← België

ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20051201.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 01 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20051201.2 Rolnummer: 28042II;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-03 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-01 03:36 Fiche Het geschil betreft een betwisting betreffende de tegemoetkomingen voor verzorging en bij-stand in de handelingen van het dagelijks leven in toepassing van artikel 147 e.v. van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van artikel 34 (11° en 12°) van de Wet be-treffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorgingen en uitkeringen gecoör-dineerd op 14 juli

  1. Het betreft in dit geval tegemoetkomingen die toekomen aan rust- en verzorgingstehuizen, zoals de eerste eisende partij, voor de verzorging en bijstand van bejaarden, in functie van de zorgbehoevendheid van hen. In hoofde van de eerste eisende partij betreft het een vordering in toepassing van artikel 580, 4° van het Gerechtelijk Wetboek. Gelet op artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek geschiedt de rechtsingang in principe bij dagvaarding. De vereenvoudigde vorm van rechtsingang, namelijk bij verzoekschrift neergelegd ter grif-fie, kan slechts aangewend kan worden in geschillen opgesomd in artikel 704 van het Ge-rechtelijk Wetboek, namelijk de artikelen 508/16, 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°; 581, 2°; 582, 1°, 2° en 583 van hetzelfde wetboek. De regel vervat in vermeld artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek ressorteert onder de rechterlijke organisatie en de artikelen 860 en 861 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen niet worden toegepast op de miskenning van deze regel (o.a. Cass., 27 mei 1994, A.C., 1995, 534; Cass., 30 oktober 1997, A.C., 1997, 1052). De rechtbank kan best begrijpen dat de eerste eisende partij zich onrechtvaardig behandeld voelt en de exceptie van ontoelaatbaarheid van de verwerende partij als Kafkaiaans bestem-pelt nu zij precies heeft gedaan wat de verwerende partij, als openbare instelling ( ), heeft voorgeschreven in de bestreden beslissing. De foutieve informatie in de bestreden beslissing kan evenwel de regels van het Gerechtelijk Wetboek niet wijzigen en afbreuk doen aan de rechterlijke organisatie zodat de rechtbank de vordering ontoelaatbaar dient te verklaren. Inzake de gerechtskosten zou het niet te verantwoorden zijn dat de verwerende partij, die de eerste eisende partij foutief informeert en daarna de ontoelaatbaarheid opwerpt, hieraan nog een rechtsplegingsvergoeding zou overhouden. Alhoewel de eisende partij dient te worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij kan van de kostenregeling van artikel 1.017 eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek wor-den afgeweken op basis van een bijzondere wet, zoals bijvoorbeeld artikel 1382 van het Bur-gerlijk Wetboek (Cass. 24 april 1978, A.C., 1978, 965). Elke partij zal dienen in te staan voor de eigen kosten van het geding. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Art. 700 Ger. W. Inleiding bij verzoekschrift door verkeerde informatie Gerechtskosten. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 700 Tekst van de beslissing Uitgifte Eerste bladzijde. V. . op A.R. nr. 28.042/I. Rep. nr. . aan ____________________________________________________________________________ C.D. R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, eerste kamer, spreekt het hieronder R.P. volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van donderdag één december Verminderd tweeduizend en vijf Griffierecht IN DE ZAAK:
  2. V., vereniging zonder winstoogmerk, H. St.-P., waarvan de zetel gevestigd is te, eerste eisende partij, voor wie ter terechtzitting is verschenen mevr. C. V., directrice, die een schriftelijke volmacht, haar verleend overeenkomstig de statuten door de raad van bestuur, overlegt,
  3. V.D.B., C., J., gepensioneerde, verblijvende te, tweede eisende partij, die niet verschijnt, tegen R.I.Z.I.V., openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. B. V. D. D., advocaat te Ronse. De artikelen 2, 30, 34, 35, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. De vordering werd ingeleid door het verzoekschrift dat de eisende partijen bij een op 11 februari 2005 ter post aangetekende brief toestuurden aan de griffie van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde. Aldus wordt beroep ingesteld tegen de beslissing dd. 12 januari 2005 van de verwerende partij, waarbij aan de eerste eisende partij de lijst van aanpassingen van de categorieën van zorgbehoevendheid o.a. voor wat de tweede eisende partij betreft, werd ter kennis gebracht. Door de beslissing a quo wordt de tweede eisende partij geacht vanaf 13 januari 2005 een zorgenbehoevendheid te hebben overeenstemmend met categorie B, rechtgevend op tegemoetkomingen voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijkse leven ten laste van de ziekte- en invaliditeitsverzekering. De rechtbank heeft de partijen gehoord; de stukken van het dossier werden ingezien. De heer Jean-Pierre Desmet, arbeidsauditeur, wordt gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 3 november 2005 in zijn mondeling advies. De eerste eisende partij en de verwerende partij wensen geen repliek te geven. Door de afwezigheid van de tweede eisende partij wordt deze geacht af te zien van repliek. Standpunt van partijen. Inzake de toelaatbaarheid van de vordering verwijst de eerste eisende partij naar de vermeldingen op de bestreden beslissing en stelt deze voorschriften te hebben nageleefd. Ten gronde stelt de eerste eisende partij dat de zorgbehoevendheid van de tweede eisende partij werd onderschat en vraagt een correcte waardering ervan. De verwerende partij vraagt de Rechtbank de vordering van de eisende partijen niet toelaatbaar te verklaren omdat de vordering werd ingeleid bij verzoekschrift, minstens laattijdig is ingesteld en daarnaast roept de verwerende partij de exceptio obscuri libelli in. Beoordeling.
  4. Het geschil betreft een betwisting betreffende de tegemoetkomingen voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven in toepassing van artikel 147 e.v. van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van artikel 34 (11° en 12°) van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorgingen en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli
  5. Het betreft in dit geval tegemoetkomingen die toekomen aan rust- en verzorgingstehuizen, zoals de eerste eisende partij, voor de verzorging en bijstand van bejaarden, in functie van de zorgbehoevendheid van hen.
  6. Inzake de tweede eisende partij dient vastgesteld dat zij als partij in het geschil werd betrokken omdat zij bovenaan het verzoekschrift van de eerste eisende partij was vermeld doch uit de debatten is gebleken dat deze partij nooit enige intentie heeft gehad om persoonlijk de beslissing van de verwerende partij, enkel betekend aan de eerste eisende partij, aan te vechten. Overigens heeft de tweede eisende partij geen juridisch belang aangezien de tegemoetkomingen toekomen aan de eerste eisende partij. Er dient dan ook vastgesteld te worden dat de tweede eisende partij ab initio geen procespartij is geweest, minstens dat zij niet beschikt over het vereiste belang.
  7. In hoofde van de eerste eisende partij betreft het een vordering in toepassing van artikel 580, 4° van het Gerechtelijk Wetboek. Gelet op artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek geschiedt de rechtsingang in principe bij dagvaarding. De vereenvoudigde vorm van rechtsingang, namelijk bij verzoekschrift neergelegd ter griffie, kan slechts aangewend kan worden in geschillen opgesomd in artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek, namelijk de artikelen 508/16, 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°; 581, 2°; 582, 1°, 2° en 583 van hetzelfde wetboek. De regel vervat in vermeld artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek ressorteert onder de rechterlijke organisatie en de artikelen 860 en 861 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen niet worden toegepast op de miskenning van deze regel (o.a. Cass., 27 mei 1994, A.C., 1995, 534; Cass., 30 oktober 1997, A.C., 1997, 1052). De rechtbank kan best begrijpen dat de eerste eisende partij zich onrechtvaardig behandeld voelt en de exceptie van ontoelaatbaarheid van de verwerende partij als Kafkaiaans bestempelt nu zij precies heeft gedaan wat de verwerende partij, als openbare instelling ( ), heeft voorgeschreven in de bestreden beslissing. De foutieve informatie in de bestreden beslissing kan evenwel de regels van het Gerechtelijk Wetboek niet wijzigen en afbreuk doen aan de rechterlijke organisatie zodat de rechtbank de vordering ontoelaatbaar dient te verklaren. De eventuele aansprakelijkheid van de verwerende partij voor de foutieve informatie valt buiten dit (gelimiteerd) geschil.
  8. Inzake de gerechtskosten zou het niet te verantwoorden zijn dat de verwerende partij, die de eerste eisende partij foutief informeert en daarna de ontoelaatbaarheid opwerpt, hieraan nog een rechtsplegingsvergoeding zou overhouden. Alhoewel de eisende partij dient te worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij kan van de kostenregeling van artikel 1.017 eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek worden afgeweken op basis van een bijzondere wet, zoals bijvoorbeeld artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek (Cass. 24 april 1978, A.C., 1978, 965). Elke partij zal dienen in te staan voor de eigen kosten van het geding. OP DEZE GRONDEN: de rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, gelet op het mondeling gelijkluidend advies van het Openbaar Ministerie, - laat de vordering ten opzichte van de eerste eisende partij niet toe; - stelt vast dat de tweede eisende partij ten onrechte werd aangeduid als procespartij, minstens dat zij niet beschikt over het vereiste belang; - stelt vast dat bij ontstentenis van een omstandige opgave het bedrag van de tot op heden te vereffenen kosten van de partijen niet kan bepaald worden; - verwijst elke partij in de eigen kosten van het geding. Aanwezig: Luc HOEDAERT, voorzitter van de Arbeidsrechtbank, voorzitter van de kamer; André HELSKENS, rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever; Eddy DE BOCK, rechter in sociale zaken, benoemd als werknemer-bediende; Myriam DE BOCK, hoofdgriffier. E. De Bock Helskens M. De Bock Hoedaert PDF document ECLI:BE:ARGNT:2005:JUG.20051201.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.