← België

ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060803.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 03 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060803.1 Rolnummer: 127309;- Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-09-29 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-01 04:41 Fiche Het ocmw en Fedasil moeten antwoorden op dienstige vragen van de illegaal verblijvende ouders van een minderjarige over de inhoud van de materiële hulp in een federaal opvang-centrum, alvorens hun instemming te vragen met het voorstel van Fedasil. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 57,§2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Tekst van de beslissing ARBEIDSRECHTBANK BRUGGE - 7e Kamer - OPENBARE 1E VAKANTIETERECHTZITTING VAN 3 AUGUSTUS

  1. Rep. nr: De zaak A.R. nr. : 127309 R. D. C. en R. L., beiden wonende te, tevens handelend als ouders over de persoon en goederen van hun kind R. D., geboren te K. (N.) op 3 november 1999 Eisende partijen : met raadsman Mr. B. S., advocaat te Gent. tegen: S. H. O.C.M.W. O., met zetel te Verwerende partij : met raadsman Mr. Ph. D., advocaat te Oostende. PROCEDURE De vordering werd regelmatig ingesteld bij verzoekschrift ontvangen ter griffie op 18 mei 2006, zoals blijkt uit het dossier van de rechtspleging. De partijen zijn verschenen ter openbare vakantieterechtzitting van 24 juli 2006 (art. 704 Ger.W.) en werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen. Het openbaar ministerie verleende (schriftelijk) advies ter genoemde terechtzitting. De partijen zagen af van hun recht op repliek op het advies van het openbaar ministerie en van de toezending ervan conform artikel 767, ,§3 Gerechtelijk Wetboek. De zaak werd in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op heden. De behandeling van het geschil verliep in toepassing van art. 2 e.v. Wet 15/6/1935 op het ge-bruik der talen in gerechtszaken, in de Nederlandse taal. VOORWERP VAN DE VORDERING - MIDDELEN Eisers bestrijden verweerders beslissing van 30 maart 2006 waarin het equivalent leefloon vanaf 7 maart 2006 werd geweigerd omdat zij niet wensten in te gaan op het opnamevoorstel van Fedasil in het federaal opvangcentrum te K.. Zij roepen de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur in, de niet-uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten, de menselijke waardigheid en het fundamenteel recht op bijstand, de art. 3 en 13 EVRM, en hun regularisatie-aanvraag conform art.9, 3 Vreemdelingenwet. Zij vragen het equivalent leefloon en de gewaarborgde kinderbijslag. Verweerder volhardt. GRONDEN VAN HET VONNIS De rechtbank nam kennis van het gerechtsdossier, het administratief dossier en de overtuigingsstukken.
  2. Eisers kwamen op 9 juli 2001 uit N. aan in B. en vroegen erkenning als vluchteling. Op 4 november 2002, na de negatieve beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken, vroegen zij ook de zgn. regularisatie volgens art.9, derde lid Vreemdelingenwet. Kort daarop ontvingen zij het bevel om het grondgebied te verlaten. Eisers bleven echter verder asielzoekers tot hun beroep bij de Raad van State werd afgewezen en de asielprocedure werd gesloten op 11 maart 2004; sedertdien verblijven zij als zgn. uitgeprocedeerden illegaal op het grondgebied, samen met hun minderjarig kind D. (°1999). In ons vonnis van 27 november 2004 werd verweerder nog veroordeeld tot verdere betaling van het equivalent leefloon doch dit werd op 15 februari 2005 stopgezet omdat zij het voorstel van Fedasil tot opname in een federaal opvangcentrum niet wensten te aanvaarden. Zij tekenden geen beroep aan. Op 13 december 2005 deden zij een nieuwe aanvraag, waarover werd beslist op 26 januari 2006, doch de inhoud van deze beslissing is niet bekend. Op 7 maart 2006 vroegen zij opnieuw maatschappelijke dienstverlening. Verweerder stelde vast dat eisers niet in staan zijn een inkomen te verwerven en dat het gezin dus behoeftig is. Hun kindje volgt het eerste leerjaar en spreekt perfect Nederlands. Zij verklaarden ditmaal wèl gebruik te willen maken van de mogelijkheid tot opname in een federaal opvangcentrum, zoals bepaald in art. 57 ,§2 OCMW-wet en het kb van 24 juni 2004, doch voegden een lijst toe van 11 schriftelijke vragen waarop zij eerst antwoord vroegen. Deze vragen klonken hoofdzakelijk als volgt : naar welke school zal mijn kind gaan, hoe ver, hoelang duurt het te voet en per bus, tegen welke kostprijs, wie betaalt de boeken, hoe groot is de kamer waarin we kunnen verblijven, hoe werkt het gezondheidssysteem, hoe vaak en met welke modaliteiten kunnen we buiten het centrum gaan, zal ons kind niet afgezonderd worden, welk voedsel is er, hoelang kunnen we in het centrum blijven en welke vrijetijdsbesteding is er ? Verweerder maakte hun aanvraag op 14 maart 2006 per fax over aan Fedasil, kennelijk samen mèt de vragenlijst (zoals uit het verzendrapport van 4 pagina's kan afgeleid worden). Fedasil deed op 21 maart 2006 een voorstel voor opname in het federaal opvangcentrum te K., doch de vragenlijst bleek niet te zijn beantwoord. Eiseres weigerde bijgevolg, schriftelijk op 23 maart 2006, om op het voorstel in te gaan "omwille van het niet ontvangen van antwoorden op onze vragenlijst, bij de aanvraag ingediend", wat verweerder vervolgens deed besluiten tot de thans bestreden beslissing.
  3. Artikel 57 ,§2 OCMW-wet luidt thans : " In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot : 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; 2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. "In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels bepaald door de Koning. De aanwezigheid in het opvangcentrum van de ouders of van de personen die het ouderlijk gezag over het kind daadwerkelijk uitoefenen, wordt gewaarborgd." Eisers zijn vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven. Voor henzelf rest er dus enkel de dringende medische hulp. Uit hun regularisatie-aanvraag kunnen ze geen aanspraken putten. Een aanvraag volgens artikel 9, derde lid Vreemdelingenwet maakt het verblijf niet wettig : geen enkele bepaling verleent aan de indiening van dergelijk verzoek het karakter van een voorlopige machtiging tot geldig ver-blijf (R.v.S 11.10.1995, T.V.R. 1996, 65; Arbh.Gent 6e k. 18.05.1998 AR 579/97; D. Vanheule, Vluchtelingen, 246). Het Arbitragehof oordeelde op 21 december 2004 dat artikel 57,§2 OCMW-wet ook van toepassing is op zij die een regularisatieaanvraag volgens artikel 9, derde lid Vreemdelingenwet hebben ingediend (BS 4.03.2005). Ook uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie kunnen eisers geen geldig middel putten : het door hen ingeroepen arrest van 7.06.2004 betreft niet degenen die regularisatie aanvragen volgens art. 9, derde lid Vreemdelingenwet, maar zij die regularisatie vroegen op grond van de wet van 22 december 1999; in deze laatste bepaalde art. 14 uitdrukkelijk de niet-verwijdering van het grondgebied, wat niet geldt voor wie regularisatie volgens art. 9, derde lid Vreemdelingenwet vraagt. Daarom werd geoordeeld dat aan zo'n aanvraag geen gelijkaardig voordeel verbonden is als aan een aanvraag volgens de wet van 22 december 1999 (Ar-brb.Brugge 6e 7.02.2002, Melikidze / OCMW Torhout; Arbrb. Oudenaarde 5.05.2003, T.V.R. 2003, 255). 3 Voor hun minderjarig kind D. is wel nog maatschappelijke hulp mogelijk, maar deze is beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en ze wordt uitslui-tend verstrekt door opname in een federaal opvangcentrum, alwaar eisers hun kind kunnen vergezellen. Eisers hebben op 7 maart 2006 de wens uitgedrukt om van deze mogelijkheid gebruik te maken, zodat verweerder gehouden was het nodige daartoe te doen zoals in het kb van 24 juni 2004 geformuleerd. Eisers hebben daarbij aan verweerder 11 schriftelijke vragen gesteld. Uit niets blijkt dat verweerder, meer dan het doorsturen van die vragen naar Fedasil, een inspanning heeft gedaan om die antwoorden van Fedasil ook effectief te verkrijgen. Verweerder noteerde in zijn beslissing gewoon dat Fedasil geen bijlage met de antwoorden had overgemaakt. Volgens het kb van 24 juni 2004 zijn het nochtans niet de betrokkenen zelf maar is het het ocmw dat met Fedasil moet communiceren i.v.m. het opvangvoorstel. Het moest voor verweerder duidelijk zijn dat de instemming van eisers met een voorstel van Fedasil afhankelijk was van de antwoorden op deze vragen, zoals ten andere is gebleken toen ze op 23 maart 2006 weigerden het voorstel te aanvaarden omdat ze die antwoorden niet hadden gekregen. Verweerder heeft m.a.w. de aanvraag niet adequaat 'begeleid' of ter harte genomen. Na ontvangst van het voorstel van Fedasil had verweerder bij Fedasil moeten aandringen om op de vragen te antwoorden. Zelfs indien dit wel zou gebeurd zijn moet thans worden vastgesteld dat die antwoorden er niet gekomen zijn en dat dus Fedasil zelf ook in gebreke is gebleven. Het was uiteraard vooral Fedasil dat de antwoorden op de vragen kende en kon verstrekken. Fedasil is echter geen partij in huidig geding.
  4. Volgens het kb van 24 juni 2004 moet de aanvraag niet bij Fedasil maar bij het ocmw worden ingediend (art. 2), het is ook het ocmw dat het sociaal onderzoek uitvoert en de vervulling van de voorwaarden nagaat (art. 3), overlegt met Fedasil en uiteindelijk de beslissing neemt (art. 4). "Het centrum verstrekt alle nuttige raadgevingen en inlichtingen en doet de stappen om aan de betrokkenen alle rechten en voordelen te verlenen waarop zij ... aanspraak kunnen maken" (art. 60 ,§2 OCMW -wet). Het ocmw dient "aan de sociaal verzekerde die daar schriftelijk om verzoekt, alle dienstige inlichtingen betreffende zijn rechten en verplichtingen te verstrekken en uit eigen beweging aan de sociaal verzekerde alle bijkomende informatie te verschaffen die nodig is voor de behandeling van zijn verzoek" (art. 3, eerste lid Wet Handvest van de sociaal verzekerde). Daaruit volgt dat het ocmw in de aangelegenheid van art. 57 ,§2 OCMW-wet niet fungeert als een passief doorgeefluik, maar zijn volwaardige wettelijke rol moet spelen en ondermeer de betrokkenen moet antwoorden op hun rechtmatige en relevante vragen. Het ocmw dat niet kan aantonen dat het stappen heeft ondernomen of de betrokkene heeft bijgestaan bij het zoeken naar een oplossing inzake zijn persoonlijk statuut, blijft in gebreke bij de uitvoering van zijn informatieverplichting (Arbh. Liège 24.06.1994, J.T.T. 1995, 157); in sommige gevallen kan dit zelfs aanleiding geven tot schadevergoeding (Arbrb. Liège 7.09.2001, AR 314.043). Het niet verstrekken van inlichtingen niettegenstaande een verzoek is steeds een fout wanneer dat niet binnen de bepaalde termijn van 45 dagen gebeurt (De Ruysscher D., Mededelingsplichten van en informatieverstrekking door het ziekenfonds, T.S.R. 2004, 308). De overheidsinstelling die niet tijdig inlichtingen verschaft over wezenlijke gegevens schiet tekort in haar plicht van behoorlijk bestuur (Cass. 20.06.1997, R.W. 1998-99, 1491 met NOOT Van Oevelen A., Overheidsaansprakelijkheid wegens het verzuim tijdig een beslissing te nemen en het verzuim behoorlijke informatie te verstrekken). Het spreekt vanzelf dat niet moet geantwoord worden op vragen die buiten de aangelegenheid van maatschappelijke dienstverlening liggen, niet ter zake dienen of reeds beantwoord werden. De antwoorden op de door eisers schriftelijk gestelde vragen zijn nuttige en dienstige inlichtingen betreffende hun rechten en verplichtingen en deze van hun minderjarig kind. Een inlichting is niet alleen dienstig als zij de betrokkene helpt om zijn aanvraag van een sociale prestatie te realiseren, maar ook als zij hem kennis verschaft over de inhoud van een beoogde sociale prestatie. De OCMW-wet heeft het in art. 57 ,§2 enkel over 'materiële hulp die onont-beerlijk is voor de ontwikkeling van het kind', en het kb van 24 juni 2004 geeft helemaal geen nadere gegevens, zodat het voor elke betrokkene nuttig en dienstig is om inlichtingen te verkrij-gen over de precieze en concrete inhoud van die materiële hulp en de modaliteiten waarin deze verstrekt zal worden. De gevraagde inlichtingen zijn des te meer nuttig en dienstig, en ook nodig voor de behandeling van het verzoek, doordat eisers daarvan terecht hun akkoord lieten afhangen. De rechtbank heeft steeds gesteld dat de ouders een opvangvoorstel konden weigeren als ze niet de zekerheid kregen dat ze samen met hun kinderen aldaar konden opgevangen worden, voorwaarde die krachtens art. 8 EVRM en art. 9.1 Kinderrechtenverdrag als essentieel wordt beschouwd, en door het Arbitragehof gehonoreerd werd in zijn arrest van 19 juli 2005, hetgeen de wetgever ertoe noopte de wettekst aan te vullen met : "De aanwezigheid in het opvangcen-trum van de ouders of van de personen die het ouderlijk gezag over het kind daadwerkelijk uit-oefenen, wordt gewaarborgd." De vragen van eisers i.v.m. de opvangmodaliteiten voor hun minderjarig kind zijn eveneens grotendeels objectief dienstig, in het licht van de minimale waarborgen die in het Kinderrechtenverdrag verankerd zijn, zoals deze om niet gescheiden te worden van zijn ouders (art. 9.1), recht op medische zorgen (art. 24), een voldoende levensstandaard (art. 27.1), aangepast onderwijs (art. 28), spel en creatieve bezigheden (art. 31) enz.. Ouders mogen terecht een gunstig en concreet antwoord op hun desbetreffende vragen verwachten alvorens ermee in te stemmen om hun minderjarig kind in een opvangcentrum te laten huisvesten. M.a.w. zouden zij terecht de opname mogen weigeren indien deze waarborgen niet concreet gerealiseerd zouden zijn in het voorgestelde federaal opvangcentrum. Zelfs indien op al hun vragen positief zou worden geantwoord mochten eisers de rechtmatige verwachting hebben dat hen dit op hun schriftelijk verzoek vooraf zou worden bevestigd.
  5. De Omzendbrief van 16 augustus 2004 (BS 09.12.2004) specifieert dat de instemming (of de weigering) van het voorstel door de ouders moet verkregen worden door het ocmw alvorens te beslissen over de aanvraag (p. 6-7). Er kan geen sprake kan zijn van een volwaardige aanvaarding van een voorstel, als de ouders geen voldoende kennis hebben van de inhoud van het voorstel. Om zich rechtsgeldig te kunnen verbinden moet men weten waartoe men zich verbindt en waarmee men instemt, moet men het dus eens zijn over minstens de punten die als essentieel moeten worden beschouwd (Cass. 12.06.1980, Arr.Cass. 1979-80, 1263). Aangezien aan een opname in een federaal opvangcentrum ook verplichtingen kleven, dienen eisers daarvan vooraf kennis te krijgen: zonder die kennis is een wilsuiting inhoudloos en niet rechtsgeldig Dit is des te meer het geval nu de totstandkoming van zo'n opname (nl. voorstel + akkoord) voorkomt als een toetredingscontract, waarin eisers geen enkele inspraak hebben, zodat het slechts geldig verbindt als zij er voorafgaand kennis van hebben kunnen nemen (Cornelis L., Algemene theorie van de verbintenis, 35-36).
  6. Het is onbegrijpelijk dat de eenvoudige en evidente vragen van eisers niet ernstig werden genomen. Wanneer men zoals eisers, na aanvankelijke aarzelingen (zie hun eerste weigeringen), toch de mogelijkheid van een huisvesting in een federaal opvangcentrum aanvaardt en dus geconfronteerd wordt met het perspectief om uit een vertrouwde omgeving te moeten verhuizen naar een volstrekt onbekende bestemming, die ingevolge zijn benaming alleen reeds niet regulier oogt, is het niet meer dan normaal dat men (minstens voor zijn minderjarige kinderen) van een aantal minimumvoorzieningen verzekerd wil zijn. Tot wie kunnen die ouders zich anders of beter wenden dat tot het bevoegd ocmw om daarover meer klaarheid te verkrijgen ? Elke modale Belgische ouder zou in dezelfde omstandigheden gelijkaardige vragen stellen. Een minderjarige kind van illegaal verblijvende vreemdelingen is geen minderwaardig rechtssubject. Het is niet omdat het illegaal op het grondgebied verblijft dat het een lagere menselijke waardigheid heeft Verweerder had de zorg van eisers dienen te begrijpen; er bestond een redelijke kans dat de antwoorden geruststellend zouden zijn en dat eisers intussen al in het centrum zouden zijn opgenomen. De rechtbank vraagt zich af waarom verweerder noch Fedasil die minimale antwoord-inspanning hebben geleverd, waardoor nodeloos veel tijd is verloren gegaan. Het is al even onbegrijpelijk dat ook Fedasil die vragen naast zich heeft neergelegd. Fedasil is immers best geplaatst om daarop de juiste antwoorden te geven. Aangezien Fedasil de gegevens bezit, of minstens de stukken waarin de antwoorden op de gestelde vragen te vinden zijn, is het adequaat om Fedasil daartoe aan te spreken (Arbrb. Brussel 15.11.2004, J.D.J. 2005 n° 242, 45). Artikel 877 e.v. Ger.W. laat toe om aan derden te bevelen bepaalde stukken in het dossier van rechtspleging te voegen. Partijen kunnen vervolgens nog besluiten, zodat verweerder nog bijkomende inlichtingen kan verstrekken, mochten de antwoorden van Fedasil niet volstaan. In gunstig geval kunnen partijen het nodige doen om gevolg te geven aan de oorspronkelijke of hernieuwde opnamewensen van eisers. OM DEZE REDENEN De Arbeidsrechtbank; Gelet op het advies van het Openbaar Ministerie, gegeven door de heer Luc DRUBBEL, ar-beidsauditeur; Wijzende op tegenspraak en na beraadslaging; Ontvangt de vordering, doch alvorens te oordelen; Verzoekt FEDASIL, Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers, North Gate II, Koning Albert-II laan 8 te 1000 Brussel, om binnen drie weken na de kennisgeving van huidig vonnis, ter griffie van de Arbeidsrechtbank te 8000 Brugge, Kazernevest 3, de eensluidend verklaarde afschriften neer te leggen van de stukken waarin de gegevens terug te vinden zijn die als antwoord gelden op de schriftelijke vragen van eisers die hem door verweerder per fax werden overgemaakt op 14 maart 2006 om 15:12, aangelegenheid die hem bekend is onder zijn referentie PS/IP/060321; Heropent ambtshalve de debatten en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar de openbare terechtzitting van de 7e kamer in gehoorzaal 'D' op WOENSDAG 27 SEPTEMBER 2006, OM 14U30, teneinde partijen te horen over de door Fedasil neergelegde stukken; Houdt de kosten aan; Aldus gewezen en uitgesproken door de ARBEIDSRECHTBANK TE BRUGGE, 1e vakan-tiekamer, in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te BRUGGE, op DRIE AUGUSTUS TWEEDUIZEND EN ZES. Waren aanwezig : Willy DUPONT, Rechter bij de Arbeidsrechtbank, Patrick VANDENBERGE, Rechter in sociale zaken - werknemer / arbeider, Patrick DEGRYSE, Rechter in sociale zaken - werkgever, Yvan WYNS, Griffier, Y. WYNS - P. DEGRYSE - P. VANDENBERGHE - W. DUPONT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20060803.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.