id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 02 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20090202.2 Rolnummer: 177861-178251 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Strafrecht - Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-02-20 Raadplegingen: 282 - laatst gezien 2026-07-02 19:05 Fiche Anders dan een schending van art. 47bis, 5 Sv. heeft de miskenning van de Taalwet Gerechtszaken die erin bestaat dat een vertaling gedaan werd door een niet-beëdigde tolk tot gevolg dat de onderzoeksresultaten nietig zijn. De persoon die een zelfstandige bijstaat kan als 'helper' worden aanzien indien de partijen hun overeenkomst zo hebben gekwalificeerd. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemeen (taalgebruik in gerechtzaken) BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Algemeen (bewijs van verbintenissen) BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijskracht (miskenning van -) STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Officieren gerechtelijke politie - Procureur des Konings SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Begrip - bestaansvereisten - vorm - Begrip - bestaansvereisten SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Toepassingsgebied Vrije woorden: Zelfstandig helper - Kwalificatie - geen arbeidsovereenkomst Taalgebruik in gerechtszaken - vertaling door niet beëdigd tolk - nietigheid Tekst van de beslissing (zie ook PDF) A.R. 177861 en 178251 Rep.nr. 02.02.2009 De arbeidsrechtbank Gent, tweede kamer, spreekt het volgend vonnis uit : INZAKE : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, onder-nemingsnummer 0206731645, - EISENDE PARTIJ OP HOOFDEIS - VERWE-RENDE PARTIJ OP TEGENEIS - ter zit-ting vertegenwoordigd door Mr. P. VAN DEN NOORTGAETE, advocaat met kan-toor te 9000 GENT, Willem Van Nas-saustraat 18; TEGEN : T.A. [de ondernemer], , - VERWERENDE PARTIJ OP HOOFDEIS - EI-SENDE PARTIJ OP TEGENEIS - ter zitting vertegenwoordigd door Mr.T.MESSIAEN, advocaat met kantoor te 9031 DRONGEN, Baarledorpstraat 93. I. PROCEDURE. De vorderingen werden ingeleid bij dagvaardingen van 2 april 2007 en 14 mei 2007. Bij tussenvonnis van 23 juni 2008 werden de debatten heropend teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over - de toepasselijkheid en gevolgen van een gebeurlijke overtreding van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en van artikel 47bis, 5° van het Wetboek van Strafvordering, - de berekening van de gebeurlijk verschuldigde bedragen, en - het bedrag van de gerechtskosten, o.m. gelet op de samenvoeging. De partijen werden opgeroepen voor de zitting van 5 januari 2009. Zij zijn verschenen, en werden ge-hoord in de uiteenzetting van hun middelen. De de-batten werden hernomen voor de anders samengestelde zetel. De partijen legden een bundel neer; de de-batten werden gesloten. II. VORDERING. De hoofd- en de tegenvordering werden omschreven en ontvankelijk verklaard in het vonnis van 23 ju-ni 2008. De RSZ vraagt enkel nog de betaling van bijdrage-opslagen en interesten; de eiser op tegeneis vor-dert de onder voorbehoud betaalde bijdragen en aanhorigheden terug, die slaan op de kwartalen van de jaren 2002, 2003 en 2004. III. FEITEN. Op 17 februari 2004 heeft de RVA een controle ver-richt op een werf te Herzele. Op 23 oktober 2004 werd nogmaals een werf gecontroleerd, dit maal te Gent. In beide gevallen werden onregelmatigheden vastge-steld waarvoor [de ondernemer] een administratieve geldboete werd opgelegd. Hij had personeel tewerk-gesteld o.m. in strijd met de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenland-se werknemers. *** Bij deze controles werd telkens [de helper] aange-troffen. Deze stelde zich voor als zelfstandig helper. De RVA deed geen onderzoek naar diens statuut. De heer Arbeidsauditeur te Gent heeft de Sociale Inspectie evenwel gelast daar toch een verder on-derzoek naar te voeren (cfr. onderzoeksverslag). *** De Sociale Inspectie heeft in uitvoering van deze opdracht de heren [de ondernemer] en [de helper] ondervraagd. Het verhoor van [de helper] ging door op 11 februari 2005, dat van [de ondernemer] op 19 februari 2005. Het blijkt dat [de helper] reeds sinds 1 januari 2002 ingeschreven was als "zelfstandig helper" bij [de ondernemer] (zie aansluitingsverklaring van 2 oktober 2001, p. 67 van het administratief dos-sier). De heer E.R., ‘directeur-generaal' van de vzw Intersociale, attesteert dat [de helper] vanaf 1 januari 2005 ingeschreven is als zelfstandige in hoofdberoep (stuk 22, bundel 2 RSZ). [de ondernemer] is de oom van [de helper]. Zij zijn samen met S.T. ook de eigenaars van een wo-ning die gelegen is aan de Z.straat. te Gent. Sa-men verhuren ze deze woning. De RSZ is van mening dat [de helper] geen zelf-standig helper was. Hij zou onder het gezag van [de ondernemer] staan, en een werknemer zijn die verbonden was door een arbeidsovereenkomst. De RSZ baseert zich op het onderzoeksverslag en het ver-hoor afgenomen door de Sociale Inspectie. De RSZ is dan ook overgegaan tot invordering van de sociale bijdragen waarvan zij meent dat deze verschuldigd zijn lastens [de ondernemer]. De bijdragen werden onder voorbehoud betaald. IV. BEOORDELING. 1. Het gebruik van talen bij het verhoor. Bij onderzoek van het dossier stelde de Rechtbank vast dat er mogelijks sprake was van onregelmatig-heden in verband met het gebruik van talen in ge-rechtszaken. Dat was trouwens ook opgeworpen in een brief van 6 april 2007 van de raadsman van [de helper] (stuk 10 administratief dossier). *** De Sociale Inspectie heeft [de ondernemer] op 19 februari 2005 verhoord. Het verhoor werd afgenomen in de Nederlandse taal. Het proces-verbaal bevat volgende zin: "De ondervraagde verklaart: ik wens mij uit te drukken in de Nederlandse taal en kies de Nederlandse taal in ge-rechtszaken". Deze zin werd niet doorkruist. *** Nochtans had [de ondernemer] wel verklaard: "Gezien ik niet perfect Nederlands spreek zal T.F., optre-den als tolk (Nederlands-Turks)". Het proces-verbaal werd ondertekend: - door [de ondernemer] ‘bij het kruisje', en - door T.F., in haar hoedanigheid van ‘tolk'. T.F. is familie van [de helper]. Er werden geen stukken aan het dossier toegevoegd waaruit blijkt dat zij een beëdigd tolk is. *** Dit was niet de eerste keer dat beroep werd gedaan op een tolk. Dat gebeurde met name ook wanneer [de ondernemer] op 18 februari 2005 verklaringen aflegde aan de Sociale Inspectie in verband met de tewerkstelling van H.Y. Toen heeft "T.F. vertaald van Nederlands naar Turks waar nodig en om-gekeerd". Hetzelfde deed zich voor bij het verhoor op 4 maart 2004 door de RVA. Dat gebeurde "in het bijzijn van zijn zelfstandig helper die de verta-ling doet" p. 27 strafdossier. In het dossier steken enkele facturen die werden gericht aan verschillende opdrachtgevers. Zij zijn opgesteld in hetzelfde handschrift en ondertekend door [de helper] (vergelijk diens handtekening met de handtekening onder het PV van verhoor van 11.02.2005). Ook de huurcontracten betreffende de woning in de Zinniastraat werd ingevuld én ondertekend door [de helper] (stukken nrs. 3 van verweerder). Het blijkt dat [de helper] wel perfect Nederlands spreekt (geboren in België). In conclusies voert de verweerder aan dat zijn verklaringen niet helemaal correct worden weerge-geven. Hij wijt dat aan "zijn beperkte kennis van de Nederlandse taal". De Rechtbank is op grond van deze gegevens van oordeel dat [de ondernemer] de Nederlandse taal niet beheerst. *** (
- a)Er diende derhalve toepassing te worden ge-maakt van artikel 31 van de Taalwet Gerechtszaken, dat o.m. bepaalt: De partijen die de taal van de procedure niet verstaan worden bijgestaan door een beëdigd tolk die alle mondelin-ge verklaringen vertaalt. De RSZ voert aan dat [de ondernemer] voldoende Ne-derlands verstaat, want hij heeft verklaard: "ge-zien ik niet perfect Nederlands spreek". Dat argu-ment kan niet worden aanvaard. Misschien verstaat hij wel enkele woorden Nederlands, maar dat vol-staat niet om aan te nemen dat hij de "taal van de procedure" verstaat. (
- b)Verder schrijft artikel 47bis, punt 5 van het Wetboek van Strafvordering voor: Indien de ondervraagde persoon zich in een andere taal dan die van de procedure wenst uit te drukken, wordt ofwel een beroep gedaan op een beëdigd tolk, ofwel worden zijn ver-klaringen genoteerd in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring te noteren. Indien het verhoor met behulp van een tolk wordt afgenomen, worden diens identi-teit en hoedanigheid vermeld. De RSZ merkt op dat [de ondernemer] niet gevraagd heeft zich uit te drukken in een andere taal dan die van de procedure. Er moest dus helemaal geen beëdigde tolk worden opgeroepen, aldus de RSZ in conclusies. De Rechtbank kan dat standpunt niet delen. Wie geen Nederlands verstaat kan immers niet op behoorlijke wijze zeggen beroep te willen doen op een beëdigd tolk. Het is de evidentie zelve dat de verbalisanten hieraan moeten meewerken en niet passief mogen toezien; het kan niet dat de vraag enkel van de zijde van de ondervraagde persoon komt. De verbalisanten hebben dat alles overigens goed begrepen. Zij lieten de verklaringen immers verta-len. Allicht zagen zij zich wel voor de praktische moeilijkheid geplaatst een beëdigde tolk te vin-den. Men deed dan maar beroep op een niet-beëdigd tolk. Dat is echter een schending van artikel 47bis, punt 5 Sv.: de tolk moet beëdigd zijn. Het verhoor is derhalve niet regelmatig afgenomen. 2. Gevolgen voor de rechtspleging. De vraag nu is welke gevolgen deze vastgestelde onregelmatigheid heeft. (
- a)Artikel 40 van de Taalwet Gerechtszaken schrijft voor: "Vorenstaande regels zijn voorge-schreven op straf van nietigheid. Deze wordt van ambtswege door den rechter uitgesproken". Overeenkomstig dat voorschrift houdt de Rechtbank geen rekening met de onregelmatig vertaalde ver-klaring van [de ondernemer]. De Rechtbank kan evenmin aandacht besteden aan de beschouwingen in het onderzoeksverslag waar die voortvloeien uit de verklaringen van [de ondernemer]. Cruciaal nochtans is dat deze nietigheid niet tot het volledig verval van de rechtspleging leidt. De nietigheid wegens een schending van voormeld art. 31 van de Taalwet Gerechtszaken blijft beperkt tot de onregelmatig vertaalde verklaring. Ook het Hof van Cassatie oordeelde eerder in die zin. In een dossier waar een verbalisant getuigen-verklaringen op onregelmatige wijze had vertaald, bleef de nietigheid beperkt tot die onregelmatig vertaalde verklaring (Cass., 9 november 2005, www.juridat.be). De Taalwet Gerechtszaken schrijft met name niet voor dat de voormelde nietigheid wordt uitgebreid tot de gegevens die regelmatig in het proces-verbaal of in andere stukken van de rechtspleging zijn opgetekend, aldus nog het Hof van Cassatie in dat arrest (vgl. ook Cass., 19 ok-tober 2005, www.juridat.be). Nergens is bepaald dat een nietigheid ook gevolgen heeft ten aanzien van het geheel van de rechtsple-ging of ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vordering. (
- b)Verder is er de schending van artikel 47bis, punt 5 van het Wetboek van Strafvordering. In dit verband kan de Rechtbank zich niet vinden in het standpunt dat een fout in de procedure meteen de nietigheid van de rechtspleging tot ge-volg heeft (anders: Cass., 28 oktober 2008, P.08.0706.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3/1, www.juridat.be, laat staan dat de (straf)vordering om die reden onontvankelijk moet zijn (anders: Gent, 6 januari 2009, www.juridat.be.). Weliswaar betreffen deze recente uitspraken straf-zaken (inz. art. 235ter Sv. - BOM-wet), en kan aangenomen worden dat de bescherming tegen straf-rechtelijke aantijgingen strakker moet zijn dan in burgerlijke zaken, maar ook dan blijft de vast-stelling dat de invordering door de RSZ gebaseerd is op een proces-verbaal dat ook de grondslag kon zijn (of
- is)van een strafvordering. De vaststel-ling dat in het strafrecht andere wetmatigheden gelden, is overigens niet van aard dat ten aanzien van het bewijsmateriaal in burgerlijke zaken een ander standpunt moet worden ingenomen (Cass., 10 maart 2008, www.juridat.be; vgl. Cass., 12 oktober 2005). Toch is de Rechtbank van oordeel dat er pas sprake kan zijn van nietigheid als de wet die voor-schrijft, of als ze noodzakelijk is voor het recht op een eerlijk proces; dit is de zgn. Antigoon-leer. Voor verdere verfijningen, Cass., arresten van 14 oktober 2003, 23 maart 2004 en 16 november 2004, www.juridat.be; zie ook Cass., 2 maart 2005, met concl. Adv. Gen. D. Van-dermeersch, www.juridat.be; vgl. W. Van Eeckhoutte, A. Taghon en S. Vanoverbeke, Overzicht van rechtspraak. Ar-beidsovereenkomsten, TPR 2006, p. 214-215; rechtspraak van deze zetel: Arbrb. Gent, 1 september 2008, www.juridat.be. Anders dan de Taalwet Gerechtszaken schrijft het Wetboek van Strafvordering de nietigheid niet voor. De Rechtbank is dan ook van oordeel dat zij wel acht moet slaan op de overige gegevens van het dossier. 3. Beoordeling op basis van de overige gegevens van het dossier. Juridisch kader. Overeenkomstig artikel 1 van de RSZ-wet van 27 ju-ni 1969 is de sociale zekerheid voor werknemers van toepassing op partijen die door een arbeids-overeenkomst zijn verbonden (cfr. art. 1 Algemeen Beginselenwet Sociale Zekerheid). De vraag is derhalve door welke overeenkomst de partijen waren verbonden. Bij het beoordelen van de aard van de samenwer-king, moet in de eerste plaats worden uit gegaan van de wil van de partijen. De rechter mag de kwa-lificatie van de partijen niet naast zich neerleg-gen, maar dient de bindende kracht van de overeen-komst te eerbiedigen (art. 1134 van het Burgerlijk Wetboek; zie Cass., 23 december 2002, J.T.T., 2003, 271; Cass., 28 april 2003, J.T.T., 261, Cass., 3 mei 2004, NJW 2005, 18 en Cass., 6 decem-ber 2004, NJW, 21; Cass., 22 mei 2006, www.cass.be). De partijen kunnen hun overeenkomst rechtstreeks kwalificeren, door ze te benoemen; een kwalificatie kan echter ook onrechtstreeks zijn, en uit de wijze van samenwerken blijken (W. Van Eeckhoutte, "Gezag in de cassatierechtspraak", NJW 12 januari 2005, blz. 7). De rechter mag deze kwalificatie van de partijen enkel naast zich neerleggen, en er een andere voor in de plaats stellen, zo de feiten onverenigbaar zijn met de gegeven kwalificatie. Deze nieuwe cas-satierechtspraak werd bevestigd door de Arbeidsre-latieswet van 27 december 2006. Het Hof van Cassatie preciseert dat een kwalifica-tie geen vermoeden schept; de rechter moet nagaan of de gegevens van het dossier gezag of de moge-lijkheid van gezag aantonen, op een wijze die on-verenigbaar is met de loutere uitvoering van con-trole en instructies in het raam van een overeen-komst voor zelfstandige arbeid (Cass., 5 februari 2007, R.W. 2007-08, 781, noot K. Nevens). Toepassing op huidig geschil. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat [de on-dernemer] en [de helper] hun overeenkomst hebben gekwalificeerd als één voor zelfstandige samenwer-king (onrechtstreekse kwalificatie). [de helper] verklaarde ten aanzien van de inspec-teurs: "[de ondernemer] is familie van mij. In 2002 vroeg hij of ik als zelfstandig helper voor hem wou werken. Ik vroeg dit na en we begonnen samen te werken. Ik werkte nooit als werknemer voor hem". Hij heeft zich ook zo gedragen. [de helper] sloot zich aan bij een sociale kas voor zelfstandigen, en schreef zich in als helper. Deze aansluiting dateert van lang vóór de vaststellingen. Zij is tijdig en regelmatig. De kas (Intersociale) bevestigt de aansluiting én deelt mee dat alle bijdragen stipt werden betaald (stuk 22 administratief dossier). De kwalificatie als helper vindt ook in andere elementen van het dossier bevestiging. Zo bevat het dossier verschillende facturen (stuk-ken 23-24-25-26) die ondertekend zijn met de hand-tekening van [de helper]. Bij die handtekening staan vermeldingen als "ontvangen cash". Zij zijn in hetzelfde handschrift gesteld als de overige delen van de factuur, die dus geschreven moeten zijn door [de helper]. Bovendien hebben [de helper] en [de ondernemer] (en diens echtgenote) samen een woonhuis aange-kocht. Zij deden dat op 19 maart 2001. Dit is een gezamenlijke investering. Zij zijn dus mede-eigenaars en verhuren dat huis. [de helper] nam dus wél een economisch risico. De verklaringen van de betrokken partijen zijn consistent. Aangaande een andere medewerker gaf S.T. tijdens het verhoor van 18 februari 2005 wel toe dat deze als werknemer moest worden aangegeven (te weten H.J.; blz. 128 administratief dossier). Tenslotte blijkt dat [de helper] later het han-delsfonds (de firma C.) van zijn oom heeft overge-nomen. Het beeld dat de Rechtbank aan de feiten ontleend is dat van een familiale onderneming waar de oom in het kader van zijn werkzaamheden af en toe bij-gestaan wordt door zijn neef. Zij hebben geheel terecht geopteerd voor het daartoe geschikt sta-tuut van ‘helper'. De wijze van samenwerken stemt inderdaad overeen met de omschrijving van het begrip ‘helper' in ar-tikel 6 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen: "Dit besluit verstaat onder helper ieder persoon die in België een zelfstandige in de uitoefening van zijn be-roep bijstaat of vervangt, zonder tegenover hem door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden". *** Daarentegen blijkt uit geen enkel element van het (niet door nietigheid aangetaste) dossier dat deze kwalificatie als ‘zelfstandig helper' onverenig-baar is met de feitelijke gegevens. De RSZ voert aan dat er wel sprake is van een ar-beidsovereenkomst. Zo verwijst de RSZ naar enkele verklaringen van [de helper] waar hij stelt dat [de ondernemer] bepaalde wat moest gebeuren, dat ook [de ondernemer] de klanten opzocht etc. De Rechtbank meent echter dat die verklaringen niet volstaan om aan te tonen dat er sprake is van een gezagsrelatie. Weliswaar ligt het overwicht in de organisatie bij [de ondernemer], maar dat bete-kent niet meteen dat hij gezag uitoefende over [de helper]. Deze stond zijn oom enkel bij in de zaak, zoals een helper. Hij stond niet onder het voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezag. [de helper] ging niet altijd mee met zijn oom. Hij ging meestal mee, maar kon weigeren. Uit de verklaring van [de helper] blijkt dat de instructies die [de ondernemer] gaf betrekking hadden op de bredere werkorganisatie (welke werf, volgorde van af te werken klanten,...). het blijkt echter niet dat [de ondernemer] instructies gaf in verband met de wijze waarop [de helper] concreet werkte. Verder wijst de rsz op de verzekering die [de on-dernemer] afsloot en die ook de schade verzekert die veroorzaakt mocht worden door zijn neef [de helper]. Normaal sluit een aannemer inderdaad geen verzeke-ring af in het voordeel van zijn onderaannemer. Nochtans volstaat dit gegeven evenmin als bewijs van een band van ondergeschiktheid. Het is geen element dat onverenigbaar is met de toch specifie-ke kwalificatie als helper. Zoals gezegd werkten [de ondernemer] en [de helper] samen in een fami-liale onderneming. In die context is deze verzeke-ring geen aanwijzing (laat staan een bewijs) voor een geveinsde constructie. *** Merkwaardig is dat [de helper] zou hebben ver-klaard dat zijn oom de facturen opstelde en de ad-ministratie deed. De Rechtbank heeft daar vragen bij. vooreerst blijkt dat [de ondernemer] maar heel weinig Nederlands verstaat. Bovendien steken in het dossier enkele facturen die werden opgesteld in hetzelfde handschrift en ondertekend door [de helper] (vergelijk diens handtekening met de hand-tekening onder het PV van verhoor van 11.02.2005). Het is bevreemdend dat diezelfde [de helper] dan ‘verklaart' dat zijn oom de facturen opstelde. Wat er van dat laatste ook zij, het besluit is dat de feiten niet onverenigbaar zijn met de kwalifi-catie als zelfstandig helper, en dat evenmin is aangetoond dat er sprake is van veinzing. Gevolg voor de vorderingen. Het besluit van wat voorafgaat is dat de vordering van de RSZ ongegrond is. De tegenvordering dient daarentegen gegrond te worden verklaard. Over de in ondergeschikte orde gevoerde discussie over de berekening van de RSZ-bijdragen hoeft der-halve geen rechterlijke beslissing genomen te wor-den. Over de rechtsplegingsvergoeding is geen discussie meer. Evenmin over het bedrag dat op 13 juli 2007 onder voorbehoud van recht werd betaald. V. BESLISSING. De Arbeidsrechtbank te Gent, tweede kamer, spreekt het volgend vonnis uit op tegenspraak. De Rechtbank verklaart de hoofdvordering ongegrond. De Rechtbank verklaart de tegenvordering gegrond. De Rechtbank veroordeelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot het betalen aan eisende partij [de ondernemer] van een bedrag van 29.719,19 euro + 10.034,20 euro, hetzij 39.753,39 euro, vermeerderd met interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 13 juli 2007 tot de dag der betaling. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt ver-oordeeld tot het betalen van de gerechtskosten. Het bedrag van de te vereffenen kosten wordt tot op heden begroot aan de zijde van [de ondernemer] op : rechtsplegingsvergoeding : 2.500,00 euro onverminderd de kosten van uitgifte van onderhavig vonnis. Dit vonnis wordt uitgesproken rekening houdend met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, inzonderheid de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41, die alle werden nageleefd. Aldus gewezen door: Dhr. B.LIETAERT, rechter in de arbeidsrecht-bank die de tweede kamer voorzit ; Dhr. L.DHAENENS, rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever ; Dhr. D.VAN HOOREBEKE, rechter in sociale zaken be-noemd als werknemer-bediende; bijgestaan door :Mevr. R.COOLENS, griffier ; en uitgesproken op TWEE FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN in openbare terechtzitting van de tweede ka-mer van de arbeidsrechtbank Gent. R.COOLENS D.VAN HOOREBEKE L.DHAENENS B.LIETAERT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20090202.2 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div