← België

ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060425.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 25 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060425.11 Rolnummer: 28845V;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-01 04:23 Fiche Krachtens artikel 29 van het Koninklijk Besluit van 22 mei 2003, betreffende de procedure voor behandeling van dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap, kan de Minister in behartenswaardige gevallen, na advies, geheel of gedeeltelijk afzien van de terugvordering. De rechtbank kan het standpunt van de verwerende partij niet volgen dat geen enkele rechtsinstantie terzake hoe dan ook zou kunnen oordelen. Het volstaat te verwijzen naar het arrest dd. 15 februari 2006 (nr. 26/2006) van het Arbi-tragehof (B.S. 27 maart 2006), waarin wordt gesteld dat artikel 19, tweede lid, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre het elk beroep bij een rechts-college dat bevoegd is om een wettigheidstoezicht uit te oefenen, uitsluit tegen de beslis-sing waarbij de bevoegde Minister weigert af te zien van de terugvordering van onver-schuldigd betaalde tegemoetkomingen omdat het niet om een behartenswaardig geval gaat. Dit wettigheidstoezicht behoort tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, die krachtens artikel 582 van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd zijn inzake de geschillen ten aanzien van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, met inbegrip van de terugvor-deringen (vgl. J. Put, Administratieve sancties in het sociale zekerheidsrecht, Die Keure, 1998, nr. 626) en het niet gaat om "politieke" rechten. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . TEGEMOETKOMING AAN MINDER-VALIDEN Verzaking terugvordering Bevoegdheid (arbeids)rechtbank. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-02-1987 - 19,2elid - 31 ELI link Pub nr 1987022077 Tekst van de beslissing Uitgifte Eerste bladzijde. V. . op A.R. nr. 28.845/V. Rep. nr. . aan ____________________________________________________________________________ C.D. R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, vijfde kamer, spreekt het hieronder R.P. volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van dinsdag vijfentwintig april Verminderd tweeduizend en zes Griffierecht IN DE ZAAK: V., Y., M., wonende te, eisende partij, ter terechtzitting verschenen in persoon, tegen B. S., vertegenwoordigd door de heer Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Bestuur van de Maatschappelijke Integratie, waarvan de burelen gevestigd zijn te , en aldaar woonst kiezend, verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. A. W., advocaat te G.. De artikelen 2, 30, 34, 35, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. De vordering werd ingeleid door het verzoekschrift dat de eisende partij op 9 september 2005 ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde heeft neergelegd. Bij dit verzoekschrift vraagt de eisende partij de verzaking aan de terugvordering door de verwerende partij van het bedrag van 6.281,63 euro, zoals gevorderd in de beslissing dd. 27 juni 2005, wegens ten onrechte ontvangen uitkeringen gedurende de periode van maart 2004 tot en met juni

  1. De rechtbank heeft de beide partijen gehoord; de stukken van het dossier werden ingezien. De heer Jean-Pierre Desmet, arbeidsauditeur, wordt gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 28 maart 2006 in zijn mondeling advies. De partijen wensen geen repliek te geven. De feiten De eisende partij deed op 20 februari 2004 een aanvraag in zake de rechten op een tegemoetkoming als gehandicapte. Bij beslissing van 6 juni 2005 werd vanaf 1 maart 2004, alhoewel de eisende partij voldoet aan de medische voorwaarden, de inkomensvervangende tegemoetkoming geweigerd of afgeschaft, aangezien het bedrag van de in aanmerking te nemen inkomsten het bedrag van de wettelijke voorziene tegemoetkoming te boven gaat. Er werd vanaf 1 maart 2004 aan de eisende partij als gerechtigde met gezinslast een integratietegemoetkoming overeenkomstig categorie III toegekend ten bedrage van 1.246,84 euro per jaar. Ingevolge deze beslissing werd overgegaan tot de vermelde terugvordering dd. 27 juni
  2. Standpunt van partijen De eisende partij vraagt dat de rechtbank zou zeggen dat de verwerende partij dient te verzaken aan de terugvordering. Volgens de verwerende partij is de rechtbank niet bevoegd aangezien de verzaking behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de administratie. Beoordeling Krachtens artikel 29 van het Koninklijk Besluit van 22 mei 2003, betreffende de procedure voor behandeling van dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap, kan de Minister in behartenswaardige gevallen, na advies, geheel of gedeeltelijk afzien van de terugvordering. De rechtbank kan het standpunt van de verwerende partij niet volgen dat geen enkele rechtsinstantie terzake hoe dan ook zou kunnen oordelen. Het volstaat te verwijzen naar het arrest dd. 15 februari 2006 (nr. 26/2006) van het Arbitragehof (B.S. 27 maart 2006), waarin wordt gesteld dat artikel 19, tweede lid, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre het elk beroep bij een rechtscollege dat bevoegd is om een wettigheidstoezicht uit te oefenen, uitsluit tegen de beslissing waarbij de bevoegde Minister weigert af te zien van de terugvordering van onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen omdat het niet om een behartenswaardig geval gaat. Dit wettigheidstoezicht behoort tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, die krachtens artikel 582 van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd zijn inzake de geschillen ten aanzien van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, met inbegrip van de terugvorderingen (vgl. J. Put, Administratieve sancties in het sociale zekerheidsrecht, Die Keure, 1998, nr. 626) en het niet gaat om "politieke" rechten. De verwerende partij stelt wel terecht dat het eerst aan de administratie toekomt om over de verzaking te oordelen. Uit de debatten is gebleken dat de eisende partij een aanvraag bij de administratie heeft ingediend en volgens een schrijven van de verwerende partij zal er een sociaal assistent ter plaatse komen. Het thans ingediende beroep van de eisende partij is voorbarig bij gebrek aan beslissing van de verwerende partij. De eisende partij kan zich desgevallend na ontvangst van een (afwijzende) beslissing van de verwerende partij opnieuw wenden tot de rechtbank. Overigens is het niet onbegrijpelijk dat de eisende partij zich reeds onmiddellijk heeft gewend tot de arbeidsrechtbank nu op pagina 5 van de beslissing dd. 27 juni 2005 het recht op beroep bij de arbeidsrechtbank wordt meegedeeld zonder dan het voor een leek voldoende duidelijk is dan dit slaat op de (omvang van de) terugvordering dan wel op de aanvraag tot verzaking. OP DEZE GRONDEN: de rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, gelet op het mondeling gelijkluidend advies van het Openbaar Ministerie, - verklaart het beroep (in de zin van aanvraag tot verzaking zonder voorafgaande beslissing van de minister) niet toelaatbaar; - stelt vast dat bij ontstentenis van een omstandige opgave het bedrag van de tot op heden te vereffenen kosten van de partijen niet kan bepaald worden; - verwijst met toepassing van artikel 1.017 tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek de verwerende partij in de kosten van het geding. Aanwezig: Marc VANDEPLADUTSE, rechter in de Arbeidsrechtbank, voorzitter van de kamer; Chantal CLOQUET, rechter in sociale zaken benoemd als zelfstandige; Isabelle VERHAEGEN, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider; Myriam DE BOCK, hoofdgriffier. Bij beschikking dd. 24 april 2006 van de voorzitter der rechtbank werd de heer Marc Vandepladutse, rechter in de rechtbank, aangewezen ter vervanging van de heer Luc Hoedaert, voorzitter van de Arbeidsrechtbank, die wettig verhinderd is de uitspraak bij te wonen van dit vonnis waarover hij mede heeft beraadslaagd. Verhaegen Cloquet De Bock Vandepladutse PDF document ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060425.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.