← België

ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060214.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 14 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060214.2 Rolnummer: 26160II;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-03 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-01 04:10 Fiche Er rest dat nog het motief van de verstoring van het bedrijf door de frequente afwezigheden van de eisende partij. De beoordeling van een ontslag bij (omwille) van ziekte is steeds een delicate oefening nu enerzijds een dergelijk ontslag een misbruik vormt wanneer het wordt gegeven als represail-lemaatregel terwijl anderzijds het ontslag wel toegelaten kan zijn om bedrijfseconomische redenen (D. Cuypers, Misbruik van ontslagrecht en willekeurig ontslag, Larcier, 2002, 138; W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium Arbeidsrecht, 2005-2006, 1977). In elk geval is het ontslag tijdens de eerste zes maanden ziekte (waarvoor er in principe een ontslagverbod is ingevolge artikel 58 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978) niet per definitie willekeurig (Cass. 19 oktober 1981, R.W. 1982-83, 807). Het wordt niet betwist dat de eisende partij gedurende zijn tewerkstelling ongeveer 35 perio-des van afwezigheid had, waarvan 14 door arbeidsongevallen. De eisende partij werd overigens ontslagen tijdens een verlenging van een ziekteperiode door een arbeidsongeval (met een voorziene werkhervatting op 1 februari 2003). Evenmin wordt het betwist dat de eisende partij een specifieke functie had van bediener van een (vierzijdige) schaafmachine en tijdens zijn afwezigheden noodgedwongen een beroep moest worden gedaan op een magazijnier. Ook is de verwerende partij een kleine onderneming (volgens de pleidooien met een totale personeelsbezetting toen van 20 à 30 man) zodat niet voor elke functie een vervanger voor-handen is terwijl het beroep doen op uitzendarbeiders voor een specifieke functie ook niet zo evident is. Zelfs al zou de eisende partij geen enkele fout hebben gehad bij de arbeidsongevallen en al is elke ziekteperiode gestaafd met de nodige attesten, dan blijft het plausibel dat deze veelvul-dige afwezigheden van de eisende partij, met een specifieke functie, in dit kleine bedrijf sto-rend werkten en economisch niet meer aanvaardbaar waren voor de verwerende partij (vgl. Arbh. Luik, 6 juni 2005, J.T.T., 2006, 18). Naar het oordeel van de rechtbank is aldus voldoende aangetoond dat het ontslag geen rep-resaillemaatregel was, waarvoor de eisende partij overigens ook geen concrete elementen aanbrengt, maar was ingegeven door de noodwendigheden van het bedrijf. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . WERKLIEDEN Willekeurig ontslag Afwezigheid wegens ongevallen en ziekte. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 63 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Uitgifte Eerste bladzijde. V. . op A.R. nr. 26.160/II. Rep. nr. . aan ____________________________________________________________________________ C.D. R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, tweede kamer, spreekt het hieronder R.P. volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van dinsdag veertien februari Verminderd tweeduizend en zes Griffierecht IN DE ZAAK : B., P., arbeider, wonende te, eisende partij op hoofdeis, verwerende partij op tegeneis, vertegenwoordigd door Mr. E. V., advocaat te Lede, tegen V. C. H. EN P., naamloze vennootschap, ingeschreven in het handelsregister te Oudenaarde onder het nummer , waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te, verwerende partij op hoofdeis, eisende partij op tegeneis, vertegenwoordigd door Mr. D. V. H., advocaat te Zottegem. De rechtspleging De artikelen 2, 30, 34, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. De verwerende partij werd regelmatig gedagvaard bij exploot haar betekend op 30 juni 2003 door de gerechtsdeurwaarder I. Ravelingien te Zottegem. De eisende partij verzocht bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 30 juni 2005, de rechtsdag te bepalen met toepassing van het artikel 750 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtsdag werd bepaald op 13 december 2005. De door artikel 750 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven formaliteiten werden nageleefd met dien verstande dat de eisende partij akkoord ging met de neerlegging van een conclusie door de verwerende partij ter terechtzitting. Tijdens de terechtzitting van 10 januari 2006 werd tevergeefs een poging tot minnelijke schikking aangewend. De rechtbank heeft de beide partijen gehoord; de stukken van het dossier werden ingezien evenals de conclusies van de partijen. De vorderingen De vordering strekt ertoe: 1° de verwerende partij te veroordelen om aan de eisende partij te betalen:

  1. a)een bedrag van 10.473 euro als vergoeding wegens willekeurig ontslag;
  2. b)de vergoedende intresten vanaf 9 januari 2003 en de gerechtelijke interesten; 2° de verwerende partij in de kosten van het geding te doen verwijzen; 3° de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te horen toestaan zonder dat een zekerheid zal moeten gesteld worden. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 20 september 2005 heeft de verwerende partij een tegenvordering ingesteld. De tegenvordering strekt ertoe de oorspronkelijke eisende partij te veroordelen om aan de oorspronkelijke verwerende partij een bedrag te betalen van 2.500 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interesten, wegens roekeloos en tergend geding. De feiten De eisende partij was in dienst van de verwerende partij als arbeider krachtens een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur dd. 22 april 1994, met ingang van deze datum. Op 4 december 2002 werd de eisende partij, toen in ziekteverlof, ontslagen met betaling van een opzeggingsvergoeding. Het formulier C4 vermeldde als oorzaak van de werkloosheid "reorganisatie". Bij aangetekend schrijven dd. 17 maart 2003 vorderde de vakbond van de eisende partij een vergoeding wegens willekeurig ontslag. Bij schrijven dd. 27 maart 2003 betwistte de raadsman van de verwerende partij deze vordering. Standpunt van partijen De eisende partij stelt dat het ontslag willekeurig is en de opgegeven redenen drogredenen zijn. De eisende partij betwist vooreerst dat de verwerende partij hem zou hebben ontslagen omwille van zijn fysiek welzijn. De eisende partij erkent dat hij veertien arbeidsongevallen opliep maar stelt dat de oorzaak ervan steeds lag bij de slechte veiligheid en het gebrek aan netheid in het bedrijf. De eisende partij vraagt dat in verband met de problematiek van de arbeidsongevallen twee werknemers zouden worden verhoord. De eisende partij wijst op de lange duur van de tewerkstelling en het gebrek aan opmerkingen. De eisende partij benadrukt dat uit de kaarten van medisch onderzoek van de arbeidsgeneesheer blijkt dat hij wel degelijk verder geschikt was voor de job bij de verwerende partij. Inzake het motief van de goede werking van de onderneming stelt de eisende partij dat al zijn afwezigheden waren gerechtvaardigd met ziekteattesten. Volgens de eisende partij stelde zijn vervanging tijdens zijn afwezigheden geen probleem nu aldus de magazijnier, die hem verving, zo ook werk had. De eisende partij betwist ook dat er een economische crisis was bij de verwerende partij en benadrukt dat onmiddellijk na zijn ontslag een advertentie werd geplaatst om hem te vervangen. Volgens de eisende partij is er nooit sprake geweest van enige technische werkloosheid en deed de verwerende partij vele investeringen. De eisende partij wijst ook op leveringen "in het zwart" die een vertekend beeld geven van de echte omzet en activiteit. Tenslotte betwist de eisende partij de tegenvordering en stelt gerechtigd te zijn zich maximaal te verdedigen voor de rechtbank. Beoordeling A. Hoofdvordering 1. Overeenkomstig artikel 63 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten dient onder willekeurig ontslag te worden verstaan, het ontslag van een werknemer die is aangeworven voor onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, instelling of de dienst. Bij betwisting behoort het aan de werkgever om het bewijs te leveren van de voor het ontslag ingeroepen reden. Uit artikel 63 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten volgt geen vermoeden van willekeurig ontslag zodat de werkgever niet moet bewijzen dat hij geen rechtsmisbruik of fout beging. Het voornaamste effect van de omkering van de bewijslast bestaat er in de werkman de twijfel te laten genieten die zou kunnen bestaan over de juiste reden voor het ontslag. Zo is het ontslag, in geval van onzekerheid over het bewijs van de reden die ter verantwoording van het ontslag wordt ingeroepen, als willekeurig te beschouwen. Het feit dat de ontslagbrief niet is gemotiveerd en/of het formulier C4 aanvankelijk geen reden vermeldde, is niet determinerend voor de beoordeling van het willekeurig ontslag. Eerst als de werknemer stelt dat zijn ontslag willekeurig is moet de werkgever de redenen voor het ontslag opgeven. Niet alleen de bij het ontslag opgegeven redenen maar ook andere redenen, zelfs voor het eerst aangevoerd voor de Rechtbank, komen in aanmerking. Aan de werkgever moet een appreciatiemarge worden gelaten met betrekking tot de professionele kwaliteiten van de werknemer en/of de noodwendigheden van de onderneming. De rechter onderzoekt niet alleen het bestaan van de ingeroepen reden maar oefent ook een marginale redelijkheidscontrole uit. Hierbij kan de rechtbank zich evenwel niet mengen in het beleid van de onderneming en primeren de (economische) belangen van de onderneming op het individueel belang van de werkman (Arbh. Gent, 18 november 1996, J.T.T., 1997, 51), waarbij de werkgever oordeelt over het belang van de onderneming. Inzake het gedrag van de werknemer heeft het Hof van Cassatie beslist dat dit gedrag niet foutief of bekritiseerbaar moet zijn (Cass. 22 januari 1996, J.T.T., 1996, 236) doch dit sluit vermelde controle niet uit (Arbrb. Gent, 9 januari 1998, T.G.R., 1998, 152). 2. De verwerende partij roept, na ontleding van haar argumentatie, drie motieven in: - het fysiek belang van de eisende partij, - de economische crisis in het bedrijf, - de verstoring van de goede werking van het bedrijf door de veelvuldige afwezigheden van de eisende partij. 2.1. Wat betreft het fysiek belang van de eisende partij is de argumentatie van de verwerende partij niet overtuigend en is het moeilijk aanvaardbaar dat de verwerende partij de eisende partij enkel heeft ontslagen voor zijn eigen bestwil. Overigens toont de eisende partij voldoende aan dat hij nog steeds in staat was om de job uit te voeren en alleszins levert de verwerende partij geen (medisch) tegenbewijs. Dat de eisende partij werd ontslagen uit "edelmoedigheid en bekommernis om zijn gezondheid" staat trouwens haaks op het tweede motief van de (verstoorde) goede werking van de onderneming. 2.2. Evenmin is het motief van de economische crisis bewezen. Blijkbaar werd na het ontslag van de eisende partij onmiddellijk gezocht naar een vervanger (zie advertentie). Evenmin wordt door de verwerende partij enig bewijs overgelegd van economische werkloosheid of een personeelsvermindering, wat gemakkelijk kan worden aangetoond. 2.3. Er rest dat nog het motief van de verstoring van het bedrijf door de frequente afwezigheden van de eisende partij. De beoordeling van een ontslag bij (omwille) van ziekte is steeds een delicate oefening nu enerzijds een dergelijk ontslag een misbruik vormt wanneer het wordt gegeven als represaillemaatregel terwijl anderzijds het ontslag wel toegelaten kan zijn om bedrijfseconomische redenen (D. Cuypers, Misbruik van ontslagrecht en willekeurig ontslag, Larcier, 2002, 138; W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium Arbeidsrecht, 2005-2006, 1977). In elk geval is het ontslag tijdens de eerste zes maanden ziekte (waarvoor er in principe een ontslagverbod is ingevolge artikel 58 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978) niet per definitie willekeurig (Cass. 19 oktober 1981, R.W. 1982-83, 807). Het wordt niet betwist dat de eisende partij gedurende zijn tewerkstelling ongeveer 35 periodes van afwezigheid had, waarvan 14 door arbeidsongevallen. De eisende partij werd overigens ontslagen tijdens een verlenging van een ziekteperiode door een arbeidsongeval (met een voorziene werkhervatting op 1 februari 2003). Evenmin wordt het betwist dat de eisende partij een specifieke functie had van bediener van een (vierzijdige) schaafmachine en tijdens zijn afwezigheden noodgedwongen een beroep moest worden gedaan op een magazijnier. De stelling van de eisende partij dat de magazijnier in kwestie blij was dat hij ter vervanging van de eisende partij de schaafmachine kon bedienen (omdat hij dan eens werk had) is niet geloofwaardig. Ook is de verwerende partij een kleine onderneming (volgens de pleidooien met een totale personeelsbezetting toen van 20 à 30 man) zodat niet voor elke functie een vervanger voorhanden is terwijl het beroep doen op uitzendarbeiders voor een specifieke functie ook niet zo evident is. Zelfs al zou de eisende partij geen enkele fout hebben gehad bij de arbeidsongevallen en al is elke ziekteperiode gestaafd met de nodige attesten, dan blijft het plausibel dat deze veelvuldige afwezigheden van de eisende partij, met een specifieke functie, in dit kleine bedrijf storend werkten en economisch niet meer aanvaardbaar waren voor de verwerende partij (vgl. Arbh. Luik, 6 juni 2005, J.T.T., 2006, 18). Naar het oordeel van de rechtbank is aldus voldoende aangetoond dat het ontslag geen represaillemaatregel was, waarvoor de eisende partij overigens ook geen concrete elementen aanbrengt, maar was ingegeven door de noodwendigheden van het bedrijf. Volledigheidshalve dient nog te worden aangestipt dat op de vraag van de eisende partij om getuigen op te roepen in verband met de problematiek van de arbeidsongevallen niet kan worden ingegaan bij gebrek aan een opsomming van feiten, laat staan voldoende precieze, die vatbaar zijn voor een eventueel tegenbewijs (R. Mougenot, La Preuve, Larcier 1997, 208). Overigens ziet de rechtbank niet in hoe deze getuigen zouden kunnen aantonen dat de verwerende partij volledig verantwoordelijk is voor elk van de 14 arbeidsongevallen van de eisende partij. B. Tegenvordering Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering en argumentatie van de eisende partij geenszins tergend of roekeloos. Al kan er discussie zijn over de relevantie van het argument van de voorgehouden leveringen in het zwart, toch kadert dit in de opbouw van de (niet weerhouden) argumentatie van de eisende partij. De tegenvordering is ongegrond. OP DEZE GRONDEN : de rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, - wijst de meeromvattende en strijdige conclusies af; - laat de vordering en tegenvordering toe; - verklaart de vordering en tegenvordering ongegrond; - bepaalt het bedrag van de tot op heden te vereffenen kosten x van de eisende partij: 95,69 euro (kosten dagvaarding) + 196,33 (rechtsplegingsvergoeding, zoals gevorderd) = 292,02 euro; x van de verwerende partij: 214,18 euro (rechtsplegingsvergoeding); - verwijst de eisende partij in de kosten van het geding. Aanwezig : Luc HOEDAERT, voorzitter van de Arbeidsrechtbank, voorzitter van de kamer; Marc BOURDEAUD'HUI rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever; Claudine HEYNDRICKX, rechter in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; Petra VANHOOLANDT, griffier. Heyndrickx Bourdeaud'hui Vanhoolandt Hoedaert PDF document ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060214.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.