← België

ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20090615.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 15 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT

oud Burgerlijk Wetboek - 1206 oud Burgerlijk Wetboek - 2251 oud Burgerlijk Wetboek - 2262bis Tekst van de beslissing A.R. 08/811 Rep.nr. De arbeidsrechtbank Gent, tweede kamer, spreekt het volgend vonnis uit : INZAKE : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, onder-nemingsnummer 0206731645, - EISENDE PARTIJ - ter zitting verte-genwoordigd door Mr.A.DHONT, advocaat loco Mr.C.DE GANCK, advocaat met kan-toor te 9000 GENT, Koning Leopold II Laan 95; TEGEN : DVDD, - VERWERENDE PARTIJ - ter zitting in persoon aanwezig en bijgestaan door Mr.C.DE WAELE, advocaat met kantoor te 9900 EEKLO, Koningin Astridplein

  1. I. PROCEDURE. De vordering werd ingeleid bij dagvaarding van 1 april
  2. De verweerder had in algemene termen aangevoerd dat de vordering verjaard was. Tevens wees hij op zijn penibele financiële situatie. De Rechtbank heropende bij tussenvonnis van 12 ja-nuari 2009 de debatten teneinde de partijen toe te laten op gemotiveerde en gestaafde wijze standpunt in te nemen over volgende vragen : - welke repercussies hebben de aangiftes van schuldvordering van 27 februari 2003 en 24 juni 2004 en het vonnis (vonnissen?) op de wettelijke voorschriften aangaande de verjaring, zoals ratio-ne temporis van toepassing? - werd de brief van 13 september 2007 aangetekend verzonden? - dient in verband met de verjaring een onder-scheid te worden gemaakt tussen de hoofdelijke aansprakelijkheid (art.

§ 3

), de inhouding (art.

§ 4

) en de bijslag (art.

§ 5

)? - is er nog een ander vonnis van opname in het passief dan voor een bedrag van 1.802,91 euro, en welke repercussie heeft het gebeurlijk enige vonnis van 17 september 2004 op de vordering van de RSZ? De partijen werden opgeroepen voor de zitting van 15 december 2008. Zij zijn verschenen, en werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies. De debatten werden hernomen gelet op de anders sa-mengestelde zetel dan deze waarbij het tussenvon-nis werd uitgesproken. De debatten werden nadien gesloten ; de stukken ingezien. II. VORDERING. De vordering van eisende partij, zoals geformuleerd in de syntheseconclusies (art.748 Ger.W.bis Ger.W.), strekt er toe verwerende partij te ver-oordelen tot het betalen van een bedrag van 28.288,80 euro, meer de intrest (aan de wettelijke interestvoet vanaf 13 september 2007 tot de dag van betaling), en de kosten van het geding. Zij vraagt ook het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad. III. FEITEN. DVDD deed in de jaren 2002 en 2003 beroep op de bvba Altabo voor de uitvoering van werken in onroerende staat. Blijkens de stukken 1 tot en met 7 gebeurde dit voor een bedrag van in totaal 23.524 euro (facturen voor werken na mei 2002). Maar volgens de RSZ was de bvba Altabo vanaf 31 mei 2002 niet geregistreerd als onderaannemer. Bovendien werd bij vonnis van 14 februari 2003 het faillissement van de bvba Altabo uitgesproken (stuk 16). De RSZ diende twee aangiftes van schuldvordering in; uit de stukken blijkt dat de aangifte voor (slechts) 1.802,91 euro werd aanvaard. Het fail-lissement van de bvba Altabo is nog niet afgeslo-ten. Bij brief van 13 september 2007 werd DVDD in ge-breke gesteld om een bedrag te betalen van 28.228,80 euro (bijdragen als hoofdelijk aanspra-kelijke en wegens nagelaten verplichte inhoudin-gen). DVDD is inmiddels 71 jaar; zijn echtgenote 65 jaar. Hun enige dochter is overleden in 1996 en liet hen een kind van 2 jaar na dat zij hebben op-gevoegd aangezien de vader (wegens alcoholproble-men) daar niet toe in staat was. Hun kleinkind is thans 15 jaar oud, en DVDD en zijn echtgenote zor-gen nog steeds voor haar. DVDD heeft thans een heel bescheiden zelfstandi-genpensioen, heeft medische problemen en wordt fi-nancieel ondersteund door het OCMW. IV. BEOORDELING. A. Artikel

RSZ-Wet. Artikel

van de RSZ-wet van 27 juni 1969 stelt opdrachtgevers en aannemers onder bepaalde voorwaarden hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van hun aannemers of onderaannemers ten aanzien van de RSZ. Met deze bepaling wilt de wetgever o.m. de sociale fraude en koppelbazerij bestrijden (zie bv. Grond-wettelijk Hof, nr. 86/2007, 20 juni 2007). De regeling geldt - voor werken in onroerende staat, - wanneer men beroep doet op een niet-geregistreerde (onder)aannemer, - wanneer deze laatste schuldenaar is ten aanzien van de RSZ. B. Tijdstip schrapping registratie. In laatste besluiten wijst DVDD erop dat de RSZ wel aantoont dat de bvba Altabo geschrapt was van de lijst van geregistreerde aannemers (stuk 12), maar niet wanneer dat gebeurde. Het is niet uitgesloten dat dit pas eerst gebeurde nadat DVDD beroep had gedaan op de bvba Altabo. De Rijksdienst liet inderdaad na aan te tonen wan-neer de Registratiecommissie de bvba heeft ge-schrapt (wat de RSZ kan doen op de daartoe geëi-gende wijze). Dit verweer lijkt pertinent. Het is nochtans niet uitgesloten dat de RSZ dit bewijs alsnog zou kunnen leveren. Bovendien maakte deze kwestie niet het voorwerp uit van de herope-ning van de debatten (art. 775 Ger.W.), en kon de RSZ op de laatste besluiten geen antwoord meer formuleren. Met dit verweer kan derhalve geen rekening worden gehouden. Ook het argument dat DVDD niet wist dat de bvba niet geregistreerd was, kan niet worden aanvaard. Het volstaat niet dat de facturen een registratie-nummer vermelden. De opdrachtgever / hoofdaannemer dient ook na te gaan of er een effectieve regi-stratie is; daarvoor dient het hele systeem. Er is geen sprake van onoverwinnelijke dwaling . C. Verjaring. Algemeen. In antwoord op de vragen van de Rechtbank zet DVDD zijn standpunt in verband met de verjaring uiteen. Artikel 42 van de RSZ-wet bepaalt de verjarings-termijn op vijf jaar. De werken werden echter uit-gevoerd in 2002 en begin 2003. Ook de facturen en betalingen dateren van die tijd. De vordering is dus verjaard, aldus deze partij. De RSZ antwoordt evenwel dat de verjaring tijdig werd gestuit, en wijst er ook op dat het faillis-sement nog niet is afgesloten. Er zouden ook ver-schillende daden van stuiting zijn. De aangifte van schuldvordering stuit de verja-ring. De RSZ wijst op twee aangiftes van schuldvordering in het faillissement. Om in aanmerking te komen voor ‘uitdeling', is een aangifte van schuldvordering vereist (art. 62 Faillissementswet 8 augustus 1997). Deze aangifte kan door de curator worden aanvaard; in geval van betwisting beslist de Rechtbank van Koophandel. Met de aangifte wordt derhalve een discussie voor-gelegd aan het gerecht. Daarom geldt zij als een "dagvaarding voor het gerecht", en heeft zij de "burgerlijke stuiting" van de verjaring tot gevolg (art. 2244 B.W.). De aangifte stuit de verjaring niet alleen ten aanzien van de faillissementsboedel, maar ook ten aanzien van hoofdelijke medeschuldenaars. Want "vervolgingen tegen één van de hoofdelijke schul-denaars stuiten de verjaring ten aanzien van al-len" (art. 1206 B.W.). Het staat vast en wordt niet betwist dat art.

RSZ-wet een dergelijke vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid instal-leert. Een aangifte van schuldvordering stuit de verja-ring dus ook ten aanzien van DVDD . De stuiting doet de termijn van 5 jaar van art. 42 RSZ-wet opnieuw lopen. *** Concreet zouden er twee aangiftes zijn gebeurd. Vooreest is er een aangifte van 24 juni

  1. Deze betreft een bedrag van o.m. 1.802,91 euro aan bij-dragen voor sociale zekerheid, bijdrageopslagen en nalatigheidsinteresten (eerste kwartaal van 2003). Deze aangifte blijkt uit het vonnis van opname van 17 september
  2. De dagvaarding van 1 april 2008 valt binnen de termijn van 5 jaar te rekenen vanaf 24 juni
  3. Deze schuldvordering, waarvoor de aangifte werd ingediend, werd geldig en tijdig gestuit. Zij is niet verjaard. *** Verder is er de aangifte van 27 februari 2003 voor een bedrag van 45.713,94 euro aan bijdragen voor sociale zekerheid, bijdrageopslagen en nalatig-heidsinteresten. Deze hebben betrekking op het derde kwartaal van 2001 tot en met het derde kwar-taal van 2002; vermeerderd met gerechtskosten be-loopt de aangifte 46.888,00 euro (stuk 8). In het tussenvonnis wees de Rechtbank erop dat de-ze aangifte uit geen enkel stuk bleek. Inmiddels legt de RSZ een stuk voor. Het is echter nog steeds niet het vonnis van opname dat, althans volgens de conclusie van 15 oktober 2008, van 29 september 2007 zou dateren (dat was allicht een vergissing nu het faillissement werd uitgesproken op 14 februari 2003). Thans gewaagt de RSZ van een vonnis van 28 maart
  4. Wordt ook dat vonnis niet voorgelegd, dan blijkt het bestaan ervan uit de "lijst art. 71", aldus de RSZ. Neemt men al aan dat er een aangifte is gedaan op 27 februari 2003, wat niet helemaal duidelijk is, dan zou die de verjaring inderdaad hebben gestuit. Maar ook dan voldoet de argumentatie van de R.S.Z. niet. - Onder de nummers 9 en 40 van de "lijst art. 71" is sprake van een bedrag van 46.888,00 euro. Maar onder nummer 9 wordt vermeld: "betwist". Als de aanspraak van de RSZ op de bvba Altabo niet vast staat, dan kan de RSZ inderdaad ook niet overgaan tot invordering lastens DVDD. - Daarbij komt dat de dagvaarding van 1 april 2008 buiten de termijn van 5 jaar valt (te rekenen van-af 27 februari 2003). Deze beweerde aangifte volstaat dus niet om de verjaring te stuiten. De aangifte van schuldvordering schorst de verja-ring enkel ten aanzien van de faillissementsboe-del. In verband met het bedrag van 46.888,00 euro wijst de RSZ evenwel ook op het vonnis van opname in het passief (vonnis van 28 maart 2003). Dat zou de verjaring "stuiten tot aan de sluiting van het faillissement". Ook in dit opzicht kan de RSZ echter niet worden gevolgd. *** Zoals gezegd is de "lijst art. 71" niet duidelijk nu ze onder nr. 9 "betwist" vermeldt, terwijl daar onder nr. 40 geen sprake van is. Zeer stevig is dit bewijsstuk van de RSZ dus niet. *** Het is in elk geval niet correct dat de opname de verjaring zou stuiten tot de sluiting van het faillissement. De aangifte van schuldvordering leidt niet tot een stuiting, maar tot "schor-sing" . Ten aanzien van de faillissementsboedel kan de verjaringstermijn niet lopen zolang het faillisse-ment niet gesloten is. Artikel 2251 van het Bur-gerlijk Wetboek bepaalt immers: "De verjaring loopt tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet uitzondering maakt". In geval van fail-lissement is er een dergelijke wettelijke uitzon-dering. De schuldeiser kan tot de sluiting van het faillissement immers geen betaling verkrijgen van zijn schuldvordering (art. 24-26 Faillissements-wet; nochtans kan er soms worden overgegaan tot ‘uitdeling'). Aangezien hij zijn recht niet kan benaarstigen, is het logisch dat de verjaring niet mag intreden. In geval van faillissement is er dus een wettelijke uitzondering, hetgeen precies de situatie is dat het artikel 2251 van het B.W. vi-seert . Deze bepaling wijkt evenwel af van de normale ver-jaringsregels, en is een uitzonderingsmaatregel . Deze hoort beperkend te worden geïnterpreteerd. Niets belet de RSZ zijn recht ondertussen te be-naarstigen ten aanzien van de overige schuldenaars zolang het faillissement niet gesloten is. Dat is logisch en vindt bevestiging in artikel 1204 van het Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk "vervol-gingen tegen één van de schuldenaars gericht, de schuldeiser niet (beletten) ook tegen de overigen vervolgingen in te stellen". Wordt de loop van de verjaring geschorst ten aan-zien van het faillissement, dan is er ten aanzien van de niet-gefailleerde hoofdelijke medeschulde-naars dus geen reden om aan te nemen dat de verja-ring niet loopt. Ten aanzien van hen is er geen wet die een uitzondering maakt. Ten aanzien van hen kan de vordering wel worden benaarstigd en blijft de verjaring dus lopen (art. 2251 B.W. ). Artikel 2251 betreft enkel de specifieke toestand of staat van de personen, en wordt uitdrukkelijk tot die personen beperkt. Evenmin voorziet artikel 42 van de RSZ-wet in "schorsing" van verjaring . In dit verband geldt derhalve niet art. 2251 B.W., maar het gemeen recht. Het Hof van Cassatie stelde eerder reeds dat de schorsing ten aanzien van één hoofdelijk aanspra-kelijke schuldenaar niet automatisch geldt ten aanzien van een andere (in een zaak over vervoer-recht, maar waar de cassatiemiddelen evenwel enkel betrekking hadden op de artikelen 1206 en 2251 B.W.) . Recent heeft het Hof van Cassatie hetzelfde stand-punt ingenomen ter zake van de problematiek van artikelen

en 42 van de RSZ-wet en de artike-len 1206 en 2251 B.W. . *** Het vonnis van opname van 28 maart 2003 heeft de loop van de verjaring dus niet geschorst ten aan-zien van DVDD. De dagvaarding van 1 april 2008 is dus ook in dit opzicht laattijdig. Vonnis van opname. Nog steeds in verband met het bedrag van 46.888,00 euro baseert de RSZ zich ook op de actio judicati. Door het vonnis van 28 maart 2003 zouden de schuldeiseres hun rechten herwinnen en zou een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen. Ook in dit verband kan de argumentatie van de RSZ niet worden gevolgd. Vooreerst toont de RSZ niet aan wat de Rijksdienst kan doen uitvoeren op basis van een vonnis van op-name. Artikel 2262bis § 1 van het B.W. voorziet nochtans enkel in een verjaringstermijn om een ti-tel ten uitvoer te leggen . Een vonnis van opname zegt enkel voor recht dat een bedrag wordt opgenomen in het passief. Het verleent de RSZ geen recht op tenuitvoerlegging ten aanzien van de boedel (al is het niet uitge-sloten dat tot ‘uitdeling' wordt overgegaan). Het stelt op declaratoire wijze vast of, hoe en in welke mate schuldvorderingen worden opgenomen in het passief. Ook in dit perspectief is het toch van groot be-lang dat het vonnis zelf niet voorligt, terwijl de "lijst art. 71" niet duidelijk is. Bovendien kan het vonnis ook niet worden aanzien als een "vervolging" in de zin van art. 1206 van het Burgerlijk Wetboek. Nochtans bepaalt dit artikel enkel dat een "ver-volging" tegen één van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring stuit ten aanzien van allen. De aan-gifte is de "vervolging", niet het vonnis. Dat de verjaring wordt omgezet in de verjarings-termijn van art. 2262bis B.W. is evenmin een "ver-volging". Het vonnis van opname schept dus geen nieuwe ver-jaringstermijn in het voordeel van de R.S.Z tegen de mede-aansprakelijke. Het is een misverstand te denken dat elke stuiting geldt ten aanzien van de andere medeschuldenaars: er is een vervolging ver-eist. Stuiting door aangetekende brief. Tenslotte wijst de RSZ ook nog op de aangetekende brief van 13 september

  1. Werd deze brief verzonden binnen niet-verjaarde periode gelet op de aangifte (voor zover bewezen) van 27 februari 2003, dan volstaat ook deze brief niet om te aanvaarden dat er sprake is van stui-ting. Bepaalt artikel 42, laatste lid van de RSZ-wet van 27 juni 1969 dat de verjaring wordt gestuit door een aangetekende brief, dan geldt die regel enkel zo die brief verzonden wordt "aan de werkgever". DVDD is echter niet die werkgever (die de sociale bijdragen moest betalen). De aangetekende brief heeft de verjaring dus niet opnieuw gestuit . Ook in het gemeen verjaringsrecht heeft een aange-tekende brief met ingebrekestelling geen stuitende werking. D. Besluit. De vordering is slechts in beperkte mate gegrond. Het merendeel is verjaard of niet bewezen. De RSZ is gerechtigd op een bedrag van 1.802,91 euro, vermeerderd met interesten aan de wettelijke interestvoet van 13 september 2007, zoals gevor-derd. Gelet op het feit dat de vordering grotendeels wordt afgewezen (en een heropening van de debatten noodzakelijk was), acht de Rechtbank het raadzaam de gerechtskosten om te slaan (art. 1017, vierde lid Ger.W.). Gelet op de huidige financiële situatie kunnen be-talingsfaciliteiten worden toegestaan (art. 1244 B.W.). V. BESLISSING. De Arbeidsrechtbank te Gent, tweede kamer, spreekt het volgend vonnis uit op tegenspraak. De Rechtbank verklaart de vordering in beperkte mate gegrond. De Rechtbank veroordeelt DVDD tot het betalen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van een bedrag van 1.802,91 euro, vermeerderd met interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 13 september
  2. De Rechtbank verleent uitstel van betaling en laat de verwerende partij toe de verschuldigde sommen te vereffenen met 17 gelijke maandelijkse beta-lingen van 100,00 EUR vanaf 15 juli
  3. Het saldo in hoofdsom, verwijlintrest en gerechts-kosten dient betaald te worden op 15 december
  4. Bij niet naleving van de gestelde voorwaarden wor-den de nog verschuldigde sommen onmiddellijk in-vorderbaar zonder ingebrekestelling. De Rechtbank wijst het meer gevorderde af als zijnde verjaard. De Rechtbank slaat de gerechtskosten tussen beide partijen om, en veroordeelt elk der partijen tot het ten laste nemen van de kosten tot op heden aan eigen zijde gevallen. Dit vonnis wordt uitgesproken rekening houdend met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, inzonderheid de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41, die alle werden nageleefd. Aldus gewezen door: Dhr. B.LIETAERT, rechter in de arbeidsrecht-bank die de tweede kamer voorzit ; Dhr. J.DESMET, rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever ; Dhr. D.VAN HOOREBEKE, rechter in sociale zaken be-noemd als werknemer-bediende; bijgestaan door :Mevr. R.COOLENS, griffier ; en uitgesproken op VIJFTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN in openbare terechtzitting van de tweede ka-mer van de arbeidsrechtbank Gent. R.COOLENS D.VAN HOOREBEKE J.DESMET B.LIETAERT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20090615.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.