id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 08 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT
Art. 15
AOW dubbele termijn - Vijf jaar - Aanvangstijdstip - Stuiting - Misdrijf niet betalen loon - Moreel bestanddeel - Toevertrouwen loonadministratie aan sociaal secretariaat - Onachtzaamheid - Voortgezet misdrijf - Eenheid van misdadig opzet - Onachtzaamheidmisdrijf - Concrete omstandigheden - Vordering in tussenkomst en vrijwaring - Aansprakelijkheid sociaal secretariaat - Fout - Schade - Vrijwaring voor de intresten. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 15 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Eveneens gerangschikt onder de ref. II A.A.N., art. 20 en onder de ref. III H, art. 9 en 42. Fiche 2 Rekening houdend met de bovenvermelde beoordelingscriteria en de elementen eigen aan de zaak, in acht genomen de op het ogenblik van de kennisgeving van de beëindiging van de ar-beidsovereenkomst bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden en in acht genomen de belangen van beide partijen, bepaalt de rechtbank de opzeggingstermijn op 30 maanden. Hierbij hield de rechtbank inzonderheid rekening met de leeftijd en de anciënni-teit van eiseres. Deze zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van die aard dat zij de kans van eiseres om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden, verhogen. Alhoewel ervaring op de arbeidsmarkt een troef is, blijken een zekere leeftijd en een hoge anciënniteit bij een en dezelfde werkgever dit niet steeds te zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit hier alleszins niet het geval is. Vandaar dat een opzeggingstermijn van 24 maanden als ontoereikend wordt beschouwd. Niet betaling van loon is een sociaalrechtelijk misdrijf dat zijn oorsprong vindt in de niet-uitvoering van één der contractuele verplichtingen die rusten op de werkgever. Artikel 20, 3° van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt strafrechtelijk afdwingbaar gemaakt op grond van artikel 42 van de loonbeschermingswet. Dergelijke misdrijven behoren tot de categorie van wanbedrijven met kenmerk van overtre-ding, waarbij het moreel bestanddeel bestaat uit de schuld of de fout van de overtreder. De materiële feiten zijn in se, door hun omschrijving als misdrijf in de wet, foutief, zodat die handelingen of verzuimen de vereiste fout opleveren, behoudens in het geval met een zekere geloofwaardigheid de aanwezigheid van fout of schuld wordt betwist of een rechtvaardigings-grond (zoals overmacht, onoverwinnelijke dwaling of bevel van de overheid) wordt ingeroe-pen. (concl. Adv.-gen. Du Jardin bij Cass. 12 mei 1987, R.W. 1987-88, 538). Het toevertrouwen van de loonadministratie door verweerster, de bvba G.-L., aan haar sociaal secretariaat de vzw H.D.P., is geen rechtvaardigheidsgrond die het moreel bestanddeel kan te-nietdoen van het misdrijf gepleegd door verweerster, dat bestaat uit de niet betaling van het volledig overeengekomen loon aan haar werkneemster, A. S.. Het beroep doen op een specia-list inzake loonadministratie is weliswaar een bewijs van goed bestuur door de werkgever maar brengt geen ontslag met zich mee van de verplichting van de werkgever om het correcte loon volledig en tijdig uit te betalen. Wanneer het sociaal secretariaat als mandataris van de werkgever fouten maakt in de berekening van het verschuldigde loon, dan maakt dit geen overmacht uit noch onoverwinnelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond in hoofde van de werkgever. Verweersters onachtzaamheid bestaat hierin dat zij nooit gecontroleerd heeft of de loonbere-keningen van haar sociaal secretariaat correct waren ten aanzien van het loon van eiseres. Zij kon dit nochtans steekproefsgewijze op gezette tijdstippen hebben uitgevoerd. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN Bedienden - Aanvullende opzegvergoeding - Achterstallig loon - Vordering ex contractu of ex delicto? Keuzemogelijkheid - In
Art. 15
AOW dubbele termijn - Vijf jaar - Aanvangstijdstip - Stuiting - Misdrijf niet betalen loon - Moreel bestanddeel - Toevertrouwen loonadministratie aan sociaal secretariaat - Onachtzaamheid - Voortgezet misdrijf - Eenheid van misdadig opzet - Onachtzaamheidmisdrijf - Concrete omstandigheden - Vordering in tussenkomst en vrijwaring - Aansprakelijkheid sociaal secretariaat - Fout - Schade - Vrijwaring voor de intresten. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 20,3° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Eveneens gerangschikt onder de ref. II A.A.N., art. 15 en onder de ref. III H, art. 9 en 42. Fiche 3 Rekening houdend met de bovenvermelde beoordelingscriteria en de elementen eigen aan de zaak, in acht genomen de op het ogenblik van de kennisgeving van de beëindiging van de ar-beidsovereenkomst bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden en in acht genomen de belangen van beide partijen, bepaalt de rechtbank de opzeggingstermijn op 30 maanden. Hierbij hield de rechtbank inzonderheid rekening met de leeftijd en de anciënni-teit van eiseres. Deze zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van die aard dat zij de kans van eiseres om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden, verhogen. Alhoewel ervaring op de arbeidsmarkt een troef is, blijken een zekere leeftijd en een hoge anciënniteit bij een en dezelfde werkgever dit niet steeds te zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit hier alleszins niet het geval is. Vandaar dat een opzeggingstermijn van 24 maanden als ontoereikend wordt beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kan er geen sprake zijn van een zelfde misdadig opzet bij onachtzaamheidsmisdrijven zoals de meeste sociaalrechtelijke misdrijven. In tegenstelling met misdrijven waar een opzet vereist is en waarvan het moreel bestanddeel bestaat in het bewust en uit vrije wil plegen van de strafbare handeling, miskent de dader van een onachtzaamheidsmisdrijf weliswaar de strafwet maar niet met de doelbewuste wil om een strafbaar feit te plegen, doch uit gebrek aan voorzichtigheid. In casu oordeelt de rechtbank dat de bvba G.-L. weliswaar een strafbare inbreuk pleegde op de artikelen 9 en 42 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, door aan eiseres niet op tijd haar volledig loon uit te betalen, maar dat er geen eenheid van misdadig opzet aanwe-zig was. Hiertoe zijn de feitelijke omstandigheden van belang: aanvankelijk gaf de werkgever opdracht aan zijn sociaal secretariaat om het correcte loon te betalen; de werkneemster maakte lopende de arbeidsovereenkomst nooit enige opmerking over het te weinig uitbetaalde loon. Deze omstandigheden sluiten in dit geval het eenheid van opzet uit dat nodig is om een reeks misdrijven als een voortgezet misdrijf te kunnen erkennen. (zie ook Arbh. Luik 12 mei 1993, J.T.T. 1994, 49: in het geval dat onvoldoende loon werd betaald ten gevolge van een materiële vergissing van het sociaal secretariaat van de werkgever is er evenmin eenheid van opzet be-wezen.) De rechtbank is van oordeel dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring een contractuele fout beging bij de uitvoering van de loonadministratie van eiseres in tussenkomst en vrijwa-ring. In strijd met de instructie op de werknemersfiche van mevrouw A. S. de dato 1/5/1989 verminderde de vzw Hulp der Patroons stelselmatig het loon dat de werkneemster met de werkgever overeengekomen was zodat mevrouw A. S. niet meer het loon ontving volgens de 4de categorie + 10%. Alhoewel de rechtbank reeds oordeelde dat enkel de werkgever aanspra-kelijk is tegenover zijn werkneemster voor een tijdige en correcte uitbetaling van het volledi-ge loon, belet dit niet dat het sociaal secretariaat vzw H.D.P. aansprakelijk is tegenover de werkgever voor een correct uitgevoerde loonadministratie. De contractuele fout van de vzw H.D.P. tegenover de BVBA Z. G. L. staat voor de rechtbank vast. Het gaat in casu niet om een algemene inspanningsverbintenis om alle informatie te verschaffen geldend als advies in de zin van artikel 29 2de lid van het huishoudelijk reglement, maar om een resultaatverbintenis die erin bestaat een correcte loonadministratie te voeren, zoals bedoeld in artikel 8 1ste lid, ge-sanctioneerd door artikel 29 1ste lid van hoger genoemd huishoudelijk reglement. Hierbij stipt de rechtbank aan dat de vzw H.D.P. in een email aan de BVBA Z. G. L. op 20 mei 2003 zelf toegaf dat haar dossierbeheerder de vermelding op de werknemersfiche verkeerd interpreteer-de. De rechtbank tilt verder zwaar aan het feit dat het sociaal secretariaat blijkbaar op eigen hout-je en zonder instructie van de werkgever de individuele rekeningen voor 2002 en 2003 aan-paste in de zin van een verlaging van looncategorie voor mevrouw A. S.. Nopens de schade geleden door eiseres in tussenkomst en vrijwaring oordeelt de rechtbank dat deze partij niet de reële omvang van de schade bewijst. In geen geval kan de BVBA Z. G. L. haar hypothese hard maken dat zij eerder tot het ontslag van mevrouw A. S. zou besloten hebben indien zij de reële kost van die werkneemster had gekend. Evenmin toont eiseres in tussenkomst en vrijwaring op afdoende wijze aan dat zij de hogere remuneratie van haar be-diende zou hebben doorgerekend in de tarieven aan haar klanten. De rechtbank is wel van oordeel dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring gehouden is tot vrijwaring van eiseres in tussenkomst en vrijwaring voor de wettelijke en gerechtelijke intres-ten waarop de werkneemster recht heeft op haar achterstallig loon. Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . BESCHERMING VAN HET LOON Arbeidsovereenkomst bedienden - Aanvullende opzegvergoeding - Achterstallig loon - Vordering ex contractu of ex delicto? - Keuzemogelijkheid - In
Art. 15
AOW dubbele termijn - Vijf jaar - Aanvangstijdstip - Stuiting - Misdrijf niet betalen loon - Moreel bestanddeel - Toevertrouwen loonadministratie aan sociaal secretariaat - Onachtzaamheid - Voortgezet misdrijf - Eenheid van misdadig opzet - Onachtzaamheidmisdrijf - Concrete omstandigheden - Vordering in tussenkomst en vrijwaring - Aansprakelijkheid sociaal secretariaat - Fout - Schade - Vrijwaring voor de intresten. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 9 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet - 12-04-1965 - 42 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: Eveneens gerangschikt onder de ref. II A.A.N., art. 15 en art.
- Tekst van de beslissing TWEEDE 8 juni 2006 27691 De Arbeidsrechtbank te Veurne, tweede kamer, heeft het volgend vonnis uitgesproken : In de zaak nr. 27691 der algemene rol : S. A., wonende te . - EISENDE PARTIJ Hebbende als raadslieden Mr. J. HERPELINCK en Mr. S. DE WISPELAERE, beiden advocaat te Oostende, pleitend Mr. J. HERPELINCK. tegen : B.V.B.A. Z. G. L., met zetel te. - VERWERENDE PARTIJ - EISERES IN GEDWONGEN TUSSENKOMST EN VRIJWARING - Hebbende als raadslieden Mr. F. TILLEMAN, advocaat te Antwerpen en Mr. I. HEUGHEBAERT, advocaat te Veurne. Mede in zaak : H.D.P., vzw, met zetel te. - VERWEERSTER IN GEDWONGEN TUSSENKOMST EN VRIJWARING Hebbende als raadslieden Mr. B. ADRIAENS en Mr. W. DEVOS, advocaten te Kortrijk, pleitend Mr. W. DEVOS.
- Procedure Bij dagvaarding betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot de dato 11/12/2003, vordert eiseres de veroordeling van verweerster tot betaling aan eiseres van de sommen van 33.113,27 euro bruto + 16.054,50 euro bruto = 49.167,77 euro bruto, vermeerderd met de gerechtelijke intresten, de wettelijke intresten vanaf 18/03/2003 en de kosten van het geding. Tevens vordert eiseres om het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande tegenstel of beroep en zonder borgstelling. Bij dagvaarding betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot de dato 08/10/2004, vordert eiseres in tussenkomst en vrijwaring de veroordeling van verweerster in tussenkomst en vrijwaring om tussen te komen in het geding hangende tussen mevrouw A. S. en de BVBA G.-L. voor de Tweede Kamer van de Arbeidsrechtbank van Veurne, gekend onder nummer
- Voor het geval eiseres in tussenkomst en vrijwaring aansprakelijk zou gesteld worden en veroordeeld worden tot betaling van enige som aan oorspronkelijke eiseres, vraagt eiseres in tussenkomst en vrijwaring aan de rechtbank om te zeggen voor recht dat de uiteindelijke aansprakelijkheid bij verweerster in tussenkomst en vrijwaring ligt en deze derhalve verplicht is om haar op alle vlakken te vrijwaren (achterstallig loon, sociale zekerheidsbijdragen, bijdrageopslagen, intresten, ...). Tevens vordert eiseres in tussenkomst en vrijwaring de veroordeling van verweerster in tussenkomst en vrijwaring tot betaling van de kosten van het geding en vraagt zij om het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht tot kantonnement. Op verzoek van verwerende partij heeft de rechtbank de rechtsdag bepaald op de openbare terechtzitting van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Veurne op 27 april
- De rechtbank heeft partijen gehoord ter openbare terechtzitting van 27/04/2006 waarna de debatten gesloten werden. De rechtbank maakte toepassing van artikel 734 Ger. W. doch bereikte geen verzoening tussen partijen. De stukken van de rechtspleging en de stukken neergelegd door partijen werden door de rechtbank doorgenomen. De rechtspleging verliep in het Nederlands overeenkomstig artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
- Voorwerp van de betwisting Eiseres A. S. was als administratief bediende vanaf 3/9/1970 in dienst van verweerster, de BVBA Z. G. L.. Eerst was zij in dienst van P. G. Zij werd betaald op basis van de vierde categorie van het Aanvullend Paritair Comité vermeerderd met 10%. Vanaf 1/5/1989 was er een omvorming van een éénmanszaak naar BVBA. Vanaf toen verminderde het loon van A. S. systematisch. Aangezien ze geen loonfiches kreeg kon ze dit niet opmerken. Eiseres berekende het loontekort op basis van categorie 4 + 10% voor de jaren 1988 tot en met 2003 op EUR 33.113,27 bruto. Zij vordert dit achterstallig loon. Verweerster betekende een opzegperiode van 24 maanden, lopende vanaf 01/01/
- Tijdens deze opzegperiode verbrak de werkgever de arbeidsovereenkomst op 18/03/03 en betaalde de resterende opzeggingsperiode uit onder de vorm van een verbrekingsvergoeding tot en met 10/06/
- Volgens eiseres was de opzeg onvoldoende. Aan de hand van de formule Claeys meent zij recht te hebben op een opzeggingsvergoeding van 30 maand. Zij vordert dan ook nog een verbrekingsvergoeding gelijk aan 6 maand loon of 6 x 2306,68 euro x 13,92/12 = 16.054,50 euro bruto. De BVBA Z. G. L. bestempelt in haar dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring de vzw H.D.P. aansprakelijk voor de door haar geleden schade, indien de vordering tot betaling van achterstallig loon gegrond is. De aansprakelijkheid van H.D.P. vloeit volgens eiseres in tussenkomst en vrijwaring voort uit de overeenkomst die zij op 30 december 1985 sloot met het sociaal secretariaat. Voor haar is het duidelijk dat H.D.P. een inbreuk begaan heeft op haar contractuele verplichtingen en een foutieve loonadministratie gevoerd heeft. In haar conclusies, neergelegd ter griffie op 13/10/2005, breidt eiseres A. S. in ondergeschikte orde haar vordering uit voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat een deel van de vordering verjaard is en beroept zij zich tevens op het feit dat het niet betalen van (over)loon een voortdurend misdrijf is, dat verjaart na vijf jaar. Bijgevolg meent eiseres dat zij gerechtigd is op een vergoeding van alle schade die voortvloeit uit dit misdrijf en die zij begroot op 33.113,27 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf haar conclusies.
- Argumenten eiseres A. S. Ondanks de overeenkomst met haar werkgever vanaf 1978 betreffende de toekenning van loon volgens de vierde categorie + 10% meent eiseres dat haar loon over de jaren heen vanaf 1998 verminderd werd waardoor zij bij uitdiensttreding een loon ontving dat lager was dan het loon voor de 4de categorie. Het akkoord tussen partijen blijkt uit diverse sociale documenten en uit het feit dat dit akkoord ook effectief gedurende jaren werd nageleefd totdat verweerster ging samenwerken met verweerster in tussenkomst. Op dit ogenblik werd op de werknemersfiche van eiseres door verweerster zelf ingevuld: "looncategorie : 4° cat + 10%". H.D.P. bevestigt dit. Volgens eiseres is een eenzijdige wijziging van het loon niet rechtsgeldig. Eiseres beklemtoont dat haar vordering niet verjaard is omdat zij in ondergeschikte orde de betaling van een schadevergoeding vorderde ex delicto, op grond van het voortdurend misdrijf van het niet tijdig uitbetalen van loon. Deze vordering werd ingesteld binnen de 5 jaar na het laatste delictuele feit. Verder wijst eiseres erop dat voor inbreuken op de Loonbeschermingswet geen opzet vereist is. Bovendien is er volgens eiseres in casu geen sprake van omstandigheden die een strafrechtelijke verschoningsgrond uitmaken. Zij meent dat verweerster zich niet kan blijven verstoppen achter haar sociaal secretariaat. Verweerster hield jarenlang systematisch de loonfiches achter zodat eiseres geen controle had op de berekening van haar loon. Achteraf vermeldde verweerster op de laattijdig afgeleverde individuele rekeningen een andere looncategorie. Eiseres vindt dat verweerster niet te goeder trouw handelde. Nopens de aanvullende verbrekingsvergoeding gelijk aan 6 maanden loon merkt eiseres op dat de formule Claeys een goede richtlijn vormt. Met haar leeftijd is het voor eiseres moeilijk om nog werk te vinden. De opzegtermijn van 30 maanden vindt zij redelijk. Omtrent de discussie tussen verweerster en haar sociaal secretariaat houdt eiseres voor dat verweerster tegenover eiseres de aansprakelijke partij blijft. Alleen verweerster kan aangesproken worden in betaling van loon of een schadevergoeding wegens het niet tijdig uitbetalen van alle lonen. Omtrent de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad volhardt eiseres : de discussie over de vrijwaringsvordering vertraagt de onvermijdelijke betaling door verweerster.
- Argumenten verweerster BVBA G.-L. 4.1 De aanvullende ontslagvergoeding Vooreerst voert verweerster aan dat de rechter niet gebonden is door om het even welke formule bij het bepalen van de opzeggingstermijn. Vervolgens meent verweerster dat mevrouw S. wel degelijk een goede kans had, gezien haar leeftijd (ervaring) en functie om spoedig een adequate en gelijkwaardige betrekking te vinden. Bovendien waren er voor mevrouw S. als administratief bediende zeer veel jobaanbiedingen voorhanden, gelet op de ruime inhoud die de job van een administratief bediende behelst. 4.2 Het achterstallig loon Uit het feit dat mevrouw S. in de dagvaarding achterstallig loon vordert in plaats van een schadevergoeding gelijk daaraan en wettelijke intresten in plaats van vergoedende, leidt verweerster af dat eiseres wenst een vordering ex contractu in te stellen. Volgens verweerster is de initiële vordering van eiseres, gebaseerd op de arbeidsovereenkomst, verjaard in de mate dat zij betrekking heeft op het loon van voor 11 december 1998, aangezien zij op 11/12/2003 dagvaardde. Ten aanzien van de ondergeschikte vordering ex delicto meent verweerster dat deze ongegrond is bij gebrek aan enig misdrijf. Alhoewel het niet (correct) betalen van loon een onachtzaamheidsmisdrijf uitmaakt moet eiseres toch een moreel bestanddeel aantonen bij de BVBA G.-L., bestaande uit onachtzaamheid, gebrek aan voorzichtigheid of fout. Verweerster benadrukt dat zij steeds gehandeld heeft als een goede huisvader door onder meer de loonadministratie uit te besteden aan het sociaal secretariaat H.D.P. vanaf 1 mei
- Van meet af aan deelde verweerster de correcte gegevens over het loon van mevrouw S. mede aan H.D.P. De heer G. vermeldde op de inlichtingenfiche voor HDP als looncategorie voor eiseres : "4° categorie + 10%". Ondergeschikt roept verweerster een rechtvaardigingsgrond in : zij vertrouwde op de door haar sociaal secretariaat uitgevoerde berekeningen en betalingen. Daarnaast merkte mevrouw S. gedurende al die jaren zelf niet op dat haar loon systematisch verminderde. In ondergeschikte orde werpt verweerster op dat de vordering ex delicto van mevrouw S. verjaard is in de mate waarin zij betrekking heeft op feiten die dateren van meer dan 5 jaar voorafgaandelijk aan de datum van de uitbreiding van de vordering, op 11 oktober
- Er is hier volgens verweerster geen sprake van een voortgezet misdrijf waarvoor de verjaringstermijn met toepassing van artikel 65 van het Strafwetboek slechts een aanvang zou nemen op de datum waarop het laatste strafbare feit gepleegd werd. Verweerster was zich er niet van bewust dat zij een overtreding beging zodat er bij haar geen eenheid van opzet was. De verjaringstermijn van de burgerlijke vordering van eiseres is beginnen lopen van elk afzonderlijk feit zodat de vordering verjaard is voor zover zij betrekking heeft op feiten van voor 11 oktober
- In de mate dat de vordering ex delicto ontvankelijk en gegrond verklaard wordt meent de bvba G.-L. dat zij geen sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd is op de schadevergoeding. In ondergeschikte orde en in de veronderstelling dat de rechtbank de bvba G.-L. veroordeelt tot betaling van enige som aan mevrouw S., houdt verweerster voor dat de aansprakelijkheid bij haar sociaal secretariaat ligt en deze verplicht is haar op alle vlakken te vrijwaren. H.D.P. heeft een fout begaan. In de overeenkomst van 30/12/1985 verbond HDP zich tot het beheer en het voeren van de loonadministratie van de bvba G.-L. De inlichtingenfiche stipuleert als toe te passen looncategorie : "4° categorie + 10%". HDP heeft deze looncategorie geïnterpreteerd als een aanvangsloon in plaats van het loon dat te allen tijde gewaarborgd moest worden. Nochtans blijkt uit niets dat mevrouw S. een nieuwe werknemer was waarvoor slechts een startloon van toepassing was. De inlichtingenfiche vermeldt de anciënniteit vanaf 3/9/
- HDP heeft volgens verweerster een fout begaan door deze looncategorie als een startloon te beschouwen. Verder argumenteert verweerster dat zij wel schade geleden heeft. Als boekhoudkantoor is de loonkost voor verweerster het voornaamste kostenelement. Zij heeft de voornaamste tariefwijzigingen toegepast in functie van de stijgende loonkost per uur. Het feit dat HDP vanaf 1989 gedurende alle volgende jaren het loon van mevrouw Sinaeve verkeerdelijk heeft berekend en zij alsnog aanspraak maakt op dit achterstallig loon, heeft als gevolg dat de bvba G.-L. nooit deze meerkost in rekening van haar tarifering heeft kunnen brengen. Bijkomend heeft de bvba G.-L. nooit op correcte wijze de totale kost van mevrouw S. kunnen evalueren in functie van haar rendabiliteit. Verweerster meent dat zij veel eerder tot het ontslag van eiseres had kunnen overgaan. Daarom begroot zij haar schade op de loonachterstallen aan eiseres, de achterstallige RSZ bijdragen hierop, de bijdrageopslagen RSZ en de intresten. 4.3 De uitvoerbaarheid bij voorraad en de uitsluiting van het kantonnement Verweerster vraagt de afwijzing van dit verzoek van eiseres bij gebrek aan motivering.
- Argumenten verweerster in gedwongen tussenkomst en vrijwaring H.D.P. vzw H.D.P. beschikte niet over enige andere instructie van de werkgever dan het loon vermeld op de werknemersfiche. Dit loon werd door H.D.P. beschouwd als een aanvangsloon dat als basis diende voor verdere indexaties. Sinds het begin werden alle maandelijkse loonstroken op die manier opgesteld. Verweerster in gedwongen tussenkomst kreeg op haar berekeningswijze gedurende 14 jaar geen enkele reactie, noch vanwege de werkgever, noch vanwege de werknemer. Zij meent dan ook dat haar geen enkele fout verweten kan worden. In die context wijst H.D.P. erop dat zij slechts gebonden is door een inspanningsverbintenis. Daarnaast vindt verweerster in tussenkomst en vrijwaring dat de bvba G.-L. zelf een fout maakte door de loonfiches niet over te maken aan mevrouw S. In ondergeschikte orde, indien de rechtbank van oordeel is dat H.D.P. een fout beging, dan stelt verweerster in tussenkomst en vrijwaring vast dat de werkgever hierdoor geen schade geleden heeft. Indien H.D.P. van in het begin toepassing had gemaakt van het loon dat zogenaamd werkelijk was overeengekomen, dan had de bvba G.-L. het nu gevorderde bedrag ook moeten betalen. In de mate dat de vordering in tussenkomst en vrijwaring slaat op de aanvullende opzegvergoeding moet die zeker afgewezen worden. Verweerster in tussenkomst en vrijwaring meent dat zij geen advies gegeven heeft ter zake. De bvba G.-L. heeft de arbeidsovereenkomst beëindigd. Uiterst ondergeschikt vraagt verweerster in tussenkomst en vrijwaring om de vordering tot uitvoerbaarverklaring ongegrond te verklaren, te meer omdat er geen reden voor handen is die laat uitschijnen dat zij zich zou onttrekken aan de tenuitvoerlegging van het vonnis.
- Beoordeling door de rechtbank 6.1 De aanvullende opzeggingsvergoeding Bij aangetekende brief van 21/12/00 maakte de bvba G.-L. een einde aan de arbeidsovereenkomst voor bediende afgesloten op 03/9/1970 tussen de werkgever bvba G.-L. en de werknemer S. A. De werkgever gaf een opzegging van 24 kalendermaanden met aanvang op één januari
- Bij aangetekende brief aan S. A. maakte de vzw H.D.P. voor de werkgever Z. G.-L. onmiddellijk een einde aan de arbeidsovereenkomst voor bediende op 18/03/2003 mits betaling van een verbrekingsvergoeding die overeenstemt met het saldo van de nog te presteren opzeggingstermijn. Bij brief van 26 maart 2003 vroeg de vakbond van eiseres een bijkomende verbrekingsvergoeding van 6 maanden loon rekening houdend met een opzegging van 30 maanden in plaats van 24 maanden. Hierin werd verwezen naar de formule Claeys. Aangezien partijen niet betwisten dat het jaarloon van eiseres bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst meer bedroeg dan het in artikel 82,§3, 1e lid van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (AOW) vermelde bedrag, en er tussen partijen geen overeenkomst werd gesloten betreffende de in acht te nemen opzeggingstermijn, dient deze overeenkomstig artikel 82,§3 AOW door de rechter te worden vastgesteld. De opzeggingstermijn die ten aanzien van de "hogere" bediende moet worden nageleefd, mag niet korter zijn dan de wettelijke minimumtermijnen bepaald voor de lagere bedienden. (art. 82,§3, 2e lid AOW.) De opzeggingstermijn dient door de rechter te worden bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van de opzegging voor de bediende bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden (Cass., 8/9/1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17) rekening houdend met zijn anciënniteit, zijn leeftijd en de belangrijkheid van zijn functie en van het bedrag van zijn loon, dit volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass. 17/9/1975, T.S.R., 1976, 14; Cass. 3/2/1986, J.T.T., 1987, 58; Cass., 4/2/1991, R.W. 1990-91, 1407), en met inachtneming van beiderzijdse belangen (Cass., 9/5/1994, Soc. Kron., 1994, 253). Op het tijdstip van de kennisgeving van de opzegging was eiseres 48 jaar en 6 maanden oud, verwierf zij een anciënniteit van 30 jaar en 3 maanden en verdiende zij een brutoloon van 1.059.562,56 Bef. Zij oefende de functie van administratief bediende uit. Rekening houdend met de bovenvermelde beoordelingscriteria en de elementen eigen aan de zaak, in acht genomen de op het ogenblik van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden en in acht genomen de belangen van beide partijen, bepaalt de rechtbank de opzeggingstermijn op 30 maanden. Hierbij hield de rechtbank inzonderheid rekening met de leeftijd en de anciënniteit van eiseres. Deze zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van die aard dat zij de kans van eiseres om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden, verhogen. Alhoewel ervaring op de arbeidsmarkt een troef is, blijken een zekere leeftijd en een hoge anciënniteit bij een en dezelfde werkgever dit niet steeds te zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit hier alleszins niet het geval is. Vandaar dat een opzeggingstermijn van 24 maanden als ontoereikend wordt beschouwd. Eiseres heeft nog recht op een aanvullende opzegvergoeding van 6 maanden of 6 x EUR 2306,68 x 13,92/12 = 16.054,50 euro bruto. Dit onderdeel van de vordering is gegrond. 6.2 Het achterstallig loon 6.2.1 Vordering op basis van de arbeidsovereenkomst en op basis van het misdrijf niet betalen van loon verjaring? In eerste instantie vordert eiseres achterstallig loon voor de periode van 1988 tot en met 2003 ten bedrage van 33.113,27 euro, meer de wettelijke intresten vanaf 18/03/
- Zij verwijst hiervoor naar de arbeidsovereenkomst vanaf 03/09/1970 met haar werkgever en naar het overeengekomen loon, betaald op basis van de 4de categorie van het APC vermeerderd met 10%. Zij bekritiseert de systematische vermindering van het loon. De rechtbank is van oordeel dat deze vordering gebaseerd is op de arbeidsovereenkomst. Ze wordt ex contractu genoemd. Pas in haar conclusies neergelegd ter griffie op 13/10/2005 breidde eiseres in ondergeschikte orde haar vordering uit voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat een deel van de vordering verjaard is. Zij beroept zich op het feit dat het niet betalen van (over)loon een voortdurend misdrijf is, dat verjaart na vijf jaar. Zij meent gerechtigd te zijn op een vergoeding van alle schade die voortvloeit uit dit misdrijf voor een bedrag van 33.113,27 euro te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 13/10/
- Deze vordering is een burgerlijke vordering voortvloeiend uit een misdrijf en wordt ex delicto genoemd. Overeenkomstig art. 15 Arbeidsovereenkomstenwet (wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten) verjaren de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden. Bijgevolg bepaalt artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet een dubbele termijn: een termijn van vijf jaar die begint te lopen vanaf het feit waaruit de vordering ontstaat en een termijn van één jaar, die slechts begint te lopen bij het einde van de overeenkomst. De vijfjarige termijn mag echter nooit de termijn van één jaar na het beëindigen van de overeenkomst overschrijden. Dit betekent dan ook dat de termijnen cumulatief dienen toegepast te worden. Diegene die zich op de verjaring wil beroepen, dient te bewijzen dat één van de beide termijnen is verstreken. (V. Dooms, De verhouding tussen de vordering ex contractu en ex delicto in het kader van de arbeidsovereenkomst, Bibliotheek Sociaal Recht Larcier, Gent, 2003, p. 50-51). Het feit dat de vordering doet ontstaan, is de specifieke verbintenis welke aan de oorzaak ligt van de vordering, in casu is het de verplichting van de werkgever om tijdig het correcte loon te betalen. Het aanvangstijdstip van die vijfjarige verjaringstermijn voor de betaling van het loon is de datum waarop het loon uiterlijk betaald moet worden. Verweerster bvba G.-L. beroept zich op de verjaring van de contractuele vordering van eiseres voor het loon van voor 11 december
- De verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet kan worden gestuit overeenkomstig de regelen van het Burgerlijk Wetboek die gelden voor de gemeenrechtelijke verjaringstermijn. Hier is dit gebeurd door de dagvaarding op 11 december
- De rechtbank is van oordeel dat de contractuele vordering van eiseres niet verjaard is voor het achterstallig loon dat zij opvordert vanaf 11 december
- De loonvordering van voor 11 december 1998 is wel verjaard. De vraag stelt zich nu of eiseres in ondergeschikte orde de vordering ex delicto kan inroepen voor de verjaarde periode van 1988 tot 11 december 1998? Wanneer de contractuele tekortkoming van de werkgever eveneens strafrechtelijk beschermd is, kan de werknemer ook een vordering instellen tot herstel van de geleden schade. Art. 3 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalt immers dat de rechtsvordering tot herstel van de schade, door een misdrijf veroorzaakt, behoort aan hen die de schade hebben geleden. Art. 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade. Zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering. De keuzemogelijkheid waarover eiseres beschikt om een burgerlijke vordering in te stellen ofwel op grond van een misdrijf ofwel op grond van de niet-uitvoering van de arbeidsovereenkomst, kan worden aangewend in de loop van de procedure door met toepassing van art. 807 Ger. W. een oorspronkelijk op basis van een andere rechtsgrond ingestelde vordering te heromschrijven als een uit een misdrijf voortspruitende civielrechtelijke vordering (Cass., 14 april 1976, R.W., 1976-77, 669; Arbh. Gent, 12 december 2001, J.T.T., 2003, 91; Arbh. Gent, 11 januari 1984, J.T.T., 1984, 294; Arbh. Brussel, 27 november 1980, R.W., 1980-81, 1477; Arbh. Luik, 25 mei 1978, J.T.T., 1978, 234; Arbh. Antwerpen, 17 januari 1978, R.W., 1978-79, 1722; PETIT, J., Sociaal procesrecht, Die Keure, Brugge, 2000, nr. 127, p. 174; Arbh. Brussel, 12 september 1995, Soc. Kron., 1995, 215; RAUWS, W., "Uitspraak en uitvoering van de rechterlijke beslissing bij arbeidsrechtelijke beslissingen", in Sociaal procesrecht, VAN LIMBERGHEN, G. (ed.), Maklu, 1995, p. 237 e.v.; HERMAN, J., "Behandeling van de zaak", in Sociaal procesrecht, VAN LIMBERGHEN, G. (ed.), Maklu, 1995, p. 216 e.v.) Art. 807 Ger. W. bepaalt immers dat een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd kan worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Eiseres beoogt dus niet enkel de uitvoering van de contractuele loonverbintenissen maar ook herstel van de schade die zij heeft geleden door het door verweerster gepleegde loonmisdrijf. Het recht te kiezen tussen een vordering op grond van de overeenkomst en een vordering op grond van een misdrijf, kan in hoofdorde worden uitgeoefend, maar ook in ondergeschikte orde, zodat de vordering een dubbele grondslag heeft. (Cass. 4 september 1974, J.T.T. 1975,251). Opdat er sprake zou kunnen zijn van een burgerlijke vordering ex delicto, is vereist dat er een misdrijf is, schade en een oorzakelijk verband tussen dit misdrijf en die schade. (Cass. 11 februari 1991, R.W. 1990-91, 1350). De burgerlijke rechter die uitspraak moet doen over een op een misdrijf gegronde vordering en nagaat of de vordering al dan niet verjaard is, moet uitdrukkelijk vaststellen dat de feiten die aan de vordering ten grondslag liggen, onder de toepassing van de strafwet vallen. Niet betaling van loon is een sociaalrechtelijk misdrijf dat zijn oorsprong vindt in de niet-uitvoering van één der contractuele verplichtingen die rusten op de werkgever. Artikel 20, 3° van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt strafrechtelijk afdwingbaar gemaakt op grond van artikel 42 van de loonbeschermingswet. Dergelijke misdrijven behoren tot de categorie van wanbedrijven met kenmerk van overtreding, waarbij het moreel bestanddeel bestaat uit de schuld of de fout van de overtreder. De materiële feiten zijn in se, door hun omschrijving als misdrijf in de wet, foutief, zodat die handelingen of verzuimen de vereiste fout opleveren, behoudens in het geval met een zekere geloofwaardigheid de aanwezigheid van fout of schuld wordt betwist of een rechtvaardigingsgrond (zoals overmacht, onoverwinnelijke dwaling of bevel van de overheid) wordt ingeroepen. (concl. Adv.-gen. Du Jardin bij Cass. 12 mei 1987, R.W. 1987-88, 538). Het toevertrouwen van de loonadministratie door verweerster, de bvba G.-L., aan haar sociaal secretariaat de vzw Hulp der Patroons, is geen rechtvaardigheidsgrond die het moreel bestanddeel kan tenietdoen van het misdrijf gepleegd door verweerster, dat bestaat uit de niet betaling van het volledig overeengekomen loon aan haar werkneemster, A. S. Het beroep doen op een specialist inzake loonadministratie is weliswaar een bewijs van goed bestuur door de werkgever maar brengt geen ontslag met zich mee van de verplichting van de werkgever om het correcte loon volledig en tijdig uit te betalen. Wanneer het sociaal secretariaat als mandataris van de werkgever fouten maakt in de berekening van het verschuldigde loon, dan maakt dit geen overmacht uit noch onoverwinnelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond in hoofde van de werkgever. De bvba G.-L. blijft aansprakelijk voor haar verplichting om het overeengekomen loon tijdig en volledig te betalen aan haar werkneemster, A. S. Verweersters onachtzaamheid bestaat hierin dat zij nooit gecontroleerd heeft of de loonberekeningen van haar sociaal secretariaat correct waren ten aanzien van het loon van eiseres. Zij kon dit nochtans steekproefsgewijze op gezette tijdstippen hebben uitgevoerd. Burgerlijke vorderingen zoals loonvorderingen ex delicto verjaren door verloop van 5 jaar vanaf de dag waarop het misdrijf werd gepleegd. Ze verjaren niet vooraleer de strafvordering is verjaard. (Claeys I., De nieuwe verjaringswet : een inleidende verkenning, R.W. 21/11/1998, 383 - 384). Het aanvangstijdstip van de verjaring van de strafvordering verschilt naar gelang het gaat om een ogenblikkelijk of aflopend misdrijf, dan wel om een voortdurend of een voorgezet misdrijf. De verjaring van een ogenblikkelijk misdrijf begint te lopen op het ogenblik waarop de strafbare daad werd gesteld. Een ogenblikkelijk sociaalrechtelijk misdrijf van de werkgever is het niet betalen van loon. (Cass. 19 oktober 1987, R.W. 1987-88, 1054). Door de herhaling kan het niet betalen van loon een voortgezet misdrijf worden wanneer het voortvloeit uit eenzelfde opzet. Het voortgezet misdrijf begint te verjaren vanaf het ogenblik waarop het misdrijf is voltooid, zijnde vanaf het laatste strafbare feit. Wanneer eiseres zich beroept op het voortdurend misdrijf van het niet tijdig uitbetalen van loon, dan oordeelt de rechtbank dat deze jurisprudentiële figuur, die voortspruit uit artikel 65 van het Strafwetboek, de eenheid van misdadig opzet vereist. Om te kunnen gewagen van een voortgezet misdrijf dient de feitenrechter vast te stellen dat de verschillende bestanddelen van het misdrijf of de misdrijven opeenvolgend zijn én dat zij voortspruiten uit éénzelfde misdadig opzet. Bij voortgezette misdrijven neemt de verjaringstermijn een aanvang vanaf het laatste feit dat wordt bewezen verklaard en dat door eenheid van opzet met de andere feiten is verbonden. (V. Dooms, De verhouding tussen de vordering ex contractu en ex delicto in het kader van de arbeidsovereenkomst, Bibliotheek Sociaal Recht Larcier, Gent, 2003, p. 88). Naar het oordeel van de rechtbank kan er geen sprake zijn van een zelfde misdadig opzet bij onachtzaamheidsmisdrijven zoals de meeste sociaalrechtelijke misdrijven. In tegenstelling met misdrijven waar een opzet vereist is en waarvan het moreel bestanddeel bestaat in het bewust en uit vrije wil plegen van de strafbare handeling, miskent de dader van een onachtzaamheidsmisdrijf weliswaar de strafwet maar niet met de doelbewuste wil om een strafbaar feit te plegen, doch uit gebrek aan voorzichtigheid. In casu oordeelt de rechtbank dat de bvba G.-L. weliswaar een strafbare inbreuk pleegde op de artikelen 9 en 42 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, door aan eiseres niet op tijd haar volledig loon uit te betalen, maar dat er geen eenheid van misdadig opzet aanwezig was. Hiertoe zijn de feitelijke omstandigheden van belang: aanvankelijk gaf de werkgever opdracht aan zijn sociaal secretariaat om het correcte loon te betalen; de werkneemster maakte lopende de arbeidsovereenkomst nooit enige opmerking over het te weinig uitbetaalde loon. Deze omstandigheden sluiten in dit geval het eenheid van opzet uit dat nodig is om een reeks misdrijven als een voortgezet misdrijf te kunnen erkennen. (zie ook Arbh. Luik 12 mei 1993, J.T.T. 1994, 49: in het geval dat onvoldoende loon werd betaald ten gevolge van een materiële vergissing van het sociaal secretariaat van de werkgever is er evenmin eenheid van opzet bewezen.) Derhalve oordeelt de rechtbank dat de burgerlijke vordering ex delicto die door eiseres in ondergeschikte orde ingesteld werd verjaart vijf jaar voor de stuiting. Deze stuiting gebeurde bij conclusies neergelegd op 13/10/
- Aangezien de verjaring van de burgerlijke vordering uit misdrijf eerder intreedt dan de vordering op grond van de arbeidsovereenkomst, oordeelt de rechtbank dat de in ondergeschikte orde ingestelde vordering ex delicto geen meerwaarde biedt voor eiseres, zodat ze moet worden afgewezen. 6.2.
- Ten gronde Nopens het recht van eiseres op achterstallig loon kan er ten gronde weinig betwisting bestaan. Alhoewel er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten werd legt eiseres tot staving van haar vordering ondermeer diverse individuele rekeningen voor (1978,1984) waaruit blijkt dat zij met haar werkgever een basisloon overeenkwam + 10%. Dit basisloon was het loon van een bediende van de 4de categorie (van het Aanvullend Paritair Comité) waarop een verhoging met 10% moest worden uitgevoerd. Deze verloning werd niet alleen overeengekomen maar ook gedurende lange jaren betaald in uitvoering van de overeenkomst. Op de werknemersfiche van het sociaal secretariaat H.D.P. kwalificeerde de werkgever op 1 mei 1989 nogmaals het loon van eiseres als behorend tot de looncategorie "4e cat + 10%" voor een bedrag van 53.318 Bef bruto per maand. De anciënniteit werd opgegeven vanaf 3/9/
- Het lijdt geen twijfel dat het overeengekomen loon aan eiseres verder moest gewaarborgd blijven. Sedert het tijdstip dat het sociaal Secretariaat H.D.P. in 1989 de loonadministratie deed voor de werkgever, werd het overeengekomen loon niet meer volledig uitbetaald. Tevens stelt de rechtbank vast dat het sociaal secretariaat betrokken werkneemster in een lagere categorie heeft ingedeeld: op de individuele rekeningen 2002 2003 figureert de vermelding "ADM. BEDIENDE II cat 3+" en "Schaal 2 katego". Nergens blijkt dat de werkgever hiertoe opdracht gaf. Op grond van de hierboven vermelde vaststellingen oordeelt de rechtbank dat de vordering ingesteld door eiseres gegrond is in de mate dat ze niet verjaard is. Bijgevolg oordeelt de rechtbank dat de vordering ingesteld door eiseres gegrond is met ingang van 11 december
- Rekening houdend met die beperking zal eiseres haar vordering opnieuw berekenen. Daartoe zal de rechtbank ambtshalve de debatten heropenen. Verder oordeelt de rechtbank dat eiseres enkel haar vordering kan formuleren tegenover verweerster, haar vroegere werkgever, die bij toepassing van artikel 20 ° van de Arbeidsovereenkomstenwet verplicht is om aan de werkneemster het correcte overeengekomen loon te betalen. 6.3 Vordering in tussenkomst en vrijwaring De vzw H.D.P. is een "erkend" sociaal secretariaat van werkgevers in de zin van artikel 44 e.v. van het KB van 28 november 1969 tot uitvoering van de RSZ wet. Zij dient in het kader van die wet in naam en voor rekening van de leden en aangeslotenen de formaliteiten te vervullen waartoe zij in hun hoedanigheid van werkgevers gehouden zijn. Op 30/12/1985 sloten het Sociaal Secretariaat H.D.P. vzw en het Zakenkantoor G. L. een overeenkomst waarbij de eerste zich ertoe verbond om het beheer van de haar toevertrouwde dossiers op zich te nemen. Dit beheer der dossiers werd in de overeenkomst omschreven door een niet beperkende opsomming van de werkzaamheden. Op 24 mei 1989 kwamen de vzw H.D.P. en de BVBA Z. G. L. overeen dat de tweede zich aansloot bij de eerste, die zich ertoe verbond om alle verbintenissen na te leven die voortvloeien uit het huishoudelijk reglement. Dit huishoudelijk reglement beheerst de contractuele verhoudingen tussen de partijen. Bij toepassing van artikel 7 van het huishoudelijk reglement verbindt de vzw H.D.P. zich tegenover de leden die de beheersbijdragen betalen, ertoe om naast de verplichtingen die voortvloeien uit de RSZ wet, ook de fiscale verplichtingen te volbrengen, en om de wettelijke bepalingen toe te passen met betrekking tot de sociale zekerheids- en arbeidswetgeving op basis van de gegevens en inlichtingen verstrekt door het lid. Bij toepassing van artikel 8 van het huishoudelijk reglement verbindt de vzw H.D.P. zich tegenover de BVBA Z. G. L. ertoe op basis van de gegevens en inlichtingen, verstrekt door het lid, de loonadministratie te voeren van de werknemers van het lid. Hetzelfde huishoudelijk reglement regelt ook de aansprakelijkheid van het sociaal secretariaat. Bij toepassing van artikel 29 1ste lid is de vzw H.D.P. alleen aansprakelijk voor de opdrachten haar toevertrouwd in het bestek van het reglement en alleen voor zover zij de exclusiviteit van de opdrachten heeft. Deze voorwaarden zijn hier vervuld. Bijgevolg is verweerster in tussenkomst en vrijwaring aansprakelijk voor de loonadministratie die haar is toevertrouwd. De rechtbank is van oordeel dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring een contractuele fout beging bij de uitvoering van de loonadministratie van eiseres in tussenkomst en vrijwaring. In strijd met de instructie op de werknemersfiche van mevrouw A. S. de dato 1/5/1989 verminderde de vzw H.D.P. stelselmatig het loon dat de werkneemster met de werkgever overeengekomen was zodat mevrouw A. S. niet meer het loon ontving volgens de 4de categorie + 10%. Alhoewel de rechtbank reeds oordeelde dat enkel de werkgever aansprakelijk is tegenover zijn werkneemster voor een tijdige en correcte uitbetaling van het volledige loon, belet dit niet dat het sociaal secretariaat vzw H.D.P. aansprakelijk is tegenover de werkgever voor een correct uitgevoerde loonadministratie. De contractuele fout van de vzw H.D.P. tegenover de BVBA Z. G. L. staat voor de rechtbank vast. Het gaat in casu niet om een algemene inspanningsverbintenis om alle informatie te verschaffen geldend als advies in de zin van artikel 29 2de lid van het huishoudelijk reglement, maar om een resultaatverbintenis die erin bestaat een correcte loonadministratie te voeren, zoals bedoeld in artikel 8 1ste lid, gesanctioneerd door artikel 29 1ste lid van hoger genoemd huishoudelijk reglement. Hierbij stipt de rechtbank aan dat de vzw H.D.P. in een email aan de BVBA Z. G. L. op 20 mei 2003 zelf toegaf dat haar dossierbeheerder de vermelding op de werknemersfiche verkeerd interpreteerde. De rechtbank tilt verder zwaar aan het feit dat het sociaal secretariaat blijkbaar op eigen houtje en zonder instructie van de werkgever de individuele rekeningen voor 2002 en 2003 aanpaste in de zin van een verlaging van looncategorie voor mevrouw A. S. Nopens de schade geleden door eiseres in tussenkomst en vrijwaring oordeelt de rechtbank dat deze partij niet de reële omvang van de schade bewijst. In geen geval kan de BVBA Z. G. L. haar hypothese hard maken dat zij eerder tot het ontslag van mevrouw A. S. zou besloten hebben indien zij de reële kost van die werkneemster had gekend. Evenmin toont eiseres in tussenkomst en vrijwaring op afdoende wijze aan dat zij de hogere remuneratie van haar bediende zou hebben doorgerekend in de tarieven aan haar klanten. De rechtbank is wel van oordeel dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring gehouden is tot vrijwaring van eiseres in tussenkomst en vrijwaring voor de wettelijke en gerechtelijke intresten waarop de werkneemster recht heeft op haar achterstallig loon. Dit geldt natuurlijk niet voor de intresten op het saldo van de opzeggingsvergoeding, waaromtrent de vzw H.D.P. geen enkele verantwoordelijkheid draagt. 6.4 Uitvoerbaarheid bij voorraad recht op kantonnement De voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis (art. 1398, 1ste lid Ger.W.) wijkt af van het beginsel dat verzet of hoger beroep de tenuitvoerlegging van de aangevochten rechterlijke uitspraak schorst. (art. 1397 Ger.W.). De rechter mag slechts met de passende omzichtigheid zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. (Antwerpen 11 februari 1987, R.W. 1986-87). De voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis kan niet automatisch worden toegestaan. Nog veel minder kan het recht op kantonnement, essentiële beveiligingsmaatregel tegen insolventie van een uitvoerende partij, zomaar zonder motivering ontnomen worden. (Luik 28 juni 1985, Jur. Liège 1985, 486).De rechter kan slechts beslissen dat er geen reden is tot kantonnement indien, bij toepassing van artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek, de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt. Dit moet in concreto gemotiveerd worden. (Antwerpen 11 februari 1987, R.W. 1986-87,2640; Brussel 20 augustus 1992, J.T. 1993, 578; Gent 22 december 1993, P. & B. 1993,1994,41). Dit is hier niet het geval. In casu is de vordering van eiseres en van eiseres in tussenkomst en vrijwaring om het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement, ongegrond wegens gebrek aan ernstige motivering. OM DEZE REDENEN, DE ARBEIDSRECHTBANK, Rechtsprekende op tegenspraak, Verwerpt alle verdere en strijdige conclusies als ongegrond, Zegt voor recht dat de vordering ingesteld door eiseres tot betaling van achterstallig loon op grond van de arbeidsovereenkomst, verjaard is in de mate dat ze slaat op de periode van voor 11 december
- Verklaart de vordering ingesteld door eiseres ontvankelijk in de mate dat ze niet verjaard verklaard werd. Verklaart de vordering tot tussenkomst en vrijwaring ingesteld door eiseres in gedwongen tussenkomst en vrijwaring ontvankelijk. Verklaart de vordering ingesteld door eiseres reeds gedeeltelijk gegrond zoals hierna bepaald. Veroordeelt verweerster de BVBA Z. G. L. tot betaling aan A. S. van een bedrag van ZESTIENDUIZEND VIERENVIJFTIG EURO VIJFTIG CENT (16.054,50 euro) bruto, wegens aanvullende opzeggingsvergoeding, meer de wettelijke intresten vanaf 18/03/2003 en de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding op het corresponderend netto-gedeelte. Zegt voor recht dat eiseres A. S. recht heeft op achterstallig loon vanaf 11 december 1998, vermeerderd met de intresten, overeenkomstig de bepalingen van dit vonnis. Verklaart de vordering tot tussenkomst en vrijwaring ingesteld door eiseres in gedwongen tussenkomst en vrijwaring reeds gedeeltelijk gegrond zoals hierna bepaald. Zegt voor recht dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring de vzw H.D.P. gehouden is tot vrijwaring van eiseres in tussenkomst en vrijwaring, de BVBA Z. G. L. voor de betaling van de wettelijke en gerechtelijke intresten op het door eiseres nog te herberekenen achterstallig loon, overeenkomstig de bepalingen van dit vonnis. Beveelt ambtshalve de heropening der debatten teneinde eiseres toe te laten haar vordering tot betaling van achterstallig loon vanaf 11 december 1998 te herbecijferen overeenkomstig de bepalingen van dit vonnis. Stelt hiertoe dag en uur waarop de zaak, nadat partijen hierover hebben geconcludeerd, opnieuw zal behandeld worden op DONDERDAG NEGEN NOVEMBER 2006 te 14u30 in openbare terechtzitting van de arbeidsrechtbank te Veurne, Tweede Kamer, P. Benoitlaan 2, eerste bouwlaag. Beveelt dat toepassing dient gemaakt van artikel 775 Ger.W.. Kosten aangehouden. Zegt voor recht dat er geen aanleiding bestaat om het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement bij gebrek aan ernstige motivering van het verzoek door eiseres en door eiseres in tussenkomst en vrijwaring. Aldus het vonnis, uitgesproken in het gerechtsgebouw te Veurne, in openbare terechtzitting van de Arbeidsrechtbank, Tweede Kamer, op DONDERDAG, ACHT JUNI TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig: Luc ROUSSEEUW, Ondervoorzitter, Voorzitter Tweede Kamer. Geert EGGERMONT, Rechter in Sociale Zaken, Werkgever. Esther DEWILDE, Rechter in Sociale Zaken, Werknemer-Bediende. Shirly DEVOS, Griffier. PDF document ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060608.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div