id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 26 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060526.1 Rolnummer: 26902;27380;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-09 Raadplegingen: 146 - laatst gezien 2026-07-01 04:27 Fiche 1 Overeenkomstig artikel 23 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde moet tegen de beslissingen van de instellingen van sociale zekerheid die bevoegd zijn voor de toekenning, betaling of de terugvordering van prestaties, op straffe van verval, beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van die beslissing. Het ogenblik van de kennisgeving is niet de datum van de verzending van het geschrift waarin de beslissing is opgenomen, noch die van de afgifte ervan ter post, maar van de aanbieding van de aangetekende zending. Vrije woorden: HANDVEST VAN DE SOCIAAL VERZEKERDE Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1995 - 23 - 44 ELI link Pub nr 1995022286 Nota: Eveneens gerangschikt onder de ref. VII D.N., art. 100 ,§,§ 1 en 2, art. 101, art. 103 ,§ 1, 1°, art. 164, art 174, 5° en 12e lid. Fiche 2 Om arbeidsongeschikt te kunnen worden erkend in de zin van artikel 100,§1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 (ZIV-wet), oordeelt de rechtbank dat de gerechtigde moet voldoen aan drie voorwaarden :
- de betrokkene moet elke werkzaamheid onderbroken hebben Het is in deze betwisting duidelijk dat H. V., terwijl hij erkend was als arbeidsongeschikt, vanaf 1 april 1999 het werk hervat heeft zodat hij vanaf die datum niet meer voldoet aan de eerste voorwaarde om als arbeidsongeschikt te kunnen erkend worden: hij heeft niet elke werkzaamheid onderbroken. Bovendien heeft hij het werk hervat zonder dat de adviserend geneesheer hiervoor toestemming gaf of zelfs maar op de hoogte was van die arbeidshervatting. Bijgevolg kan hij ook niet arbeidsongeschikt erkend worden in de zin van artikel 100,§2 van voormelde wet. H. V. heeft door het hervatten van de arbeid zonder toestemming zelf een einde gemaakt aan zijn arbeidsongeschiktheid en de erkenning ervan. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING Ziekteverzekering - Ontvankelijkheid - Tijdigheid - ZIV-Wet - Arbeidsongeschiktheid artikel 100 ,§
- Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 100§§1en2 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: Eveneens gerangschikt onder de ref. XV, art. 23 en onder de ref. VII D.N., art. 101, art. 103 ,§ 1, 1°, art. 164 en art. 174, 5° en 12e lid Fiche 3 Vooreerst wenst de rechtbank te benadrukken dat artikel 101 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 moet samen gelezen worden met artikel 100 van dezelfde wet. Volgens artikel 101 moet de als arbeidsongeschikt erkende werknemer die arbeid heeft verricht zonder de in artikel 100 ,§2 bedoelde voorafgaande toelating, maar die van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50% behouden heeft, slechts de uitkeringen terugbetalen die hij ontving voor de dagen of de periode tijdens welke hij de niet toegelaten arbeid heeft verricht. Artikel 101 van de ZIV-wet bevat een regularisatieprocedure. Voor de periode van niet toegelaten arbeid kan betrokkene vermoed worden arbeidsongeschikt te zijn gebleven op voorwaarde dat hij nog een vermindering behouden heeft van zijn vermogen van 50% van geneeskundig oogpunt uit. In tegenstelling met het standpunt van de ziekenfondsen oordeelt de rechtbank dat de persoon van wie ontvangen prestaties van de uitkeringsverzekering of van de verzekering voor geneeskundige verzorging teruggevorderd worden, deze terugvordering steeds kan betwisten voor de rechtbank, indien het ziekenfonds deze terugvordering voor de rechtbank gebracht heeft. De omstandigheid dat het ziekenfonds voordien een beslissing nam waartegen de betrokkene niet in beroep is gegaan doet geen afbreuk aan zijn rechten van verdediging in de procedure die het ziekenfonds tegen hem aanspant. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING Ziekteverzekering - Ontvankelijkheid - Tijdigheid - ZIV-Wet - Regularisatie artikel
- Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 101 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: Eveneens gerangschikt onder de ref. XV, art. 23 en onder de ref. VII D.N., art. 100 ,§,§ 1 en 2, art. 103 ,§ 1, 1°, art. 164 en art. 174, 5° en 12e lid Fiche 4 Bij toepassing van artikel 103 ,§1 1° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, heeft de werknemer geen aanspraak op uitkeringen voor de periode waarop hij recht heeft op loon in de zin van artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. De uitkeringsverzekering heeft tot doel om de werknemer die ingevolge zijn arbeidsongeschiktheid niet door arbeid in zijn levensonderhoud kan voorzien, een vervangingsinkomen te bezorgen. De anticumulatiebepalingen van artikel 103 ,§1 van de ZIV wet strekken ertoe de ziekteuitkeringen te ontzeggen aan de arbeidsongeschikte werknemer die reeds in zijn levensonderhoud kan voorzien ingevolge een beroeps- of ander vervangingsinkomen. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING Ziekteverzekering - Ontvankelijkheid - Tijdigheid - ZIV - Wet - Terugvordering arbeidsongeschiktheidsuitkeringen artikel 103 ,§1 en artikel
- Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 103,§1,1° - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: Eveneens gerangschikt onder de ref. XV, art. 23 en onder de ref. VII D.N., art. 100 ,§,§ 1 en 2, art. 101, art. 164 en art. 174, 5° en 12e lid. Fiche 5 Bij toepassing van artikel 164 van de ZIV-wet is hij die ten gevolge van een vergissing of bedrog ten onrechte prestaties ontvangen heeft van de uitkeringsverzekering, verplicht de waarde ervan te vergoeden aan de verzekeringsinstelling die ze heeft verleend. De prestaties worden teruggevorderd door de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend binnen de door de Koning bepaalde termijn en met alle middelen, de gerechtelijke inbegrepen. (artikel 164 4e lid ZIV wet). Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING Ziekteverzekering - Ontvankelijkheid - Tijdigheid - ZIV - Wet - Terugvordering arbeidsongeschiktheidsuitkeringen artikel 103 ,§1 en artikel
- Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 164 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: Eveneens gerangschikt onder de ref. XV, art. 23 en onder de ref. VII D.N., art. 100 ,§,§ 1 en 2, art. 101, art. 103 ,§ 1, 1° en art. 174, 5° en 12e lid. Fiche 6 Overeenkomstig artikel 174, 5° van de ZIV wet verjaart de vordering tot terugvordering van de waarde der ten laste van de uitkeringsverzekering ten onrechte verleende prestaties, twee jaar na het einde van de maand waarin de prestaties zijn uitbetaald. Deze verjaring geldt niet als het ten onrechte verlenen van prestaties het gevolg zou zijn van bedrieglijke handelingen waarvoor hij wie ze tot baat strekten, verantwoordelijk is. In dat geval bedraagt de verjaringstermijn vijf jaar. (artikel 174 12de lid ZIV wet). In casu is de rechtbank van oordeel dat H. V. op bedrieglijke wijze tegenover zijn ziekenfonds verzweeg dat hij werkte bij de firma Z. W. NV van 01/04/1999 tot en met 30/06/1999, deeltijds en bij de firma D. J.-T. BVBA van 15/05/2000 tot en met 31/10/2001, voltijds en vanaf 01/12/2001 tot en met 30/11/2003 deeltijds. Dit bedrieglijk karakter is bewezen door de lange duur van de tewerkstelling, waarvan een periode voltijds, door het opzettelijk verzwijgen van de tewerkstelling tijdens de laatste medische controle van de adviserend geneesheer op 21/11/2002 alsook door het feit dat H. V. het systeem van voorafgaande toestemming van de adviserend geneesheer kende van in januari 1997 toen hij toestemming vroeg en bekwam voor een progressieve tewerkstelling. In die periode ontving hij uiteraard niet én de volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering én zijn loon: zijn uitkering werd aangepast, rekening houdend met het ontvangen loon. In de geviseerde periode cumuleerde hij daarentegen wel op onrechtmatige manier een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering en zijn loon. Het feit dat het hier officiële inkomsten betroffen is niet doorslaggevend. (zie ook Arbeidshof Antwerpen (afdeling Hasselt), 25/4/1997, Soc. Kron., 1999/12, p. 616). Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat hier de vijfjarige verjaringstermijn van toepassing is zodat de vordering ingediend door het NVSM tijdig en gegrond is. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING Ziekteverzekering - Ontvankelijkheid - Tijdigheid - ZIV - Wet - Verjaring artikel
- Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 174,5°en12el - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: Eveneens gerangschikt onder de ref. XV, art. 23 en onder de ref. VII D.N., art. 100 ,§,§ 1 en 2, art. 101, art. 103 ,§ 1, 1° en art.
- Tekst van de beslissing eerste blad TWEEDE 26 mei 2006 26.902 27.380 DE ARBEIDSRECHTBANK TE IEPER, TWEEDE KAMER, HEEFT HET VOLGEND VONNIS UITGESPROKEN : In de zaak nr. 26.902 der algemene rol : V. H., wonende te, - EISER - hebbende als raadsman Mr. St. DE ROUCK, voor wie optreedt Mr. M. SMOUT, beiden advocaat te IEPER; tegen : N.S.V.M., met zetel te , - VERWEERDER - hebbende als raadsman Mr. J. FONTEYNE, voor wie optreedt Mr. S. DE BEL, beiden advocaat te WAREGEM; En in de zaak nr. 27.380 der algemene rol : N.S.V.M., met zetel te, - EISER - hebbende als raadsman Mr. J. FONTEYNE, voor wie optreedt Mr. S. DE BEL, beiden advocaat te WAREGEM; tegen : V. H., wonende te, - VERWEERDER - hebbende als raadsman Mr. St. DE ROUCK, voor wie optreedt Mr. M. SMOUT, beiden advocaat te IEPER;
- Procedure Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Ieper op 16/04/2004 stelt H.V. beroep in tegen de beslissing van de adviserend geneesheer van het NVSM, gedateerd 14/01/2004, hem ter kennis gebracht bij brief van 19/01/2004, waarbij beslist wordt: - dat eiser met ingang van 01/04/1999 niet langer arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen om reden dat hij zonder voorafgaande toelating van de adviserend geneesheer een activiteit hernomen heeft (beslissing van 14/01/2004) - dat eiser zich niet in de voorwaarden bevindt van artikel 101 van dezelfde wet (kennisgeving van 19/01/2004). Dit geschil werd ingeschreven in de Algemene Rol van de Arbeidsrechtbank te Ieper onder nummer
- Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Ieper op 15/12/2004 vordert het NVSM de veroordeling van H. V. tot terugbetaling van de ten onrechte verleende verstrekkingen zijnde een bedrag van 56075,51 euro. Dit geschil werd ingeschreven in de Algemene Rol van de Arbeidsrechtbank te Ieper onder nummer
- Ingevolge gezamenlijk verzoek van de partijen overeenkomstig artikel 750 ,§ 1 van het gerechtelijk wetboek werd de rechtsdag in de zaak met AR nr. 26902 vastgesteld op de zitting van de 2de kamer van de Arbeidsrechtbank te Ieper op vrijdag 24 maart
- Op verzoek van het NVSM overeenkomstig artikel 750 ,§ 2 van het gerechtelijk wetboek, heeft de rechtbank de rechtsdag in de zaak met AR nr. 27380 bepaald op de openbare terechtzitting van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Ieper op vrijdag 24 maart
- De rechtbank heeft partijen gehoord ter openbare terechtzitting van 24 maart 2006 waarna de debatten gesloten werden. In beide zaken heeft het Openbaar Ministerie bij monde van mevrouw Caroline Goethals, Subsituut-arbeidsauditeur, schriftelijk advies opgemaakt en neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Ieper op 10 april
- Partijen repliceerden op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie door middel van besluiten neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Ieper op 24/04/2006 door H. V. en op 27/04/2006 door het NVSM. De rechtbank heeft de beide zaken in beraad genomen op 28/04/
- In het belang van de goede rechtsbedeling en op verzoek van partijen worden de zaken samen behandeld. De stukken van de rechtspleging, het administratief dossier en de stukken neergelegd door partijen werden door de rechtbank doorgenomen. A.R. 26.902 27.380 tweede De rechtspleging verliep in het Nederlands overeenkomstig artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
- Ontvankelijkheid van de vorderingen Het lijdt hier geen twijfel dat beide partijen als eiser de vereiste hoedanigheid en belang hebben om hun rechtsvordering in te dienen. (artikel 17 van het gerechtelijk wetboek). Bovendien is hun verzoekschrift regelmatig. De vraag stelt zich naar de tijdigheid van het verzoekschrift door eiser H. V. neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Ieper op 16/04/2004 in de zaak met AR nr.
- Ten onrechte beweert hij dat de beslissing van het NVSM de dato 14/01/2004 hem ter kennis gebracht werd bij brief van 19/01/
- De rechtbank is immers van oordeel dat de beslissing van het NVSM de dato 14/01/2004 aangetekend verstuurd werd op 15/01/2004 door de adviserend geneesheer K. D. G. (zie stuk gehecht aan de repliekbesluiten van het NVSM). Overeenkomstig artikel 23 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde moet tegen de beslissingen van de instellingen van sociale zekerheid die bevoegd zijn voor de toekenning, betaling of de terugvordering van prestaties, op straffe van verval, beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van die beslissing. Het ogenblik van de kennisgeving is niet de datum van de verzending van het geschrift waarin de beslissing is opgenomen, noch die van de afgifte ervan ter post, maar van de aanbieding van de aangetekende zending. Aangezien de beslissing van het NVSM de dato 14/01/2004 op 15/01/2004 aan de post werd afgegeven met het oog op de aangetekende verzending, is de rechtbank van oordeel dat die beslissing ten vroegste op 16/1/2004 aangeboden werd per adres van eiser H. V. zodat zijn beroep op 16/04/2004 tijdig werd ingediend. De rechtbank is van oordeel dat beide vorderingen ontvankelijk zijn.
- Feiten van belang voor het geschil H. V. werd vanaf 2/12/1994 arbeidsongeschikt erkend overeenkomstig artikel 100 van de gecoördineerde wet van 14 juli
- Sindsdien ontving hij onafgebroken arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van het NVSM voor de periode van 2/12/1994 tot en met 31/10/
- In januari 1997 deed hij een aanvraag voor progressieve tewerkstelling bij de adviserend geneesheer. Hij bekwam toestemming voor de maandag tot de vrijdag van 14u tot 17u. Aan deze progressieve tewerkstelling kwam een einde op 12 juli
- Het laatste klinisch onderzoek bij de adviserend geneesheer dateert van 21/11/
- Toen werd er met geen woord gerept over een tewerkstelling. In november 2003 stelde het NVSM vast dat H. V. zonder toestemming van de adviserend geneesheer werkte bij de firma Z. W. NV van 01/04/1999 tot en met 30/06/1999, deeltijds en bij de firma D. J.-T. BVBA van 15/05/2000 tot en met 31/10/2001, voltijds en vanaf 01/12/2001 tot en met 30/11/2003 deeltijds. Hierop deelde het NVSM bij aangetekende brief van 12/01/2004 aan H. V. mede dat deze werkhervatting vanaf 01/04/1999 een einde stelde aan zijn arbeidsongeschiktheid van 02/12/
- Tevens raadde het NVSM H. V. aan om de adviserend geneesheer te contacteren teneinde de voordelen van artikel 101 van de gecoördineerde wet van 14/07/1994 te vragen. Tenslotte vroeg het NVSM in dezelfde brief de terugbetaling van de som van 56075,51 euro met de mededeling dat H. V. tegen de terugvordering kon in beroep gaan bij de bevoegde arbeidsrechtbank ten laatste binnen de drie maanden vanaf de datum van deze brief. Tegen deze beslissing heeft H. V. geen beroep aangetekend. Bij aangetekende brief van 14/01/2004 bracht de adviserend geneesheer van het NVSM aan H. V. ter kennis dat hij na hem te hebben onderzocht, van oordeel is dat hij niet langer arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet van 14/07/1994, vanaf 1/4/1999 aangezien hij niet meer voldoet aan één of meer van de volgende, in bovengenoemd artikel gestelde voorwaarden : "U zonder voorafgaande toelating van de adviserend geneesheer van uw ziekenfonds een activiteit heeft hernomen (art. 100,§2 van de gecoördineerde wet van 14/07/1994)." Het is tegen deze beslissing dat H. V. bij zijn verzoekschrift van 16/04/2004 beroep heeft aangetekend. Tenslotte is er de brief van de B. M. W.-V. de dato 19 januari 2004 waarin aan H. V. werd medegedeeld dat de medisch adviseur dr. D. wegens medische reden geen artikel 101 kan aanvragen van minder dan 50 % vermogen. In diezelfde brief wordt aangedrongen op de terugbetaling van de schuld waarvan sprake in de aangetekende brief van 12/01/
- Ook tegen deze 'beslissing' tekende H. V. beroep aan in zijn zelfde verzoekschrift van 16/04/
- Standpunt van partijen Zijn verzoekschrift neergelegd ter griffie op 16/04/2004 motiveerde H. V. als volgt: - zijn toestand van arbeidsongeschiktheid is niet in positieve zin gewijzigd sedert hij voor het eerst arbeidsongeschikt werd; - de beslissing dat hij zich niet in de voorwaarden bevindt van artikel 101 van de voormelde wet is niet gemotiveerd: het werd niet onderzocht dat hij van een geneeskundig standpunt uit geen vermindering van zijn verdienvermogen met minstens 50 % behouden zou hebben. A.R. 26.902 27.380 derde Verder ontkent H. V. niet dat hij gewerkt heeft in de aangegeven periodes maar hij wijst erop dat het om twee officiële arbeidsrelaties ging en dat hij te goeder trouw handelde: in het verleden werd hem door de adviserend geneesheer een gedeeltelijke werkhervatting toegestaan zodat hij dacht dat deze toelating blijvend gold en hij bij een hernieuwde tewerkstelling geen nieuwe aanvraag moest doen. Vervolgens roept H. V. de tweejarige verjaring in van artikel 174,5° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 voor de periode van 1/4/1999 tot 14/01/
- Daarom meent hij slechts een bedrag van EUR 25359,10 verschuldigd te zijn en vraag hij die te mogen afkorten aan EUR 175 per maand. Alvorens verder recht te doen vraagt H. V. aan de rechtbank om een deskundige aan te stellen met de opdracht om vast te stellen of hij vanaf 1 april 1999 een graad van arbeidsongeschiktheid bezit zoals bepaald bij de artikelen 100 en 101 van voormelde wet. Hij verwijst naar een attest van dr. V. C. van medio oktober
- Hij vraagt de rechtbank om hem in zijn rechten te herstellen, althans voor de periode van 30/06/1999 tot 15 mei 2001 en opnieuw van 1/11/
- Doordat H. V. niet gewerkt heeft van 1/7/1999 tot en met 14/5/2000 meent hij wel degelijk belang te kunnen hebben bij artikel 101 van de voormelde wet. Het gaat over een bedrag van 7284,31 euro. In die context is de brief van 19/01/2004 wel degelijk een administratieve beslissing van het NVSM. Hiertegenover beroept het NVSM zich op het bewijs van arbeidshervatting vanaf 1/4/1999 en op de artikelen 100, 103, ,§1, 1°en 164 van de gecoördineerde wet van 14/7/1994 om het ten onrechte betaalde bedrag van 56075,51 euro terug te vorderen. Uit de brief van 19/01/2004 leidt het NVSM af dat er nooit een aanvraag artikel 101 is ingediend zodat er ook geen beslissing aangaande genomen werd. Nopens de verjaringstermijn benadrukt het NVSM dat deze vijf jaar bedraagt omdat H. V. bewust en opzettelijk zijn tewerkstelling verzwegen heeft voor zijn mutualiteit. Hij werkte zelfs van 15/05/2000 tot en met 31/10/2001 voltijds. Uit het verleden moest hij geweten hebben dat hij bij een toegelaten gedeeltelijke arbeidshervatting geen voltijdse arbeidsongeschiktheidsuitkering kon ontvangen maar enkel het verschil tussen het dagbedrag van de uitkeringen en het brutobedrag van zijn beroepsinkomsten. Voor het NVSM staat de kwade trouw van H. V. vast. Er kan hem geen afbetaling worden toegestaan. Ten aanzien van het gevorderde deskundigenonderzoek werpt het NVSM op dat dit niet ter zake doet: H. V. heeft nooit een aanvraag ingediend van artikel
- Bovendien zou dergelijk onderzoek hoogstens kunnen slaan op de periode van 30/06/1999 15/05/
- De prestaties voor deze periode zijn verjaard overeenkomstig artikel van 174 1° voormelde wet. Tenslotte vraagt het NVSM om de kosten ten laste van H. V. te leggen gelet op het tergend en roekeloos beroep.
- Beoordeling door de rechtbank 5.1 De arbeidsongeschiktheid van H. V. overeenkomstig artikel 100 ZIV-Wet Om arbeidsongeschikt te kunnen worden erkend in de zin van artikel 100,§1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 (ZIV-wet), oordeelt de rechtbank dat de gerechtigde moet voldoen aan drie voorwaarden :
- de betrokkene moet elke werkzaamheid onderbroken hebben
- de vermindering van zijn verdienvermogen moet het rechtstreeks gevolg zijn van het intreden of verergeren van letsels of functionele stoornissen
- het verdienvermogen van betrokkene moet verminderd zijn tot één derde of minder dan één derde van wat een persoon van dezelfde stand en met dezelfde opleiding kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door de betrokkene verricht bij de aanvang van zijn beroepsongeschiktheid, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen in hoofde van zijn beroepsopleiding. Het is in deze betwisting duidelijk dat H. V., terwijl hij erkend was als arbeidsongeschikt, vanaf 1 april 1999 het werk hervat heeft zodat hij vanaf die datum niet meer voldoet aan de eerste voorwaarde om als arbeidsongeschikt te kunnen erkend worden: hij heeft niet elke werkzaamheid onderbroken. Bovendien heeft hij het werk hervat zonder dat de adviserend geneesheer hiervoor toestemming gaf of zelfs maar op de hoogte was van die arbeidshervatting. Bijgevolg kan hij ook niet arbeidsongeschikt erkend worden in de zin van artikel 100,§2 van voormelde wet. H. V. heeft door het hervatten van de arbeid zonder toestemming zelf een einde gemaakt aan zijn arbeidsongeschiktheid en de erkenning ervan. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de beslissing van de adviserend geneesheer van het NVSM de dato 14/01/2004 terecht genomen werd. Het beroep van H. V. tegen deze beslissing is ongegrond. In die context is het natuurlijk overbodig om een deskundige om advies te vragen of H. V. vanaf 1/4/1999 een graad van arbeids-ongeschiktheid bezit zoals bepaald bij artikel 100 van de ZIV wet. 5.2 De toepassing van artikel 101 ZIV-wet Vooreerst wenst de rechtbank te benadrukken dat artikel 101 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 moet samen gelezen worden met artikel 100 van dezelfde wet. Volgens artikel 101 moet de als arbeidsongeschikt erkende werknemer die arbeid heeft verricht zonder de in artikel 100 ,§2 bedoelde voorafgaande toelating, maar die van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50% behouden heeft, slechts de uitkeringen terugbetalen die hij ontving voor de dagen of de periode tijdens welke hij de niet toegelaten arbeid heeft verricht. A.R. 26.902 27.380 vierde Artikel 101 van de ZIV-wet bevat een regularisatieprocedure. Voor de periode van niet toegelaten arbeid kan betrokkene vermoed worden arbeidsongeschikt te zijn gebleven op voorwaarde dat hij nog een vermindering behouden heeft van zijn vermogen van 50% van geneeskundig oogpunt uit. Deze vaststelling of regularisatie wordt gedaan door de adviserend geneesheer indien de gerechtigde de niet toegelaten activiteit heeft uitgeoefend tijdens het tijdvak van primaire ongeschiktheid (eerste jaar). Indien hij de activiteit heeft uitgeoefend tijdens het tijdvak van invaliditeit, neemt de Hoge Commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit de beslissing. Wanneer de betrokkene de activiteit heeft aangevat zonder toestemming, hangt de regularisatie enkel af van het feit of de betrokkene nog een vermindering van zijn vermogen heeft behouden van 50 %, vanuit een geneeskundig oogpunt. Volgens het RIZIV (zie bijlage advies OM) zijn de belangrijkste gevolgen van de regularisatie de volgende: - de betrokkene kan opnieuw uitkeringen ontvangen als hij verder arbeidsongeschikt erkend wordt; hij behoudt dus zijn verzekerbaarheid voor de uitkeringsverzekering op basis van de "geregulariseerde" tijdvakken van niet toegelaten activiteit; - deze tijdvakken worden ook als volwaardige tijdvakken van arbeidsongeschiktheid beschouwd naar de andere sectoren van de sociale zekerheid toe (geneeskundige verzorging, werkloosheid, gezinsbijslagen); - indien de betrokkene de activiteit heeft uitgeoefend over wel bepaalde dagen, moet hij nog enkel de uitkeringen terugbetalen voor die dagen; - voor het bedrag aan uitkeringen dat nog teruggevorderd moet worden, kan een aanvraag tot eventuele verzaking ingediend worden bij het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen; de betrokkene moet te goeder trouw zijn en zijn situatie moet als "behartenswaardig" beschouwd kunnen worden. De vraag stelt zich hier of H. V. de medische regularisatie van artikel 101 heeft aangevraagd bij de Hoge Commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit van het RIZIV? In zijn brief van 12/01/2004 raadde het NVSM aan H. V. aan om de adviserend geneesheer te contacteren teneinde de voordelen van artikel 101 van de gecoördineerde wet van 14/07/1994 te vragen. Wellicht is dit gebeurd en achtte de adviserend geneesheer van het NVSM het niet opportuun om die aanvraag te richten tot de adviserend geneesheer van de Hoge Commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit van het RIZIV. Dit blijkt uit de brief van de B. M. W.-V. de dato 19 januari 2004 waarin aan H. V. werd medegedeeld dat de medisch adviseur dr. D. wegens medische reden geen artikel 101 kan aanvragen van minder dan 50 % vermogen. Uit de stukken blijkt niet dat H. V. die in een periode van invaliditeit was toen hij het werk hervatte, een aanvraag tot regularisatie richtte tot de adviserend geneesheer van de Hoge Commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit van het RIZIV. Bijgevolg is er ter zake geen rechtmatige beslissing genomen die door H. V. bij de Arbeidsrechtbank kan worden aangevochten. Zijn deelvordering tegen een zogenaamde beslissing van 19/01/2004 dat hij zich niet in de voorwaarden bevindt van artikel 101 van de ZIV-wet, is zonder voorwerp. Daarnaast geven de medische attesten die H. V. voorlegt, geen aanleiding om een deskundige aan te stellen. Tenslotte kan een verzekerde die een niet toegelaten activiteit heeft hervat die als voltijds beschouwd moet worden, zich niet beroepen op de toepassing van artikel 101 van de ZIV-wet: het betreft dan immers een normale werkhervatting die niet geviseerd wordt door dit artikel
- (Arbh. Antwerpen (afdeling Hasselt), 10 oktober 1997, Rechtspraakrepertorium RIZIV 4.1.3 nr. 15). Bij H. V. staat het vast dat hij voltijds tewerkgesteld werd door de firma D. J.-T. BVBA van 15/05/2000 tot en met 31/10/
- 5.3 De terugvordering van ten onrechte genoten arbeidsongeschiktheids-uitkeringen In tegenstelling met het standpunt van de ziekenfondsen oordeelt de rechtbank dat de persoon van wie ontvangen prestaties van de uitkeringsverzekering of van de verzekering voor geneeskundige verzorging teruggevorderd worden, deze terugvordering steeds kan betwisten voor de rechtbank, indien het ziekenfonds deze terugvordering voor de rechtbank gebracht heeft. De omstandigheid dat het ziekenfonds voordien een beslissing nam waartegen de betrokkene niet in beroep is gegaan doet geen afbreuk aan zijn rechten van verdediging in de procedure die het ziekenfonds tegen hem aanspant. In casu heeft het NVSM inderdaad bij brief van 12/01/2004 de som van 56075,51 euro teruggevorderd van H. V.. Alhoewel deze laatste tegen de terugvordering niet in beroep ging, behoudt hij zijn rechten van verdediging in de procedure die het NVSM voor de Arbeidsrechtbank te Ieper aanhangig maakte bij verzoekschrift van 15/12/2004 en gekend onder AR nr.
- De rechtbank behoudt immers zijn volledige bevoegdheid om deze terugvordering te beoordelen. Het houdt geen steek dat de rechtbank enkel nog zou bevoegd zijn om aan het ziekenfonds een uitvoerbare titel te verlenen. Bij toepassing van artikel 103 ,§1 1° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, heeft de werknemer geen aanspraak op uitkeringen voor de periode waarop hij recht heeft op loon in de zin van artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. De uitkeringsverzekering heeft tot doel om de werknemer die ingevolge zijn arbeidsongeschiktheid niet door arbeid in zijn levensonderhoud kan voorzien, een vervangingsinkomen te bezorgen. De anticumulatiebepalingen van artikel 103 ,§1 van de ZIV wet strekken ertoe de ziekteuitkeringen te ontzeggen aan de arbeidsongeschikte werknemer die reeds in zijn levensonderhoud kan voorzien ingevolge een beroeps- of ander vervangingsinkomen. De rechtbank is van oordeel dat H. V. geen aanspraak kon maken op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de periode dat hij zonder toestemming van de adviserend geneesheer de arbeid hervatte met ingang van 1 april
- Ten onrechte cumuleerde hij deze uitkeringen met het loon dat hij ontving voor zijn arbeidsprestaties. A.R. 26.902 27.380 vijfde Bij toepassing van artikel 164 van de ZIV-wet is hij die ten gevolge van een vergissing of bedrog ten onrechte prestaties ontvangen heeft van de uitkeringsverzekering, verplicht de waarde ervan te vergoeden aan de verzekeringsinstelling die ze heeft verleend. De prestaties worden teruggevorderd door de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend binnen de door de Koning bepaalde termijn en met alle middelen, de gerechtelijke inbegrepen. (artikel 164 4e lid ZIV wet). Dit is hier gebeurd door het NVSM bij aangetekende brief van 12/01/2004 en bij verzoekschrift neergelegd op 15/12/2004 ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Ieper. Overeenkomstig artikel 174, 5° van de ZIV wet verjaart de vordering tot terugvordering van de waarde der ten laste van de uitkeringsverzekering ten onrechte verleende prestaties, twee jaar na het einde van de maand waarin de prestaties zijn uitbetaald. Deze verjaring geldt niet als het ten onrechte verlenen van prestaties het gevolg zou zijn van bedrieglijke handelingen waarvoor hij wie ze tot baat strekten, verantwoordelijk is. In dat geval bedraagt de verjaringstermijn vijf jaar. (artikel 174 12de lid ZIV wet). In casu is de rechtbank van oordeel dat H. V. op bedrieglijke wijze tegenover zijn ziekenfonds verzweeg dat hij werkte bij de firma Z. W. NV van 01/04/1999 tot en met 30/06/1999, deeltijds en bij de firma D. J.-T. BVBA van 15/05/2000 tot en met 31/10/2001, voltijds en vanaf 01/12/2001 tot en met 30/11/2003 deeltijds. Dit bedrieglijk karakter is bewezen door de lange duur van de tewerkstelling, waarvan een periode voltijds, door het opzettelijk verzwijgen van de tewerkstelling tijdens de laatste medische controle van de adviserend geneesheer op 21/11/2002 alsook door het feit dat H. V. het systeem van voorafgaande toestemming van de adviserend geneesheer kende van in januari 1997 toen hij toestemming vroeg en bekwam voor een progressieve tewerkstelling. In die periode ontving hij uiteraard niet én de volledige arbeidsongeschiktheids-uitkering én zijn loon: zijn uitkering werd aangepast, rekening houdend met het ontvangen loon. In de geviseerde periode cumuleerde hij daarentegen wel op onrechtmatige manier een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering en zijn loon. Het feit dat het hier officiële inkomsten betroffen is niet doorslaggevend. (zie ook Arbeidshof Antwerpen (afdeling Hasselt), 25/4/1997, Soc. Kron., 1999/12, p. 616). Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat hier de vijfjarige verjaringstermijn van toepassing is zodat de vordering ingediend door het NVSM tijdig en gegrond is. 5.4 De kosten van het geding De rechtbank is van oordeel dat de vordering ingesteld door H. V., op zich niet tergend noch roekeloos is zodat de kosten van het geding ten laste moeten gelegd worden van het NVSM bij toepassing van artikel 1017 2de lid van het gerechtelijk wetboek. Om deze redenen, de Arbeidsrechtbank, Rechtsprekende op tegenspraak, Verwerpt alle verdere en strijdige conclusies als ongegrond, Voegt de zaken gekend onder de AR nrs. 26902 en
- Verklaart de vordering ingesteld door partijen ontvankelijk behalve de deelvordering van H. V. tegen een zogenaamde beslissing van 19/01/2004 dat hij zich niet in de voorwaarden bevindt van artikel 101 van de ZIV-wet, die zonder voorwerp is. Verklaart de vordering van het NVSM tot terugbetaling van ten onrechte betaalde uitkeringen voor een bedrag van 56075,51 euro gegrond. Veroordeelt H. V. tot betaling aan het NVSM van een bedrag van ZESENVIJFTIGDUIZEND VIJFENZEVENTIG EURO EENENVIJFTIG CENT (56075,51 euro), meer de gerechtelijke rente. Zegt voor recht dat er geen aanleiding bestaat om aan H. V. afbetalingsfaciliteiten toe te staan. Wijst de vordering ingesteld door H. V. af als ongegrond. Veroordeelt het NVSM tot de kosten van het geding bij toepassing van artikel 1017 2de lid van het gerechtelijk wetboek. Vereffent de kosten aan de zijde van H. V. op EUR 214,18 rechtsplegingsvergoeding. Vereffent de kosten aan de zijde van het NVSM op EUR 214,18 rechtsplegingsvergoeding. Aldus het vonnis, uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Ieper, in openbare terechtzitting van de Arbeidsrechtbank, tweede kamer, op VRIJDAG ZESENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig : Luc ROUSSEEUW, Ondervoorzitter-Voorzitter van de kamer; Francky HENDRYCKX, Rechter in Sociale Zaken-werkgever; Eric BUYLAERT, Rechter in Sociale Zaken-werknemer-bediende; Piet DUTHOO, Griffier-hoofd van dienst; Nadat door Ons, Luc ROUSSEEUW, Ondervoorzitter-Voorzitter van de kamer, bij wettig belet van de Voorzitter, werd aangewezen, in uitvoering van artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, de heer Eric BUYLAERT, voornoemd ter vervanging van de heer Eddy GELDOF, rechter in sociale zaken werknemer-bediende, die heden wettig verhinderd is de uitspraak bij te wonen van onderhavig vonnis waarover hij mede heeft beraadslaagd. PDF document ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060526.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div