← België

ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20061214.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 14 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2006:JUG.20061214.12 Rolnummer: 26925;- Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-02-28 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 14:50 Fiches 1 - 3 Overeenkomstig artikel 91 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (AOW) heeft de handelsvertegenwoordiger recht op commissieloon voor de orders die hij heeft aangebracht, zelfs als zij worden aanvaard tijdens de schorsing of na het einde van de overeenkomst. De hier gevorderde commissielonen hebben geen betrekking op orders die eiser nog zelf heeft aangebracht. Een order aanbrengen betekent immers een bestelling binnenhalen. De kwestieuze bestellingen werden door de NV IRS geplaatst na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 3/1/

  1. In casu is het duidelijk dat eiser de orders van de NV IRS niet zelf heeft aangebracht. Bijgevolg kan eiser zich niet beroepen op artikel 91 AOW om betaling van de bedoelde commissielonen te vragen. Overeenkomstig artikel 92 van de AOW heeft de handelsvertegenwoordiger recht op commissieloon voor de orders door de cliëntèle gegeven tijdens de gehele duur van de schorsing of tijdens een periode van drie maanden volgend op het einde van de overeenkomst, wanneer hij bewijst dat hij gedurende de uitvoering van zijn overeenkomst met de klant rechtstreeks contact heeft tot stand gebracht dat gevolgd werd door feiten die tot de aanvaarding van bedoelde orders hebben geleid. Dit recht op commissieloon steunt op de premisse dat de orders die zijn aangebracht en/of aanvaard na het einde van de arbeidsovereenkomst, nog voortspruiten uit de arbeidsprestaties die de handelsvertegenwoordiger voor de beëindiging heeft geleverd. In die optiek is het commissieloon de uitgestelde verloning van eerder verrichte arbeid. (zie M. De Vos, Loon naar Belgisch Arbeidsovereenkomstenrecht, Maklu Uitgevers Antwerpen/Apeldoorn, 2001, p. 1142-1143 en p. 1404-1405). Naar het oordeel van de rechtbank bewijst eiser dat hij rechtstreekse contacten heeft gehad met de klant IRS NV uit Deinze. Een klant aanbrengen is natuurlijk nog geen order aanbrengen. De orders zelf werden ontegensprekelijk aangebracht door zijn opvolger die hiervoor commissielonen ontving. De volgende vraag die de rechtbank hier moet beantwoorden is of het rechtstreekse contact dat eiser met de NV IRS heeft tot stand gebracht, gevolgd werd door feiten die tot de aanvaarding van bedoelde orders heeft geleid? Daartoe heeft de rechtbank ondermeer moeten teruggrijpen naar de voorbereidende parlementaire werken bij de totstandkoming van de wettelijke bepaling van artikel 92 AOW. (L. Troclet en M. Patte, Statut juridique des représentants de commerce, Tome I & II, Commentaire et travaux préparatoires de la loi du 30 juillet 1963, Université libre de Bruxelles, Institut de Sociologie, 1964, Tome I p. 163-173 en Tome II p. 119, p. 264-265). Naar het oordeel van de rechtbank bewijst eiser op afdoende wijze dat zijn rechtstreekse contacten met de NV IRS geleid hebben tot het onderhoud van zijn opvolger met deze klant op 23/01/2002 gevolgd door een verdediging van de eerste IT-offerte bij de klant op 07/02/
  2. Zijn rechtstreekse contacten hadden ontegensprekelijk betrekking op het netwerk dat het voorwerp uitmaakte van de latere offerte. Deze rechtstreekse contacten werden derhalve gevolgd door feiten die leiden tot de order van 07/03/2002 en tot de aanvaarding ervan. Dit onderdeel van de vordering is derhalve gegrond voor een bedrag van ... De rechtbank is van oordeel dat eiser recht heeft op het vakantiegeld bij uitdiensttreding ten bedrage van 15,34% van de tijdens 2002 bij verweerster verdiende brutowedde, ingevolge de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst op 3/1/
  3. Artikel 46 heeft het duidelijk over het begrip 'brutowedde'. Het gaat om al de wedden en componenten die in brutobedragen zijn uitgedrukt. Welnu het achterstallig commissieloon waarop eiser nog recht heeft ingevolge toepassing van artikel 92 AOW, beschouwt de rechtbank ook als een onderdeel van de tijdens 2002 bij verweerster verdiende brutowedde in de zin van artikel 46 van het KB van 30 maart
  4. (zie ook D. Ryckx en J. Nietvelt (eds.), Actuele problemen van jaarlijkse vakantie, Intersentia Rechtswetenschappen, Antwerpen Groningen, 2001, p. 112-113). Dit onderdeel van de vordering is derhalve in die mate gegrond. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . JAARLIJKSE VAKANTIE Arbeidsovereenkomst handelsvertegenwoordiger - Ontslag Achterstallig commissieloon Orders niet zelf aangebracht Commissieloon voor de orders door de cliëntèle gegeven tijdens een periode van drie maanden volgend op het einde van de overeenkomst Bewijs van de ontslagen handelsvertegenwoordiger dat hij gedurende de uitvoering van zijn overeenkomst met de klant rechtsreeks contact heeft tot stand gebracht dat gevolgd werd door feiten die tot de aanvaarding van bedoelde orders hebben geleid Vakantiegeld bij uitdiensttreding op achterstallig commissieloon. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 91 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN HANDELSVERTEGEN-WOORDIGERS Ontslag Achterstallig commissieloon Orders niet zelf aangebracht Commissieloon voor de orders door de cliëntèle gegeven tijdens een periode van drie maanden volgend op het einde van de overeenkomst Bewijs van de ontslagen handelsvertegenwoordiger dat hij gedurende de uitvoering van zijn overeenkomst met de klant rechtsreeks contact heeft tot stand gebracht dat gevolgd werd door feiten die tot de aanvaarding van bedoelde orders hebben geleid Vakantiegeld bij uitdiensttreding op achterstallig commissieloon. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 92 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Eveneens gerangschikt onder de ref. VII G, art. 46 (K.B. 30.03.1967). UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN HANDELSVERTEGEN-WOORDIGERS Ontslag Achterstallig commissieloon Orders niet zelf aangebracht Commissieloon voor de orders door de cliëntèle gegeven tijdens een periode van drie maanden volgend op het einde van de overeenkomst Bewijs van de ontslagen handelsvertegenwoordiger dat hij gedurende de uitvoering van zijn overeenkomst met de klant rechtsreeks contact heeft tot stand gebracht dat gevolgd werd door feiten die tot de aanvaarding van bedoelde orders hebben geleid Vakantiegeld bij uitdiensttreding op achterstallig commissieloon. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 28-06-1971 - 46 Nota: Eveneens gerangschikt onder de ref. II D.N., artt. 91 en
  5. Annotaties Publicaties: RW 2007-2008 - - p. 1379 Tekst van de beslissing TWEEDE 14 december 2006 26925 DE ARBEIDSRECHTBANK TE VEURNE, TWEEDE KAMER, HEEFT HET VOLGEND VONNIS UITGESPROKEN : In de zaak nr.26925 der Algemene rol : A. S., wonende te. - EISENDE PARTIJ vertegenwoordigd door de heer Yves ALLEWAERT, afgevaardigde van een representatieve organisatie van werknemers te 8800 Roeselare, Zuidstraat 22 bus 22, drager van een volmacht. tegen : N.V. A. B., voorheen T. N.V., met zetel te. - VERWERENDE PARTIJ Hebbende als raadsman Mr. F. Ruelens, advocaat te 1932 St-Stevens-Woluwe, voor wie optreedt Mr. N. Debrabander, advocaat te Gent.
  6. Procedure Bij dagvaarding betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot de dato 23 december 2002 vordert eiser de veroordeling van verweerster tot betaling van 2.807,64 EUR provisioneel, wegens achterstallig commissieloon voor een bedrag van 2.261,80 EUR provisioneel, vakantiegeld voor een bedrag van 357,36 EUR provisioneel en eindejaarspremie voor een bedrag van 188,48 EUR provisioneel. Verder vordert eiser deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 31 december 2001 en met de gerechtelijke intresten op de na de verrichting van de wettelijke voorziene inhoudingen bekomen netto bedragen. Tevens vordert eiser de veroordeling van verweerster tot het betalen van de gedingskosten en het afleveren van de socio-fiscale documenten, namelijk verbeterende individuele jaarrekening op de bij vonnis toegekende bedragen binnen de 30 dagen na definitief worden van het uit te spreken vonnis, alsook ten gepaste tijde de fiscale fiche 281.
  7. Tenslotte vraagt eiser om het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement. Ingevolge gezamenlijk verzoek van de partijen heeft de rechtbank overeenkomstig artikel 750 ,§1 van het Gerechtelijk Wetboek de rechtsdag vastgesteld op de zitting van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Veurne op donderdag 23 november
  8. Ter openbare terechtzitting van 23 november 2006 heeft de rechtbank partijen gehoord waarna de debatten gesloten werden. De rechtbank maakte toepassing van artikel 734 van het Gerechtelijk Wetboek, doch bereikte geen resultaat. De stukken van de rechtspleging en de stukken neergelegd door partijen werden door de rechtbank doorgenomen. De rechtspleging verliep in het Nederlands overeenkomstig artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
  9. Voorwerp van de betwisting. In de dagvaarding voert eiser aan dat hij in de laatste twee maand van zijn tewerkstelling nog cliënteel aangebracht heeft bij verweerster waarmee er na zijn uitdiensttreding contracten zijn afgesloten. Eiser meent nog gerechtigd te zijn op zijn commissie op deze verkopen door verweerster. Op deze commissie moet nog vakantiegeld en eindejaarspremie betaald worden. Aangezien verweerster dit weigert te doen, heeft eiser haar gedagvaard voor de Arbeidsrechtbank. In zijn conclusies neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Veurne op 13 januari 2004 ging eiser over tot een effectieve begroting van zijn vordering. Uit de stukken van verweerster leidde eiser af dat er nog drie bestellingen op dezelfde dag gebeurd zijn binnen de drie maanden na zijn ontslag. Bijgevolg vordert hij een achterstallig commissieloon van 3.171,47 EUR met hierop een vakantiegeld van 501,09 EUR en een eindejaarspremie van 264,28 EUR, hetzij in totaal 3.937,65 EUR meer de wettelijke en gerechtelijke intresten.
  10. Standpunt verweerster. Verweerster houdt voor dat de discussie ten opzichte van eiser enkel de toepassing en interpretatie van artikel 92 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten betreft. AR 26925 TWEEDE Voor verweerster is het duidelijk dat de heer D. S. de orders heeft aangebracht in de zin van artikel 91 AOW. Uit de eerste offerte en al de eindverslagen van de aangehaalde bestellingen van I. N.V. blijkt immers dat de heer D. D. S. de verantwoordelijke handelsvertegenwoordiger was. Inzake de interpretatie van artikel 92 AOW is de vraag te weten wat in concreto verstaan dient te worden onder rechtstreeks contact dat gevolgd werd door feiten die tot de aanvaarding van bedoelde orders hebben geleid. Verweerster is van mening dat eiser in casu geen recht op commissieloon heeft op de betrokken orders die werden aanvaard na de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Volgens verweerster toont eiser geenszins aan dat hij rechtstreeks contact heeft gehad met de klant N.V. I. dat gevolgd werd door feiten (bv. een aanbod, onderhandelingen) die tot de aanvaarding van bedoelde orders hebben geleid. Zelfs wanneer de rechtbank het bewezen acht dat er een contact geweest is tussen eiser en de vennootschap I. dan betwist verweerster dat dit voldoende was om te kunnen spreken van een rechtstreeks contact dat gevolgd werd met feiten die aanleiding gaven tot de aanvaarding van orders in de zin van artikel 92 van de Arbeidsovereenkomstenwet. De voorbereidende werken tonen aan dat de handelsvertegenwoordiger meer moet gedaan hebben dan in contact treden met de klant. Het contact moet gevolgd zijn door een aanbod of door een onderhandeling. De bedoelde onderhandelingsgesprekken met de klant I. N.V. werden gevoerd door de opvolger van eiser, de heer D. D. S. De eerste offerte aan I. N.V. dateert van februari 2002, met name twee maanden nadat de arbeidsovereenkomst van eiser was beëindigd en ging uit van de heer D. S. Uit de inhoudelijke vergelijking tussen de initiële offerte van D. S. en de uiteindelijke bestelling blijkt volgens verweerster dat er na de eerste offerte ten eerste voor alle orders er nog contacten en discussies geweest zijn tussen I.N.V. en verweerster en ten tweede dat daarenboven voor de tweede en derde bestelling er geen enkele link bestaat met eiser. Volgens verweerster doet de verklaring van de heer D. S. geen afbreuk aan haar stelling dat deze laatste minstens het belangrijkste deel van het werk heeft verricht met het oog op het realiseren van de orders en de daaruit vloeiende verkoop. Verweerster verwijst hiervoor ook naar haar stukken, onder meer stuk
  11. Zij benadrukt dat de heer D. S. het commissieloon heeft verkregen voor de gerealiseerde orders. Het is niet aanvaardbaar dat verweerster twee keer commissieloon op dezelfde orders zou moeten betalen. Verweerster besluit dan ook dat slechts na het einde van de arbeidsovereenkomst van eiser de door de wet vereiste contacten met de klant werden gelegd welke gevolgd werden door feiten die tot de aanvaarding van het bedoelde order hebben geleid. Eiser heeft ten hoogste enkel een eerste contact gehad met I. N.V. welke niet bepalend was voor het realiseren van de orders. Het is volgens verweerster aan eiser om te bewijzen dat er een rechtstreeks contact is geweest met de N.V. I. voor zijn ontslag dat onbetwistbaar werd gevolgd door de aanvaarding van de bestelling. Nu dit niet gebeurt, meent verweerster dat de vordering van eiser tot het bekomen van een commissieloon ten bedrage van 3.171,47 EUR ongegrond is. Aangezien verweerster meent geen commissieloon verschuldigd te zijn dient er in geen geval vakantiegeld op betaald te worden. Dit is eveneens zo voor de eindejaarspremie. Bovendien heeft eiser alle sociale documenten ontvangen. Nopens de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis werpt verweerster op dat dit een uitzondering is en er thans geen motief wordt aangereikt door eiser om deze uitzondering te staven, zodat dit onderdeel van de vordering ongegrond is. In ondergeschikte orde, voor het geval dat de Arbeidsrechtbank van oordeel zou zijn dat er rechtstreekse contacten zijn geweest tussen eiser en de N.V. I. gevolgd met feiten die aanleiding hebben gegeven tot de aanvaarding van orders, dan kan dit volgens verweerster enkel voor wat betreft de orders die verband houden met de initiële aankoop van P.C.'s, de zogenaamde tweede bestelling stuk 4 verweerster, doch geenszins inzake de eerste en derde orders (stukken 3 en 6 verweerster), aangezien deze enkel tot stand kwamen door tussenkomst van de heer D. S. en de heer P. Hierop kan geen vakantiegeld verschuldigd zijn gelet op de datum waarop dit recht ontstond, met name de aanvaarding van de orders in maart 2002, daar dit na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gebeurde. Volgens verweerster is dit commissieloon geen loon dat in aanmerking komt voor vakantiegeld, vermits de arbeidsovereenkomst reeds was beëindigd. Indien de Arbeidsrechtbank oordeelt dat eiser recht heeft op een commissieloon dan kan hierop geen pro rata eindejaarspremie verschuldigd zijn, gelet op de datum waarop dit recht bestond, met name de aanvaarding van de orders in maart 2002 en de datum van het einde van de arbeidsovereenkomst van eiser (3 januari 2002). Tenslotte meent verweerster dat er dan enkel sociale en fiscale documenten zijn ten belope van het desgevallend toegekend commissieloon. AR 26925 DERDE
  12. Standpunt eiser. Vooreerst voert eiser aan dat hij de nieuwbouw van I. heeft opgemerkt en dat hij telefonisch contact opnam met I. met als gevolg een afspraak en een diepgaand gesprek met de heer V. C., accountant van de firma I. Eiser kreeg van de firma I. de telefoonfacturen over augustus en september 2001 om uit te maken wat de beste totaaloplossing was voor dit bedrijf. Uit een email tussen eiser en de heer P. P., account consultant van verweerster, blijkt volgens eiser dat hij alle informatie aan het verzamelen was om een offerte te kunnen doen. Wanneer er enkel sprake zou zijn van een eerste contact dan is het niet mogelijk om zo een gedetailleerde lijst van benodigdheden op te maken. Eiser benadrukt dat zijn werknota's spreken over de verkoop van 15 P.C.'s en een server, net wat er in de interne offerte wordt besproken. Het mag dan ook duidelijk wezen dat de contacten tussen eiser en I. veel verder gingen dan een eerste contact. Daarom is eiser van mening dat hij gerechtigd is op een vergoeding voor het aanbrengen van deze cliënt. Zonder een eerste bezoek door eiser bij I. en een degelijke voorbereiding zou er immers geen sprake zijn van enige verkoop door verweerster bij dit bedrijf. Dat de aankoop dan gefinaliseerd werd door de heer D. S. wordt door eiser niet ontkend. Bovendien stelt de heer D. S. zelf dat niet hij de cliënt heeft aangebracht maar wel eiser. Mocht de rechtbank twijfelen aan de verklaring van de ex-collega dan biedt eiser ondergeschikt het getuigenverhoor aan om vast te stellen dat hij wel degelijk de cliënt heeft aangebracht. Verder wijst eiser op een verkeerde interpretatie van artikel 92 AOW door verweerster. Verweerster haalt aan dat indien de rechtbank zou oordelen dat eiser rechtstreekse contacten heeft gehad met I. die aanleiding geven tot aanvaarding van orders, zij deze enkel zou beperken tot de zogenaamde tweede bestelling. Enkel en alleen door toedoen van de basiscontacten en de voorbereiding van eiser met I. werden orders gerealiseerd. Volgens eiser kan het commissieloon zich dan ook niet beperken tot de tweede bestelling.
  13. Beoordeling door de rechtbank. 5.1 Feiten van belang voor het geschil Op 26 december 2000 sloten partijen een arbeidsovereenkomst voor bediende waarbij verweerster eiser aanwierf voor onbepaalde duur als junior account manager vanaf 8 januari 2001 ten laatste. Vanaf 1 februari 2001 nam verweerster eiser aan als bediende voor onbepaalde duur als account manager tegen een vast maandelijks brutoloon van 60.000 BEF, alsook tegen een bruto commissie maandelijks berekend op de in de maand verwezenlijkte bestellingen en betaalbaar met de wedde van de volgende maand. Deze commissie bedroeg 7,5 % voor nieuwverkoop en 3% voor naverkoop op de netto verkoopwaarde. Partijen voeren geen discussie over de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger waarin eiser zijn arbeid voor verweerster verrichtte. Bij aangetekende brief van 3 januari 2002 maakte verweerster een einde aan de arbeidsovereenkomst met eiser met ingang van 3 januari
  14. De betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan de bezoldiging die overeenkomt met een opzeggingstermijn van 3 maanden werd in het vooruitzicht gesteld. In zijn brief van 20 april 2002 liet eiser aan verweerster weten dat hij in de loop van de maand december 2001 contact had met mijnheer V. C. M. van de firma I. in verband met de nieuwe aankoop van een totale CTI oplossing. Nu hij vernomen had dat de door hem aangebrachte klant in de maand maart 2002 een verkoopscontract gesloten heeft met verweerster, vroeg eiser de betaling van de hem toekomende commissie van voormelde zaak. Hierop antwoordde verweerster bij aangetekende brief van 21 mei 2002 dat zij niet inging op de expliciete vraag van eiser om uitbetaling van zijn commissie in de zaak N.V. I., aangezien deze behandeld en afgesloten werd door de heer D. D. S., account manager P. 5.2 Achterstallig commissieloon Overeenkomstig artikel 91 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (AOW) heeft de handelsvertegenwoordiger recht op commissieloon voor de orders die hij heeft aangebracht, zelfs als zij worden aanvaard tijdens de schorsing of na het einde van de overeenkomst. De hier gevorderde commissielonen hebben geen betrekking op orders die eiser nog zelf heeft aangebracht. Een order aanbrengen betekent immers een bestelling binnenhalen. De kwestieuze bestellingen werden door de NV I. geplaatst na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 3/1/2002 : - op 7 maart 2002 (stukken 3 4 verweerster), - op 6 mei 2002 (stuk 5 verweerster) en - op 22 april 2002 (stuk 6 verweerster). Die bestellingen zijn het rechtstreeks gevolg van het onderhoud tussen de NV I. en de account manager van verweerster, de heer D. D. S. en van de prijsopgaven door verweerster toegestuurd aan de klant op 04/02/
  15. Er is sprake van een onderhoud tussen de heer D. D. S. AR 26925 VIERDE en de NV I. op 23/01/2002, gevolgd door een verdediging van de eerste IT-offerte bij de klant op 07/02/
  16. (stuk 7 verweerster). In zijn verklaring van 23/12/2002 bevestigt de heer D. D. S. dat hij het dossier I. uit D. opgevolgd heeft door het overnemen van de sector wanneer eiser het bedrijf verlaten heeft. Hieruit is een verkoop voortgevloeid. In casu is het duidelijk dat eiser de orders van de NV I. niet zelf heeft aangebracht. Bijgevolg kan eiser zich niet beroepen op artikel 91 AOW om betaling van de bedoelde commissielonen te vragen. Overeenkomstig artikel 92 van de AOW heeft de handelsvertegenwoordiger recht op commissieloon voor de orders door de clientèle gegeven tijdens de gehele duur van de schorsing of tijdens een periode van drie maanden volgend op het einde van de overeenkomst, wanneer hij bewijst dat hij gedurende de uitvoering van zijn overeenkomst met de klant rechtstreeks contact heeft tot stand gebracht dat gevolgd werd door feiten die tot de aanvaarding van bedoelde orders hebben geleid. Dit recht op commissieloon steunt op de premisse dat de orders die zijn aangebracht en/of aanvaard na het einde van de arbeidsovereenkomst, nog voortspruiten uit de arbeidsprestaties die de handelsvertegenwoordiger voor de beëindiging heeft geleverd. In die optiek is het commissieloon de uitgestelde verloning van eerder verrichte arbeid. (zie M. De Vos, Loon naar Belgisch Arbeidsovereenkomstenrecht, Maklu Uitgevers Antwerpen/Apeldoorn, 2001, p. 1142-1143 en p. 1404-1405). Naar het oordeel van de rechtbank bewijst eiser dat hij rechtstreekse contacten heeft gehad met de klant I. NV uit D. Zijn opvolger als account manager bij verweerster, de heer D. D. S. verklaarde dat eiser die klant heeft aangebracht. Daarnaast blijkt eiser in het bezit te zijn van telefoonfacturen van de NV I. voor augustus, september en oktober
  17. (stukken 18-19 eiser). Bovendien maakte eiser uitgebreide aantekeningen over een telefoon en computersituatie bij de NV I. te D.. (stuk 16 eiser). Uit de interne mail van de account consultant P. P. van verweerster gericht tot eiser op 18/12/2001, blijkt dat eiser zich toen bezighield met de verkoop van een computernetwerk aan de klant I. (stuk 15 eiser). Een klant aanbrengen is natuurlijk nog geen order aanbrengen. De orders zelf werden ontegensprekelijk aangebracht door de heer D. D. S. die hiervoor commissielonen ontving. (stuk 8a-b verweerster). De volgende vraag die de rechtbank hier moet beantwoorden is of het rechtstreekse contact dat eiser met de NV I. heeft tot stand gebracht, gevolgd werd door feiten die tot de aanvaarding van bedoelde orders heeft geleid? Daartoe heeft de rechtbank ondermeer moeten teruggrijpen naar de voorbereidende parlementaire werken bij de totstandkoming van de wettelijke bepaling van artikel 92 AOW. (L. Troclet en M. Patte, Statut juridique des représentants de commerce, Tome I & II, Commentaire et travaux préparatoires de la loi du 30 juillet 1963, Université libre de Bruxelles, Institut de Sociologie, 1964, Tome I p. 163-173 en Tome II p. 119, p. 264-265). Naar het oordeel van de rechtbank bewijst eiser op afdoende wijze dat zijn rechtstreekse contacten met de NV I. geleid hebben tot het onderhoud van zijn opvolger de heer D. D. S. met deze klant op 23/01/2002 gevolgd door een verdediging van de eerste IT-offerte bij de klant op 07/02/
  18. Deze offerte betrof een voorstel netwerk meer bepaald voor een server en 10 nieuwe PC's samen met 5 bestaande. De aantekeningen van eiser over een telefoon en computersituatie bij de NV I. te D. spreken ondermeer over 15 PC's en 1 server. Uit de interne mail van de account consultant P. P. van verweerster gericht tot eiser op 18/12/2001, blijkt dat eiser de offerte van 04/02/2002 reeds in december 2001 aan het voorbereiden was. Zijn rechtstreekse contacten hadden ontegensprekelijk betrekking op het netwerk dat het voorwerp uitmaakte van de latere offerte. Deze rechtstreekse contacten werden derhalve gevolgd door feiten die leiden tot de order van 07/03/2002 en tot de aanvaarding ervan. De rechtbank is van oordeel dat enkel de order van 07/03/2002 (stuk 4 verweerster) tot levering, plaatsing en indienststelling van een communicatiesysteem beschreven in bijlage 1 van de bestelling, voor een bedrag van 30.875,60 euro het gevolg is van de rechtstreekse contacten van eiser met de NV I. Dit blijkt ook zijdelings uit de verklaring van de heer P. P. van 12 juli
  19. (stuk 7 verweerster). Voor het overige bewijst eiser niet dat zijn rechtstreekse contacten geleid hebben tot de order van 07/03/2002 bedoeld in stuk 3 verweerster. De orders van 06/05/2002 (stuk 5 verweerster) en 22/04/2002 (stuk 6 verweerster) werden gegeven na het verstrijken van de periode van 3 maanden volgend op het einde van de arbeidsovereenkomst, dit is buiten de termijn van artikel 92 AOW. Bijgevolg oordeelt de rechtbank dat eiser slechts recht heeft op een commissieloon voor één order, namelijk dit van 07/03/2002, waarvan sprake in stuk 4 verweerster voor een bestelling ten bedrage van 30.875,60 euro. Dit onderdeel van de vordering is derhalve gegrond voor een bedrag van 2.315,67 euro aan commissieloon (30.875,60 x 7,5 %). 5.3 Vakantiegeld op commissieloon Overeenkomstig artikel 46 van het KB van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, betaalt de werkgever aan de bediende, wanneer zijn contract een einde neemt, bij zijn vertrek, een percentage van de bij hem tijdens dat vakantiedienstjaar verdiende brutowedde, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking. Onder vakantiedienstjaar wordt verstaan dat kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin de vakantie dient te worden toegekend. (artikel 3, tweede lid van de vakantiewet en van het voornoemd KB). Naar het oordeel van de rechtbank lijdt het geen twijfel dat het vakantiegeld einde dienst moet betaald worden door de werkgever wanneer de bediende uit dienst gaat. (zie ook E. Maes, Jaarlijkse Vakantie, Sociale Praktijkstudies 14, Kluwers Uitgevers /Ced.Samsom, Mechelen, 2003, p. 104). In casu was dit op 03 januari
  20. AR 26925 VIJFDE De rechtbank is van oordeel dat eiser recht heeft op het vakantiegeld bij uitdiensttreding ten bedrage van 15,34% van de tijdens 2002 bij verweerster verdiende brutowedde, ingevolge de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst op 3/1/
  21. Artikel 46 heeft het duidelijk over het begrip "brutowedde". Het gaat om al de wedden en componenten die in brutobedragen zijn uitgedrukt. Welnu het achterstallig commissieloon waarop eiser nog recht heeft ingevolge toepassing van artikel 92 AOW, beschouwt de rechtbank ook als een onderdeel van de tijdens 2002 bij verweerster verdiende brutowedde in de zin van artikel 46 van het KB van 30 maart
  22. (zie ook D. Ryckx en J. Nietvelt (eds.), Actuele problemen van jaarlijkse vakantie, Intersentia Rechtswetenschappen, Antwerpen Groningen, 2001, p. 112-113). Bijgevolg heeft eiser recht op een vakantiegeld bij uitdiensttreding op het achterstallig commissieloon van 2.315,67 euro voor een bedrag van 2.315,67 x 15,34 % = 355,22 euro. Dit onderdeel van de vordering is derhalve in die mate gegrond. 5.4 Eindejaarspremie op commissieloon Alhoewel de rechtbank het achterstallig commissieloon, waarop eiser nog recht heeft ingevolge toepassing van artikel 92 AOW, beschouwt als een onderdeel van de tijdens 2002 bij verweerster verdiende brutowedde, oordeelt de rechtbank dat eiser niet bewijst dat hij recht heeft op een eindejaarspremie voor het jaar
  23. Uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat partijen voor de tewerkstelling van eiser bij verweerster ressorteren onder het Aanvullend Paritair Comité voor de bedienden met nummer
  24. Artikel 5, eerste lid, van de CAO van 29 mei 1989, gesloten in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden, betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden, zoals aangevuld door de CAO van 25 april 2001, gesloten in het ANPC voor de bedienden, luidt als volgt: "Voor zover voldaan wordt aan de hierna vermelde voorwaarden wordt een premie gelijk aan het maandloon betaald aan de bedienden." Verder bepaalt artikel 5 van de CAO nog: "Hebben recht op de premie berekend naar rato van de prestaties van het lopende werkjaar, wanneer zij de onderneming verlaten voor de datum van betaling van de premie en voor zover zij een anciënniteit hebben van zes maanden op het ogenblik van hun vertrek: a) de bedienden die, behalve om dringende reden, door de werkgever in de loop van het jaar werden ontslagen;" Tenslotte bepaalt artikel 5, laatste lid, van voornoemde CAO, na aanpassing door de CAO van 25 april 2001, het volgende: "Het recht op de premie berekend naar rato van de prestaties van het lopende werkjaar wordt per volledig gepresteerde kalendermaand toegekend." Eiser heeft in het jaar 2002 geen volledige kalendermaand gepresteerd. De rechtbank beschouwt bijgevolg dit onderdeel van de vordering als niet gegrond. 5.5 Sociale documenten Gelet op de voorgaande bepalingen van dit vonnis heeft eiser recht op de afgifte van de verbeterde individuele jaarrekening op de bij vonnis toegekende bedragen binnen de 30 dagen na definitief worden van het vonnis, alsook ten gepaste tijde de fiscale fiche 281.
  25. 5.6 Uitvoerbaarheid bij voorraad De voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis (art. 1398, 1ste lid Ger.W.) wijkt af van het beginsel dat verzet of hoger beroep de tenuitvoerlegging van de aangevochten rechterlijke uitspraak schorst. (art. 1397 Ger.W.). De rechter mag slechts met de passende omzichtigheid zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. (Antwerpen 11 februari 1987, R.W. 1986-87). De voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis kan niet automatisch worden toegestaan. Nog veel minder kan het recht op kantonnement, essentiële beveiligingsmaatregel tegen insolventie van een uitvoerende partij, zomaar zonder motivering ontnomen worden. (Luik 28 juni 1985, Jur. Liège1985, 486).De rechter kan slechts beslissen dat er geen reden is tot kantonnement indien, bij toepassing van artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek, de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt. Dit moet in concreto gemotiveerd worden. (Antwerpen 11 februari 1987, R.W. 1986-87,2640; Brussel 20 augustus 1992, J.T. 1993, 578; Gent 22 december 1993, P. & B. 1993,1994,41). Dit is hier niet het geval. In casu is de vordering van eiser om het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement, ongegrond wegens gebrek aan ernstige motivering. OM DEZE REDENEN, DE ARBEIDSRECHTBANK, Rechtsprekende op tegenspraak. Verwerpt alle verdere en strijdige conclusies als ongegrond. Verklaart de vordering ingesteld door eiser ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond zoals hierna bepaald. Veroordeelt verweerster tot betaling aan eiser van de volgende bedragen : -TWEEDUIZEND DRIEHONDERD VIJFTIEN EURO ZEVENEN-ZESTIG CENT (2.315,67 EUR) bruto wegens commissieloon - DRIEHONDERD VIJFENVIJFTIG EURO TWEEENTWINTIG CENT (355,22 EUR) bruto wegens vakantiegeld bij uitdiensttreding. AR 26925 ZESDE EN LAATSTE Veroordeelt verweerster tot betaling aan eiser van de wettelijke intresten op het bedrag 2.315,67 euro vanaf 03/01/2002, alsook tot betaling aan eiser van de gerechtelijke intresten op de bedragen 2.315,67 euro en 355,22 euro vanaf datum dagvaarding, telkens op de na de verrichting van de wettelijke voorziene inhoudingen bekomen netto bedragen. Veroordeelt verweerster tot afgifte aan eiser van de verbeterde individuele jaarrekening binnen de 30 dagen na het definitief worden van onderhavig vonnis, alsook ten gepaste tijde de fiscale fiche 281.
  26. Verwerpt het meer gevorderde als ongegrond. Veroordeelt verweerster tot de kosten van het geding. Vereffent de kosten aan de zijde van eiser op 95,68 euro dagvaardingskosten. Vereffent de kosten aan de zijde van verweerster op 200,79 euro rechtsplegingvergoeding. Zegt voor recht dat er geen aanleiding bestaat om het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement. Aldus het vonnis, uitgesproken in het gerechtsgebouw te Veurne, in openbare terechtzitting van de Arbeidsrechtbank, Tweede Kamer, op DONDERDAG VEERTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZES. Aanwezig : Luc ROUSSEEUW, Ondervoorzitter, Voorzitter Tweede Kamer. Jan JACOBS, Rechter in Sociale Zaken, Werkgever. Dirk SCHAUT, Rechter in Sociale Zaken, Werknemer-Bediende. Shirly DEVOS, Griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.