id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 09 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060509.2 Rolnummer: 26570II;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-01 04:25 Fiche De eisende partij stelt thans dat hij een ontslagbescherming geniet in toepassing van artikel 32 tredecies van de Welzijnswet door het neerleggen van een formele klacht, terwijl de verwerende partij stelt dat er nog geen formele maar een informele klacht werd neergelegd, zodat de eisende partij niet kan genieten van de bijzondere ontslagbescherming. Naar het oordeel van de rechtbank dient de klacht, ondanks de bewoordingen, als formeel te worden beschouwd om volgende redenen. De vertrouwenspersoon heeft letterlijk gesteld in haar notities dat de slachtoffers "een for-mele klacht" wensen. Dit staat in schril contrast met het voorgedrukte formulier, op hetzelfde ogenblik ingevuld door de vertrouwenspersoon, met als titel "informele klacht" in het kader van geweld, pes-terijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (stukken eisende partij, nr. 1). Bijna 2 maanden later, op 30 oktober 2003, komt de verwerende partij met een verklaring voor de dag van de vertrouwenspersoon dat de drie klagers "klaar en duidelijk hebben aan-gegeven dat zij toch de gewone procedure wensen te volgen en aan te vangen met een in-formele klacht welke geen ontslagbescherming inhoudt". De eisende partij betwist dit uitdrukkelijk en evenmin blijkt de wijziging van een formele klacht in een informele klacht uit de notities van de vertrouwenspersoon. De omvang en structuur van het gehanteerde formulier past ook beter in het kader van een formele (met redenen omklede) klacht en werd door de eisende partij enkel op de zevende bladzijde ondertekend zonder parafering van de overige bladzijden (ook niet de eerste waarop melding is gemaakt van het informeel karakter). Het valt op dat aan de eisende partij nauwelijks drie dagen later op 11 september 2003 een aangetekende ingebrekestelling werd toegezonden waarbij de klacht van de eisende partij door de personeelsdirecteur ernstig wordt bekritiseerd (er is trouwens geen sprake van klacht maar "beschuldiging"). Niet alleen blijkt dat de verwerende partij op de hoogte was van het indienen van de klacht, doch tevens verwijst naar de inhoud van de klacht. De verwerende partij stelt immers dat de klacht "onterecht" is. Duidelijk is dat de verwerende partij, geheel in strijd met het normale verloop van een in-formele procedure, op de hoogte was van de klacht van de eisende partij en deze klacht zelfs als onterecht beschouwt. Gelijkluidend schriftelijk advies van O.M. Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSWET . WELZIJN OP HET WERK Pesten Informele of formele klacht. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32tredecies - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Tekst van de beslissing Uitgifte Eerste bladzijde. V. . op A.R. nr. 26.570/II. Rep. nr. . aan ____________________________________________________________________________ C.D. R.C. De ARBEIDSRECHTBANK te OUDENAARDE, tweede kamer, spreekt het hieronder R.P. volgend vonnis uit tijdens de openbare terechtzitting van dinsdag negen mei Verminderd tweeduizend en zes Griffierecht IN DE ZAAK: C., T., arbeider, wonende te eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. K. V. namens Mr. G. D. B., advocaten te A., tegen H., naamloze vennootschap, waarvan de vennootschapszetel gevestigd is te, met ondernemingsnummer , verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. A. P. namens Mr. K. S., advocaten te A.. De artikelen 2, 30, 34, 35, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd. De verwerende partij werd regelmatig gedagvaard bij exploot haar betekend op 12 december 2003 door de gerechtsdeurwaarder I. R.. De eisende partij verzocht bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 30 september 2005, de rechtsdag te bepalen met toepassing van het artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtsdag werd bepaald op 14 maart 2006 overeenkomstig artikel 750 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek. De door artikel 750 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven formaliteiten werden nageleefd. De vordering strekt ertoe: 1° de verwerende partij te veroordelen om aan de eisende partij te betalen:
- a)een bedrag van 12.637,47 euro voor beschermingsvergoeding zoals voorzien in de Wet van 11 juni 2002 en het Koninklijk Besluit van 11 juli 2002;
- b)de gerechtelijke interesten hierop; 2° de verwerende partij in de kosten van het geding te doen verwijzen; 3° de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te horen toestaan zonder dat een zekerheid zal moeten gesteld worden. De rechtbank heeft de partijen gehoord; de conclusies van partijen en de stukken van het dossier werden ingezien. Het Openbaar Ministerie heeft een schriftelijk advies, gegeven door de heer Jean-Pierre Desmet, arbeidsauditeur, neergelegd ter griffie op 22 maart 2006. De partijen hebben hierop niet gerepliceerd. De feiten De eisende partij trad op 11 maart 2001 voor onbepaalde duur in dienst als arbeider van de verwerende partij. Naar aanleiding van voorgehouden pestgedrag van de shiftleidster van de nachtploeg, mevrouw L. V. S., legde de eisende partij, samen met twee collega's, op 8 september 2003 klacht neer bij de vertrouwenspersoon, mevrouw V. D. C.. Op 11 september 2003 werd de eisende partij in gebreke gesteld door de verwerende partij omtrent een vermeende werkonderbreking én omwille van het indienen van een klacht wegens pesterijen. De arbeidsovereenkomst werd op 17 september 2003 door toedoen van de verwerende partij beëindigd. Op het C4-document werd vermeld dat de eisende partij "ongeschikt" is. Bij aangetekend schrijven dd. 24 september 2003 vorderde de vakbond van de eisende partij de beschermingsvergoeding op basis van de "Pestwet" alsook een aanpassing van de opzeggingsvergoeding. Bij schrijven dd. 30 september 2003 verklaarde de verwerende partij zich akkoord met de aanpassing van de opzeggingsvergoeding doch betwistte een beschermingsvergoeding verschuldigd te zijn. In verdere briefwisseling bleven partijen op hun standpunt. Standpunt van partijen. De eisende partij is van oordeel dat hij gerechtigd is op de betaling van de beschermingsvergoeding die overeenstemt met het forfaitair bedrag van zes maanden loon, omdat hij een met redenen omklede klacht heeft ingediend wegens geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk en de arbeidsovereenkomst werd beëindigd om redenen die niet vreemd zijn aan die klacht. De eisende partij stelt dat het wel degelijk ging om een formele klacht en verwijst onder meer naar de nota's van de vertrouwenspersoon en naar het feit dat amper drie dagen later hij reeds bij aangetekende brief in gebreke wordt gesteld o.a. wegens het indienen van deze klacht. De eisende partij stelt dat de verwerende partij niet bewijst dat het ontslag gebaseerd is op andere feiten dan de ingediende klacht. De eisende partij wijst erop dat hij nooit voordien in gebreke werd gesteld of opmerkingen kreeg en het ontslag louter een represaille is. Volgens de eisende partij is hij niet verplicht om (voorafgaand) de reïntegratie te vragen om gerechtigd te zijn op de beschermingsvergoeding. Ondergeschikt vraagt de eisende partij te worden toegelaten tot het bewijs met getuigen. De verwerende partij stelt dat zij niet gehouden kan zijn tot betaling van deze beschermingsvergoeding. Volgens haar werd nog geen formele klacht neergelegd, zodat de beschermingsperiode nog niet was gestart. De verwerende partij benadrukt dat op de klacht expliciet is vermeld dat het ging om een informele klacht, hetgeen de vertrouwenspersoon overigens nadien heeft bevestigd. Ondergeschikt wijst de eisende partij er op dat het ontslag van de eisende partij niet zozeer het gevolg is van zijn klacht bij de vertrouwenspersoon, doch voortvloeit uit de beslissing om het goed functioneren van de inpakafdeling te verzekeren. Ondergeschikt stelt de verwerende partij dat de eisende partij eerst de reïntegratie had moeten vragen. Beoordeling. 1. Principes 1.1. De werknemer die meent het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk beschikt over een aantal actiemogelijkheden om een einde te stellen aan deze feitelijkheden. Hij kan zich richten tot de preventieadviseur, de vertrouwenspersonen of de met het toezicht belaste ambtenaren, en in voorkomend geval, bij die personen een met redenen omklede klacht indienen . Indien deze werknemer zich rechtstreeks richt tot de vertrouwenspersonen of de preventieadviseur, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde interne procedure. 1.2. De nadere regels van deze interne procedure en de wijze waarop een klacht van een werknemer die zich gepest voelt wordt behandeld, werden vastgelegd in de artikelen 10 tot en met 15 van het Koninklijk Besluit van 11 juli 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. De interne procedure loopt in verschillende fases: er wordt een onderscheid gemaakt tussen de informele fase waarin een verzoening wordt beoogd, en de formele fase waarin de preventieadviseur een onderzoek start naar de feiten na de neerlegging van een met redenen omklede klacht. Een klacht kan aldus twee betekenissen hebben, al naargelang men zich in de informele (de eenvoudige klacht) of de formele fase (de met redenen omklede klacht) bevindt. 1.2.1. informele fase - bemiddelingsfase Tijdens deze fase dient de klager een klacht in, waarbij feiten worden meegedeeld aan de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur . Dit is een volledig vertrouwelijk gesprek. Indien de werknemer ervoor opteert zich tot de vertrouwenspersoon te wenden, neemt deze laatste de rol van eerstelijnsinterveniënt op zich: hij hoort het slachtoffer van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, hij geeft hem raad en biedt opvang, hulp en de vereiste bijstand . Op verzoek van het slachtoffer kan de vertrouwenspersoon tevens proberen te bemiddelen tussen hem en de aangeklaagde . De bemiddeling vereist niet noodzakelijk een ontmoeting tussen de partijen . Het is de bedoeling beide partijen de nodige verantwoordelijkheidszin bij te brengen door hen de gelegenheid te bieden om de zaak uit te praten en naar elkaar te luisteren, om zo te komen tot een akkoord met respect voor de belangen van beide partijen . Tijdens de informele fase zal de werkgever niet op de hoogte gebracht worden van de problematiek tenzij de persoon die zich slachtoffer voelt hier uitdrukkelijk om vraagt, bijvoorbeeld wanneer de tussenkomst van de werkgever nodig is voor de uitvoering van het akkoord tussen hem en de aangeklaagde . De vertrouwenspersoon heeft dus niet als taak te rapporteren aan de werkgever en dus ook niet tot taak getuigen te horen die deel uitmaken van de dienst van de persoon die zich slachtoffer voelt. Zijn rol beperkt zich tot de verbetering van de relatie tussen de persoon die zich slachtoffer voelt en de aangeklaagde . In deze informele procedure kunnen de problemen gemakkelijker ter sprake komen, omdat men niet bang hoeft te zijn dat het gesprek aanleiding geeft tot ongewenste gevolgen. Bedoeling is het probleem niet te laten escaleren tot een conflict. Men poogt een oplossing in der minne te zoeken . Tijdens deze fase is de persoon die zich slachtoffer voelt, niet beschermd tegen ontslag. 1.2.2. formele fase Indien de bemiddeling tot geen resultaten leidt of onmogelijk blijkt, neemt de vertrouwenspersoon op uitdrukkelijk verzoek van het slachtoffer, de met redenen omklede klacht in ontvangst, die hij onmiddellijk doorstuurt aan de bevoegde preventieadviseur . De formele procedure wordt gestart door het neerleggen van bovenvermelde "met redenen omklede" klacht. De wet geeft niet echt een definitie van de met redenen omklede klacht . Evenmin bepaalt de wet uitdrukkelijk hoe de met redenen omklede klacht ingediend moet worden: het is bijv. onduidelijk of een brief volstaat of een gesprek met de vertrouwenspersoon of preventieadviseur noodzakelijk is. De met redenen omklede klacht wordt opgenomen in een document dat wordt gedateerd en waarin de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen worden opgenomen en in voorkomend geval het resultaat van de bemiddeling . Van zodra een met redenen omklede klacht is ingediend, brengt de bevoegde preventieadviseur de werkgever hiervan op de hoogte door hem een afschrift te bezorgen van de met redenen omklede klacht en nodigt hij de werkgever uit om passende maatregelen te nemen . Hij wijst de werkgever ook op de ontslagbescherming die de werknemer geniet ingevolge het indienen van een met redenen omklede klacht . 1.3. Inderdaad heeft de wetgever bepaald dat de werknemer dan een ontslagbescherming geniet nu de werkgever op de hoogte wordt gebracht van de klacht. De werknemer is beschermd tegen represaillemaatregelen vanwege de werkgever gedurende een termijn van 12 maanden na neerlegging van de klacht . De werkgever mag overgaan tot het ontslag van de betrokken werknemers, doch enkel om redenen die vreemd zijn aan de klacht, en op voorwaarde dat hij deze redenen bewijst . Als hij er niet in slaagt om de door hem ingeroepen redenen te bewijzen, maakt de werknemer, indien hij niet gereïntegreerd wordt, aanspraak op een vergoeding van 6 maanden loon of een schadevergoeding die overeenstemt met de werkelijk geleden schade . Indien de Arbeidsrechtbank de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag bewezen acht, is de werknemer die ontslagbescherming geniet gerechtigd op de bijzondere ontslagvergoeding, ook al wordt de reïntegratie niet aangevraagd . Beide partijen dragen een deel van de bewijslast. Indien de eisende partij de feiten die hij heeft aangebracht in zijn klacht aannemelijk heeft gemaakt, moet onderzocht worden of de werkgever voldoende bewijs levert dat de aangehaalde feiten geen pesterijen uitmaken . Immers voorziet artikel 32undecies van de Wet van 4 augustus 1996 (Welzijnswet) in een omkering van de bewijslast. 2. Toepassing 2.1. Formele of informele klacht? 2.1.1. De eisende partij meent dat hij tijdens zijn tewerkstelling bij de verwerende partij het slachtoffer was van pesterijen op het werk die gepleegd werden door mevrouw L. V. S., shiftleidster van de nachtploeg. Gelet op dit beweerde pestgedrag, diende de eisende partij samen met twee andere werknemers op 8 september 2003 een klacht in bij de vertrouwenspersoon mevrouw V. D. C.. Op 11 september 2003 werd de eisende partij in gebreke gesteld door de productiemanager, die uitdrukkelijk een allusie maakt op de door de eisende partij ingediende klacht: "u hebt daarnaast blijkbaar één van Uw oversten onterecht beschuldigd van pesterijen. Ook dit is een zeer ernstig en betreurenswaardig incident Op 17 september 2003 werd de eisende partij ontslagen, waarbij als reden van het ontslag "ongeschikt" wordt opgegeven. De eisende partij stelt thans dat hij een ontslagbescherming geniet in toepassing van artikel 32 tredecies van de Welzijnswet door het neerleggen van een formele klacht, terwijl de verwerende partij stelt dat er nog geen formele maar een informele klacht werd neergelegd, zodat de eisende partij niet kan genieten van de bijzondere ontslagbescherming. Het neerleggen van de met redenen omklede klacht is dan ook het startpunt van de beschermingsperiode. 2.1.2. Vast staat dat de eisende partij, samen met twee andere werknemers op 8 september 2003 een onderhoud heeft gehad met vertrouwenspersoon mevrouw V. D. C., waarbij hij het vermeend pestgedrag van mevrouw L. V. S. aan de kaak wenste te stellen. Partijen geven vervolgens uiteenlopende verklaringen betreffende het verdere verloop van de klacht. Naar het oordeel van de rechtbank dient de klacht, ondanks de bewoordingen, als formeel te worden beschouwd om volgende redenen. 2.1.2.1. De vertrouwenspersoon heeft letterlijk gesteld in haar notities dat de slachtoffers "een formele klacht" wensen (stukken eisende partij, nr. 1). Dit staat in schril contrast met het voorgedrukte formulier, op hetzelfde ogenblik ingevuld door de vertrouwenspersoon, met als titel "informele klacht" in het kader van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (stukken eisende partij, nr. 1). Bijna 2 maanden later, op 30 oktober 2003, komt de verwerende partij met een verklaring voor de dag van de vertrouwenspersoon, mevrouw D. C., dat de drie klagers "klaar en duidelijk hebben aangegeven dat zij toch de gewone procedure wensen te volgen en aan te vangen met een informele klacht welke geen ontslagbescherming inhoudt". De eisende partij betwist dit uitdrukkelijk en evenmin blijkt de wijziging van een formele klacht in een informele klacht uit de notities van de vertrouwenspersoon. De omvang en structuur van het gehanteerde formulier past ook beter in het kader van een formele (met redenen omklede) klacht en werd door de eisende partij enkel op de zevende bladzijde ondertekend zonder parafering van de overige bladzijden (ook niet de eerste waarop melding is gemaakt van het informeel karakter). 2.1.2.2. Het valt op dat aan de eisende partij nauwelijks drie dagen later op 11 september 2003 een aangetekende ingebrekestelling werd toegezonden waarbij de klacht van de eisende partij door de personeelsdirecteur ernstig wordt bekritiseerd (er is trouwens geen sprake van klacht maar "beschuldiging"). Niet alleen blijkt dat de verwerende partij op de hoogte was van het indienen van de klacht, doch tevens verwijst naar de inhoud van de klacht. De verwerende partij stelt immers dat de klacht "onterecht" is. Duidelijk is dat de verwerende partij, geheel in strijd met het normale verloop van een informele procedure, op de hoogte was van de klacht van de eisende partij en deze klacht zelfs als onterecht beschouwt. Het is precies de bedoeling van de informele procedure dat de klacht vertrouwelijk wordt behandeld. A fortiori kan het geenszins de bedoeling zijn dat de verwerende partij een ingebrekestelling stuurt aan de eisende partij betreffende een "onterechte beschuldiging van één van de oversten van de pesterijen". Naast de uitdrukkelijke notities van de vertrouwenspersoon bevestigt dit feit dat de klacht niet informeel was, doch formeel waarbij de werkgever niet alleen op de hoogte was van het neerleggen van de klacht, maar ook de inhoud van de klacht kende. De verwerende partij beweert evenwel dat zij niet op de hoogte werd gesteld door de vertrouwenspersoon en zij dit vernomen heeft via 'geruchten'. Echter blijkt uit de stukken dat de personeelsdirecteur van de verwerende partij op 8 september 2003, (dit is nog dezelfde dag van het indienen van de klacht ), reeds een vergadering hield waarbij de situatie van o.a. de eisende partij uitvoerig werd besproken (stukken verwerende partij, nr. 4). Het is niet geloofwaardig dat de verwerende partij, enkel en alleen op basis van geruchten, onmiddellijk een vergadering zou houden om de situatie van de eisende partij "uitvoerig" te bespreken en hierbij de inhoud van de klacht als ongegrond zou beschouwen. Duidelijk is dat de eisende partij, samen met de 2 andere klagers, een formele klacht hebben geformuleerd en dat de verwerende partij, in toepassing van artikel 14, eerste alinea van het Koninklijk Besluit van 11 juli 2002, op de hoogte werd gebracht van de formele klacht. 2.1.2.3. De verwerende partij stelt vervolgens dat de klachtenprocedure haar normale verloop heeft gekend, volkomen in overeenstemming met de ratio legis van de wet. Uit geen enkel stuk blijkt echter dat de vertrouwenspersoon tot bemiddeling is overgegaan, hetgeen toch wenselijk is indien de klager hierom heeft gevraagd. Wel integendeel werd de klager drie dagen later in gebreke gesteld. 2.1.3. Uit de uitdrukkelijke notities van de vertrouwenspersoon én de houding van de verwerende partij na het indienen van de klacht (die perfect op de hoogte was van de inhoud van de klacht), kan afgeleid worden dat de eisende partij een formele klacht heeft neergelegd. De vaststelling dat de formele klacht op een voorgedrukt formulier "informele klacht" werd genoteerd door de vertrouwenspersoon, kan de eisende partij niet aangerekend worden. In toepassing van artikel 32terdecies van de vermelde Wet van 4 augustus 1996 genoot de eisende partij een bescherming tegen ontslag. 2.2. Was de eisende partij het slachtoffer van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk? 2.2.1. Vooraleer de eisende partij aanspraak kan maken op een forfaitaire beschermingsvergoeding, is het ook noodzakelijk dat de Rechtbank een oordeel kan vellen omtrent het voorgehouden geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk. Het staat immers vast dat de eisende partij geen verzoek heeft ingediend bij de verwerende partij om opnieuw in de onderneming opgenomen te worden. De Rechtbank dient dan ook niet alleen over het bestaan van de ontslagbescherming te oordelen, doch moet tevens het geweld, de pesterijen of het ongewenst seksueel gedrag onderzoeken . 2.2.2. Met betrekking tot het bewijs van de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, dient vastgesteld dat de eisende partij geen enkel feit aanbrengt waarvan hij het slachtoffer geworden zou zijn. In zijn 7 pagina's tellende synthesebesluiten beperkt de eisende partij er zich (in één zin ) toe te verwijzen naar de klacht die hij samen met 2 andere werknemers heeft neergelegd. In deze klachtbrief vindt de rechtbank geen concrete feiten terug die het bestaan van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen doen vermoeden. Zoals blijkt uit de tekst van artikel 32undecies van de Welzijnswet, dient de belanghebbende, om te kunnen genieten van de omkering van de bewijslast waarin deze bepaling voorziet, feiten aan te voeren die het bestaan van pesterijen kunnen doen vermoeden. Zulks impliceert dat de loutere bewering van pestgedrag of het louter aanvoeren in de zin van poneren van feiten niet als voldoende kan worden beschouwd. De belanghebbende dient duidelijk omschreven en concrete gedragingen van personen aan te voeren waaruit men bovendien moet kunnen afleiden dat hij het slachtoffer is van onrechtmatig pestgedrag in de zin van de wet. Zulks impliceert dat de aangevoerde feitelijkheden voldoende in tijd en ruimte moeten omschreven zijn, en toe te rekenen zijn aan identificeerbare personen . 2.2.3. De eisende partij biedt weliswaar aan met getuigen te bewijzen dat "hij het slachtoffer is geworden van pesterijen op het werk, meerbepaald deze waarvoor hij klacht heeft neergelegd middels geschrift van 8 september 2003". De rechter beoordeelt op onaantastbare wijze of de feiten, waarvan gevraagd wordt ze met getuigen te bewijzen, nauwkeurig genoeg zijn, pertinent zijn en niet door andere bewijzen tegengesproken worden (J. Petit, Sociaal Procesrecht, Brugge, Die Keure, 2000, 462). Overeenkomstig vaststaande cassatierechtspraak dient het aanbod van getuigenbewijs verworpen te worden bij ontstentenis van opgave van meer bepaalde en ter zake dienende feiten (Cass. 7 januari 1983, A.C. 1982-83, 600; Cass. 23 oktober 1981, A.C. 1981-82, 285). Het getuigenbewijs kan overeenkomstig artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek slechts worden toegestaan voor feiten die voldoende ernstig en ter zake zijn, dat wil zeggen bepaald, precies, duidelijk en nauwkeurig omschreven naar omstandigheden, plaats, ruimte, tijd en feitelijkheden en vatbaar voor tegenbewijs (Rb. Antwerpen 27 juni 2002, RABG 2003, afl. 3, 135, noot; R. Mougenot, La Preuve, Larcier 1997, 208). De eisende partij brengt geen enkel nauwkeurig feit aan zodat het aanbod van de eisende partij tot het bewijzen dat hij het slachtoffer was van pesterijen door een of meer getuigen dient afgewezen te worden. Daarnaast worden de vermeende pesterijen ook tegengesproken door het verslag van de preventieadviseur, de heer K. D. W. (IDEWE). Hij stelde vast dat de klachten tegen mevrouw V. S. hun oorsprong vinden bij de voormalig nachtshiftverantwoordelijke de heer D. B. en de gewijzigde organisatiestructuur. De preventieadviseur stelt zich de vraag of het niet gaat om een afrekening en verwijst hierbij naar een getuige die in het verleden klacht indiende op basis van hetgeen hem werd ingefluisterd door de heer D. B.. Er zijn volgens de preventieadviseur redenen om aan te nemen dat er een duidelijke stijlbreuk is met het verleden mevrouw V. S. (kort, correct, streng) vs. de heer D. B. (royaal, los, informeel) en dit niet voor iedereen verteerbaar is (stukken verwerende partij, nr. 11). In zijn verslag wordt deze stijlbreuk aldus geenszins gelijkgesteld met pesterijen. Overigens blijken de andere klagers hun klacht te hebben ingetrokken zonder dat er enig bewijs is van druk van de verwerende partij. 2.2.4. Vermits de eisende partij geen feiten aanvoert die het bestaan van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen doen vermoeden en het aanbod tot getuigenbewijs dienaangaande niet toelaatbaar is, kan de eisende partij zich bovendien niet beroepen op de omkering van de bewijslast in toepassing van artikel 32 undecies van de Welzijnswet en is de vordering, ondanks het formeel karakter van de klacht en het ontslag tijdens de beschermingperiode, ongegrond. OP DEZE GRONDEN: de rechtbank, rechtsprekend op tegenspraak, gelet op het schriftelijk gelijkluidend advies van het Openbaar Ministerie, - wijst de meeromvattende en strijdige conclusies af; - laat de vordering toe; - verklaart de vordering ongegrond; - bepaalt het bedrag van de tot op heden te vereffenen kosten x van de eisende partij: 319,80 euro (105,62 euro voor kosten dagvaarding en 214,18 euro voor rechtsplegingsvergoeding); x van de verwerende partij: 205,06 euro rechtsplegingsvergoeding, zoals gevorderd; - verwijst de eisende partij in de kosten van het geding. Aanwezig: Luc HOEDAERT, voorzitter van de Arbeidsrechtbank, voorzitter van de kamer; Olivier HERBERIGS, rechter in sociale zaken benoemd als werkgever; Erik VAN LAECKE, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider; Myriam DE BOCK, hoofdgriffier. Van Laecke Herberigs De Bock Hoedaert PDF document ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060509.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div