← België

ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20090907.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 07 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20090907.2 Rolnummer: 08/2498 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-09-17 Raadplegingen: 127 - laatst gezien 2026-07-02 20:11 Fiche Een arbeidsovereenkomst wordt geen overeenkomst voor bepaalde duur wanneer partijen afspreken dat de werknemer tot aan de pensioenleeftijd in het kader van tijdskrediet halftijds zal werken. De werknemer die ertoe gebracht wordt tijdskrediet op te nemen en gene keuze heeft dat te aanvaarden, heeft in geval van ontslag recht op een opzeggingsvergoeding die berekend wordt op het loon voor voltijdse prestaties. Ook de beschermingsvergoeding wordt berekend op het loon voor voltijdse prestaties. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Soorten arbeidsovereenkomsten - Onbepaalde duur SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Soorten arbeidsovereenkomsten - Voor een tijdsduur SOCIAAL RECHT - ARBEID - Beroepsloopbaanonderbreking - Tijdskrediet - Loopbaanonderbreking - Ontslagbescherming SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: I. Tijdskrediet - vermindering arbeidsprestaties tot pensioenleeftijd - geen overeenkomst voor bepaalde duur. II. Tijdskrediet - opgedrongen - oneigenlijk gebruik - berekening opzeggingsvergoeding op loon voor voltijdse prestaties Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 9, 39, 82, Tekst van de beslissing A.R. 08/2498 Rep.nr. De arbeidsrechtbank Gent, tweede kamer, spreekt het volgend vonnis uit : INZAKE : FB, - EISENDE PARTIJ - ter zitting vertegenwoordigd door Mr.C.MATTELIN, advocaat loco Mr.A.PHARISEAU, advocaat met kantoor te 9050 GENTBRUGGE, Jules Macleodstraat 27; TEGEN : N.V. S, - VERWERENDE PARTIJ - ter zitting vertegen-woordigd door Mr.DE BLENDE, advocaat loco Mr.F.TILLEMAN, advocaat met kantoor te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 bus

  1. I. PROCEDURE. De vordering werd ingeleid bij dagvaarding betekend op 9 sep-tember 2008 door gerechtsdeurwaarder Claude VEYS, met standplaats te GENT. De partijen hebben de conclusiekalender in onderling overleg bepaald die door de Rechtbank werden bekrachtigd. De pleitdag werd vastgesteld op 29 juni
  2. De partijen zijn verschenen, maar konden niet worden verzoend. Ze werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies. De debatten werden gesloten; de stukken ingezien. De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtsza-ken werd nageleefd (inzonderheid de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41). II. VORDERINGEN. De eisende partij stelt in haar syntheseconclusie (art. 748bis Ger.W.) volgende vorderingen : De vordering van eisende partij ontvankelijk en gegrond te verklaren en verweerster te veroordelen tot het betalen aan eiseres van : In hoofdorde - 159.557,52 euro bruto ten titel van aanvullende opzeggings-vergoeding tengevolge van de verkeerde berekening in hoofde van verweerster, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op dit brutobedrag; - 353.610,53 euro bruto ten titel van bijkomende opzeggings-vergoeding op grond van artikel 40 Arbeidsovereenkomstenwet te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op dit brutobedrag; - 57.342,24 euro bruto ten titel van forfaitaire bescher-mingsvergoeding te vermeerderen met de wettelijke en gerechte-lijke intresten op dit brutobedrag; In ondergeschikte orde - 194.053,01 euro bruto ten titel van bijkomende opzeggings-vergoeding op grond van artikel 40 Arbeidsovereenkomstenwet, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op dit brutobedrag; - 31.458,06 euro bruto ten titel van forfaitaire bescher-mingsvergoeding te vermeerderen met de wettelijke en gerechte-lijke intresten op dit brutobedrag; Verweerster te horen veroordelen tot betalen van de wettelijke intres-ten op primo het bruto bedrag van 199.972,04 euro (verbrekingsver-goeding + vakantiegeld + eindejaarspremie) vanaf 3 juni 2008 tot en met 8 augustus en secondo het brutobedrag van 5.048,25 euro (loon juni 2008) vanaf 30 juni 2008 tot en met 21 augustus
  3. Verweerster te horen veroordelen tot de afgifte van de volgende sociale en fiSle documenten: loonfiche en fiSle fiche met betrekking tot de vordering; Verweerster te veroordelen tot betaling van een dwangsom van 100 euro per dag en per ontbrekend document (m.u.v. fiSle fiche 281.10), bij niet afgifte ervan binnen de maand na betekening van het uit te spreken vonnis; Verweerster tenslotte te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding m.i.v. de kosten van dagvaarding ten belope van 142,32 euro en de rechtsplegingsvergoeding begroot op 10.000,00 euro. Ingeval eiseres zou veroordeeld worden tot betaling van de rechtsplegingsver-goeding aan verweerster dient deze beperkt te worden tot het mini-mumbedrag van 1.000 euro en dit gelet op de beperkte financiële mid-delen waarover eiseres beschikt. Het uit te spreken vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niette-genstaande elk verhaal zonder zekerheidsstelling en mits uitsluiting van het vermogen tot kantonnement. Voor zover er enige twijfel zou bestaan omtrent de correctheid van de voorgelegde verklaringen, een getuigenverhoor te organiseren ten ein-de een aanvullend bewijs te verkrijgen over de ware toedracht van het ontslag van eiseres en de bepalingen in het addendum; Bij conclusies neergelegd ter griffie op 20 mei 2009 stelt de verweer-ster volgende vordering (art. 748bis Ger.W.): In hoofdorde Voor zover de arbeidsrechtbank het nodig acht, het getuigenbewijs te aanvaarden in hoofde van LdM, wonende te * en van de heer PB, wo-nende te *, teneinde een verklaring onder ede af te leggen. De vorderingen van FB ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Bijgevolg FB te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aan de zijde van verweerster voorlo-pig begroot op het basisbedrag van 10.000 euro. In ondergeschikte orde Indien de arbeidsrechtbank van oordeel zou zijn dat de opzeggingsver-goeding moet berekend worden op het fictieve voltijdse loon, deze te begroten op 153.082,53 euro bruto. Indien de arbeidsrechtbank van oordeel zou zijn dat [de werkgever] een beschermingsvergoeding verschuldigd is, deze te begroten op 31.468,06 euro bruto en indien de arbeidsrechtbank van oordeel zou zijn dat de beschermingsvergoeding moet berekend worden op basis van het fictieve voltijdse loon, deze te begroten op 56.292,25 euro bru-to. III. FEITEN. FB trad op 1 januari 1991 in dienst bij de nv [de werkgever]. Ze werd tewerkgesteld als "financial manager". Er werd een con-ventionele anciënniteit toegekend te rekenen vanaf 16 april
  4. In april 2002 vroeg FB 1/5de tijdskrediet aan. Zij vroeg dat aan als persoon die ouder is dan 50 jaar. Dit werd toegestaan, en de nieuwe regeling ging in vanaf 1 september
  5. De arbeidstaak bleef dezelfde. S werd in de loop van het jaar 2004 geherstructureerd. In dat kader diende FB over te stappen naar een halftijdse dienstbe-trekking. Bij die gelegenheid werd ook de taakinhoud gewijzigd. Aldus zou FB vanaf 1 september 2004 de functie van Tax & Legal Coördinator op zich nemen. Midden juni 2008 werd de arbeidsovereenkomst beëindigd. Er werd haar op 30 juni 2008 een opzeggingsvergoeding betaald van 194.053,01 euro. FB meent dat zij vanaf 1 september 2004 tewerkgesteld werd met aan arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd tot aan de pen-sioenleeftijd. Bovendien betwist zij in elk geval de berekening van de opzeggingsvergoeding. Er kon geen akkoord worden bereikt. FB is vervolgens overge-gaan tot dagvaarding. IV. BEOORDELING. A. Contract van bepaalde of onbepaalde duur? FB vordert in eerste instantie een aanvullende opzeggingsvergoe-ding op basis van artikel 40 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Zij meent dat de aard van de arbeidsovereenkomst gewijzigd werd toen zij vanaf 1 september 2004 halftijds ging werken. Ze verwijst daartoe naar het addendum bij de arbeidsovereen-komst dat vermeldt: "Met ingang op 1 september 2004 zal de bediende 50% van een voltijdse betrekking tewerkgesteld worden in het kader van tijdskrediet - vermindering van de arbeidsprestaties werkne-mers ouder dan 50 jaar" en dit tot aan de pensioenleeftijd". Zij legt uit dat ze wel akkoord moest gaan met de vermindering van de arbeidsduur om ontslag te vermijden, maar dan wel eiste halftijds tewerkgesteld te worden tot aan de pensioenleeftijd. Ter ondersteuning verwijst ze o.m. naar de verklaringen van DC en van LR, en vergelijkt ze het addendum van 2004 met dat van 2002 (toen ze 4/5de ging werken). S betwist dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor be-paalde duur. Men kwam enkel overeen toepassing te maken van de CAO nr. 77bis tot invoering van een stelsel van tijdskrediet. De Rechtbank is met [de werkgever] van mening dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur niet is aange-toond. De partijen voeren discussie over de inhoud van het addendum. Daarbij dienen de uitleggingsregels van het Burgerlijk Wetboek te worden gehanteerd. Het beding kan in tweeërlei zin worden uitgelegd: hetzij dat FB na de pensioenleeftijd niet meer zou tewerkgesteld worden, hetzij dat zolang zij voor [de werkgever] werkte, dit tot aan de pensi-oenleeftijd in het kader van tijdskrediet zou zijn. In die laatste uit-leg zegt het beding niets over de vraag of de arbeidsovereen-komst eerder opgezegd kon worden (of zou doorlopen na de pen-sioenleeftijd). Deze laatste uitleg stemt het best met de inhoud van het contract overeen (art. 1158 B.W.), dat immers een contract voor onbe-paalde tijd is. De woorden "tot aan de pensioenleeftijd" betekenen enkel dat de arbeidsduurvermindering bij de pensioenleeftijd zou aflopen, dit conform de CAO nr. 77bis. Ook de hoofdding van het addendum vermeldt expliciet: "ADDENDUM: ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR ONBEPAALDE DUUR IN EEN DEELTIJDSE DIENSTBETREKKING (tijdskrediet)". Men dient alle bedingen van een overeenkomst uit te leggen het ene door het andere (art. 1161 B.W.). Rekening houdend met het gegeven dat de arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur was, én met de titel van het addendum, kan enkel zinvol beslo-ten worden dat de gehele akte ook na 2004 nog een arbeids-overeenkomst voor onbepaalde duur was. Het is niet aangetoond dat de partijen de overeenkomst van on-bepaalde duur wilden omzetten in één van bepaalde duur (art. 1163 B.W.). Zij hebben niet afgesproken dat de arbeidsovereen-komst automatisch zou eindigen bij de pensioenleeftijd. *** Ook vanuit arbeidsrechtelijk perspectief kan de argumentatie van FB niet worden aanvaard. Het opnemen van tijdskrediet wijzigt de aard van de arbeidsover-eenkomst immers niet. De arbeidsovereenkomst wordt enkel ge-deeltelijk geschorst (cfr. J. Herman, Schorsing van de individuele arbeidsovereenkomst, Die keure, 2005, p. 12, 21 en p. 253). Nu de arbeidsovereenkomst niet wijzigt, maar enkel de uitvoering ervan gedeeltelijk geschorst wordt, kan niet worden ingezien dat de overeenkomst wordt omgezet in een overeenkomst van be-paalde duur. *** FB voert nog enkele andere argumenten aan die echter niet over-tuigen en hierna besproken worden. - In haar aanvraag stelde zij voor de werkregeling om te zetten in een deeltijdse werkregeling "tot aan mijn pensioenleeftijd". Dat doet geen afbreuk aan wat voorafgaat. Evenmin wijst die aanvraag erop dat de overeenkomst na de pensioenleeftijd automatisch een einde moest nemen. De aan-vraag handelt enkel over de omvang (50%) en duur (tot aan de pensioenleeftijd) van de vermindering van arbeidsprestaties. - De verklaringen (van DC en LR) die FB voorlegt zijn evenmin van aard de Rechtbank te overtuigen. In deze verklaringen wordt niet gesteld dat de partijen waren overeengekomen over te schakelen naar een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur. Zo bv. verklaart LR dat FB de functie heeft "aanvaard op voorwaarde dat deze functie mocht uitgeoefend worden zolang FB daartoe bereid was en aldus mogelijk tot aan haar pensi-oenleeftijd". - Tenslotte, dat bij de overschakeling van een voltijdse job naar een 4/5de dienstbetrekking in 2002 de woorden "tot aan de pensioenleeftijd" niet voorkwamen, is evenmin van aard ‘a con-trario' aan te nemen dat deze woorden in het addendum van 2004 de betekenis hadden dat de arbeidsovereenkomst er één voor bepaalde duur werd. Deze vergelijking is gekunsteld. *** Aangezien de geschriften (en hun contextuele interpretatie) onte-gensprekelijk aantonen dat de arbeidsovereenkomst niet automa-tisch zou eindigen op de pensioenleeftijd, is het niet dienstig een getuigenverhoor te bevelen. De vordering is ongegrond. B. Beschermingsvergoeding. Op 30 juni 2008 deelde men aan FB de beëindigingsbeslissing mee. Dit werd bevestigd bij brief van dezelfde dag. Volgens die brief zou een verbrekingsvergoeding worden betaald van 37 maand bruto loon. De brief vermeldt tevens: "Omwille van ontslag tijdens de periode van tijdskrediet zal u een beschermingsvergoeding gelijk aan 6 maanden bruto sa-laris worden betaald". FB stelde haar gewezen werkgever in gebreke: zij maakte aan-spraak op een verbrekingsvergoeding van 74 maand loon. Het zou immers gaan om een contract van bepaalde duur. In reactie daarop liet [de werkgever] weten daar niet mee ak-koord te gaan. En aangaande de beschermingsvergoeding ging het bedrijf dan stellen: "De beschermingsvergoeding zal niet worden betaald. FB heeft hier immers geen recht op aangezien zij werd ontslagen om redenen vreemd aan de uitoefening van het recht op tijds-krediet". In conclusies handhaaft [de werkgever] deze stelling. *** Beide partijen zijn het er over eens dat in casu de CAO nr. 77bis van 19 december 2001 van toepassing is. Overeenkomstig artikel 20 § 2 van deze CAO mag de werkgever geen ontslag geven "behalve om een dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de vermindering van de arbeidsprestaties". Beide partijen benade-ren de problematiek terecht vanuit de invalshoek dat de werkge-ver moet aantonen dat het ontslag geen uitstaans heeft met de vermindering van de arbeidsprestaties. Echter, door in de ontslagbrief reeds aan te kondigen dat een beschermingsvergoeding zou worden betaald, versterkt de werkgever zijn zaak niet. Weliswaar is het niet uitgesloten dat men zich vergist, zoals [de werkgever] in conclusies stelt, maar er dient dan toch een deugdelijke en duidelijke verklaring te worden bijgebracht aangaande de aard en oorsprong van het ontslag. S beweert dat bespaard moest worden en de taken moesten worden herverdeeld. Deze beweringen zijn echter zeer algemeen en vaag. Zij worden niet gesitueerd of bewezen. In elk geval deed er zich geen herstructurering voor zoals in
  6. Peter Beyens verklaarde dat door de ‘grootscheepse her-structurering' van 2004 de functie van FB kwam te vervallen. Er werden toen drie afdelingen samengebracht in één grote afde-ling. Maar aangaande de besparingen van 2008 geeft Peter Beyens in diezelfde verklaringen geen tekst en uitleg. Wat er in 2008 veranderde werd blijft onduidelijk. Het enige wat vaststaat is dat FB ontslag kreeg. Het is logisch dat haar taken dan door andere werknemers moesten worden opgenomen. Dit toont niet aan dat "de aard en de oorsprong van het ontslag vreemd zijn aan de vermindering van de arbeids-prestaties". Nog aangenomen dat bespaard moest worden, toont [de werkgever] niet aan dat daarom de functie van FB moest verdwijnen. S bewijst niet dat het ontslag vreemd is aan de vermindering van de arbeidsprestaties. De beschermingsvergoeding van zes maanden loon is dan ook verschuldigd. Deze vordering is gegrond. Het bedrag van de vergoeding wordt hierna bepaald. C. Berekening van de vergoedingen. Standpunten van partijen. FB betwist de wijze waarop de verbrekingsvergoeding van 194.053,01 euro werd berekend. Zij vordert een vergoeding be-rekend op het voltijds loon, en stelt dat [de werkgever] verkeer-delijk het loon voor verminderde prestaties als referentie heeft gehanteerd. Bovendien vordert ze de opname in de berekeningsbasis van het voordeel van het privaat gebruik van haar GSM en bedrijfswa-gen. Tenslotte vordert ze dat de beschermingsvergoeding op dezelfde basis zou worden berekend en toegekend. S meent dat de correcte berekeningsbasis in aanmerking werd genomen. Het bedrijf stelt dat de arbeidsovereenkomst een fundamentele wijziging onderging: het werd een overeenkomst voor deeltijdse arbeid, zodat niet kan worden aanvaard dat er sprake was van een gedeeltelijke schorsing. Met het ‘lopend loon' - berekeningsbasis voor de verbrekingsver-goeding - wordt dus enkel het deeltijds loon bedoeld. Loon voor volledige of verminderde arbeidsprestaties ? De verbrekingsvergoeding moet overeenkomstig artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet berekend worden op het ‘lopend loon'. De vraag is wat dat behelst. Er gaat een jarenlange con-troverse aan deze discussie vooraf. Anders dan [de werkgever] beweert staat het vast dat tijdskre-diet de aard van de arbeidsovereenkomst niet fundamenteel wij-zigt: zoals het tijdskrediet de overeenkomst niet omzet in één voor bepaalde duur, doet het tijdskrediet evenmin een overeen-komst voor deeltijdse arbeid ontstaan. Dat laatste is zelfs het geval zo het document bedoeld in artikel 11bis van de Arbeidsovereenkomstenwet moet worden opge-steld. Dat document strekt er immers enkel toe het tijdskrediet te regelen. Het is geen overeenkomst waarbij de werknemer zich ertoe verbindt om arbeid tegen loon te presteren: die contrac-tuele afspraken liggen immers al vast; alleen een modaliteit er-van wordt tijdelijk aangepast. Overigens wordt niet bij elke ge-deeltelijke schorsing een dergelijk document opgesteld (zie in J. Herman, Schorsing van de individuele arbeidsovereenkomst, Die Keure, 2005, p. 262, nr. 596). Ook de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis legt het gebruik van dat document op, maar uit die wet en parlementaire voorbereiding blijkt dat de arbeidsovereenkomst daarom geen overeenkomst voor deeltijdse arbeid (of van be-paalde duur) wordt. Na het tijdskrediet herneemt de eigenlijke overeenkomst derhal-ve zijn volledige uitwerking. Daar is geen overeenkomst voor nodig. Er zijn overigens belangrijke verschillen tussen een deeltijdse overeenkomst en één voor verminderde prestaties. Op arbeids-rechtelijk vlak wordt de samenwerking anders gekwalificeerd en geregeld. De werknemer in tijdskrediet geniet onderbrekingsuit-keringen, en de periode van tijdskrediet wordt in verschillende opzichten gelijk gesteld voor de sociale zekerheid. (vgl. artikel 34 § 1 N en art. 34 § 1 Nbis van het K.B. van 21 de-cember 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffen-de het rust- en het overlevingspensioen voor werknemers; artikel 65 § 2 M.B. van 26 november 1991 houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering; artikel 35 van de Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, 5° van de wet betreffen-de de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uit-keringen; artikel 56octies Kinderbijslagwet Werknemers van 19 de-cember 1939 zie Arbrb. Gent, 2 maart 2007, A.R. 173.006/06, TGR-TWVR 2007, afl. 4, 291, noot DE VOS, G). Vanuit dit sociaalrechtelijk begrippenkader is het onlogisch de opzeggingsvergoeding te berekenen op het loon voor de vermin-derde prestaties. Maar in een arrest van 23 april 2003 heeft het Arbeidshof van Antwerpen aangetoond dat de wetgever dit wel zo heeft gewild (geciteerd in cassatiemiddel). Dit arrest werd op 11 december 2006 bevestigd door het Hof van Cassatie (www.cass.be) dat zijn uitspraak herhaalde op 25 februari 2008 (J.T.T. 2008, 152; www.cass.be). Ook tekstueel kan onder ‘lopend loon' het loon voor verminderde prestaties worden verstaan. Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat deze interpretatie het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet schendt (arresten van 13 maart 2008 en 8 mei 2008). Het heeft dus geen belang te weten of het tijdskrediet de ar-beidsovereenkomst gedeeltelijk schorst dan wel een overeen-komst voor deeltijdse arbeid doet ontstaan. De discussie die de partijen hierover voeren is niet relevant. Nochtans heeft het Grondwettelijk Hof in een opgemerkt arrest van 28 mei 2009 (arrest nr. 89/2009) geoordeeld dat het ‘lo-pend loon' van artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet toch anders kan en moet worden geïnterpreteerd, wil men het gelijkheidsbeginsel niet schenden. Het arrest betrof de situatie van een werknemer die na arbeidsongeschiktheid het werk ge-deeltelijk had hervat. Krijgt ook die werknemer in geval van ont-slag een vergoeding berekend op het loon voor gedeeltelijke prestaties, dan wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden. Want (wanneer) de arbeidsongeschikte werknemer in een situatie van deeltijdse hervatting (verkeert) en derhalve van deeltijdse tewerkstelling waarvoor hij, anders dan de werknemers in een stelsel van deeltijdse arbeidsprestaties met toepassing van de artikelen 101 en 103 van de herstelwet van 22 januari 1985, waarover het Hof in zijn arresten nr. 51/2008 van 13 maart 2008 en nr. 77/2008 van 8 mei 2008 uitspraak heeft gedaan, niet zelf kiest maar waartoe hij ingevolge zijn gezondheidstoestand wordt gebracht, heeft de in het geding zijnde bepaling (...) onevenredige gevolgen. Het gelijkheidsbeginsel wordt echter niet geschonden zo men in dat geval de interpretatie hanteert dat met het ‘lopend loon' van artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet het loon voor vol-ledige arbeidsprestaties wordt bedoeld (vgl. overigens conclusie adv.-gen. Kokott van 14 mei 2009 voor HvJ, C116/08, www.curia.europa.eu). Dit arrest bevestigt aldus dat het begrip ‘lopend loon' ook anders kan worden geïnterpreteerd. Belangrijk vooral is dat het Grondwettelijk Hof deze andere in-terpretatie noodzakelijk acht zo de werknemer ‘geen keuze' heeft maar "ertoe wordt gebracht" deeltijds te werken. Deze rechtspraak sluit overigens naadloos aan bij de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis. Krachtens deze wet kan de werkgever een vermindering van arbeidsprestaties opdringen. Maar het artikel 17 ervan schrijft voor dat als de werkgever dan ook ontslag geeft, de vergoeding berekend zal worden op het loon voor vol-tijds werk. Een soortgelijke bepaling werd ingevoerd in artikel 353bis/7 van de programmawet I van 24 december 2002 (art. 12 wet 19 juni 2009). In de door de wet geviseerde situaties heeft de werknemer (veelal) "geen keuze". Het ware inderdaad moeilijk aanvaardbaar dat een werkgever ‘goedkoop' ontslag geeft na de arbeidsovereenkomst eerst gedeeltelijk te hebben geschorst. Dat zou op verregaande wijze afbreuk doen aan het beschermend karakter van het arbeidsrecht. Maar zo ook had FB geen keuze: zij moest wel halftijds tijdskre-diet nemen, want anders zou zij haar dienstbetrekking hebben verloren. [de werkgever] geeft in conclusies dat toe: "Uiteraard kon [de werkgever] FB niet dwingen om akkoord te gaan met een dergelijke ingrijpende wijziging van haar ar-beidsvoorwaarden. Indien FB niet akkoord zou gaan met dit aanbod dan zou het gevolg natuurlijk wel zijn dat zij zou zijn ontslagen omdat er geen voltijdse functie meer beschikbaar was voor haar na de reorganisatie". Weliswaar stelt [de werkgever] ook dat "men FB toen der tijd even goed gewoon had kunnen ont-slaan, maar [de werkgever] nog haar uiterste best heeft ge-daan om een alternatief voor FB te zoeken, waar zij geheel vrijwillig mee ingesteld heeft". Heeft FB dan wel ingestemd, dan is dat enkel omdat zij ‘geen keuze' had (of haar dienstbetrekking en bron van levensonder-houd te verliezen). Overigens verklaarde ook human resources manager LR dat door het creëren van een part time functie "een vrij duur ontslag werd vermeden". Zoals de deeltijds arbeidsongeschikte werknemer en de bediende in geval van gebrek aan werk door de crisis (art. 23 wet 19 juni 2009) niet kunnen kiezen, kon FB dat evenmin. FB bevond zich in een wezenlijk verschillende situatie dan werk-nemers die zelf en uit eigen beweging beslissen van hun recht op tijdskrediet gebruik te maken. Zij werd "ertoe gebracht" deeltijds te gaan werken. Het stelsel werd op oneigenlijke wijze gebruikt. FB nam geen tijdskrediet op om haar gezinsleven en professionele activiteiten anders te organiseren. De afspraak tijdskrediet had in casu een andere ‘oorzaak' (in verbintenisrechtelijke zin van het woord). Overigens slaagt [de werkgever] er niet in aan te tonen dat het ontslag vreemd is aan het tijdskrediet. Gelet op (a) de interpretatiemogelijkheden van het begrip ‘lo-pend loon', (b) het gegeven dat FB ‘geen keuze' had, én (c) het beschermend karakter van het arbeidsrecht, besluit de Recht-bank dan ook dat de vergoeding moet worden berekend op het lopend loon voor volledige prestaties. Samenstelling van het basisjaarloon. Vast loon, eindejaarspremie en vakantiegeld. Het wordt niet betwist dat het maandelijks loon 7.133,39 euro bedroeg. Inclusief eindejaarspremie en vakantiegeld bedraagt het vast loon op jaarbasis (x 13.92%) derhalve 99.296,78 euro. Voordeel privaat gebruik bedrijfswagen. FB kon gebruik maken van een Audi A
  7. [de werkgever] stelt dat dit voordeel enkel in rekening kan worden gebracht overeen-komstig het bedrag vermeld op de individuele rekening. De fiSle waardering of het bedrag vermeld op de loonfiches weer-spiegelen niet noodzakelijk die reële waarde van het voordeel (132,04 euro). Die wordt bepaald rekening houdend met een normaal gebruik, met de afschrijvingswaarde, het verbruik, de verzekeringen en de verkeersbelasting. Rekening houdend met de gegevens waarover de Rechtbank be-schikt, en met hetgeen in gelijkaardige gevallen wordt toegekend, wordt de waarde van dit voordeel naar billijkheid vastgesteld op 300,00 euro. S bepaalt de waarde op 200 euro. Het bedrijf vraagt niet dat de persoonlijke bijdrage van 132,04 euro daarop in mindering wor-den gebracht. In de benadering van [de werkgever] bedraagt het voordeel op jaarbasis 2.400 euro. Dat bedrag wordt dan ook op-genomen in de berekeningsbasis. Maaltijdcheques en groepsverzekering Hierover is geen betwisting. Privaat gebruik GSM. FB toont niet aan dat zij de GSM mocht gebruiken voor private doeleinden. Bovendien blijkt uit de facturen dat ze maandelijks belde voor een bedrag van 4,50 euro. Toch vraagt ze een bedrag van 25,00 euro... Totaal: Het basisjaarloon moet als volgt worden samengesteld: jaarbasis vast brutoloon 99.296,78 euro privaat gebruik wagen 2.400,00 euro maaltijdcheques 902,52 euro groepsverzekering 9.985,20 euro Totaal brutoloon 112.584,50 euro Er is geen betwisting over het aantal maanden loon dat ver-schuldigd is, met name 37 maand. De verbrekingsvergoeding bedraagt derhalve 112.584.50 / 12 x 37 of 347.135,54 euro. Er werd reeds een bedrag betaald van 194.053,01 euro zodat een saldo aan verbrekingsvergoeding (art. 39 Arbeidsovereen-komstenwet) verschuldigd blijft van 153.082,53 euro. De beschermingsvergoeding (art. 20 §4 CAO 77bis) dient te worden bepaald op 112.584.50 / 12 x 6 of 56.292,25 euro. Nevenvorderingen. Interesten De interesten zijn verschuldigd op brutobedragen en vanaf de datum van het ontslag tot de betaling. Doordat de verbrekingsvergoeding e.a. ten bedrage va,n 194.053,01 euro) pas werd betaald op 8 augustus 2008 heeft de eiseres recht op aanvullende interesten voor de tussenliggende periode. Het laatste loon werd betaald op 23 juni
  8. Een complement van 1.481,55 euro (voor CAO-dagen) werd echter pas betaald op 19 augustus. De eiseres heeft recht op die interesten tot 19 au-gustus
  9. Sociale en fiSle documenten. De overeenstemmende documenten moeten worden afgeleverd. Er kan een dwangsom aan worden gekoppeld. Uitvoerbaarheid bij voorraad. De eiseres vraagt ook de voorlopige uitvoerbaarheid. De Recht-bank kan deze nochtans niet toestaan. Een rechterlijke uitspraak wordt in beginsel geschorst door verzet of hoger beroep (art. 1397 Ger.W.). De voorlopige tenuitvoerlegging (art. 1398, eer-ste lid Ger.W.) wijkt af van dit uitgangspunt, en kan derhalve slechts uitzonderlijk worden toegestaan. In casu blijkt niet waarom de Rechtbank de voorlopige tenuit-voerlegging zou moeten toestaan. Er worden geen elementen aangebracht die erop wijzen dat de verwerende partij haar ver-plichtingen, voortvloeiend uit dit vonnis, niet zou nakomen. Bo-vendien heeft FB reeds een gedeeltelijke vergoeding ontvangen. Gerechtskosten. De kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, o.m. wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld (art. 1017 Ger.W.). De vordering van FB werd enkel ingewilligd wat de bescher-mingsvergoeding (en berekening en interesten) betreft. Zij werd in het ongelijk gesteld wat de belangrijkste vordering betreft. In die omstandigheden veroordeelt de Rechtbank elke partij tot het ten laste nemen van de kosten aan eigen zijde gevallen. V. BESLISSING. De Arbeidsrechtbank te Gent, tweede kamer, spreekt het vol-gend vonnis uit op tegenspraak. De Rechtbank verklaart de vorderingen ontvankelijk, en als volgt gegrond. De Rechtbank veroordeelt de verweerster tot het betalen aan de eiseres van een bedrag ten titel van saldo verbrekingsvergoe-ding van 153.082,53 euro. De Rechtbank veroordeelt de verweerster tot het betalen aan de eiseres van een bedrag ten titel van beschermingsvergoeding van 56.292,25 euro. Beide bedragen worden verhoogd met interesten aan de wette-lijke interestvoet vanaf de eisbaarheid (30 juni 2008) tot de da-tum van betaling. De werkgever dient de wettelijke voorgeschreven inhoudingen te verrichten. De Rechtbank veroordeelt de verweerster tevens tot het betalen aan de eiseres van interesten aan de wettelijke interestvoet op een bedrag van - 194.053,01 euro, voor de periode van 30 juni 2008 tot 8 au-gustus 2008, en - 1.481,55 euro, voor de periode van 30 juni 2008 tot 19 augus-tus
  10. De Rechtbank veroordeelt de verwerende partij tot afgifte van de loonfiche en fiscale fiche met betrekking tot de vordering on-der verbeurte van een dwangsom van 2,50 euro per dag en per ontbrekend document, indien na één maand na betekening van het vonnis hieraan geen gevolg werd gegeven. Elk der partijen wordt veroordeeld tot het ten laste nemen van de gerechtskosten aan eigen zijde gevallen. Het vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Aldus gewezen door: Dhr. B.LIETAERT, rechter in de arbeidsrechtbank die de tweede kamer voorzit ; Dhr. J.DESMET, rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever ; Dhr. J.DE HON, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-bediende; bijgestaan door :Mevr. R.COOLENS, griffier ; en uitgesproken op ZEVEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN NE-GEN in openbare terechtzitting van de tweede kamer van de ar-beidsrechtbank Gent. R.COOLENS J.DE HON J.DESMET B.LIETAERT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20090907.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.