id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 19 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20090119.7 Rolnummer: 08/457 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2009-02-20 Raadplegingen: 131 - laatst gezien 2026-07-02 18:59 Fiche Forfaitaire kostenvergoedingen kunnen aanzien worden als verdoken loon waarop bijdragen verschuldigd zijn, wanneer de RSZ aantoont en aannemelijk dat het geen echte kostenvergoedingen zijn. De fiscale behandeling heeft geen doorslagend belang. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Sociale-zekerheidsbijdragen Vrije woorden: Forfaitaire kostenvergoedingen - verdoken loon - fiscale benadering is niet beslissend - vergoedingen voor thuiswerk, representatie, abonnementen, lidmaatschappen. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1967 - 14 Wet - 20-07-2005 - 111 Annotaties Publicaties: sociaalrechtelijke kronieken 2011 - - nr. 7, p. 354 Tekst van de beslissing (ZIE OOK P.D.F.) vnnis van 19 januari 2009 A.R. 08/457 Rep.nr. De arbeidsrechtbank Gent, tweede kamer spreekt het volgend vonnis uit : INZAKE : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, onder-nemingsnummer 0206731645, - EISENDE PARTIJ - ter zitting verte-genwoordigd door Mr.P.VAN CAENEGEM, advocaat met kantoor te 9000 GENT, Einde Were 270 ; TEGEN : N.V. A.S., - VERWERENDE PARTIJ - ter zitting ver-tegenwoordigd door Mr.A.VAN HOOREBEKE advocaat in eigen naam en loco Mr.K.VANHAERENTS, advocaat, beiden met kantoor te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 149, 11e verdieping. I. PROCEDURE. De vordering werd ingeleid bij dagvaarding van 12 februari
- De partijen stelden een conclusiekalender voor. Die werd bekrachtigd. De pleitdag werd overeenkomstig dat voorstel vastgesteld op 22 december
- De partijen zijn verschenen; de debatten werden gesloten. De zaak werd voor uitspraak gesteld op de zitting van 19 januari
- II. VORDERING. De vordering strekte er aanvankelijk toe de verwe-rende partij te veroordelen tot het betalen van 17.970,88 euro (ten titel van achterstallige bij-dragen, bijdrageopslagen en interesten). Ter zitting past de RSZ zijn vordering aan. De Rijksdienst vraagt enkel nog te doen zeggen voor recht dat de inmiddels onder voorbehoud gedane be-talingen definitief zijn. De RSZ bevestigt dat ook de dagvaardingskosten aldus zijn betaald, maar vraagt wel nog de betaling van de rechtsplegings-vergoeding. De oorspronkelijke verweerster, eiseres op tegen-eis stelt een tegenvordering. Deze strekt ertoe de eiser op hoofdeis, verweerder op tegeneis, te ver-oordelen tot terugbetaling van volgende bedragen: - 1.223,20 euro verhoogd met de intresten vanaf 6 november 2007; - 18.859,11 euro verhoogd met de intresten vanaf 16 mei 2008; - 541,12 euro verhoogd met de intresten vanaf 13 juni 2008; - 5.879,28 euro verhoogd met de intresten vanaf 11 juli 2008; - de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding begroot op 1.100,00 euro. III. DE FEITEN. Op 14 februari 2007 en 8 maart 2007 ging een con-trole van de RSZ door bij de nv A.S. De inspectie stelde vast dat A.S. verschillende bedragen be-taalde aan personeel, zonder dat er sociale bij-dragen werden op betaald. Het gaat om allerhande voordelen zoals cadeaus, het voordeel privaat ge-bruik van ADSL-lijn en van bedrijfswagens, vakan-tiegeldberekeningen, vergoedingen voor GSM-gebruik. A.S. heeft deze zaken evenwel geregulariseerd. Er blijft echter betwisting bestaan over de for-faitaire kostenvergoeding die het bedrijf aan elf van haar personeelsleden betaalt. Volgens de RSZ is dat vermomd loon. De vergoeding van 250 euro werd immers forfaitair vastgesteld voor alle hogere kaderleden, zonder onderscheid naar functie, en zonder aangetoonde verhouding tot de beweerdelijk reële kosten. De verweerster ba-seert zich onterecht alleen op de fiscale ruling, aldus de RSZ, die verder ook twijfelt aan de rea-liteit van de samenstellende bestanddelen van de vergoeding (argumenten die in conclusies verder worden gedetailleerd). A.S. antwoordt dat wel een onderscheid wordt ge-maakt tussen bepaalde personeelsleden, en preci-seert dat voor drie werknemers van het gewoon ka-der (Vd., De M. en W.) weliswaar een forfaitaire vergoeding werd betaald, maar dat zulks een ver-gissing was omdat zij inderdaad geen reële kosten hadden. Daarom was A.S. bereid dit te regularise-ren. De fiscale ruling slaat enkel op de elf ande-re werknemers, van het hoger kader en de directie. Het gaat om forfaitaire vergoedingen die in ver-houding staan tot reële kosten van elf kaderleden die regelmatig thuis werken, zich constant moeten bijscholen en hun werkgever vertegenwoordigen. Uit de fiscale ruling blijkt dat het forfait redelijk is. IV. BEOORDELING. A. DE HOOFDVORDERING. Overeenkomstig artikel 14 § 1 van de RSZ-wet van 27 juni 1967 zijn sociale bijdragen verschuldigd op het loon van de werknemer. Voor de omschrijving van het loonbegrip verwijst de RSZ-wet naar de Loonbeschermingswet. Daarin wordt het loon om-schreven als "het loon in geld en de in geld waar-deerbare voordelen, waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever" (art. 2). Deze bepalingen werden uitgevoerd door een KB van 28 november 1969 (Uitvoeringsbesluit RSZ-wet). Ar-tikel 19 § 2, 4° bevestigt dat geen bijdragen ver-schuldigd zijn op "kosten eigen aan de werkgever". Na enige discussie in de rechtspraak wordt thans aanvaard dat het aan de RSZ is om te bewijzen dat de bedragen waarop sociale bijdragen gevorderd worden, geen vergoedingen voor "kosten eigen aan de werkgever" zijn, maar dat het om vermomd loon gaat. In één adem wordt daar nochtans aan toege-voegd dat de werkgever niet ontslaan is van mede-werking aan de bewijsvoering. Maatgevend is een cassatiearrest van 14 januari 2002 (www.juridat.be): een werkgever was gedagvaard om bijdragen te betalen op mobiliteitsvergoedingen. Het Hof van Cassatie merkte vooreerst op dat de RSZ moet bewijzen dat het om loon gaat, maar blijkbaar werd die hinder-nis genomen. Toch werd de RSZ-vordering voor slechts 20% ingewilligd, omdat de werkgever aanne-melijk had gemaakt dat deze vergoedingen voor het overige deel betrekking hadden op werkelijke kos-ten (in casu: verplaatsingen met professioneel ka-rakter). De werkgever kreeg aldus gelijk doordat hij had meegewerkt aan de bewijsvoering (vereiste die eerste Advocaat-generaal J.F. Leclercq in zijn conclusie - tevens op www.juridat.be - terecht als een evidentie aanstipt). Ook de eerste commentaren bij dat cassatiearrest stelden dat de werkgever zich niet eenvoudig "kan verschuilen achter het eigenhandig label kosten-vergoeding, maar een zekere medewerking zal moeten ver-lenen aan de bewijsvoering omtrent en de realiteit van beweerde kostenvergoedingen" (M. De Vos, noot bij Cass. 14 januari 2002, R.W. 2002-03, p. 699, nr. 5; vgl. Arbh. Brussel, 16 mei 2007, J.T.T. 2007, afl. 981, 274; Arbh. Brussel, 8 ja-nuari 2008, J.T.T. 2008, afl. 1008, 227; Arbh. Antwer-pen, 17 december 2004, R.W. 2005-06, 828). * Welnu, in casu heeft A.S. zich een dergelijk "ei-genhandig label" verschaft door in de arbeidsover-eenkomst laconiek te stellen dat een bedrag van 250 euro wordt toegekend als kostenvergoeding (art. 4.3 overeenkomst I. Declercq). Het is duidelijk dat dit niet volstaat om het kos-tenkarakter te aanvaarden: van de werkgever mag worden verwacht dat hij op transparante wijze een beeld geeft van de kostenstructuur (cfr. Arbh. Ant-werpen, 17 december 2004, R.W. 2005-06, 828). * A.S. voert vooreerst aan dat het bedrag ertoe strekt reële kosten te vergoeden. Het bedrijf ar-gumenteert uitvoerig dat een forfaitaire raming aanvaardbaar is. Daarover is in casu nochtans geen discussie; de RSZ aanvaardt binnen bepaalde grenzen dat de ver-goeding forfaitair wordt vastgesteld. * Verder werkt A.S. mee aan de bewijsvoering door de fiscale ruling voor te leggen (stuk 3). Het blijkt dat de fiscus zich verzoent met een kostenvergoe-ding van 250 euro. De opsplitsing in vier posten, zoals gemaakt door A.S., wordt door de fiscus als volgt overgenomen: - bureel thuis: kantoor: 75,00 euro elektriciteit, gas en water: 20,00 euro onderhoud: 15,00 euro klein kantoormateriaal: 15,00 euro - lidmaatschappen, drinkgelden, steunkaarten e.a. zoals de Koninklijke Vlaamse ingenieursvereniging, de Algemene Ver-gadering der Ingenieurs van de UGent, Higro, oud leerlin-gen,... (35 euro) - vakliteratuur: abonnementen en kosten van kranten, tijd-schriften en andere documentatie in het kader van hun be-roepswerkzaamheden. (25 euro) - representatie: occasionele uitgaven wegens het ontvangen van derden in eigen woning, deelname aan congressen, open deurdagen, gala-avonden, sport- en culturele manifesta-ties, en geringe geschenken ingevolge deelname aan recep-ties van zakenrelaties, kleine maaltijden,...(65 euro). De RSZ antwoordt echter terecht dat deze fiscale ruling de Rijksdienst niet bindt. Dat is trouwens wettelijk zo voorgeschreven: De akkoorden afgesloten tussen de administratie die be-voegd is voor de vestiging van de inkomstenbelastingen en de belastingplichtige omtrent de eigen kosten van de werk-gever of de kwalificatie van de inkomsten en de beslissin-gen van die administratie inzake de kwalificatie van de inkomsten, zijn enkel bindend inzake inkomstenbelastingen. (art. 111 van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse be-palingen). Overigens was dat vóór die wet ook al zo, maar de wetgever heeft dit willen bevestigen. Het was zelfs uitgerekend de bedoeling dat de RSZ niet ge-bonden zou zijn door een akkoord van de fiscus (Memorie van Toelichting, wetsontwerp 7 juni 2005, DOC51 1845/01, p.96 www.dekamer.be/FLWB/pdf/51/1845/51K
- pdf). Uiteraard verleent die wet de RSZ geen vrijbrief om de beginselen van behoorlijk bestuur te schen-den (J. Lambrechts, J. Vanthournout en H. Buyssens, De on-kostenvergoeding, Intersentia, 2006, p. 60), maar het blijkt niet dat dit in casu is gebeurd. Weliswaar heeft ook de RSZ de kosten op forfaitaire basis vastgesteld, maar dat gebeurde niet op willekeuri-ge wijze. De raming van de RSZ is niet willekeurig doordat ze verschilt van die van de fiscus; zij is integendeel redelijk (zie verder). * Tenslotte verwijst A.S. naar de arbeidsovereen-komst. Daarin echter staat niet meer dan dat een kostenvergoeding van 250 euro wordt toegekend. De verweerster legt echter geen stukken voor die con-creet zijn en illustratief voor het werkelijk be-staan van uitgaven. Al hoeft zij de kosten niet nauwkeurig en gedetailleerd te bewijzen, dan is het belang van een goed kostendossier nochtans evident. (vgl. W. Devos en V. Cauwels, "Kostenvergoedingen en soci-alezekerheidsbijdragen", Oriëntatie, 2008, afl. 10, p. 287 en p. 295 - 296 of J. Lambrechts, J. Vanthournout en H. Buyssens, De onkostenvergoeding, Intersentia, 2006) * Ook de uitleg per uitgavenpost is niet overtui-gend: - Kosten voor lidmaatschappen van professionele verenigingen worden vaak aanzien als representa-tiekosten (bv. W. Devos en V. Cauwels, "Kostenvergoedin-gen en socialezekerheidsbijdragen, Oriëntatie, 2008, afl. 10, p. 287). In casu blijkt niet om wat voor lid-maatschappen het gaat, of ze daadwerkelijk be-staan (voor elk van de elf kaderleden), en of ze veroorzaakt of verklaarbaar zijn door de ar-beidsovereenkomst. Dat laatste is nochtans ver-eist, want wanneer de werkgever private kosten van de werknemer vergoedt gaat het om loon. Zo was bv. de uitsluiting van art. 19 § 2, 7° Uitvoe-ringsbesluit RSZ-wet nodig voor de situatie waar een werk-gever lidgeld van de vakbond van zijn personeel betaalt, want anders was die vergoeding te aanzien als loon: W. Van Eeckhoutte, "Begrip loon in de bijdrageregeling voor werk-nemers", in Het loonbegrip, Die Keure, 2005, p. 87). - Wat de abonnementen betreft merkt de RSZ terecht op dat het moeilijk denkbaar is dat een onderne-ming van de omvang van de verweerster geen eigen tijdschriften zou hebben. Inderdaad schrijft ar-tikel 20, 1° van de Arbeidsovereenkomstenwet voor dat de werkgever de hulpmiddelen ter be-schikking moet stellen. De partijen mogen hier-van afwijken, maar dit is beperkend te interpre-teren (J. Lambrechts, J. Vanthournout en H. Buyssens, De onkostenvergoeding, Intersentia, 2006, p. 12). De post ‘abonnementen' is trouwens aantoonbaar zodat men zich zelfs vragen kon stellen bij de nood aan forfaitaire raming (cfr. onderzoeksverslag van de RSZ). Wat er ook van zij, indien het effectief zo is dat de elf kaderleden elk eigen, specifieke en professionele abonnementen nemen, dan had de verweerster toch kunnen meedelen om welke tijd-schriften het zo al gaat, zowel met het oog op het bewijzen van de werkelijkheid van die uitga-ve als om aan te tonen dat deze abonnementen ‘veroorzaakt' zijn door de arbeidsovereenkomst. - Al kan worden aanvaard dat sommige kaderleden kosten voor representatie hebben, wordt ook hier geen enkel onderscheid gemaakt tussen werknemers met een representatieve functie en andere. - Al evenmin blijkt dat de kaderleden allen thuis werken op een wijze dat daar een kostenvergoe-ding voor kan worden toegekend ten bedrage van telkens 125 euro. Algemeen blijkt dat het oorzakelijk verband met de arbeidsovereenkomst onduidelijk tot niet is aange-toond. Ook het bestaan zelf van kosten staat niet vast. Het is onduidelijk hoe ze worden gewaardeerd en of de vergoeding in een redelijke verhouding tot het bedrag van de kosten staat. De RSZ wijst er in het onderzoeksverslag op dat zij alle posten kon verwerpen, behalve de bureau-vergoeding waar een vast forfait wordt toegepast. Het bedrag dat de RSZ uiteindelijk toch aanvaardt om billijkheidsredenen (cfr. onderzoeksverslag) komt de Rechtbank redelijk, gerechtvaardigd en ook voldoende ruim voor. De hoofdvordering is gegrond. B. DE TEGENVORDERING. Nu de hoofdvordering gegrond is, dient de tegen-vordering te worden afgewezen waar zij de spiegel is van de hoofdvordering. Dat geldt ook wat de navolgende betalingen betreft van 888,23 euro, 417,14 euro en 5.679,28 euro (stukken 16, 18-19, 20ter). Dit slaat immers tel-kens op de regularisatie van de forfaitaire kos-tenvergoedingen. A.S. vordert echter meer, want het bedrijf heeft per vergissing twee keer een bedrag van 1.223,20 euro betaald (onder voorbehoud). Het vroeg de te-rugbetaling daarvan (blijkens stuk 33 werd de RSZ in dit verband in gebreke gesteld op 6 november 2007), maar dit werd geweigerd. De eiseres op tegeneis zet uiteen dat deze beta-ling betrekking heeft op de regularisatie die werd doorgevoerd in verband met de solidariteitsbijdra-ge voor firmawagens. De RSZ verweert zich niet tegen die aanspraak. De tegenvordering is in beperkte mate gegrond. V. BESLISSING. De Arbeidsrechtbank te Gent, tweede kamer, spreekt het volgend vonnis uit op tegenspraak. De Rechtbank verklaart de hoofd- en tegenvorderingen ontvankelijk, en oordeelt als volgt. Rechtdoende op de hoofdeis zegt de Rechtbank voor recht dat de betalingen gedaan door de nv A.S. definitief zijn, tenzij nochtans wat het bedrag van 1.223,20 euro betreft dat deel uitmaakt van de tegenvordering. De tegenvordering van de nv A.S. is beperkt gegrond. De Rechtbank veroordeelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot het betalen aan de nv A.S. van een bedrag van 1.223,20 euro ten titel van onverschuldigde betaling, bedrag te vermeerderen met interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 6 november
- Voor het overige is de tegenvordering ongegrond. De nv A.S. wordt veroordeeld tot het betalen van de nog niet vereffende gerechtskosten, zijnde de rechtsplegingsvergoeding. Het bedrag daarvan wordt begroot: aan de zijde van eisende partij op hoofdeis op: rechtsplegingsvergoeding : 1.100,00 euro onverminderd de kosten van uitgifte van onderhavig vonnis. Dit vonnis wordt uitgesproken rekening houdend met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, inzonderheid de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41, die alle werden nageleefd. Aldus gewezen door: Dhr. B.LIETAERT, rechter in de arbeidsrecht-bank die de tweede kamer voorzit ; Dhr. L.DHAENENS, rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever ; Dhr. S.DOISE, rechter in sociale zaken be-noemd als werknemer-bediende; bijgestaan door :Mevr. R.COOLENS, griffier ; en uitgesproken op NEGENTIEN JANUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN in openbare terechtzitting van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank Gent. R.COOLENS S.DOISE L.DHAENENS B.LIETAERT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20090119.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div