id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 14 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060214.4 Rolnummer: 26272II;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-01 04:10 Fiche Het is dan aan de verwerende partij om het tegenbewijs te leveren of een uitsluiting te be-wijzen, zoals voorzien in artikel 15 van de vermelde Wet van 3 juli 1967, namelijk een op-zettelijk veroorzaakt ongeval (waaronder zelfmoord zou kunnen worden ondergebracht). De verwerende partij toont niet aan dat het zou gaan om een opzettelijke daad (zelfmoord). Het ongevalsgebeuren (afwijken zonder aanwijsbare reden van een weg en botsen tegen een boom zonder remmen) lijkt bizar maar houdt op zich geen (voldoende) bewijs in van suïcidaal gedrag en vele ongevallen zijn overigens niet (logisch) verklaarbaar. De verregaande suggesties van de verwerende partij inzake het snel takelen van de wagen en de crematie zijn irrelevant nu er geen enkele reden was om het takelen uit te stellen, na-dat het parket hiervoor de toestemming had gegeven, en de beslissing tot crematie behoort tot de private sfeer van de eisende partijen, die gerechtigd zijn afscheid te nemen van de overledene op de door hun gekozen wijze. De eisende partijen verzetten zich tegen de aanstelling van een deskundige omdat ze van oordeel zijn dat dit een schending zou uitmaken van de regels inzake het bewijsrecht. Het bewijsrecht is (gelukkig) een domein waarin het inquisitoir aspect ook aan bod komt (R. Mougenot, Droit des Obligations, La Preuve, Larcier, 1997, 70) en de rechter hoeft zich niet tevreden te stellen met het bewijsmateriaal dat partijen hem aanbrengen. Daarom voorziet het Gerechtelijk Wetboek ook een aantal onderzoeksmaatregelen (getui-genverhoor, plaatsbezoek, persoonlijke verschijning, expertise). Naar het oordeel van deze rechtbank heeft evenwel een deskundigenonderzoek totaal geen zin. Zoals gezegd zijn "technische" vaststellingen niet meer mogelijk en evenmin is het rele-vant om thans (bijna vier jaar na de feiten) een onderzoek te gelasten naar eventuele de-pressieve neigingen van wijlen mevrouw P. in de maanden voor haar overlijden nu, zelfs indien hiervoor aanwijzingen zouden gevonden worden, dit nog niet het vereiste bewijs van het opzettelijk karakter van het ongeval zelf kan aantonen. Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . ARBEIDSONGEVALLEN IN DE OVERHEIDSSECTOR Openbare sector Opzet Bewijs. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - 15 - 01 ELI link Pub nr 1967070305 Tekst van de beslissing Uitgifte Eerste bladzijde. V. . op A.R. nr. 26.272/II. Rep. nr. . aan ____________________________________________________________________________ C.D. R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, tweede kamer, spreekt het hieronder R.P. volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van dinsdag veertien februari Verminderd tweeduizend en zes Griffierecht IN DE ZAAK :
- V., A., technisch ingenieur, wonende te
- V., A., zonder beroep, wonende te eisende partijen, vertegenwoordigd door Mr. W. D. namens Mr. L. D. M., advocaten te G., tegen D. V. G., vertegenwoordigd door de V. R., in de persoon van haar Minister-President van de V. R., waarvan de burelen gevestigd zijn te , en meer specifiek de heer Minister van Onderwijs, Vorming en Werk, waarvan de kantoren gevestigd zijn te , verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. D. C. namens Mr. R. D. R., advocaten te N.. De rechtspleging De artikelen 2, 30, 34, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. De verwerende partij werd regelmatig gedagvaard bij exploot haar betekend op 30 september 2003 door gerechtsdeurwaarder B. D. S. in vervanging van gerechtsdeurwaarder E. D. te S.-P.-W.. De rechtbank heeft de beide partijen gehoord; de stukken van het dossier werden ingezien evenals de conclusies van de partijen. De vordering De vordering strekt ertoe te horen zeggen: 1°- dat mevrouw R. P., geboren op , op 23 mei 2002 het slachtoffer werd van een dodelijk arbeidswegongeval in de zin van artikel 2 van de Wet van 3 juli 1967; - dat de eisende partijen gerechtigd zijn op de wettelijke renten alsook op volgende bedragen: 4.521,26 euro voor begrafeniskosten en lijkbezorging, 57,26 euro voor ziekenvervoer en 250 euro voor verplaatsingskosten; 2° de verwerende partij in de kosten van het geding te doen verwijzen; 3° de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te horen toestaan zonder dat een zekerheid zal moeten gesteld worden, en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement. De feiten Mevrouw R. P., geboren op , echtgenote van de eerste eisende partij en moeder van de tweede eisende partij, werd op 23 mei 2002 te Z. het slachtoffer van een dodelijk ongeval op de weg van huis naar het werk. Op de weg van haar woning naar het A. Z. S.-J. te G., waar wijlen mevrouw P. stagebegeleiding diende te geven, is haar voertuig tegen een boom terechtgekomen. De vaststellingen werden gedaan door de Politie van B. en het desbetreffend strafdossier werd zonder gevolg gerangschikt. Het overlijden werd vastgesteld door Dr. S. V. C. van de dienst spoedopname van het A. Z. te Z.. Op 13 januari 2003 besliste de geneesheer-inspecteur van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu, geneeskundig centrum te Gent, dat "het bewuste incident op medisch vlak volledig moet worden toegeschreven aan een deficiënte inwendige medische problematiek". Hiertegen tekende de eerste eisende partij beroep aan. Op 12 februari 2003 bevestigde de hoofdgeneesheer-directeur van de Administratieve Gezondheidsdienst deze beslissing en voegde er aan toe dat suïcide niet is uitgesloten. Standpunt van partijen De eisende partijen stellen dat er geen betwisting kan bestaan dat het ongeval, overkomen op 23 mei 2002 aan wijlen mevrouw P., dient te worden erkend als een arbeidsongeval. Het staat vooreerst vast, volgens de eisende partijen, dat het ongeval zich heeft voorgedaan op de weg naar het werk, hetgeen wordt bevestigd door de tewerkstellende overheid. Inzake het (dodelijk) letsel verwijzen de eisende partijen naar de vaststellingen van Dr. S. V. C. die ter plaatse kwam met de MUG en de dood vaststelde (een gebroken nek). De eisende partijen stellen dat de plotse gebeurtenis bestaat in de aanrijding (tegen een boom). Volgens de eisende partijen weerlegt de verwerende partij geenszins het wettelijk vermoeden en zijn er geen overtuigende indicaties voor de voorgehouden zelfmoord. De eisende partijen benadrukken dat uit de feitelijke omstandigheden van het ongeval geenszins kan worden afgeleid dat er sprake is van zelfmoord en het bewijs hiervan uitsluitend door de verwerende partij dient te worden geleverd. Volgens de eisende partijen zijn er veel mogelijke verklaringen voor het feit dat wijlen mevrouw P. van de weg is afgeweken en tegen een boom terechtkwam. De eisende partijen protesteren ook tegen de insinuaties van de verwerende partij inzake het snel takelen van de auto en de beslissing tot crematie. De eisende partijen verwijzen naar diverse verklaringen (o.a. van de huisarts) waaruit blijkt dat de hypothese van zelfmoord ondenkbaar is. De eisende partijen verzetten zich met klem tegen de aanstelling van een deskundige. De verwerende partij weigert de erkenning van het arbeids(weg)ongeval. De verwerende partij stelt dat er sterke vermoedens zijn dat wijlen mevrouw P. al dood was vooraleer haar wagen de boom raakte ofwel dat zij moedwillig tegen een boom is gereden. De verwerende partij wijst op de omstandigheden van het ongeval, waarbij de wagen, in een zeer lichte bocht, zonder remmen tegen een boom terechtkwam. De verwerende partij wijst erop dat wijlen mevrouw P. haar veiligheidsgordel niet droeg en uit de getuigenverklaringen is gebleken dat er geen enkele hindernis was en zij gewoon rechtdoor (naar de boom toe) is blijven rijden. Volgens de verwerende partij is het overlijden als dusdanig niet het letsel in de zin van de arbeidsongevallenwetgeving. De verwerende partij wijst ook op de haast waarmee het voertuig werd getakeld en werd overgegaan tot crematie. De verwerende partij vraagt de aanstelling van een deskundige inzake de gemoedstoestand van wijlen mevrouw P. in de maanden voor het overlijden en om desgevallend technische vaststellingen te doen inzake het ongevalsgebeuren. Ondergeschikt stelt de verwerende partij dat de begrafeniskosten (onder alle voorbehoud) werden betaald en betwist zij de kosten van de ziekenwagen en de verplaatsingskosten. De verwerende partij verzet zich ook tegen de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis. Beoordeling
- Artikel 2 van de Wet van 3 juli 1967 betreffende (de preventie van of) de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector bepaalt: "Onder arbeidsongeval wordt verstaan het ongeval dat zich tijdens en door de uitoefening van het ambt heeft voorgedaan en dat een letsel veroorzaakt. Het ongeval overkomen tijdens de uitoefening van het ambt wordt, behoudens tegenbewijs, geacht door de uitoefening van het ambt te zijn overkomen. Worden eveneens beschouwd als arbeidsongevallen: 1° het ongeval overkomen op de weg naar en van het werk dat aan de vereisten voldoet om dit karakter te hebben in de zin van artikel 8 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971; 2° het ongeval dat een personeelslid als bedoeld in artikel 1 buiten de uitoefening van zijn dienst is overkomen maar dat veroorzaakt is door een derde naar aanleiding van een vroegere handeling door dat personeelslid tijdens de uitoefening van zijn dienst verricht. Wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden, benevens het bestaan van een letsel, het bestaan van een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt".
- Er is geen betwisting dat het ongeval gebeurde op de weg van huis naar het werk, hetgeen overigens afdoende blijkt uit het strafdossier.
- De eisende partijen dienen enkel het bestaan van een plotse gebeurtenis te bewijzen en een letsel en dan wordt het letsel vermoed door het ongeval te zijn veroorzaakt, behoudens tegenbewijs te leveren door de verwerende partij. Het lijdt geen twijfel in dit dossier dat er een plotse gebeurtenis voorhanden is, namelijk het feit dat wijlen mevrouw P. met haar voertuig tegen een boom is gereden. Evenmin kan er betwisting zijn dat mevrouw P. (hierbij) een letsel opliep, namelijk zij liep verwondingen op links aan het hoofd, een diepe snijwonde onderaan de kin en volgens de verklaring van de arts van de MUG was haar nek gebroken (strafdossier pag 4). Het oorzakelijk verband met het ongeval wordt dan vermoed en is overigens nog bevestigd door het attest van Dr. S. V. C. die stelt dat wijlen mevrouw P. ter plaatse is overleden aan haar verwondingen.
- Het is dan aan de verwerende partij om het tegenbewijs te leveren of een uitsluiting te bewijzen, zoals voorzien in artikel 15 van de vermelde Wet van 3 juli 1967, namelijk een opzettelijk veroorzaakt ongeval (waaronder zelfmoord zou kunnen worden ondergebracht. 4.
- Vooreerst stelt de verwerende partij dat het ongeval zou veroorzaakt zijn door een deficiënte inwendige medische toestand, waarvan evenwel geen enkel bewijs wordt geleverd, zelfs geen aanwijzing voorhanden is. Er kan, alhoewel de bewijslast op de verwerende partij rust, worden verwezen naar het vermeld attest van Dr. S. V. C. alsook naar het attest van Dr. W. A., huisarts, die stelt dat er bij wijlen mevrouw P. geen verhoogd risico was op een cardiovasculaire incident. Nu er geen lijkschouwing is gebeurd, wat de eisende partijen zeker niet hebben "verhinderd", en wijlen mevrouw P. werd gecremeerd, kan terzake geen onderzoek meer worden gedaan. 4.
- Evenmin toont de verwerende partij aan dat het zou gaan om een opzettelijke daad (zelfmoord). Het ongevalsgebeuren (afwijken zonder aanwijsbare reden van een weg en botsen tegen een boom zonder remmen) lijkt bizar maar houdt op zich geen (voldoende) bewijs in van suïcidaal gedrag en vele ongevallen zijn overigens niet (logisch) verklaarbaar. De verregaande suggesties van de verwerende partij inzake het snel takelen van de wagen en de crematie zijn irrelevant nu er geen enkele reden was om het takelen uit te stellen, nadat het parket hiervoor de toestemming had gegeven, en de beslissing tot crematie behoort tot de private sfeer van de eisende partijen, die gerechtigd zijn afscheid te nemen van de overledene op de door hun gekozen wijze. 4.
- De eisende partijen verzetten zich tegen de aanstelling van een deskundige omdat ze van oordeel zijn dat dit een schending zou uitmaken van de regels inzake het bewijsrecht. Het bewijsrecht is (gelukkig) een domein waarin het inquisitoir aspect ook aan bod komt (R. Mougenot, Droit des Obligations, La Preuve, Larcier, 1997, 70) en de rechter hoeft zich niet tevreden te stellen met het bewijsmateriaal dat partijen hem aanbrengen. Daarom voorziet het Gerechtelijk Wetboek ook een aantal onderzoeksmaatregelen (getuigenverhoor, plaatsbezoek, persoonlijke verschijning, expertise). Naar het oordeel van deze rechtbank heeft evenwel een deskundigenonderzoek totaal geen zin. Zoals gezegd zijn "technische" vaststellingen niet meer mogelijk en evenmin is het relevant om thans (bijna vier jaar na de feiten) een onderzoek te gelasten naar eventuele depressieve neigingen van wijlen mevrouw P. in de maanden voor haar overlijden nu, zelfs indien hiervoor aanwijzingen zouden gevonden worden, dit nog niet het vereiste bewijs van het opzettelijk karakter van het ongeval zelf kan aantonen. Overigens is het niet duidelijk waar deze deskundige zijn (andersluidende) informatie zou kunnen inwinnen aangezien de huisarts en de directe omgeving van wijlen mevrouw P. attesteren dat zij levenslustig was en zeker niet depressief (stuk 14 van de eisende partijen).
- Inzake de vorderingen vraagt de eerste eisende partij terecht, overeenkomstig artikel 8 van de vermelde Wet van 3 juli 1967, een rente gelijk aan 30 percent van het basisloon. Wat betreft de tweede eisende partij bepaalt artikel 9 van de vermelde Wet dat de kinderen recht hebben op een rente van (in principe) vijftien percent zolang zij gerechtigd zijn op kinderbijslag en alleszins tot 18 jaar. De tweede eisende partij is geboren op 9 juni 1982 en uit geen enkel stuk blijkt of zij (nog) gerechtigd is op kinderbijslag. De debatten dienen dienaangaande te worden heropend, hetgeen overigens ook noodzakelijk is bij gebrek aan gegevens nopens het basisloon. Ook inzake de begrafeniskosten is er onduidelijkheid nu de eisende partijen geen stelling hebben ingenomen nopens de opmerking van de verwerende partij (beperking van het bedrag op basis van artikel 5 van het Koninklijk Besluit van 24 januari 1969, betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector en voor ongevallen op de weg naar en van het werk) terwijl de verwerende partij de voorgehouden betaling van 403,50 euro niet bewijst. De Wet van 3 juli 1976, waarnaar de eisende partijen verwijzen in de dagvaarding, is de rechtbank niet bekend in het kader van deze betwisting. De medische kosten (ziekenvervoer) zijn ten laste te worden door de A.G. (artikel 25 van het vermeld Koninklijk Besluit van 24 januari 1969), zoals overigens blijkt uit stuk 11 van de eisende partijen. Artikel 4bis ,§2 van het vermelde Koninklijk Besluit van 24 januari 1969 voorziet een mogelijkheid voor de eisende partijen om desgevallend verplaatsingskosten in rekening te brengen, waaraan evenwel de ex aequo et bono begroting van 250 euro niet beantwoordt. In het kader van de heropening van de debatten kunnen de eisende partijen ook dienaangaande hun vordering preciseren. OP DEZE GRONDEN: de rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, - laat de vordering toe; - verklaart de vordering reeds gedeeltelijk gegrond; - zegt voor recht dat wijlen R. P. op 23 mei 2002 het slachtoffer was van een dodelijk arbeidswegongeval in de zin van artikel 2 van de vermelde Wet van 3 juli 1967; - alvorens recht te doen over de vorderingen, heropent de debatten teneinde partijen toe te laten de nodige gegevens te bezorgen nopens het recht op kinderbijslag van de tweede eisende partij, nopens het basisloon en de betaling van het bedrag van 403,50 euro voor begrafeniskosten; laat de eisende partijen toe stelling in te nemen nopens de omvang van de begrafeniskosten en de verplaatsingskosten met mogelijkheid voor de verwerende partij hierop te antwoorden; - verwijst de zaak naar de terechtzitting die deze kamer houdt op dinsdag elf april tweeduizend en zes (11.04.2006) om 14.30 uur in de rechtszaal van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, Bekstraat nr. 14 (eerste verdieping); - houdt de beslissing inzake de kosten aan. Aanwezig : Luc HOEDAERT, voorzitter in de Arbeidsrechtbank, voorzitter van de kamer; Marc BOURDEAUD'HUI, rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever; Claudine HEYNDRICKX, rechter in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider, Petra VANHOOLANDT, griffier. Bourdeaud'hui Heyndrickx Vanhoolandt Hoedaert PDF document ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060214.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div