id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 06 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20090606.1 Rolnummer: 08/1112 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-09-21 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 19:54 Fiche I. De moeder die haar dochter tewerkstelt is sociale bijdragen verschuldigd. De rechter kan, wanneer hij gematigd uitstel van betaling verleent, bij het bepalen van de afbetalingsfaciliteiten rekening houden met het gegeven dat de zaak niet benaarstigd werd gedurende 15 jaar. De rechter heeft nochtans geen matigingsbevoegdheid. II. De werkgever heeft geen subjectief recht op een vrijstelling van bijdrageopslagen en interesten. Dievrijstelling is ene discretionaire beslissing die kan verleend worden door het beheerscomité van de RSZ. Kan deze beslissing het voorwerp uitmaken van een rechterlijke controle door de arbeidsgerechten, dan dienen de partijen wel standpunt in te nemen over de omvang van die controle. Gelet op de vordering van de werkgever in dit verband en de lange duurtijd van de onderhevige zaak, zal dit facet na de beslissing van het beheerscomité worden beslecht. III. De wergever die het sociaal secretariaat in vrijwaring roept, dient een fout te bewijzen van dat sociaal secretariaat om een schadevergoeding te bekomen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Inning SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Invordering Vrije woorden: RSZ-Bijdragen, bijdrageopslagen en interesten - geen matigingsrecht - vrijstelling - discretionaire beslissing RSZ - controle door arbeidsgerechten - aansprakelijkheid sociaal secretariaat Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 28 § 2 Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - 55 Tekst van de beslissing A.R. 08/1112 Rep.nr. De arbeidsrechtbank Gent, tweede kamer, spreekt het volgend vonnis uit : INZAKE : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, ondernemingsnummer 0206731645, - EISENDE PARTIJ - ter zitting vertegenwoor-digd door Mr. P. VAN DEN NOORTGAETE, ad-vocaat met kantoor te 9000 GENT, Willem Van Nassaustraat 18; TEGEN : HA., - VERWERENDE PARTIJ - ter zitting vertegen-woordigd door Mr.T.DESCHEPPER, advocaat lo-co Mr.R.VERSTRINGHE, advocaat met kantoor te 9000 GENT, Montereystraat 16; EN INZAKE : H.A., - EISENDE PARTIJ IN TUSSENKOMST EN VRIJ-WARING - ter zitting vertegenwoordigd door Mr.T.DESCHEPPER, advocaat loco Mr.R.VERSTRINGHE, advocaat voornoemd; TEGEN : V.Z.W. ACERTA SOCIAAL SECRETARIAAT, gedinghervattende partij voor de V.Z.W. SOCIALE EN FISCALE DIENSTEN VOOR WERKGEVERS (in het kort S.F.D.W.), met zetel te 3000 LEUVEN, Diestsevest 14, ondernemingsnummer 473.329.910, - VERWERENDE PARTIJ IN TUSSENKOMST EN VRIJWARING - ter zitting vertegenwoordigd door Mr.W.DE VRIESE, advocaat in eigen naam en loco Mr.M.VAN HUFFELEN, advocaat met kan-toor te 2970 SCHILDE, Heidedreef
- I. PROCEDURE.
- De vordering werd ingeleid bij dagvaarding van de RSZ van 27 oktober
- H.A. werd gedagvaard voor de zitting van 7 november
- Zij heeft meteen een vordering in tussenkomst en vrijwaring in-gesteld tegen de vzw Sociale en Fiscale diensten voor werkge-vers. Het geding werd later hervat door de vzw Acerta Sociaal Secretariaat. De partijen hebben de zaak niet behandeld. De zaak werd later zelfs weggelaten van de rol. Ze werd opnieuw ingeschreven op 29 april 2008, op verzoek van de RSZ.
- De RSZ vroeg in augustus 2008 een conclusiekalender aan. Deze werd door de Rechtbank vastgesteld, en de pleitdag werd bepaald op 4 mei
- Alle partijen zijn verschenen en werden gehoord in de uiteenzet-ting van hun middelen en conclusies. De debatten werden gesloten, de stukken ingezien. De zaak werd voor uitspraak gesteld op de zitting van 8 juni
- Op die zitting werd de uitspraak wegens verder beraad verdaagd naar de zitting van 6 juli
- II. VORDERING.
- De RSZ vordert in haar syntheseconclusie (art. 748bis Ger.W.) H.A. te veroordelen tot het betalen van 25.209,58 euro, meer de verwijlintresten op 20.420,75 euro vanaf 6 september 1994 tot de dag der effectieve betaling. Tevens vraagt de RSZ H.A. te veroordelen tot de kosten van het geding, zijnde 98,34 euro dagvaardingskosten en 2.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding. Overige vorderingen worden niet (meer) gesteld.
- De tussenvordering strekt ertoe de vzw Acerta Sociaal Secre-tariaat te doen tussenkomen, en H.A. te vrijwaren voor uitspra-ken in haar nadeel.
- H.A. vraagt in haar besluiten neergelegd ter griffie op 26 no-vember 2008 om : - de RSZ te sommeren een opsplitsing te maken voor de 2 werkneemsters; - de vordering enkel ontvankelijk en deels gegrond te verkla-ren voor de werkneemster A.L., - de bijdrageopslagen en intresten af te wijzen; - haar toe te staan het verschuldigde bedrag af te betalen aan 50 euro per maand; - de RSZ te veroordelen tot de kosten, rechtsplegingsvergoe-ding t.b.v. 218,64 euro inbegrepen.
- Ter zitting vordert de verwerende partij in gedwongen tus-senkomst een rechtsplegingsvergoeding van 2.000,00 EUR las-tens de RSZ. III. FEITEN.
- Op 18 januari 1994 ging een controle door van de Sociale In-spectie in de zaak van de verweerster. Er werden twee werkne-mers aan het werk aangetroffen. Voor geen van beide was er een schriftelijke arbeidsovereenkomst. H.A. was hun werkgever. Zij gaf toe dat zij de dames aangewor-ven had, en stelde dat zij tewerkgesteld werden als werkneem-sters met een deeltijdse arbeidsovereenkomst. De RSZ is overgegaan tot ambtshalve regularisatie op basis van een voltijds loon. Het bestaan van deeltijdse prestaties bleek immers uit geen enkel element. Eén van de werkneemsters is de dochter van H.A.. H.A. ver-klaarde dat haar dochter T.B. bij haar in dienst was met een contract met een variabel uurrooster. T.B. zou zeer onregelmatig gewerkt hebben, en behield grote vrijheid bij het bepalen van de tijdstippen waarop ze werkte. Toch heeft H.A. verschillende documenten ondertekend waaruit blijkt dat T.B. haar werkneemster was (documenten voor de loonsverwerking door het sociaal secretariaat). In het dossier steken ook sociale documenten op naam van T.B. waaruit blijkt dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst.
- De (huidige) FOD Tewerkstelling en Arbeid heeft op 26 juni 1997 een beslissing genomen betreffende de administratieve geldboete die aan H.A. moest worden opgelegd: - met betrekking tot de tewerkstelling van T.B. werd geen ad-ministratieve geldboete opgelegd ; - er werd wel een geldboete opgelegd voor de schending van de artikelen 157 en 159 van de Programmawet van 22 december 1989, artikel 4 van de Arbeidsreglementenwet en artikel 4 van het toenmalig KB van 8 augustus 1980 betreffende het perso-neelsregister ; - er werd geen toepassing gemaakt van het toenmalig art. 12bis van de wet van 30 juni
- H.A. heeft kennelijk geen beroep ingesteld tegen deze beslissing. Zij voert dat minstens niet aan.
- Zij betwist wel de sociale bijdragen verschuldigd te zijn, min-stens stelt zij dat haar sociaal secretariaat een fout heeft be-gaan. IV. BEOORDELING. De bijdragen.
- H.A. stelt dat de vordering moet worden afgewezen in de mate dat ze betrekking heeft op T.B.. Er werd immers geen geldboete in dit verband opgelegd. Dit verweer kan niet worden aanvaard. Uit de feiten (zoals hoger beschreven) en uit het dossier blijkt immers duidelijk dat H.A. haar dochter heeft tewerk gesteld met een arbeidsovereen-komst. In die omstandigheden zijn sociale bijdragen verschuldigd, en moet de arbeidswetgeving worden nageleefd, onder meer wat betreft deeltijdse arbeid, arbeidsreglement en werkroosters. Dat is niet gebeurd. Het verweer kan derhalve niet worden aan-vaard. Overigens heeft de tewerkstelling er (mede) toe geleid dat de dochter sociaal verzekerd is.
- H.A. voert met betrekking tot de tewerkstelling van de ande-re werkneemster aan dat geen toepassing werd gemaakt van het toenmalig artikel 12bis van de wet van 30 juni
- Dat is echter niet relevant: - vooreerst omdat wel een boete werd opgelegd voor de schen-ding van de wetgeving inzake arbeidsreglementen, deeltijdse arbeid en werkroosters ; dat toont aan dat ook deze dienst van oordeel was dat er niet correct werd gehandeld op het vlak van sociale verplichtingen ; - bovendien blijkt niet dat H.A. daar beroep tegen heeft aange-tekend ; - tenslotte betrof het toenmalig art. 12bis niet de materialiteit van de inbreuken maar enkel de omvang van een gebeurlijk op te leggen burgerlijke sanctie. Het verweer moet ook in dit opzicht worden verworpen. De bijdragen zijn derhalve verschuldigd.
- H.A. vraagt ondergeschikt de schuld te mogen afbetalen aan 50,00 euro per maand. Overeenkomstig artikel 1244 B.W. kan de Rechtbank een gema-tigd uitstel van betaling toestaan. Het is correct dat de zaak jaren heeft aangesleept. De controle vond plaats op 18 januari
- De gerechtelijke procedure werd ingeleid bij dagvaarding van 27 oktober
- Tussen de dagvaarding en uitspraak zullen zich ongeveer 15 ja-ren situeren. Het Auditoraat had nochtans snel geseponeerd. De beslissing van de Studiedienst van het toenmalig Ministerie van Tewerk-stelling en Arbeid hoefde strikt genomen niet te worden afge-wacht, maar dateert van 26 juni
- Toch heeft de RSZ de zaak pas in augustus 2008 geactiveerd. Dat ook de verwerende partij de zaak had kunnen activeren, is correct, maar gelet op de lange periode die inmiddels verstreken is, acht de Rechtbank het aangewezen afbetalingsfaciliteiten toe te staan. Daarbij is het niet onredelijk de duur van het afbetalingsplan te bepalen rekening houdend met de mate waarin de redelijke pro-cesduur werd overschreden. Het betalingsuitstel moet nochtans wel gematigd zijn: het voor-stel dat H.A. formuleert (afbetalingen a rato van 50 euro per maand) is in elk geval niet ernstig. De Rechtbank staat toe dat de schuld wordt afbetaald in 14 ge-lijke betalingen aangevuld met een vijftiende betaling voor het saldo. Bijdrageopslagen en interesten.
- H.A. vraagt vrijgesteld te worden van het betalen van bij-drageopslagen en interesten. De Rechtbank kan op heden niet ingaan op deze vraag. Het matigingsrecht van art. 1231 van het B.W. lijkt niet van toe-passing te zijn op personen die schulden hebben ten aanzien van de RSZ (zie J. Put en S. Renette, "Knelpunten bij de invordering van socialezekerheidsbijdragen voor werknemers" T.S.R. 2007, p. 149 en p. 158).
- De RSZ-reglementering voorziet echter wel in een mogelijk-heid om vrijstelling of vermindering te bekomen. H.A. heeft daar geen subjectief recht op. Zij moet dat aanvragen aan de RSZ of aan het beheerscomité. De RSZ kan, maar moet die niet toestaan. Dat blijkt duidelijk uit de artikelen 28 § 2 van de RSZ-wet en 55 van het Uitvoeringsbesluit van 28.11.1969, en vindt bevestiging in de rechtspraak (zie bv. Cass., 12 september 2005, www.just.fgov.be). Het lijkt een discretionaire beleidsbeslissing te betreffen, waarbij niet over een recht geoordeeld wordt, maar over een gunst. De Rechtbank kan zich dan niet zonder meer in de plaats van het bestuur stellen.
- Wie een dergelijke aanvraag indient, kan een eventueel af-wijzend antwoord nochtans wel aanvechten bij de arbeidsrecht-bank. Het is niet de Raad van State die kan oordelen over een negatie-ve beslissing van de RSZ. De Raad van State heeft in dit verband immers geen rechts-macht (zie bv. R.v.St., 184.767, van 26 juni 2008; het cassatie-beroep van de RSZ daartegen werd verworpen door Cass., 8 juni 2009, S.08.0129). De rechterlijke macht heeft wel rechtsmacht, en de materie be-hoort tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten (art. 581 Ger.W.). De Arbeidsrechtbank is dus gevat over deze vraag.
- Betreft het inwilligen van de vraag tot kwijtschelding of ver-mindering een discretionaire bevoegdheid, dan kunnen de ar-beidsgerechten mogelijks enkel een marginale toetsing doorvoe-ren. Nochtans kan wel de vraag worden gesteld of het bedrag van de bijdrageopslagen, en de verwijlinteresten door hun duurtijd, niet een overwegend repressief karakter heeft of verwerft (vgl. bv. overweging B.6 in Grondwettelijk Hof, 20 juni 2007, nr. 86/2007 dat handelt over art. 30bis RSZ-wet; zie echter: Grondwettelijk Hof, arrest nr. 9/2003 van 22 januari 2003, maar ook J. Put en S. Renette, "Knelpunten bij de invordering van socialezeker-heidsbijdragen voor werknemers" T.S.R. 2007, p. 144).
- Thans is de vraag naar de omvang van de rechterlijke con-trole evenwel niet aan de orde, aangezien H.A. nog geen aan-vraag blijkt te hebben ingediend. De Rechtbank leidt dat althans af uit het dossier, dat geen enkel element in die zin bevat. De beslissing over de bijdrageopslagen en verwijlinteresten wordt dan ook aangehouden tot na de beslissing omtrent de vrij-stelling en vermindering.
- Het is niet aangewezen de zaak naar de rol te verzenden aangezien de verwerende partij initiatief moet nemen om een aanvraag in te dienen. Alvorens te oordelen over dit facet van de vordering beveelt de Rechtbank een voorlopige maatregel (art. 19, tweede lid Ger.W.). De zaak wordt daartoe opgeroepen voor nazicht op de zitting 5 oktober
- Tussenvordering.
- H.A. heeft de (rechtsvoorganger van de) vzw Acerta Sociaal Secretariaat in het geding betrokken. Zij verwijt het sociaal se-cretariaat een fout, en stelt meer bepaald dat het sociaal secre-tariaat te weinig heeft gedaan om het onheil te voorkomen. Acerta stelt echter zich enkel geëngageerd te hebben voor de loonadministratie.
- Deze tussenvordering in vrijwaring is manifest ongegrond. H.A. bewijst immers niet dat in werkelijkheid haar twee werkneemsters wel deeltijds werkten, en evenmin voor hoeveel uur. Het staat dan ook niet vast dat het sociaal secretariaat een fout heeft begaan door geen deeltijds contract op te stellen (met ar-beidsreglement en werkrooster).
- Bovendien - en voor zover als nodig - wijst de Rechtbank er-op dat de aansluitingsovereenkomst in casu helemaal niet ver-meldt dat het sociaal secretariaat zal instaan voor de opmaak van arbeidsovereenkomsten, werkroosters en arbeidsreglemen-ten. Dat blijkt niet uit de termen van die overeenkomst. De vordering van de RSZ is gebaseerd op deze inbreuken, t.t.z. dat door het ontbreken van deze documenten vermoed wordt dat het ging om arbeidsovereenkomsten van voltijdse arbeid. Weliswaar heeft H.A. "inlichtingenfiches werknemer" overge-maakt aan het sociaal secretariaat. Op die fiches staat dat T.B. deeltijds werkte: "2 à 3 dagen per week à 8 u". Dat verplicht het sociaal secretariaat echter niet om uit eigen beweging, en bij elke wijziging van de werksituatie initiatief te nemen, en aangepaste arbeidscontracten en dergelijke op te stellen. Het sociaal secretariaat had zich enkel geëngageerd voor de loonadministratie naar de RSZ en dergelijke instellingen (zie bv. aanhef reglement van inwendige orde), niet om de arbeidsrech-telijke verhouding te regelen, ook niet wanneer dat repercussies kan hebben op de verplichtingen ten aanzien van de RSZ. Met de foldertjes die het sociaal secretariaat voorlegt, wenst zij enkel te illustreren dat zij haar leden goed informeert. Het is niet zo dat deze foldertjes aantonen dat het sociaal secretariaat dus ook de arbeidsrechtelijke kant moest regelen, zoals H.A. aan-voert. V. BESLISSING. De Arbeidsrechtbank te Gent, tweede kamer, spreekt het vol-gend vonnis uit op tegenspraak. De Rechtbank verklaart de hoofdvordering van de Rijksdienst voor sociale zekerheid ontvankelijk, en als volgt gegrond. De Rechtbank veroordeelt H.A. tot het betalen aan de eisende partij van een bedrag van 20.420,75 euro, vermeerderd met de verwijlintrest vanaf 6 september 1994 tot de dag der betaling op de dan nog verschuldigde bijdragen. De Rechtbank verleent uitstel van betaling en laat de verweren-de partij toe de verschuldigde sommen te vereffenen met 14 gelijke maandelijkse betalingen van 1.400,00 EUR vanaf 6 augustus
- Het saldo in hoofdsom, verwijlintrest en gerechtskosten dient betaald te worden op 6 oktober
- Bij niet naleving van de gestelde voorwaarden worden de nog verschuldigde sommen onmiddellijk invorderbaar zonder inge-brekestelling. Aangaande de bijdrageopslagen en interesten beveelt de Recht-bank een voorafgaande maatregel. H.A. dient een aanvraag in te dienen overeenkomstig artikel 28 van de RSZ-wet. De debatten worden daartoe heropend op de zitting 5 oktober 2009 (Opge-eistenlaan 401, Lokaal 1.1, 9000 GENT); zitting waarop desge-wenst een conclusiekalender kan worden afgesproken en de de-batten kunnen worden heropend. De beslissing nopens de kosten wordt aangehouden. De Rechtbank verklaart de tussenvordering van H.A. tegen de vzw Acerta sociaal secretariaat ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond. De Rechtbank stelt de vzw Acerta sociaal secretariaat buiten za-ke. Dit vonnis wordt uitgesproken rekening houdend met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, inzon-derheid de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41, die alle werden nage-leefd. Aldus gewezen door: Dhr. B.LIETAERT, rechter in de arbeidsrechtbank die de tweede kamer voorzit ; Dhr. J.DESMET, rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever ; Dhr. J.DE HON, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-bediende; bijgestaan door :Mevr. R.COOLENS, griffier ; en uitgesproken op ZES JULI TWEEDUIZEND EN NEGEN in bui-tengewone openbare terechtzitting van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank Gent. R.COOLENS J.DE HON J.DESMET B.LIETAERT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20090606.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div