id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 05 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060105.2 Rolnummer: 26699I;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-03 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-01 04:00 Fiche Er dient dan nog te worden onderzocht of de eisende partij, op wie de bewijslast rust, bewijst dat hij was verbonden door een arbeidsovereenkomst. 1. Een eerste discussiepunt is de vraag naar het bestaan van loon, een constitutieve voor-waarde voor een arbeidsovereenkomst. Volgens de voorhanden zijnde gegevens had de eisende partij, naast zijn onkosten en verplaatsingsvergoeding, enkel recht op een bedrag van 43,38 euro per punt. Er wordt geen bewijs geleverd dat een maandelijkse vaste vergoeding van 500 euro was overeengekomen, ook niet terug te vinden op de individuele rekeningen, die de eisende partij zelf als belangrijk bewijsmateriaal vooropstelt. Gelet op deze zeer beperkte vergoeding per punt (gekoppeld aan het risico van winst en verlies) is de rechtbank van oordeel dat deze bedragen niet kunnen worden aange-merkt als loon in de zin van een tegenprestatie voor de verrichte arbeid maar als een beloning voor het behaalde resultaat zonder enige minimumgarantie (vgl. Arbh. Gent, dd. 16 januari 2003, o.c.). Overigens toont de eisende partij niet aan dat de sportbeoefening voor hem meer was dan vrijetijdsbesteding (ontspanning, sociale contacten, ...) maar gericht was op het verwerven van inkomsten. Het loutere feit dat de sportactiviteit een zekere opbrengst oplevert, betekent niet ipso facto dat het verwerven van die opbrengst de determinerende beweegreden is voor die activiteit en bijgevolg is de vergoeding bij een vrijetijdsbesteding niet als een loon te aanzien (M. De Vos, Loon naar Belgisch Arbeidsovereenkomstenrecht, Maklu, 2001, 107 en 108). Het ontbreken van een loon sluit dus elke arbeidsovereenkomst reeds uit zodat een on-derzoek naar de overige constitutieve bestanddelen niet meer nodig is. 2. Ten overvloede kan nog worden gesteld dat er ook geen overtuigende elementen zijn om te besluiten tot een gezagsverhouding. De aanwezigheid van de eisende partij op (vastgestelde uren van) de trainingen en mat-chen heeft louter te maken met praktische afspraken om de sportbeoefening geordend en kwalitatief mogelijk te maken. Dat de eisende partij in het tweede elftal werd geplaatst is inherent aan het principe dat elke sportclub, van welk niveau ook, zijn beste spelers probeert op te stellen. Evenmin is het ter beschikking stellen van kledij (noodzakelijk voor een uniforme ver-schijning op het plein) van aard om de gezagsverhouding te bewijzen. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN Arbeidsovereenkomsten bedienden Voetballer Afwezigheid van loon en ondergeschiktheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Uitgifte Eerste bladzijde. V. . op A.R. nr. 26.699/I. Rep. nr. . aan ____________________________________________________________________________ C.D. R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, eerste kamer, spreekt het hieronder R.P. volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van donderdag vijf januari Verminderd tweeduizend en zes Griffierecht IN DE ZAAK: B., H., voetballer, wonende te, eisende partij, verwerende partij op tegenvordering, vertegenwoordigd door Mr. K. D. S. namens Mr. J. M., advocaten te Asse, tegen K. S. O., vereniging zonder winstoogmerk, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te, met ondernemingsnummer, verwerende partij, eisende partij op tegenvordering, vertegenwoordigd door Mr. J. V. S., advocaat te Oudenaarde. De artikelen 2, 30, 34, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. De verwerende partij werd regelmatig gedagvaard bij exploot haar betekend op 16 februari 2004 door de gerechtsdeurwaarder E. Bergé, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van L. Bergé. Bij conclusie, neergelegd ter griffie op 13 september 2004, heeft de verwerende partij een tegenvordering ingesteld. De eisende partij verzocht bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 7 april 2005, de rechtsdag te bepalen met toepassing van het artikel 750 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtsdag werd bepaald op 1 december 2005. De door artikel 750 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven formaliteiten werden nageleefd. Tijdens de terechtzitting van 1 december 2005 werd tevergeefs een poging tot minnelijke schikking aangewend. De rechtbank heeft de beide partijen gehoord; de conclusies van de partijen en de stukken van het dossier werden ingezien. De vordering strekt ertoe: 1° de verwerende partij te doen veroordelen om aan de eisende partij te betalen:
- a)een bedrag van 2.500 euro voor achterstallig loon;
- b)een bedrag van 1 euro provisioneel voor achterstallig loon;
- c)een bedrag van 1.377,27 euro voor opzeggingsvergoeding;
- d)de wettelijke en de gerechtelijke interesten hierop; 2° de verwerende partij in de kosten van het geding te doen verwijzen; 3° de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te horen toestaan zonder dat een zekerheid zal moeten gesteld worden. De tegenvordering strekt ertoe de oorspronkelijk eisende partij te doen veroordelen aan de oorspronkelijk verwerende partij te betalen een bedrag van 500 euro, als forfaitaire schadevergoeding. De feiten De eisende partij speelde vanaf 1 juli 2001 als voetballer voor de verwerende partij (in de vierde nationale reeks). Volgens de eisende partij was hij tewerkgesteld met een schriftelijke arbeidsovereenkomst (voor deeltijdse prestaties) terwijl de verwerende partij stelt dat hij speelde als amateur zonder contract. De individuele rekening omschrijft de eisende partij als "bediende-liefhebber", verwijst naar een arbeidsstelsel van 15 uren in de zesdagenweek en vermeldt het Paritair Comité nr. 329. Einde 2002 was de eisende partij gekwetst en hij speelde nadien niet meer in het eerste elftal. Bij schrijven dd. 11 april 2003 werd de verwerende partij in gebreke gesteld door de raadsman van de eisende partij in betaling van achterstallige vergoedingen. Bij schrijven dd. 13 mei 2003 betwistte de raadsman van de verwerende partij dat aan de eisende partij nog vergoedingen waren verschuldigd en maakte voorbehoud voor een contractbreukvergoeding. Bij schrijven dd. 22 mei 2003 deelde de raadsman van de eisende partij mee dat de vordering werd gehandhaafd. Bij schrijven dd. 26 mei 2003 stelde de eisende partij zelf de verwerende partij nogmaals in gebreke. De raadsman van de verwerende partij reageerde opnieuw afwijzend bij brief dd. 3 juni 2003. Bij brief dd. 20 juni 2003 kwam de vereniging S. tussen voor de eisende partij en verwees naar het statuut van sportbeoefenaar. De raadsman van de verwerende partij verwees in zijn brief dd. 1 augustus 2003 naar vorige (afwijzende) briefwisseling. Bij brief dd. 12 augustus 2003 deelde S. mee dat het dossier werd overgemaakt aan hun raadsman. Standpunt van partijen De eisende partij stelt dat de Arbeidsrechtbank bevoegd is omdat hij zijn vordering steunt op een arbeidsovereenkomst. De eisende partij houdt voor dat er een schriftelijke arbeidsovereenkomst werd afgesloten en verwijst ook naar de documenten opgesteld door het sociaal secretariaat. De eisende partij stelt dat hij deeltijds (15 uren) was tewerkgesteld als bediende en ressorteerde onder het Paritair Comité nr. 329 (culturele sector). De eisende partij argumenteert dat het niet alleen gaat om de wedstrijden zelf maar ook om de trainingen, tactische besprekingen, medische verzorging, verplaatsingen,... Volgens de eisende partij sluit het statuut van "amateur" geenszins een arbeidsovereenkomst uit. De eisende partij houdt voor dat sportieve prestaties worden aangezien als arbeid, wat een element is van de arbeidsovereenkomst. De eisende partij argumenteert dat er ook een loon voorhanden is, namelijk 500 euro per maand als vaste vergoeding, naast een vergoeding per punt en verplaatsingsonkosten. De eisende partij vraagt dat de rechtbank zou bevelen dat de verwerende partij de geschreven overeenkomst zou overleggen, waaruit de loonvoorwaarden zullen blijken. Ondergeschikt vraagt de verwerende partij dienaangaande het bewijs met getuigen. Ook is er volgens de eisende partij de factor ondergeschiktheid aanwezig, namelijk hij diende zich te schikken naar de uren van de trainingen en wedstrijden en diende ook de kledij van de verwerende partij te dragen. Naast achterstallig loon vraagt de eisende partij ook een opzeggingsvergoeding omdat de verwerende partij de arbeidsovereenkomst onrechtmatig beëindigde en hij werd weggezonden na een periode van arbeidsongeschiktheid en het spelen van enkele wedstrijden in het B-elftal. De eisende partij betwist de tegenvordering en stelt geen enkele fout te hebben begaan en minstens bewijst de verwerende partij geen schade. De verwerende partij betwist vooreerst de materiële bevoegdheid van de arbeidsrechtbank. Volgens de verwerende partij is de eisende partij een amateur en valt hij alleen onder de specifieke reglementering van de voetbalbond. De verwerende partij betwist dat er met de eisende partij een schriftelijke arbeidsovereenkomst was afgesloten. Volgens de verwerende partij was er mondeling enkel een puntenvergoeding van 43,38 euro afgesproken. Volgens de verwerende partij kan geen belang worden gehecht aan de documenten van het sociaal secretariaat aangezien deze louter werden opgesteld om te voldoen aan de instructies van de Koninklijke Belgische Voetbalbond. De verwerende partij stelt dat de eisende partij louter een amateur was en verwijst naar een arrest van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, waarin werd gesteld dat er (in een soortgelijk geval) geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Evenmin kan er sprake zijn van het statuut van betaalde sportbeoefenaar volgens de verwerende partij. Volgens de verwerende partij werd alles correct betaald en poogt de eisende partij wraak te nemen omdat hij, na een periode van kwetsuren, in het tweede elftal diende te spelen. Bij tegenvordering vraagt de verwerende partij een schadevergoeding van 500 euro omdat de eisende partij eerst onregelmatig kwam en vanaf februari 2003 gewoon niet meer is komen opdagen. Beoordeling A. Nopens de bevoegdheid De volstrekte rechtsmacht is de rechtsmacht bepaald naar het onderwerp, de waarde en in voorkomend geval het spoedeisend karakter van de vordering of de hoedanigheid van partijen (artikel 9 van het Gerechtelijk Wetboek). De bevoegdheid is dus afhankelijk van de aard van de vordering zoals bepaald door de eisende partij en niet van het reëel karakter van de vordering dat de rechtbank dient te onderzoeken. De vordering van de eisende partij steunt op een arbeidsovereenkomst (artikel 578 van het Gerechtelijk Wetboek). De arbeidsrechtbank is en blijft bevoegd wanneer nadien mocht blijken dat de gestelde feiten (bv. het loon of de band van ondergeschiktheid) niet bewezen zijn. Een voorafgaand onderzoek van de grond van de zaak wordt niet aanvaard (Cass. 19 december 1985, R.W., 1986-87, 279; J. Laenens, Bevoegdheid van de arbeidsrechtbank in Sociaal Procesrecht, Maklu 1995, 126). De kwalificaties door de Koninklijke Belgische Voetbalbond en de daar geldende interne procedures kunnen geen beletsel zijn voor de bevoegdheid van deze rechtbank. Deze rechtbank is dan ook ratione materiae bevoegd. B. Hoofdvordering 1. Partijen zijn het er over eens dat de eisende partij niet valt onder het statuut van de betaalde sportbeoefenaar (de Wet van 10 februari 1978), wegens het niet halen van het grensbedrag, en bijgevolg ook niet kan genieten van het vermoeden van artikel 3 van deze Wet dat hij wordt beschouwd als bediende. Met de eisende partij kan worden akkoord gegaan dat het feit dat zijn vergoeding lager is dan het bij Koninklijk Besluit vastgestelde bedrag voor de betaalde sportbeoefenaar niet uitsluit dat hij kan verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst (Arbh. Gent, afdeling Brugge, dd. 16 januari 2003, A.R. 2002/070). 2. Alvorens de elementen van een arbeidsovereenkomst te onderzoeken rijst eerst de vraag naar het al dan niet bestaan van een geschreven arbeidsovereenkomst en naar de juridische draadwijdte van de documenten opgesteld door het sociaal secretariaat. 2.1. Terwijl de eisende partij voorhoudt dat er een geschreven (arbeids)overeenkomst bestaat, waarvan het enige exemplaar in handen is van de verwerende partij, stelt de verwerende partij dat er enkele mondelinge afspraken waren. In ondergeschikte orde vraagt de eisende partij de overlegging van dit stuk in toepassing van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek en uiterst ondergeschikt een getuigenverhoor om te bewijzen dat er een geschreven arbeidsovereenkomst bestaat. De rechtbank is van oordeel dat geen van beide maatregelen kunnen worden bevolen. Om toepassing te maken van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek dienen er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens te zijn dat de partij (of een derde) het stuk onder zich heeft. Dergelijke vermoedens worden door de eisende partij niet aangebracht, die enkel verwijst naar een verklaring van de heer D. die stelt dat hij (het gaat zelfs niet over de eisende partij) geen exemplaar kreeg. Evenmin kan een getuigenbewijs worden toegelaten nu er geen feiten, laat staan voldoende precieze, worden vermeld, die vatbaar zijn voor een eventueel tegenbewijs (R. Mougenot, La Preuve, Larcier 1997, 208; artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek). Overigens brengt het eventuele bewijs van het louter bestaan van een geschreven overeenkomst weinig bij nu daarmee de inhoud nog niet gekend is. 2.2. De eisende partij stelt dat het op basis van de documenten van het sociaal secretariaat afdoende is bewezen dat hij was tewerkgesteld als bediende (deeltijds naar rato van 15 uren). Administratieve, fiscale en sociaalrechtelijke formaliteiten zijn niet determinerend voor de beoordeling van het bestaan van een arbeidsovereenkomst (W. van Eeckhoutte, Sociaal Compendium Arbeidsrecht, 2004-2005, 2073). Dit kan hoogstens een indicatie zijn, zeker geen vermoeden, en het volstaat op zich niet om te concluderen tot een arbeidsovereenkomst temeer daar het voor de clubs van amateurs niet direct duidelijk is hoe de sociale en fiscale documenten dienen te worden opgesteld. Alleen al de aanduiding van het Paritair Comité nr. 329 (cultuur) roept vragen op bij de bekendheid met de sector. 3. Er dient dan nog te worden onderzocht of de eisende partij, op wie de bewijslast rust, bewijst dat hij was verbonden door een arbeidsovereenkomst. 3.1. Een eerste discussiepunt is de vraag naar het bestaan van loon, een constitutieve voorwaarde voor een arbeidsovereenkomst. Volgens de voorhanden zijnde gegevens had de eisende partij, naast zijn onkosten en verplaatsingsvergoeding, enkel recht op een bedrag van 43,38 euro per punt. Er wordt geen bewijs geleverd dat een maandelijkse vaste vergoeding van 500 euro was overeengekomen, ook niet terug te vinden op de individuele rekeningen, die de eisende partij zelf als belangrijk bewijsmateriaal vooropstelt. Overigens heeft de eisende partij nooit om deze vergoeding gevraagd voor de brief dd. 11 april 2003 (na de moeilijkheden met de verwerende partij). Gelet op deze zeer beperkte vergoeding per punt (gekoppeld aan het risico van winst en verlies) is de rechtbank van oordeel dat deze bedragen niet kunnen worden aangemerkt als loon in de zin van een tegenprestatie voor de verrichte arbeid maar als een beloning voor het behaalde resultaat zonder enige minimumgarantie (vgl. Arbh. Gent, dd. 16 januari 2003, o.c.). Overigens toont de eisende partij niet aan dat de sportbeoefening voor hem meer was dan vrijetijdsbesteding (ontspanning, sociale contacten, ...) maar gericht was op het verwerven van inkomsten. Het loutere feit dat de sportactiviteit een zekere opbrengst oplevert, betekent niet ipso facto dat het verwerven van die opbrengst de determinerende beweegreden is voor die activiteit en bijgevolg is de vergoeding bij een vrijetijdsbesteding niet als een loon te aanzien (M. De Vos, Loon naar Belgisch Arbeidsovereenkomstenrecht, Maklu, 2001, 107 en 108). Het ontbreken van een loon sluit dus elke arbeidsovereenkomst reeds uit zodat een onderzoek naar de overige constitutieve bestanddelen niet meer nodig is. 3.2. Ten overvloede kan nog worden gesteld dat er ook geen overtuigende elementen zijn om te besluiten tot een gezagsverhouding. De aanwezigheid van de eisende partij op (vastgestelde uren van) de trainingen en matchen heeft louter te maken met praktische afspraken om de sportbeoefening geordend en kwalitatief mogelijk te maken. Dat de eisende partij in het tweede elftal werd geplaatst is inherent aan het principe dat elke sportclub, van welk niveau ook, zijn beste spelers probeert op te stellen. Evenmin is het ter beschikking stellen van kledij (noodzakelijk voor een uniforme verschijning op het plein) van aard om de gezagsverhouding te bewijzen. 4. Nu de eisende partij geen arbeidsovereenkomst aantoont is de vordering meteen ongegrond. Overigens toont de eisende partij niet aan dat hem nog bepaalde bedragen zijn verschuldigd. Evenmin kan een opzeggingsvergoeding verschuldigd zijn nu de arbeidsovereenkomstenwet niet van toepassing is en een andere rechtsgrond wordt niet aangevoerd, laat staan dat de verbreking van de overeenkomst door de verwerende partij afdoende is aangetoond. C. Tegenvordering Alhoewel de verwerende partij haar tegenvordering uiteraard niet steunt op een arbeidsovereenkomst maar enkel op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, acht deze rechtbank zich bevoegd op basis van artikel 563, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, namelijk een vordering die is ontstaan uit de overeenkomst, hetzij uit het feit dat ten grondslag ligt aan de oorspronkelijke vordering. De verwerende partij toont niet aan dat de eisende partij foutief heeft gehandeld en de eisende partij werd trouwens nooit in gebreke gesteld wegens de voorgehouden afwezigheid. Minstens bewijst de verwerende partij geen schade. OP DEZE GRONDEN: de rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, - wijst de meeromvattende en strijdige conclusies af; - laat de vordering en de tegenvordering toe; - verklaart de vordering ongegrond; - verklaart de tegenvordering ongegrond; - bepaalt het bedrag van de tot op heden te vereffenen kosten x van de eisende partij: 306,95 euro, zoals gevorderd; x van de verwerende partij: 205,26 euro, zoals gevorderd; - verwijst de eisende partij in de kosten van het geding. Aanwezig: Luc HOEDAERT, voorzitter van de Arbeidsrechtbank, voorzitter van de kamer; André HELSKENS, rechter in sociale zaken benoemd als werkgever; Eddy DE BOCK, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-bediende; Myriam DE BOCK, hoofdgriffier. E. De Bock Helskens M. De Bock Hoedaert PDF document ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060105.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div