id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 14 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060214.3 Rolnummer: 27414II Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-03 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-01 04:10 Fiche Alhoewel artikel 2bis van de vermelde Wet 3 juli 1967 gewaagt van "aangif-ten van een arbeidsongeval" en de verplichting oplegt om, bij weigering of twijfel nopens de toepassing van de wet, binnen de dertig dagen "na ont-vangst van de aangifte" de verzekeringsinstelling in kennis dient te stellen, kan het begrip aangifte niet worden beperkt tot de initiële aangifte van het ar-beidsongeval. Gelet op de doelstelling van deze bepaling (het vrijwaren van de rechten van de verzekerde en van de verzekeringsinstelling) en het feit dat ook een herval-len (zoals in casu) het voorwerp uitmaakte van een aangifte bij de "overheid" (werkgever), diende de verwerende partij bij het voorgehouden hervallen van mevrouw I.D. vanaf 21 mei de eisende partij (opnieuw) te verwittigen binnen de 30 dagen (gezien er twijfel was nopens de toepassing van de wet). Voor de private sector, waarbij naar analogie kan worden geredeneerd met betrekking tot de openbare sector, werd reeds geoordeeld dat de verplichting om de verzekeringsinstelling inzake ziekte en invaliditeit te verwittigen ook geldt o.a. bij een nieuwe arbeidsongeschiktheid na de consolidatie (Arbh. Brussel, 4 november 1985, J.T.T., 1986, 226), bij een nieuwe arbeidsonge-schiktheid na werkhervatting (Cass. 14 december 1981, J.T.T., 1982, 156) en bij een hervallen (Arbrb. Tongeren, 12 april 2002, A.R. 98/3223, onuitg., www.juridat.be). De verwerende partij heft de eisende partij niet (tijdig) verwittigd zodat de vordering van de eisende partij gegrond is. Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . ARBEIDSONGEVALLEN IN DE OVERHEIDSSECTOR Verwittiging ziekenfonds Hervallen. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - 2BIS - 01 ELI link Pub nr 1967070305 Tekst van de beslissing Uitgifte Eerste bladzijde. V. . op A.R. nr. 27.414/II. Rep. nr. . aan ____________________________________________________________________________ C.D. R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, tweede kamer, spreekt het hieronder R.P. volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van dinsdag veertien februari Verminderd tweeduizend en zes Griffierecht IN DE ZAAK: L C M., waarvan de zetel gevestigd is te , eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. K. Dupont namens Mr. L. Dupont, advocaten te Ronse, tegen A.Z. O., vereniging zonder winstoogmerk,voorheen genaamd A. Z. A.V., vereniging zonder winstoogmerk, waarvan de zetel gevestigd is te , verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. M.-Ch. Vandermeulen namens Mr. C. De Ganck, advocaten te Gent. De rechtspleging De artikelen 2, 30, 34, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. De verwerende partij werd regelmatig gedagvaard bij exploot haar betekend op 18 augustus 2004 door gerechtsdeurwaarder E.B. in vervanging van gerechtsdeurwaarder L. B. De zaak werd vastgesteld op de zitting van 10 januari 2006 in toepassing van artikel 750 ,§1 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtbank heeft de beide partijen gehoord; de stukken van het dossier werden ingezien evenals de conclusies van de partijen. De vordering De vordering strekt ertoe: 1° de verwerende partij te veroordelen om aan de eisende partij te betalen :
- a)een bedrag van 2.808,14 euro als terugvordering van dagelijkse vergoedingen;
- b)de verwijlinteresten vanaf 31 augustus 2000 en de gerechtelijke interesten; 2° de verwerende partij in de kosten van het geding te doen verwijzen; 3° de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te horen toestaan zonder dat een zekerheid zal moeten gesteld worden. De feiten Mevrouw I. D., werkzaam bij de verwerende partij als verpleegster, werd op 25 juli 1999 het slachtoffer van een arbeidsongeval (erkend door de verzekeraar van de verwerende partij). Bij het optillen van een patiënt in het ziekenhuis van de verwerende partij was er die dag "iets in haar rug geschoten". Dit arbeidsongeval veroorzaakte (initieel) geen tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Bij schrijven dd. 23 mei 2000 maakte de verwerende partij aan haar verzekeringsmakelaar een attest van arbeidsongeschiktheid over van mevrouw I. D. vanaf 20 mei 2000 tot 9 juni 2000, ten gevolge van vermeld ongeval. Bij schrijven dd. 15 juni 2000 werd een attest van verlenging (tot en met 23 juni 2000) overgemaakt aan de verzekeringsmakelaar. Bij schrijven dd. 6 juli 2000 werd een nieuw attest van verlenging overgemaakt, ditmaal tot en met 23 juli 2000 en bij schrijven dd. 2 augustus 2000 een verlenging tot en met 13 augustus 2000. Bij schrijven dd. 28 september 2000 deelde de verzekeringsmakelaar mee aan de verwerende partij dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 21 mei 2000 niet werd aanvaard in oorzakelijk verband met het oorspronkelijke arbeidsongeval. De verwerende partij deelde op 29 september 2000 deze weigering mee aan mevrouw I. D., die hiermee niet akkoord ging en een vordering instelde. Bij vonnis dd. 5 november 2002 van de Arbeidsrechtbank van Kortrijk werd, na deskundigenonderzoek, beslist dat het arbeidsongeval van 25 juli 1999 geen tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid had veroorzaakt. Bij schrijven dd. 5 februari 2003 vorderde de eisende partij haar uitkeringen terug van de verwerende partij bij gebrek aan verwittiging van de arbeidsongeschiktheid van mevrouw I. D. vanaf 20 mei 2000. Bij schrijven dd. 24 maart 2003 stelde de verzekeringsmaatschappij van de verwerende partij dat zij niet gehouden was tot betaling aan de eisende partij. Bij schrijven dd. 16 april 2003 werd de verwerende partij nogmaals in gebreke gesteld door de eisende partij. Standpunt van partijen De eisende partij stelt dat de verwerende partij artikel 2bis van de Wet van 3 juli 1967 heeft miskend door haar niet te verwittigen van de arbeidsongeschiktheid van mevrouw I. D. vanaf 20 mei 2000 en derhalve gehouden is tot terugbetaling van haar uitgaven. De eisende partij wijst erop dat de verwerende partij de hoedanigheid van haar personeelslid dient te bewijzen bij betwisting. Volgens de eisende partij was de verwerende partij verplicht om haar het hervallen vanaf 20 mei 2000 te signaleren en doet het niet terzake dat deze ongeschiktheid niet in oorzakelijk verband stond met het arbeidsongeval. Volgens de eisende partij is er ook geen sprake van verjaring nu de verjaring werd gestuit bij aangetekende brief. De verwerende partij stelt dat de eisende partij niet bewijst dat haar personeelslid niet de hoedanigheid heeft van vast benoemd ambtenaar. Verder stelt de verwerende partij dat zij geen plicht had om de eisende partij te verwittigen van de arbeidsongeschiktheid vanaf 21 mei 2000 nu zij het arbeidsongeval van 25 juli 1999 had erkend en de gevolgen (tenminste deze in oorzakelijk verband) laste had genomen. Tenslotte stelt de verwerende partij dat de vordering is verjaard. Beoordeling 1. Artikel 2bis van de Wet van 3 juli 1967, betreffende (de preventie van
- of)de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, ingevoerd bij Wet van 19 oktober 1998 (met ingang van 25 november 1998), bepaalt: "Wanneer de overheid die door de Koning aangewezen is om de aangiften van ongeval te ontvangen, weigert het geval ten laste te nemen van een personeelslid dat niet de hoedanigheid van vastbenoemde ambtenaar heeft, of wanneer zij oordeelt dat er twijfel bestaat inzake de toepassing van de wet op het ongeval van dit personeelslid, verwittigt zij binnen de dertig dagen na ontvangst van de aangifte, het slachtoffer of zijn rechthebbende en de verzekeringsinstelling waarbij het slachtoffer aangesloten of ingeschreven is overeenkomstig de wetgeving op de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit. Deze kennisgeving, die vergezeld gaat van een afschrift van de aangifte, wordt beschouwd als een aangifte van arbeidsongeschiktheid die binnen de gestelde tijd bij de verzekeringsinstelling is ingediend. De vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid die door de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit zijn vastgesteld, zijn door de overheid die nalaat binnen de in het eerste lid bedoelde termijn te verwittigen, verschuldigd van het begin van de ongeschiktheid tot en met de dag van de aangifte, aan het personeelslid dat, behalve de vormvereiste van de aangifte, alle voorwaarden vervult om ze te verkrijgen. De voormelde vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid worden aan het slachtoffer uitbetaald door de verzekeringsinstelling van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit en door haar rechtstreeks van de overheid teruggevorderd". Volgens de summiere parlementaire voorbereidingen werd dit artikel ingevoegd om de rechten van de belanghebbende te waarborgen voor het geval dat het arbeidsongeval als dusdanig niet zou worden erkend (Parl. Stukken Kamer 1534/2 97/98, Verslag pag. 2). De memorie van toelichting (1534/1 97/98) vermeldde (pag. 3) : "Wanneer de wet toepasselijk wordt gemaakt op een rechtspersoon of een instelling die vermeld is in de artikelen 1 of 1bis, is het geheel van het personeel dat in de instelling is tewerkgesteld, eraan onderworpen, zowel vast benoemd als contractueel personeel. Wanneer een ongeval niet erkend wordt, gaat het vast benoemd personeel automatisch over naar de gewone ziekteregeling die eigen is aan zijn statuut. Op het contractueel personeel zouden de regeling van het gewaarborgd loon en de RIZIV-vergoedingen toepasselijk zijn; het gebeurt nochtans geregeld dat omwille van de vertraging in de behandeling van het ongevallendossier, de ambtenaar niet meer binnen de termijn valt om zijn rechten in de RIZIV-regeling te laten gelden. Deze leemte wordt opgevuld door de tekst vastgesteld in artikel 5 van het ontwerp: hij neemt grotendeels een analoge bepaling over die reeds in artikel 63 van de wet van 10 april 1971 voorkomt". Voor de private sector bestaat inderdaad een gelijkaardige (doch meer precieze) bepaling, zoals omschreven in artikel 63 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. 2. Alhoewel de eisende partij de bewijslast heeft, is het niet meer dan normaal dat de verwerende partij, als werkgever, desgevallend het bewijs zou overleggen dat mevrouw I. D. de hoedanigheid heeft van vast benoemde ambtenaar. In een fair proces dient elke partij mee te werken aan de bewijslast. Bij gebrek aan stukken van de verwerende partij dient er worden te worden gesteld dat zij niet de hoedanigheid heeft van vast benoemd ambtenaar. 3. Wat de verjaring betreft verwijzen beide partijen naar artikel 20 van de vermelde Wet van 3 juli 1967, waarbij de verjaringstermijn is bepaald op drie jaar en kan gestuit worden op dezelfde wijze en gronden als bepaald door de wetgeving inzake de arbeidsongevallen (private sector). Gelet op de stuiting bij aangetekende brieven dd. 5 februari 2003 en/of 16 april 2003 is de vordering op basis van de voorgehouden bepaling niet verjaard. Volledigheidshalve wenst de rechtbank erop te wijzen dat de rechtspraak en rechtsleer voor de private sector van oordeel dat zijn op een (dergelijke) betwisting tussen de mutualiteit en de verzekeraar de verjaringstermijn van artikel 69 van de Arbeidsongevallenwet niet van toepassing is maar wel de gemeenrechtelijke verjaringstermijn (J. Petit, Arbeidsongevallen, A.P.R., 2005, nr. 640). Hoe dan ook is de vordering van de eisende partij niet verjaard. 4. Alhoewel artikel 2bis van de vermelde Wet van 3 juli 1967 gewaagt van "aangiften van een arbeidsongeval" en de verplichting oplegt om, bij weigering of twijfel nopens de toepassing van de wet, binnen de dertig dagen "na ontvangst van de aangifte" de verzekeringsinstelling in kennis dient te stellen, kan het begrip aangifte niet worden beperkt tot de initiële aangifte van het arbeidsongeval. Gelet op de doelstelling van deze bepaling (het vrijwaren van de rechten van de verzekerde en van de verzekeringsinstelling) en het feit dat ook een hervallen (zoals in casu) het voorwerp uitmaakte van een aangifte bij de "overheid" (werkgever), diende de verwerende partij bij het voorgehouden hervallen van mevrouw I. D. vanaf 21 mei 2000 de eisende partij (opnieuw) te verwittigen binnen de 30 dagen (gezien er twijfel was nopens de toepassing van de wet). Voor de private sector, waarbij naar analogie kan worden geredeneerd met betrekking tot de openbare sector, werd reeds geoordeeld dat de verplichting om de verzekeringsinstelling inzake ziekte en invaliditeit te verwittigen ook geldt o.a. bij een nieuwe arbeidsongeschiktheid na de consolidatie (Arbh. Brussel, 4 november 1985, J.T.T., 1986, 226), bij een nieuwe arbeidsongeschiktheid na werkhervatting (Cass. 14 december 1981, J.T.T., 1982, 156) en bij een hervallen (Arbrb. Tongeren, 12 april 2002, A.R. 98/3223, onuitg., www.juridat.be). De verwerende partij heeft de eisende partij niet (tijdig) verwittigd zodat de vordering van de eisende partij, die cijfermatig niet wordt betwist, gegrond is. 5. Bij gebrek aan concrete argumentatie terzake zijn er geen redenen voorhanden om de voorlopige tenuitvoerlegging toe te staan. OP DEZE GRONDEN : de rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, - laat de vordering toe; - verklaart de vordering gegrond; - veroordeelt de verwerende partij om te betalen aan de eisende partij het bedrag van tweeduizend achthonderd en acht euro en veertien cent (2.808,14) euro, vermeerderd met de verwijlintresten vanaf 31 augustus 2000 en de gerechtelijke interesten; - bepaalt het bedrag van de tot op heden te vereffenen kosten: x van de eisende partij op 84,80 euro (kosten dagvaarding) + 214,18 euro (rechtsplegingsvergoeding) = 298,98 euro; x van de verwerende partij op 214,18 euro (rechtsplegingsvergoeding); - verwijst de verwerende partij in de kosten van het geding; - wijst de vordering voor het overige af. Aanwezig : Luc HOEDAERT, voorzitter in de Arbeidsrechtbank, voorzitter van de kamer; Marc BOURDEAUD'HUI rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever; Claudine HEYNDRICKX, rechter in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; Petra VANHOOLANDT, griffier. Heyndrickx Bourdeaud'hui Vanhoolandt Hoedaert PDF document ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060214.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div