← België

ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20090209.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 09 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20090209.1 Rolnummer: 180222 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-02-20 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-02 19:08 Fiche Een vzw die voor haar bedienden ressorteret onder het P.C. nr. 329 voor de socio-culturele sector, valt ook voor haar arbeiders ondar dat paritair comité, zelfs wanneer de arbeiders groenwerken verrichten. De ondernemingsactiviteit heeft enkel sociale tewerkstelling tot doel. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - C.A.O.-wet - 5 december 1968 - Paritaire comités - Oprichting en bevoegdheid Vrije woorden: Bevoegd paritair comité - ondernemingsactiviteit - Paritair Comité socio-culturele sector - paritair comité tuinbouw Onderscheid arbieders - bedienden - geen onderscheid maken waar zulks niet vereist is Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 2-3 Wet - 05-12-1968 - 35 Annotaties Publicaties: sociaalrechtelijke kronieken 2011 - - nr. 7, p. 356 Tekst van de beslissing (zie ook PDF) Vonnis van 9 februari 2009 A.R. 08/180222 Rep.nr. De arbeidsrechtbank Gent, tweede kamer, spreekt volgend vonnis uit : INZAKE : V.Z.W. P., - EISENDE PARTIJ - ter zitting verte-genwoordigd door Mr.A.STRACKX, advo-caat loco Mr.J.NULENS, advocaat met kantoor te 3500 HASSELT, Kol.Dusartplein 34 bus 1; TEGEN : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, onder-nemingsnummer 0206731645, - VERWERENDE PARTIJ - ter zitting ver-tegenwoordigd door Mr.M.-C.VANDERMEULEN, advocaat loco Mr.C.DE GANCK, advocaat met kantoor te 9000 GENT, Koning Leopold II Laan 95; I. PROCEDURE. De vordering werd ingeleid bij dagvaarding van 19 december

  1. De partijen stelden een conclusiekalender voor ten-einde het procesverloop te bepalen. Dat voorstel werd bekrachtigd, en de pleitdag dienovereenkomstig vastgesteld op 12 januari
  2. De partijen zijn verschenen; de debatten werden gesloten. De zaak werd voor uitspraak gesteld op de zitting van 9 februari
  3. II. VORDERING. De vzw P (hierna aangeduid als P.N.) vordert in haar syntheseconclusie (art. 748bis Ger.W.) - te zeggen voor recht dat zij voor de periode vanaf 1 juli 2006 voor haar arbeiders ressor-teert onder het PC 329.01, - de regularisatie van alle vervallen kwartalen vanaf 1 juli 2006 (onder verbeurte van een dwangsom), - de kosten van het geding. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stelt een tegenvordering. Deze strekt ertoe de eiseres op hoofdeis, verweer-ster op tegeneis, te veroordelen tot de betaling van de bijdragen die verschuldigd zijn in het pa-ritair comité nr. 145 (verminderd met de reeds be-taalde bijdragen maar verhoogd met interesten). Ook vordert zij de kosten van het geding. III. DE FEITEN. De P.N. is een vzw die werd opgericht met als doel: "Het doel van de vereniging bestaat erin: - het bevorderen en ondersteunen van een beter natuurbe-houd en bestuur, landschapszorg, gebiedsgericht mili-eubeheer en landbouw in Vlaanderen; - het bevorderen en ondersteunen van duurzame vormen van toerisme; - het bevorderen van de tewerkstellingskansen voor werk-lozen en kansarmen via het ontwikkelen van concepten rond opleiding en tewerkstelling in combinatie met na-tuurbehoud, landschapszorg, gebiedsgericht milieube-heer, landbouw, duurzame streekontwikkeling en natuur-gericht toerisme; - een netwerk uitbouwen in samenwerking met andere orga-nisaties om de voorgaande doelen te realiseren; - het praktisch uitvoeren van opleidingen en diverse werkervaringsprojecten en het begeleiden van oplei-dings- en tewerkstellingsprojecten van derden; - het oprichten van een studie- en projectgroep die pro-jecten inzake natuurbehoud, landschapszorg en natuur-gericht toerisme uitvoerbaar maakt door het opstellen en opvolgen van vergunningsdossiers, het opmaken van uitvoeringsplannen met speciale aandacht voor de doel-groep; - het samenwerken met andere organisaties om als netwerk een globaal aanbod aan trajecten en mogelijkheden aan de doelgroep aan te bieden met het doel de tewerkstel-lingskansen van werklozen en kansarmen in het natuur-behoud, landschapszorg, landbouw, duurzame streekont-wikkeling en natuurgericht toerisme te ontwikkelen of te verhogen. De vzw ressorteert sinds haar oprichting in 1997 onder het paritair comité nr. 329 voor de socio-culturele sector. Op 24 augustus 2004 heeft de sociaal inspecteur een bezoek afgelegd bij de vzw. Deze kwam na on-derzoek tot het ‘voorstel van advies' dat zowel de arbeiders als de bedienden onder het paritair comité nr. 329 vallen (vierde blz. van stuk A1 van de RSZ). Toch bracht de FOD Werkgelegenhheid, Arbeid en So-ciale Overleg op 17 mei 2005 een ander ‘advies' uit. Het advies luidt dat de vereniging voor haar arbeiders onder het paritair comité nr. 145 voor het tuinbouwbedrijf valt. Het is niet duidelijk wat de aanleiding van het onderzoek, en het navolgend advies is geweest. P.N. heeft geprotesteerd bij een omstandige brief die aangetekend werd verzonden op 24 juni 2005 (stuk 11). De administratie heeft haar standpunt echter gehandhaafd. De RSZ volgt het standpunt van de FOD Waso en heeft P.N. bij brief 11 augustus 2006 in gebreke gesteld om de bijdragen voor het sociaal fonds van het tuinbouwbedrijf te betalen. P.N. is het daar niet mee eens, en heeft uiteinde-lijk zelf het initiatief genomen om een gerechte-lijke procedure op te starten. IV. BEOORDELING. A. Beginselen bij het bepalen van het toepasselijk paritair comité. Arbeidsverhoudingen verschillen van bedrijfstak tot bedrijfstak. Vandaar dat ook de arbeidsvoor-waarden verschillen, en het sociaal overleg op het niveau van de bedrijfstak wordt georganiseerd. Dat is immers "de natuurlijke eenheid waarbinnen de col-lectieve arbeidsbetrekkingen zich het best kunnen ontwik-kelen", aldus H. Bocksteins en H. Buyssens ("Bevoegdheden van de paritaire comités" in Actuele problemen van het ar-beidsrecht 3, M. Rigaux (ed.), Kluwer, 1990, p. 137). Om de eerlijke werking van de markten niet te ver-storen, streeft men er vervolgens naar concurre-rende ondernemingen in diezelfde bedrijfstak onder te brengen. Maar doordat er heel wat (en steeds meer) paritair comités bestaan, zijn er ook vele grens- en afbakeningsproblemen. Naast het afsluiten van sectorale cao's staan de paritair comités ook in voor het voorkomen en bij-leggen van geschillen tussen de sociale partners, en geven zij advies aan de overheden in aangele-genheden die tot hun bevoegdheid behoren (art. 38 CAO-wet). Tevens richten zij Fondsen voor bestaanszekerheid op, die bijdragen innen en daar op het niveau van de bedrijfstak voordelen mee toekennen en oplei-dingen organiseren (wet 7 januari 1958). Het aanduiden van het bevoegd paritair comité dient dus verschillende doelstellingen: het bepa-len van arbeidsvoorwaarden, het verhinderen van marktverstoringen, het vastleggen van sociale bij-dragen voor voornoemde fondsen, en het regelen van het sociaal overleg op sectorniveau. Het uitgangspunt daarbij is artikel 35 van de CAO-wet van 5 december
  4. Deze bepaling schrijft voor: De Koning kan op eigen initiatief of op verzoek van één of meer organisaties paritaire comités van werkgevers en werknemers oprichten. Hij bepaalt welke personen, welke bedrijfstak of ondernemingen welk gebied tot het ressort van elk comité behoren. De bevoegdheid van het paritair comité wordt dus bij koninklijk besluit bepaald. *** Het oprichtingsbesluit van de socio-culturele sec-tor (P.C.nr. 329.01) dateert van 28 oktober
  5. Artikel 1 van dat KB bepaalt: Er wordt een paritair comité opgericht, genaamd "Paritair Comité voor de socio-culturele sector", dat bevoegd is voor de werknemers in het algemeen en hun werkgevers, te weten de organisaties die geen winstgevend doel nastreven en die één of meerdere van de volgende activiteiten uitoe-fenen : (...)
  6. de initiatieven in de samenlevingsopbouw, met name elke organisatie waarvan de hoofddoelstelling is de ontwikke-ling van projecten, structuren of netwerken die bijdragen tot de deelname aan en integratie tot het culturele, poli-tieke, economische of sociale leven van één of meerdere bevolkingscategorieën, zoals onder meer etnisch-culturele minderheden;
  7. de organisaties voor volksontwikkeling, sociaal-cultureel werk en basiseducatie in het kader van de perma-nente educatie voor volwassenen met het oog op onder meer de persoonlijke, culturele, sociale, economische en poli-tieke ontplooiing en participatie en op het in staat stel-len van het verwerven van kennis, inzicht en vaardigheden;
  8. de organisaties met als doel de bescherming van het leefmilieu, de leefomgeving of het cultureel en historisch erfgoed en de verenigingen inzake de educatie ervan; (...)
  9. de organisaties voor beroepsopleiding, beroepsvervolma-king en beroepsherscholing. Artikel 2, 5° bepaalt verder dat het "Paritair Comité voor de socio-culturele sector niet be-voegd (is) voor de werkgevers die, op basis van de ver-richte activiteit, ressorteren onder een ander daarvoor specifiek bevoegd paritair comité". Bij KB van 17 maart 1972 werden verschillende pa-ritair comités opgericht, waaronder dat voor het tuinbouwbedrijf. Dit paritair comité nr. 145 is bevoegd voor:
  10. de groententeelt, met inbegrip van de speciale teelten, zoals de witloof- en paddestoelenteelt;
  11. de fruitteelt, met inbegrip van de speciale teelten, zoals druiven-, perziken- en aarbeienteelt;
  12. de bloemen- en sierplantenteelt, alle specialiteiten inbegrepen;
  13. de boomkwekerij, met inbegrip van de rozen en sierhees-terteelt;
  14. de teelt van de tuinbouwzaden;
  15. het aanleggen en/of onderhouden van parken, tuinen, sportterreinen, recreatieterreinen, groene zones, begraaf-plaatsen met inbegrip van begraafplaatsen van vreemde mi-litairen in België.
  16. het aanleggen en/of onderhouden in eigen beheer van parken, tuinen, sportterreinen, recreatieterreinen of groene zones, wanneer de werklieden van de onderneming hoofdzakelijk aan deze activiteiten zijn tewerkgesteld.
  17. het verrichten van onderzoek in verband met tuinbouwge-wassen en organiseren van voorlichting in de tuinbouwsec-tor
  18. de ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het sorteren van tuinbouwproducten en die niet ressorteren onder een ander daarvoor specifiek bevoegd paritair comi-té. Wat de boomkwekerij en de bloemen- en sierplantenteelt be-treft, wordt onder telen onder meer verstaan : het zaaien, planten, verspenen, oppotten, verpotten, stekken, in vitro of anderszins vermeerderen, bemesten, forceren, in bloei trekken, toppen alsook het verrichten van alle mogelijke andere of gelijkaardige werkzaamheden aan bollen, stekken, plantmateriaal evenals aan planten die men zelf geheel of hoofdzakelijk teelt, d.w.z. plantmateriaal dat op het ogenblik van inkoop reeds een zekere ontwikkeling door-maakte. *** De vraag tot welk paritair comité de vzw P.N. be-hoort, dient dan ook getoetst te worden aan deze bepalingen. Het is constante (cassatie)rechtspraak dat enkel de werkelijke hoofdactiviteit van de onderneming getoetst wordt aan de ressortomschrijving (tenzij uiteraard een oprichtingsbesluit een ander crite-rium vooropstelt; voor een overzicht, zie W. van Eeckhoutte, Sociaal Compendium Arbeidsrecht, Klu-wer, 1990, 2006-07, nrs. 220 ev.; recent: Cass., 14 mei 2007, www.juridat.be). Tevens wordt aangenomen dat een bedrijf slechts onder één paritair comité valt, wat logisch is maar wel uitzonderingen kent (bijvoorbeeld indien onderscheiden activiteiten van één bedrijf los van elkaar bestaan, zonder voldoende binding). Bij het onderbrengen van een onderneming in een bedrijfstak wordt geen rekening gehouden met be-paalde ‘bedrijfsfuncties' of met het werk dat de werknemers verrichten. Treffend is het voorbeeld van de ‘vzw golfclub' die arbeiders te werk stelt voor het onderhoud van de grasvelden en aanplantingen. Hoewel deze arbei-ders tuiniers zijn, valt de vzw toch niet onder het paritair comité nr. 145 aangezien de onderne-mingsactiviteit niets te maken heeft met een tuin-bouwbedrijf, maar bestaat in de exploitatie van een golfterrein (H. Bocksteins en H. Buyssens, "Bevoegdheden van de paritaire comités" in Actuele problemen van het arbeidsrecht 3, M. Rigaux (ed.), Kluwer, 1990, p. 149). Zo zou die club evenmin onder het paritair comité nr. 329 vallen louter omdat de groenarbeiders per hypothese ‘doelgroep-werknemers' zouden zijn. De aard van het werk of het statuut van de werkne-mer als criterium hanteren, zou onwerkbaar zijn, voorbijgaan aan de bekommernis marktverstoringen te vermijden, en niet aansluiten bij het sociaal overleg op het juiste niveau. *** De vraag is dus

(1)welke werkelijke hoofdactivi-teit P.N. verricht, en
(2)bij welke bevoegdheids-omschrijving deze best aansluit. B. Toepassing van de beginselen op P.N..
  1. P.N. en de bedienden vallen onder paritair co-mité nr.
  2. P.N. combineert natuurbeheers- en natuurontwikke-lingswerken met het bevorderen van tewerkstel-lingskansen voor werklozen en kansarmen. De vzw heeft niet dezelfde ‘klanten' als een tuin-bouwbedrijf. De werkelijke doelgroep van de vzw zijn mensen met weinig of geen kansen op de ar-beidsmarkt. Het gaat om laaggeschoolden, langdurig werklozen, ex-gedetineerden, verslaafden; kortom: mensen met een arbeidshandicap. De vzw tracht deze mensen te integreren, en te la-ten doorstromen naar de reguliere arbeidsmarkt. Sommige kunnen mits begeleiding worden tewerkge-steld in uitgestippelde projecten. Andere moeten nog worden opgeleid, en hebben nood aan begeleid-ding, niet alleen van technische aard, maar ook van sociale aard om arbeidsattitude aan te leren. De trajectbegeleiders organiseren tewerkstellings-projecten en de arbeiders wordt geleerd te werken aan vaardigheden als probleemoplossend vermogen, omgang met collega's, de begeleider edm. De natuurbeheerswerken zijn niet het intrinsieke doel van de vzw, maar een middel om haar activi-teit gerealiseerd te krijgen, namelijk trajectbe-geleiding en integratie. Weliswaar verrichten de arbeiders activiteiten op de terreinen van gemeen-ten of op terreinen ‘met een ecologische ontwikke-ling als doelstelling' (stuk 3 P.N.), maar daarom zijn gemeenten of milieuverenigingen nog niet de eerste ‘klanten' van P.N.. Overigens is er toch een verschil tussen natuurbeheerswerken op gemeen-te- en ecologische terreinen en werkzaamheden van tuinbouwbedrijven zoals omschreven in het oprich-tingsbesluit van 17 maart
  3. Voor zover ze al volwaardige arbeidsprestaties le-veren, werken de doelgroepwerknemers niet met de klassieke middelen en technieken van een tuinbouw-bedrijf, halen ze niet hetzelfde rendement (qua vaardigheid en aanwezigheid), en zijn hun activi-teiten (maaibeheer, heidebeheer, terreinverbete-ring, bosbeheer, containerpark, compostmeesterwer-king) weliswaar verwant, maar toch niet overlappend met die van het tuinbouwbedrijf. P.N. krijgt ondersteunende middelen van diverse overheden omdat de vzw werkervarings-projecten (WEP) en trajectbegeleiding organiseert en aan-biedt. Deze ondersteuning illustreert dat de hoofdactiviteit bestaat in de begeleiding naar en integratie op de arbeidsmarkt. *** Gelet op deze activiteit is het dan ook logisch dat deze vzw onder het paritair comité 329 voor de socio-culturele sector ressorteert. De activiteit beantwoordt perfect aan de beschrij-vingen in het oprichtingsbesluit zoals opgesomd in de punten 5, 7 en 9 (samenlevingsopbouw, leefmili-eu, beroepsopleiding) en sluit overigens ook aan bij het zesde punt (ontplooiing en participatie). De vzw valt omwille van die activiteit onder dat paritair comité, en niet omdat sommige werknemers (de arbeiders) tot bepaalde doelgroepen behoren. Dat zou een foutieve toepassing van de indeling in paritair comités uitmaken. Enkel de ondernemings-activiteit is doorslaggevend. De situatie van P.N. is vergelijkbaar met een zaak die tot het cassatiearrest van 14 mei 2007 heeft geleid. Een vzw verrichtte socio-cultureel werk, maar het merendeel van zijn personeel werkte in de keuken. Het Hof van Cassatie oordeelde dat aange-zien de hoofdactiviteit van socio-culturele aard is, niet wettig beslist kon worden dat de vzw on-der het paritair comité voor het hotelwezen valt om de reden dat deze socio-culturele activiteit "niet permanent is, zoals uit de analyse van de arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur blijkt, aangezien deze voor beperkte periodes zijn ge-sloten en dat de personen die voor de kinderani-matie instonden, op een paar zeldzame uitzonde-ringen na, vrijwilligers waren, in tegenstelling tot zij die voor de keuken en het onderhoud in-stonden en met een arbeidsovereenkomst werden tewerkgesteld". (Cass., 14 mei 2007, www.juridat.be). *** Zo ook valt P.N. onder het paritair comité nr.
  4. De (vzw en de) bedienden vallen niet onder een paritair comité met een negatieve bevoegd-heidsomschrijving (inz. het A.N.P.C.B. nr. 218), maar behoren ontegensprekelijk tot de socio-culturele sector.
  5. De situatie voor de arbeiders. Voor de arbeiders menen de FOD Waso en de RSZ ech-ter dat de vzw P.N. voor zijn arbeiders onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf valt. Als de vzw voor de bedienden terecht onder het pa-ritair comité voor de socio-culturele sector valt, dan kunnen de arbeiders enkel in een ander pari-tair comité worden ondergebracht zo daar specifie-ke redenen voor zijn. De Rechtbank is van oordeel dat die niet zijn aan-getoond. *** Het staat vast dat de vzw geen twee onderscheiden ondernemingsactiviteiten verricht. Dit is in deze discussie cruciaal, en op zich doorslaggevend. Weliswaar is er een onderscheid in het werk van de bedienden en arbeiders van P.N.. Eén bediende is coördinator en twee andere funge-ren als trajectbegeleiders (stuk A1), terwijl de arbeiders manueel groenwerk verrichten (of daartoe opgeleid worden). Maar de aard van het werk recht-vaardigt niet dat een ander paritair comité wordt aangeduid (zie hoger). Bovendien geven de arbeiders door die werken uit-voering aan het traject dat de bedienden voor hen hebben uitgestippeld. De werkzaamheden van de ar-beiders en bedienden zijn onlosmakelijk met elkaar verknocht. Het personeel werkt samen aan één en deze onderne-mingsactiviteit. Dit is decisief, zelfs al ver-richten de arbeiders om de ondernemingsactiviteit te realiseren specifieke groenwerkzaamheden. Ook voor haar arbeiders valt de vzw P.N. dus onder het paritair comité nr.
  6. *** Overigens is het merkwaardig dat het standpunt van de FOD Waso en de RSZ eigenlijk teruggaat op het oude onderscheid tussen ‘hoofdarbeid' en ‘handen-arbeid'. Nochtans heeft het Grondwettelijk Hof inmiddels alweer 15 jaar terug geoordeeld dat dit verschil in behandeling berust op een criterium dat de on-gelijkheid "op dit ogenblik bezwaarlijk objectief en redelijk zou kunnen verantwoorden" en dat het "onverantwoord zou zijn thans een dergelijk onder-scheid in te voeren" (Arbitragehof, nr. 56/93, 8 juli 1993). Een grondwetsconforme interpretatie noopt de Rechtbank er derhalve toe dit onderscheid niet te valideren waar dat niet noodzakelijk is. *** De RSZ vergelijkt de situatie van P.N. met die van beschutte werkplaatsen. Daar is het beslissend criterium van de bevoegdheidsomschrijving uitzon-derlijk wel of met doelgroepwerknemers wordt ge-werkt. Dat criterium bestaat echter niet in het paritair comité nr. 329, en dus moeten de arbei-ders onder het paritair comité nr. 145 vallen, al-dus de RSZ. Deze benadering klopt echter niet. De bedienden van P.N. vallen onder het paritair comité nr. 329 gelet op de aard van de onderne-mingsactiviteit. Zij vallen niet onder dat pari-tair comité omdat zij doelgroepwerknemers zouden zijn. Zo ook vallen de arbeiders onder het paritair co-mité nr. 329 gelet op de aard van de ondernemings-activiteit. Dat zij doelgroepwerknemers zijn, is evenmin in hun geval doorslaggevend. De vergelij-king met de beschutte werkplaatsen gaat derhalve niet op. *** Het onderbrengen van de vzw P.N. in het paritair comité nr. 329 zou volgens de RSZ een marktver-storend effect hebben. Dat laatste wordt wel beweerd, maar niet aanneme-lijk gemaakt, laat staan dat die beweerde concur-rentievervalsing zou aangetoond zijn. Het valt zelfs niet uit te sluiten dat de werking onder het paritair comité nr. 329 marktondersteunende effecten kan hebben, aangezien het de bedoeling is dat opgeleide arbeiders met arbeidsattitude doorstromen naar de reguliere ar-beidsmarkt (waaronder het tuinbouwbedrijf). Het staat in elk geval niet vast dat van het onder-brengen van de arbeiders in de socio-culturele sector een marktverstorende werking uitgaat. Verder wijst de RSZ erop dat subsidies worden toe-gekend. Dat is echter een beleidskeuze, m.n. om mensen die niet aangeworven worden op de arbeidsmarkt te om-kaderen en te stimuleren. Bovendien is het argu-ment niet pertinent. Want zelfs aangenomen dat subsidies een marktverstorende werking hebben, opent dit de vraag naar de opportuniteit en recht-matigheid van die subsidies. Dat zegt echter niets over de aard van de ondernemingsactiviteit, en heeft derhalve geen invloed op de bevoegdheid van de paritaire comités. *** Daarbij komt dat collectieve conflicten het best kunnen voorkomen en of bijgelegd worden door de sociaal bemiddelaar en de sociale partners van de socio-culturele sector (die beter vertrouwd zijn met verenigingen voor wie het inzetten van doel-groepwerknemers een doel op zich is). *** Ook ten onrechte verwijst de RSZ naar artikel 2, 5° van het oprichtingsbesluit. Het paritair comité nr. 329 is bevoegd ten aanzien van de vzw P.N. en zijn bedienden. Dit sluit de toepasselijkheid van deze bepaling uit, die immers een onbevoegdheid vaststelt (t.a.v. de werkgevers die, op basis van de verrichte activiteit, ressor-teren onder een ander daarvoor specifiek bevoegd paritair comité).
  7. Enkele bijkomende discussies. De vordering werd in de syntheseconclusie beschre-ven (cfr. art. 748bis Ger.W.). De RSZ argumenteert dat de vordering tot regulari-satie geen voorwerp heeft omdat P.N. de lonen aan-geeft onder werkgeverscategorie 262 van paritair comité nr. 329.01, en ook de speciale bijdragen verschuldigd in paritair comité nr. 145 niet be-taald heeft. P.N. beantwoordt dit argument niet. Nochtans kan aangenomen worden dat het argument juist is, aangezien P.N. aanvoert ook voor de ar-beiders onder paritair comité nr. 329.01 te val-len, en dus allicht niet de bijdragen van paritair comité nr. 145 heeft betaald. Dat neemt niet weg dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dient te handelen naar deze rechterlijke uitspraak volgens welke de vzw P.N. Oost-Vlaanderen ook voor haar arbeiders onder het pari-tair comité nr. 329.01 valt. *** In de syntheseconclusie vordert de vzw P.N. Oost-Vlaanderen geen dagvaardingskosten. Wel kan haar de gevraagde rechtsplegingsvergoeding van 1.200 euro worden toegekend, zoals gevorderd. *** De vordering de veroordeling van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid te koppelen aan een dwangsom wordt afgewezen. De Rijksdienst is immers een openbare instelling, en bovendien valt niet te verwachten dat deze zich aan een rechterlijke beslissing zal onttrekken. *** In de syntheseconclusie (blz. 3) wijst de eiseres er verder op dat in de dagvaarding de mogelijkheid tot voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis gevorderd werd. Deze vordering wordt nochtans niet hernomen in de syntheseconclusie zelf. Wat er ook van zij, het is niet aangewezen de voorlopige tenuitvoerlegging toe te staan aange-zien het gaat om een principiële discussie en de eiseres in wezen een declaratief vonnis wenst te bekomen (vgl. H. Bocksteins en H. Buyssens, "be-voegdheden van de paritaire comités" in Actuele problemen van het arbeidsrecht 3, M. Rigaux (ed.), Kluwer, 1990, p. 181). *** Aangezien de hoofdvordering gegrond is, moet de te-genvordering worden afgewezen als ongegrond. V. BESLISSING. De Arbeidsrechtbank te Gent, tweede kamer, spreekt het volgend vonnis uit op tegenspraak. De Rechtbank verklaart de hoofdvordering ontvankelijk, en als volgt gegrond. De Rechtbank zegt voor recht dat de vzw P.N. voor de periode vanaf 1 juli 2006 ook voor haar arbeiders ressorteert onder het paritair comité nr. 329.01 voor de socio-culturele sector. De Rechtbank zegt voor recht dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dient te handelen naar deze rechterlijke uitspraak. De tegenvordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt afgewezen als ongegrond. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt veroor-deeld tot het betalen van de gerechtskosten. Het bedrag van de te vereffenen kosten wordt tot op heden begroot aan de zijde van eisende partij op : rechtsplegingsvergoeding : 1.200,00 euro, onverminderd de kosten van uitgifte van onderhavig vonnis. Dit vonnis wordt uitgesproken rekening houdend met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, inzonderheid de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41, die alle werden nageleefd. Aldus gewezen door: Dhr. B.LIETAERT, rechter in de arbeidsrecht-bank die de tweede kamer voorzit ; Dhr. L.DHAENENS, rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever ; Dhr. D.VAN HOOREBEKE, rechter in sociale zaken be-noemd als werknemer-bediende; bijgestaan door :Mevr. R.COOLENS, griffier ; en uitgesproken op NEGEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN in openbare terechtzitting van de tweede ka-mer van de arbeidsrechtbank Gent. R.COOLENS D.VAN HOOREBEKE L.DHAENENS B.LIETAERT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20090209.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.