2.383,13); - veroordeelt de verwerende partij tot betaling van een bedrag van tweehonderd en tien euro en drieënzestig cent (EUR 210,63) voor verplaatsingskosten; - weerhoudt als prothese een lumbostaat of lendensteunverband, in elastische stof of tijk en metaal of eventueel met plastieken rugplaat, met vernieuwing om de vier jaar; - zegt dat de eisende partij gerechtigd is op de wettelijke interesten vanaf de eerste dag van de derde maand waarin de renten of kapitalen eisbaar zijn; - stelt vast dat bij ontstentenis van een omstandige opgave het bedrag van de tot op heden te vereffenen kosten van de partijen niet kan worden bepaald; - verwijst met toepassing van artikel 9 van het Koninklijk Besluit van 12 juni 1970, betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden der instellingen van openbaar nut en de autonome overheidsbedrijven voor arbeidsongevallen en ongevallen op de weg naar en van het werk, de verwerende partij in de kosten van het geding. Aanwezig: Luc HOEDAERT, voorzitter van de Arbeidsrechtbank, voorzitter van de kamer; Marc PROVOST, rechter in sociale zaken benoemd als werkgever; Lucien DE WAELE, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider; Myriam DE BOCK, griffier. Bij beschikking dd. 10 mei 2005 van de Voorzitter der Rechtbank werd de heer Marc Provost, rechter in sociale zaken, aangewezen ter vervanging van de heer Etienne Verdonckt, die wettig verhinderd is de uitspraak bij te wonen van dit vonnis waarover hij mede heeft beraadslaagd. Bij beschikking dd. 10 mei 2005 van de Voorzitter der Rechtbank werd de heer Lucien De Waele, rechter in sociale zaken, aangewezen ter vervanging van de heer Gerard Declercq, die wettig verhinderd is de uitspraak bij te wonen van dit vonnis waarover hij mede heeft beraadslaagd. De Waele Provost De Bock Hoedaert PDF document ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050510.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.