id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 10 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2008:JUG.20081110.16 Rolnummer: 08/595 Rechtsgebied: Bestuursrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-02-20 Raadplegingen: 145 - laatst gezien 2026-07-02 18:17 Fiche De overheid die ontslag geeft aan zijn contractueel personbeelslid, dient deze eenzijdige handeling te motiveren. De gewezen werknemer kan nochtans enkel aanspraak maken op een schadevergoeding zo hij bijkomende schade bewijst. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Beginselen van behoorlijk bestuur - Bestuursrecht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: Ontslag door overheid - motivering vereist - zonder aangetoonde specifieke schade, gene schadevergoeding Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 39 Wet - 29-07-1991 - 1 Tekst van de beslissing ZIE OOK P.D.F. DOCUMENT A.R. 08/595 Rep.nr. VONNIS 10 NOVEMBER 2008 De arbeidsrechtbank Gent, tweede kamer, spreekt het volgend vonnis uit : INZAKE : W.N., - EISENDE PARTIJ - ter zitting in persoon aan-wezig en bijgestaan door Mr.I.MARTENS, advo-caat met kantoor te 9000 GENT, Gustaaf Callier-laan 291; TEGEN : De STAD GENT, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, geves-tigd in het Stadhuis te 9000 GENT, Botermarkt 1, - VERWERENDE PARTIJ - ter zitting vertegen-woordigd door Mr.S.VANOVERBEKE, advocaat met kantoor te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Driekoningenstraat
- I. PROCEDURE. (...) II. VORDERING. De eiseres vordert in de syntheseconclusies: § de verwerende partij te veroordelen tot betaling van: - 19.426,00 euro, overeenstemmend met 6 maanden brutoloon, - (...) III. FEITEN. W.N. trad op 20 april 1998 in dienst bij de Stad Gent. Aanvanke-lijk werkte ze als baliehostess, naderhand werd ze adjunct van de directie. Ze werkte er onder XYZ, de directeur-manager van de dienst T. Op 18 januari 2007 schreef de directeur een brief met de vraag de arbeidsovereenkomst met W.N. te beëindigen. In die brief staat o.m.: "Mevrouw W.N. blijkt niet in staat een voor haar niveau aan-vaardbare kwaliteit te halen binnen haar werk, toont zich uiterst onwillig en onbetrouwbaar in het nakomen van afspraken en het afwerken van taken, rapporteert nauwelijks, en eerder uit fou-ten te leren en oplossingsgericht te reageren als iets misloopt, gaat haar aandacht en energie steevast uit naar het zich indek-ken en het zoeken van oorzaken bij anderen. Ze zoekt het con-flict op, is daar zeer bedreven in en ze drijft daarbij haar colle-ga's niet zelden tot radeloosheid. Ze is het omgekeerde van een teamspeler. Tenslotte kan ze absoluut niet oordeelkundig hoofd- van bijzaken scheiden, wat op haar niveau moeilijk te aanvaar-den blijft". Verder wordt ook nog gesteld dat dit alles zeer nadelig is voor de werking van de dienst (die in reorganisatie is), en dat er ver-schillende pogingen werden ondernomen om bij te sturen, zowel mondeling als schriftelijk. De brief is mee-ondertekend door schepen Lieven Decaluwé en departementshoofd DH. Het College van Burgemeester en Schepenen is op die vraag in-gegaan en heeft de arbeidsovereenkomst beëindigd met uitbeta-ling van een opzeggingsvergoeding van 10 maand loon. Er werd een brief in die zin verstuurd op 2 maart
- Er werd een formulier C4 afgeleverd aan de eiseres. Als oorzaak van de werkloosheid vermeldt dit formulier: "disfunctioneren in de dienst en de houding ten opzichte van de collega's maken een verdere professionele samenwerking onmogelijk". Ook het collegebesluit van 2 maart 2007 vermeldt als ontslagre-den "het disfunctioneren van betrokkene in de dienst en de hou-ding ten opzichte van haar collega's maken die een verdere pro-fessionele samenwerking onmogelijk maakt". Het besluit bevat in bijlage de brief van 18 januari 2007, en verwijst daar ook naar. De vakorganisatie was het niet eens met deze beslissing. Zij heeft bij de bevoegde Minister een vraag tot vernietiging inge-diend, en die vraag was succesvol: - het besluit werd eerst geschorst door de gouverneur (op 14 mei 2007); - nadien werd het ook effectief vernietigd door de Minister van binnenlands bestuur, stedenbeleid, wonen en inburgering (op 28 september 2007), telkens omdat W.N.
(1)niet was gehoord en
(2)het besluit strij-dig werd bevonden met de Wet Motivering Bestuurshandelingen van 29 juli
- Tegen deze beslissing werd geen annulatieverzoek ingediend bij de Raad van State. Na deze vernietiging en in antwoord op een vraag van W.N., liet de Stad Gent bij brief van 17 december 2007 evenwel weten dat het ontslag in weerwil van de beslissing van de Minister definitief was en bleef. *** W.N. meent dat de Stad Gent op een onbehoorlijke wijze ontslag heeft gegeven. Meer bepaald argumenteert zij dat de Stad Gent misbruik heeft gemaakt van het recht om ontslag te geven. De ontslagbeslissing is immers niet (of niet naar behoren) gemoti-veerd, en ook de hoorplicht werd niet nageleefd. Zij lijdt daardoor schade, aldus de eiseres, want nu kan zij nooit meer aangeworven worden door de Stad Gent en bovendien werd haar reputatie besmeurd door de vermelding in het formu-lier C
- Zij vraagt een schadevergoeding waarvan ze het bedrag bepaald op 6 maand loon. De Stad Gent is van oordeel dat de Wet Motivering Bestuurshan-delingen niet van toepassing is, maar dat het collegebesluit hoe dan ook tóch behoorlijk gemotiveerd is. Geen enkele wettelijke bepaling schrijft voor dat een werkgever zijn werknemer moet horen alvorens tot ontslag over te gaan. Al evenmin lijdt W.N. schade die onderscheiden is van het verlies van haar dienstbe-trekking, aldus nog de Stad Gent. IV. BEOORDELING.
- Toepasselijkheid van de Wet Motivering Bestuurshan-delingen. De partijen gaan vooreerst in op de vraag of de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is. Deze wet van 29 juli 1991 bepaald dat "bestuurshandelingen" uitdrukkelijk gemotiveerd moeten worden: "De opgelegde moti-vering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn". Verder preciseert de wet dat met een bestuurshandeling bedoeld wordt, "de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur" (art. 1). Deze motiveringsplicht geldt in principe altijd, en is enkel in een aantal specifieke gevallen niet van toepassing. Deze worden op-gesomd in het artikel 4 van de wet, maar ontslagbeslissingen - zelfs al kaderen zij in een privaatrechtelijke context - staan daar niet bij. De Rechtbank stelt vast dat het ontslag naadloos aan die om-schrijving voldoet: - het ontslag is een "eenzijdige rechtshandeling", - het ontslag heeft een "individuele strekking" - het gaat uit van een "bestuur" (de Stad Gent), - en heeft uiteraard "rechtsgevolgen" voor de eiseres, die het onderwerp uitmaakt van de bestuursbeslissing. Alle toepassingsvoorwaarden van de wet zijn voldaan. De Recht-bank is dan ook van oordeel dat de motiveringsplicht diende te worden nageleefd. *** Dat is ten andere ook het meerderheidsstandpunt in de recente rechtspraak : Bijvoorbeeld: Arbh. Brussel, 27 november 2007, JTT 2008, 167, www.juridat.be, A.R. nr. 39.809; Arbh. Brussel, 27 september 2007, JTT 2008, 171; Arbh. Luik, 9 november 2007, JTT, 2008, 73; Arbh. Brussel, 30 mei 2006, Soc. Kron., 2007, 522; Arbh. Brussel, 26 november 2002, Soc. Kron., 2003,458, noot ; Arbrb. Charleroi, 18 juni 2007, JTT 2008, 172, noot S. Gilson; Arbh. Brussel, 10 december 2003, JTT, 2005, 185; Arbrb. Luik, 13 januari 2006, JTT, 2007,
- Ook de recente rechtsleer gaat meestal in die zin: J. Jacqmain, "Le licenciment des travilleurs dans les services publics: avec ou sans motivation formelle? », Soc. Kron., 2007, 514; S. Gilson, "Les obligations particulières des employeurs publics loirs du licenciement de leurs travailleurs contractuels", JTT 2008, p. 174, en - genuanceerd - D. Cuypers, "Over ont-slagmotieven, motiveringswet en rechtsmisbruik", Soc. Kron., 2007, p. 509, met verwijzingen naar zeer veel rechtsleer in die zin in voetnoot
- Wel zijn er ook andersluidende standpunten: W. Rauws, "Aan-sprakelijkheids- en tuchtregeling voor contractuele in de over-heid", in M. De Vos en I. Plets, Contractuele tewerkstelling in de overheid, Brugge, Die Keure, 2005, 149; A. De Becker, "De mo-tivering van het ontslag van een arbeidscontractant in de pu-blieke sector", RW 2007-08, p.
- *** Andersluidende beschouwingen aangaande de bedoeling of tot-standkoming van de wet, kunnen daar niet aan verhelpen. De tekst van de wet is duidelijk. Overigens zijn die beschouwingen niet overtuigend. Vooreerst neemt het gegeven dat het ontslag uitgeoefend wordt in een contractuele context, niet weg dat het eenzijdig gegeven wordt, en dus een eenzijdige rechtshandeling (in de zin van de wet) is. Daarom is het nog geen administratieve rechtshandeling in de zin van artikel 14 van de RvSt-wet, zodat het vraagstuk of een ontslag zo een administratieve rechtshandeling kan zijn niet re-levant is. Al evenmin kan er twijfel over bestaan dat de Stad Gent wel een administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de RvSt-wet is. Voor een overheid komen de voorschriften van de Wet Motive-ring Bestuurshandelingen er dus gewoon bij. Bij ontslag dient de overheid de motiveringsplicht na te leven, naast de overige be-palingen van het arbeidsrecht. Dat impliceert niet dat arbeidsovereenkomsten daarom "admini-stratieve contracten" worden die de overheid eenzijdig kan wijzi-gen (anders: A. De Becker, o.c., p. 99). Eenzijdige wijzigingen zijn immers niet mogelijk gelet op de artikelen 6 en 25 van de Arbeidsovereenkomstenwet.
- Is de ontslagbeslissing gemotiveerd? De Stad Gent voert evenwel aan dat het ontslag hoe dan ook gemotiveerd is. De Rechtbank kan ook dat standpunt niet bijtreden. Weliswaar vermeldt de beslissing de reden voor het ontslag (het disfunctioneren van W.N.), maar dat volstaat niet. De feitelijke overwegingen werden niet op afdoende wijze uiteen gezet. Hoewel de Rechtbank uiteraard niet gebonden is door de beslis-singen van de uitvoerende macht (art. 159 Grondwet; scheiding der machten), dan is het toch vermeldenswaardig dat ook de Gouverneur het besluit om die reden heeft geschorst, overwe-gende als volgt : "geen enkel concreet feit wordt aangehaald; dat op grond van de voorliggende stukken niet kan uitgemaakt worden om welk concreet disfunctioneren of welke concrete houding of gedraging het nu juist gaat". Ook de Minister heeft het besluit vernietigd omdat het verwijt van disfunctioneren : "niet gestaafd werd aan de hand van concrete feiten; dat enkel bij het handhavingsbesluit een collectie e-mails gevoegd werd; dat mevrouw W.N. niet van dit dossier in kennis werd gesteld, er zich tegen heeft kunnen verdedigen en er dus ook geen ga-rantie is dat dit dossier volledig is". Dat is correct: het verwijt van "disfunctioneren" is heel algemeen en niet voldoende om te aanvaarden dat de beslissing "afdoen-de" gemotiveerd is.
- Hoorplicht. Wat voorafgaat geldt even goed ten aanzien van de hoorplicht. Weliswaar kent het arbeidsrecht geen hoorplicht, maar het openbaar bestuur ontsnapt niet aan die bijkomende verplichting wanneer het contractuelen te werk stelt (cfr. Arbh. Brussel, 30 mei 2006, Soc. Kron., 2007, 522).
- Er waren ontslagmotieven. Thans echter wordt voor de Arbeidsrechtbank wél uiteengezet wat de redenen voor het ontslag waren. De Stad Gent legt een bundel voor met becommentarieerde mails en verslaggeving van XYZ. In conclusies worden deze stukken uitvoerig geduid en gesitueerd, en wordt op overtuigen-de wijze aangetoond dat de samenwerking moeilijk verliep. De Rechtbank stelt vast dat W.N. daar inhoudelijk niet op ant-woordt. Wel stelt zij dat zij nooit kennis heeft gekregen van die mails, maar dat is onjuist, aangezien het voor een goed deel mails be-treft tussen haar en XYZ. Bovendien heeft zij na het ontslag er-kend veel mails te hebben gekregen van XYZ (mail van 13 maart 2007; stuk 4). Maar dat waren pestberichten, aldus nog W.N. Ook in conclusies stelt zij dat het gaat om "pestgedrag van de leidinggevende die zij verwijt doelbewust een dossier te hebben gecreëerd lastens haar". Die bewering wordt echter niet nader toegelicht, gesitu-eerd of gemotiveerd. Het is al te gemakkelijk te verklaren dat de vermaningen van een diensthoofd/directeur pesterijen zijn. W.N. gaat niet concreet in op de vermaningen aan haar adres. De mails zijn geenszins onbeleefd, maar betreffen misverstanden en terechtwijzigingen over de samenwerking. Was het ontslag niet afdoende gemotiveerd, dan blijkt uit het dossier dat er voor de werkgever redenen konden zijn om te be-sluiten dat het beter was om een punt achter de samenwerking te zetten. Dat de vorige evaluaties positief waren, en de voormelde pro-blemen (nog?) niet vertaald waren in een mindere evaluatie, neemt niet weg dat de verstandhouding ernstig verstoord was. Wie aan de oorzaak daarvan lag heeft minder belang. De Recht-bank moet niet bepalen wie schuld heeft aan de spaak gelopen samenwerking. De werkgever heeft immers het recht over te gaan tot ontslag, bv. zo de samenwerking niet goed verloopt (overigens net zo goed het de werknemer vrij staat ander werk te zoeken).
- Wat is de andere schade en het verband met de fout. De eiseres toont evenmin aan dat ze andere schade lijdt dan de-gene waarvoor de verkeringsvergoeding werd toegekend. Ter zitting heeft ze meegedeeld dat ze 12 maand later aan de slag was. De Stad Gent heeft haar een verbrekingsvergoeding uitbe-taald overeenstemmend met 10 maand loon, hetgeen gelet op haar anciënniteit, leeftijd, functie en loon zeker behoorlijk is. Deze vergoeding dient om de schade uit het verlies van de dienstbetrekking te compenseren. Het is een forfait; de reële schade kan hoger of lager zijn. Een vergoeding voor rechtsmis-bruik kan enkel toegestaan worden om andere schade te ver-goeden. W.N. zet uiteen dat de schade erin bestaat dat ze niet meer zal kunnen werken bij de Stad Gent. Maar deze schadepost is reeds gedekt door de verbrekingsver-goeding. Het niet meer kunnen gaan werken bij zijn werkgever, is immers een onderdeel van de schade uit het verlies van de dienstbetrekking. Overigens, indien de eiseres al een verminderde kans heeft om nog te gaan werken bij de Stad Gent, dan vloeit deze schade niet voort uit het feit dat de ontslagbeslissing niet afdoende ge-motiveerd was. Er waren immers geldige ontslagmotieven. Er is m.a.w. geen causaal verband tussen het motiveringsgebrek en deze schadepost. Dat geldt ook wat de hoorplicht betreft. De eiseres argumenteert dat zij tijdens een onderhoud had kunnen wijzen op de eerdere positieve evaluaties. In het licht van de feitelijke context zoals die uit de stukken blijkt, toont dat argument echter niet op over-tuigende wijze aan dat er geen ontslag zou zijn gevolgd na een verhoor. Heel terecht ook zet de Stad Gent in conclusies uiteen dat W.N. niet hard maakt dat haar reputatie is aangetast door het ontslag. Zij neemt een dubbelzinnige houding aan aangezien ze naar een meer gedetailleerde motivering vraagt. De Stad Gent kan moei-lijk een ander ontslagmotief gaan vermelden in het formulier C4 dan het motief dat reeds opgenomen was in de ontslagbeslis-sing. De omstandigheden waarin het ontslag plaats greep kunnen hard zijn aangekomen, maar dat rechtvaardigt geen toekenning van een bijkomende schadevergoeding. V. BESLISSING. De Arbeidsrechtbank te Gent, tweede kamer, spreekt het vol-gend vonnis uit op tegenspraak. De Rechtbank verklaart de vordering ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond. W.N. wordt veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten. Het bedrag van de te vereffenen kosten wordt tot op heden be-groot aan de zijde van verwerende partij op : rechtsplegingsvergoeding : 1.100 euro onverminderd de kosten van uitgifte van onderhavig vonnis. Dit vonnis wordt uitgesproken rekening houdend met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, inzon-derheid de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41, die alle werden nage-leefd. Aldus gewezen door: Dhr. B.LIETAERT, rechter in de arbeidsrechtbank die de tweede kamer voorzit ; Dhr. L.DHAENENS, rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever ; Dhr. D.VAN HOOREBEKE, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-bediende; bijgestaan door :Mevr. R.COOLENS, griffier ; en uitgesproken op TIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT in openbare terechtzitting van de tweede kamer van de arbeids-rechtbank Gent. R.COOLENS D.VAN HOOREBEKE L.DHAENENS B.LIETAERT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2008:JUG.20081110.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div