id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 11 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050511.4 Rolnummer: 120725;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-08 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-01 03:13 Fiche De voorwaarde van werkbereidheid kan inzake maatschappelijke dienstverlening slechts opgelegd worden bij een formele beslissing van het O.C.M.W., met kennisgeving aan de betrokkene. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Maatschappelijke dienstverlening. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 60 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK BRUGGE wZevende kamerw OPENBARE TERECHTZITTING VAN 11 MEI
- Rep.nr.: In de zaak A.R. nr. 120.725 V. S., wonende te; - EISER hebbende als raadsman Meester Landuyt F., advocaat te Beernem; tegen : O. C. V. M. W. O. (OCMW O.), met zetel gevestigd te; - VERWEERDER hebbende als raadsman Meester Dockx P., advocaat te Oostende; ______________________________________________________________________
- PROCEDURE : De vordering werd ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 23 december 2004, zoals blijkt uit het dossier van de rechtspleging. De partijen zijn verschenen ter openbare terechtzitting van 27 april 2005, alwaar zij werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen, waarna de debatten werden gesloten en het O.M. mondeling advies verleende, waarop partijen niet repliceerden. Vervolgens werd de zaak in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op de zitting van heden. De rechtspleging gebeurde in het Nederlands, overeenkomstig de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
- VOORWERP VAN DE VORDERING MIDDELEN VAN PARTIJEN Eiser bestrijdt verweerders beslissing van 18 november 2004 waarin het equivalent leefloon wordt geweigerd vanaf 28 september 2004 omdat hij niet voldoende blijk geeft van werkbereidheid. Volgens eiser heeft hij nog vóór de beslissing de bewijzen voorgelegd van zijn inschrijvingen in de VDAB en interimbureaus. Verweerder volhardt. Partijen werden gehoord over de toepassing en interpretatie van art.60 ,§3 OCMW-wet, maar legden daarover geen conclusies neer.
- GRONDEN VAN HET VONNIS - BEOORDELING: De rechtbank nam kennis van het gerechtsdossier, het administratief dossier en de overtuigingsstukken.
- Eiser is een vreemdeling die de regularisatie verkreeg conform de wet van 22 december
- Door verweerder werd hem vervolgens het equivalent leefloon als alleenstaande toegekend. In toepassing van art.60 ,§7 OCMW-wet werd eiser tewerkgesteld in het stedelijk zwembad te Oostende vanaf 2 februari 2004, doch hij werd er op 11 augustus 2004 ontslagen om dringende reden. Op 28 september 2004 deed eiser een nieuwe aanvraag. Eiser kon op dat ogenblik geen bewijs voorleggen van zijn inschrijving in de VDAB, maar verklaarde daar wel te zijn geweest, waar men hem had aangeraden zich in te schrijven in interimbureaus, wat hij evenwel nog niet deed omdat het slechts kortlopende contracten zijn. Hij verklaarde opnieuw een tewerkstelling volgens art. 60 ,§7 te willen beginnen. Eiser legt thans een aanmeldingsbewijs voor bij T-interim van 18 november 2004, doch het is niet duidelijk of dit aan verweerder werd meegedeeld vóór diens beslissing. Eiser verklaarde zich niet akkoord met het sociaal verslag. De bestreden beslissing is een weigering van financiële steun, gegrond op het omstandig beschreven gebrek aan werkbereidheid van eiser.
- De eis werkbereid te zijn is een voorwaarde die wel is ingeschreven in de wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie (art.3, 5°), maar niet in de wet op de maatschappelijke dienstverlening. Art.60 ,§3, tweede en derde lid OCMW-wet luiden evenwel : 'De financiële hulpverlening kan bij beslissing van het centrum worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13,§2 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Indien deze voorwaarden niet worden nageleefd kan het recht op financiële hulp, op voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste één maand.' In casu is noch een dergelijke beslissing, noch een dergelijk voorstel te vinden, en toch heeft verweerder zijn weigeringsbeslissing gesteund op het gebrek aan werkbereidheid van eiser.
- Zoals bekend hebben de Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie (RMI-wet) en de Wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW-wet) een verschillende finaliteit. Gaandeweg echter is de maatschappelijke dienstverlening, in de vorm van financiële hulp, op het terrein gaan lijken op het bestaansminimum/leefloon, vooral in de gevallen waarin de betrokkene niet voldoet aan alle voorwaarden voor het bestaansminimum/leefloon, bv inzake nationaliteit, maar a.h.w. in dezelfde precaire chronische situatie verkeert. Gebruikelijk werd hem dan een bedrag toegekend, dat niet alleen hetzelfde is als het bestaansminimum/leefloon (en daarom 'equivalent' wordt genoemd) maar zelfs volgens de categorieën die gelden voor het bestaansminimum/leefloon (alleenstaande, samenwonende, enz). De hoger vermelde bepalingen werden, bij art.6, 2° Wet 12 januari 1993, toegevoegd aan art. 60 ,§3, eerste lid, precies om de samenhang en de harmonisering tussen beide wetgevingen te bevorderen (Gedr. St. Kamer 1991-92, Memorie van Toelichting 630/1, 9 en Verslag 630/5, 49). In de voorbereidende werken kunnen evenwel geen andere motieven, oogmerken of interpretaties worden teruggevonden. Volgens bepaalde rechtspraak geldt: 'Overwegingen en intenties, geuit tijdens de parlementaire voorbereiding van een wet, die uiteindelijk niet worden opgenomen in de in een klare taal gestelde wettekst, zijn van geen belang en geven de rechter zeker geen vrijbrief de tekst naar goeddunken te interpreteren' (Arbh. Gent, afd. Brugge 6e k. 9.12.2004 inz. Ocmw Brugge / Vandenbussche, en 3.03.2005 inz. OCMW Brugge / Van Der Toorn) ? Als deze regel zou gevolgd worden, kan de samenhang en harmonisering in casu dus niet in grotere mate worden vastgesteld dan ze blijkt uit de klare wettekst. De werkbereidheid is een wettelijke voorwaarde voor het leefloon, maar in principe niet voor de maatschappelijke dienstverlening, ook niet wanneer deze de vorm heeft van financiële steun equivalent aan het leefloon. Werkbereidheid kan slechts een voorwaarde worden als het ocmw ze oplegt aan de betrokkene, en enkel 'bij beslissing van het centrum', dus niet door bv een mededeling van de maatschappelijk werker. En als vervolgens wordt vastgesteld dat aan deze voorwaarde niet voldaan wordt, kan het ocmw de financiële steun enkel weigeren op voorstel van de maatschappelijk werker. Dat de werkbereidheid al impliciet in art.1 OCMW-wet zou vervat zitten, doordat deze de betrokkene in staat stelt een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, waarvan het gebrek juist de aanspraak op maatschappelijke dienstverlening opent, is in die context niet te volgen doordat art.60 ,§3, tweede lid dan een overbodige bepaling zou worden en een wettelijke bepaling in principe moet geïnterpreteerd in de zin dat ze betekenis heeft. Het is ook tegenstrijdig dat deze voorwaarde reeds ab initio zou gelden, terwijl het ocmw ze nog facultatief kan opleggen. Iets dat kàn opgelegd worden, wordt verondersteld niet tot de aanvankelijke voorwaarden te behoren. Om de maatschappelijke dienstverlening in de vorm van financiële steun te kunnen weigeren op grond van het gebrek aan werkbereiedheid, moet het ocmw dus vooraf deze voorwaarde in een formele beslissing opleggen. Het is logisch dat een in principe niet gestelde voorwaarde slechts kan opgelegd worden mits de waarborg van een formele beslissing, zodat de betrokkene er duidelijk kennis van krijgt, wat dan achteraf ook bewijsproblemen omtrent het opleggen ervan vermijdt. Bijgevolg is een uitdrukkelijke beslissing van verweerder nodig om de voorwaarde van werkbereidheid te kunnen opleggen (Arbrb. Brussel 13.09.2001 inz. X / OCMW Schaarbeek, onuitg.; Arbrb. Kortrijk 5.09.2001, inz. X / OCMW Kortrijk, onuitg.). Nu verweerder zijn weigering gesteund heeft op een voorwaarde, die niet wettig gold en die hij niet beslist heeft op te leggen, is zijn bestreden beslissing nietig. Uit de verdere gegevens blijkt dat eiser niet in de mogelijkheid was een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. O M D E Z E R E D E N E N : De Arbeidsrechtbank; Wijzende op tegenspraak en na beraadslaging ; Gehoord de heer Bert SALEMBIER, substituut- arbeidsauditeur bij de arbeidsrechtbank van Gent, aan wie bij beschikking van de Procureur-generaal d.d. 24 januari 2005 opdracht werd gegeven om zijn ambt met ingang van 1 februari 2005 tijdelijk en gedeeltelijk waar te nemen bij het arbeidsauditoraat van Brugge, in zijn mondeling advies dat werd gegeven ter zitting van 27 april 2005; Ontvangt de vordering van eiser en verklaart ze gegrond in volgende mate; Vernietigt de bestreden beslissing; Zegt voor recht dat verweerder jegens eiser vanaf 28 september 2004 gehouden is tot de maatschappelijke dienstverlening, in de vorm van financiële steun equivalent aan het leefloon als alleenstaande; Vereffent de kosten aan de zijde van eiser op 104,86 euro rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van verweerder niet bij gebrek aan opgave; Verwijst verweerder tot de gedingskosten conform art. 1017, lid 2 gerechtelijk wetboek; Aldus gewezen en uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Brugge, zevende kamer, in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge, op WOENSDAG ELF MEI TWEEDUIZEND EN VIJF. Waren aanwezig: Willy DUPONT : rechter; Roland DHELFT : rechter in sociale zaken-werknemer; Roger GRAUWET : rechter in sociale zaken-werkgever; Christian SANTY : griffier. C. SANTY - R. DHELFT - R. GRAUWET - W. DUPONT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20050511.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.