← België

ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20091116.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 16 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20091116.2 Rolnummer: 08/3175 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-11-20 Raadplegingen: 153 - laatst gezien 2026-07-02 20:36 Fiche Bij het bepalen van de opzeggingsvergoeding houdt de rechter rekening met de anciënniteit, en met de gegevens die een invloed kunnen hebben op de wedertewerkstellingskansen, zoals de handicap en het feit dat de functie een knelpuntberoep is, al zijn dit algemene gegevens waarvan de invloed moet worden afgetoetst aan de concrete realiteit. De werknemer die beweert 'uitvindingen' te hebben gedaan, zoals 'braadworst met bloemkool' kan daarvoor geen schadevergoeding krijgen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzegging SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: I. Opzeggingsvergoeding - handicap - knelpuntberoep - gedragsfouten. II. Dienstuitvinding - geen schadevergoeding Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82, 39 Gerechtelijk Wetboek - 574,15°, 578 Wet - 28-03-1984 - 2, 29, 73 Tekst van de beslissing A.R. 08/3175 Rep.nr. De arbeidsrechtbank Gent, tweede kamer, spreekt het volgend vonnis uit : INZAKE : LVDV, bediende, geboren te , wonende, - EISENDE PARTIJ - ter zitting vertegenwoordigd door Mr.M.PLATTEAU, advocaat loco Mr.L.J.MARTENS, advocaat met kantoor te 9040 SINT-AMANDSBERG, Antwerpsesteenweg 360; TEGEN : N.V. CR, met zetel te, - VERWERENDE PARTIJ - ter zitting vertegen-woordigd door Mr.T.MESSIAEN, advocaat met kantoor te 9031 DRONGEN, Baarledorpstraat

  1. I. PROCEDURE. De vordering werd ingeleid bij dagvaarding betekend op 1 december
  2. De partijen hebben de conclusiekalender niet in onderling overleg be-paald. De Rechtbank heeft het procesverloop daarom zelf bepaald, en de pleitdag vastgesteld op 19 oktober
  3. De partijen zijn verschenen, maar konden niet worden verzoend. Ze werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies. De debatten werden gesloten; de stukken ingezien. De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd (inzonderheid de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41). II. VORDERING. De eisende partij vordert in haar syntheseconclusie (art. 748bis Ger.W.): - de aangepaste vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; - Verweerster te veroordelen tot betaling aan eiser : - 350,71 euro, hoofdens aanpassing van opzegvergoeding, - 33.044,90 euro, hoofdens aanvullende opzegvergoeding, - 1,00 euro, provisioneel hoofdens vergoeding voor het gebruik van intellectuele eigendomsrech-ten, alle bedragen te vermeerderen met de vergoedende intrest aan de wettelijke rentevoet sedert 23 juli 2008 en de gerechtelijke intrest sedert 1 december 2008; - Een deskundig onderzoek te bevelen en een accountant als ge-rechtsdeskundige aan te stellen met als opdracht advies te ver-strekken over de waarde van de commercialisering door verweer-ster van de intellectuele eigendomsrechten aan verweerster toebe-horend en dit voor de periode sedert het ontslag tot zolang ver-weerster het genot van de door eiser ontworpen vleesproducten produceert en verkoopt en daartoe te bepalen hoeveel het bedrijf van verweerster aan netto winst verdiende voor ieder product van-af einde arbeidsovereenkomst voor ieder verstreken jaar; - Verweerster tevens te veroordelen tot afgifte van het aangepaste : - model C4, - maandloonfiche 07.2008, - jaarloonfiche 2008, - fiche vakantiegeld 2008, met veroordeling van verweerster tot betaling van een dwangsom van 250,00 euro per maand bij niet aflevering van ieder voornoemd document binnen de 30 dagen na de betekening van het tussen te komen vonnis; - subsidiair nopens de bevoegdheid : voor zover de Arbeidsrecht-bank zich niet dadelijk bevoegd zou verklaren, de zaak bij toepas-sing van artikel 639 Ger.W. naar de Arrondissementsrechtbank te Gent te verwijzen voor beslissing over het opgeworpen middel van onbevoegdheid. - de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het te vellen vonnis, ge-zien het dringend karakter der gevraagde voordelen en expertise; - verweerster te veroordelen tot betaling van alle gerechtskosten: - 142,90 euro dagvaardingskosten, - 2.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding. Bij besluiten neergelegd ter griffie op 7 september 2009 vordert verwerende partij : - de vordering van eiser wegens gebruik van intellectuele eigendoms-rechten niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren; - de besluiten van eiser van 14 april 2009 en 17 juli 2009 uit de de-batten te weren wegens een inbreuk op de wetten inzake taalge-bruik in gerechtszaken; - de vordering van eiser m.b.t. de aanvullende verbrekingsvergoeding en m.b.t. de afgifte van de sociale en fiscale documenten, ontvanke-lijk doch ongegrond te verklaren; - eiser te veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 2.000,00 euro en in ieder geval tot de kosten van de dagvaar-ding. Ter zitting stellen partijen dat zij geen vordering instellen op basis van de de discriminatiewet. III. FEITEN. LVDV trad op 24 september 1992 in dienst bij CR (toen een bv-ba; inmiddels een nv). De arbeidsovereenkomst dateert van 23 september
  4. Hij werd aangeworven als produktiemedewer-ker. De tewerkstelling verliep niet zonder moeilijkheden, al erkent de nv CR dat er geen klachten waren op professioneel vlak. Wel wa-ren de menselijke verhoudingen tussen LVDV en zijn collega's en bedrijfsleiding bijzonder gespannen en kennelijk ook verziekt. Uiteindelijk heeft de werkgever bij aangetekende brief van 23 ju-li 2008 de arbeidsovereenkomst beëindigd. De opzeggingstermijn werd aanvankelijk bepaald op 12 maan-den, maar na correspondentie over en weer werd ervoor geop-teerd een opzeggingsvergoeding uit te betalen overeenstem-mend met 17 maand loon. LVDV meent echter dat dit niet volstaat. De partijen hebben hierover nog onderhandeld en gecorrespondeerd, maar er werd geen minnelijke regeling bereikt. IV. BEOORDELING. A. Taalwetgeving. De nv CR voert in eerste instantie aan dat LVDV de taalwet in gerechtszaken heeft geschonden: zijn conclusies bevatten cita-ten in de Franse taal. De Rechtbank stelt echter vast dat de syntheseconclusies het Franstalig citaat voorziet van een vertaling. Dat dit citaat twee keer werd opgenomen terwijl de vertaling er slechts één keer in staat, maakt geen schending uit van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Deze exceptie wordt verworpen (art. 2 en 40 wet van 15 juni 1935). B. Opzeggingsvergoeding. Juridisch kader. Er is geen betwisting tussen partijen dat LVDV tot de categorie van de "hogere bedienden" behoorde in de zin van artikel 82 § 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet. De partijen bij een arbeidsovereenkomst moeten een eventuele opzeggingstermijn in onderling overleg vaststellen (artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet). Lukt dat niet, dan doet de rechter de oefening in hun plaats (cfr. Adv.-Gen. H. Lenaerts voor Cass., 10 januari 1983, R.W., 1982-83, 2065, en W. Van Eeckhoutte, "Het belang van de werkgever", T.S.R. 1994, p. 49, nr. 43). Logischerwijze houdt de rechter rekening met de ele-menten die de partijen op dat moment ook zelf in rekening zou-den hebben gebracht. Met gegevens van na het ontslag - zoals dat hij snel terug ander werk vond - kan bijgevolg geen rekening worden gehouden (bv. Cass., 5 januari 2009, www.juridat.be). De opzeggingstermijn wordt bepaald overeenkomstig de duur nodig om een nieuwe gelijkwaardige dienstbetrekking te vinden. Daartoe wordt rekening gehouden met de anciënniteit, de leef-tijd, de functie en het loon van de werknemer, en met de gege-vens eigen aan de zaak die een invloed kunnen hebben op de wedertewerkstellingskansen. Algemeen wordt aangenomen dat de opzeggingstermijn of -vergoeding ook in belangrijke mate de trouw aan de werkgever vergoedt (Adv.gen.H.Lenaerts, Cass.,10 januari 1983, R.W., 1983-1984, p.1200; cfr.Arbh.Brussel, 16 mei 2008, J.T.T. 2008, p.334). Vandaar dat de anciënniteit een belangrijke rol speelt. Zoals de partijen dat zouden hebben gedaan, dient de Rechtbank ook rekening te houden met de omstandigheden eigen aan de zaak. De Rechtbank moet de opzeggingstermijn zelfs bepalen met inachtneming van beiderzijdse belangen (zie W. Van Eeck-houtte, Sociaal Compendium Arbeidsrecht 2009-10, Kluwer, Antwerpen, nr. 3976, zie ook W. Van Eeckhoutte, "Het belang van de werkgever", T.S.R. 1994, p.46 e.v., nrs. 40 e.v.). De opzeggingsvergoeding stemt overeen met het aantal maan-den opzeggingtermijn dat normaal moest worden gepresteerd (art. 39 § 1 van de Arbeidsovereenkomstenwet). Standpunten van de partijen. De nv CR stelt dat één maand per jaar anciënniteit volstaat. Verder verwijst de verwerende partij naar de vele en toch wel pijnlijke problemen die men tijdens de samenwerking heef ont-moet. De stukken in dit verband zijn ontluisterend, bv. de brieven van de arbeidsgeneesheer die een klacht ontving wegens tergend en irriterend gedrag van LVDV; de arbeidsgeneesheer die vond dat het zo ver ging dat men de medische inspectie moest inlich-ten; de geformaliseerde klachten over de explosieve reacties van LVDV; de schrik die hij mensen aanjaagt; zijn algemene attitude en verdeel-en-heers mentaliteit, enz. enz. Volgens de nv CR kan een opzeggingsvergoeding gelijk aan 17 maand loon volstaan. Zij wijst er verder ook op dat LVDV tewerk gesteld was in een knelpuntberoep. LVDV voert aan dat geen rekening werd gehouden met zijn speci-fieke situatie. Hij heeft een handicap. Naar aanleiding van een verkeersongeval op 26 februari 1989 werd zijn linker onderbeen geamputeerd. Daarom moet de vergoeding die hem toekomt ho-ger zijn dan wat gemiddeld wordt toegekend. Maar de nv CR antwoordt gediscrimineerd te worden zo de opzeg-gingsvergoeding hoger mocht zijn dan wat gemiddeld wordt toe-gekend. LVDV replikeert dat de nv CR zich ten onrechte op de an-tidiscriminatiewet van 10 mei 2007 beroept. Volgens hem "bewijst het bestaan van deze Wet de gegrondheid van (zijn) stelling dat een legistieke tussenkomst nodig is om te beletten dat fysiek ge-handicapte werknemers op grond van hun handicap gediscrimi-neerd worden". Ter zitting hebben beide partijen op vraag van de Rechtbank evenwel uitdrukkelijk bevestigd geen vorderingen te stellen op basis van de discriminatiewet. Beoordeling door de Rechtbank. Het standpunt van CR dat één maand per jaar anciënniteit volstaat, kan niet worden gevolgd. Een vonnis dat oordeelt dat één maand per jaar anciënniteit verschuldigd is, zou het verbod schenden om bij wege van algemene en als regel geldende be-schikking uitspraak te doen (art. 6 Ger.W.). De Rechtbank moet integendeel inschatten wat de duur is om een nieuwe gelijkwaar-dige dienstbetrekking te vinden, zoals de partijen dat zouden hebben gedaan (art. 82 Arbeidsovereenkomstenwet). De Rechtbank kan geen rekening houden met de gedragsfouten van LVDV. Dit heeft immers niet meteen een invloed op zijn kan-sen om ander werk te vinden (bv. Arbh.Brussel, 22 april 2008, J.T.T. 2008, p.335). Zo de samenwerking echt niet verder lukt, dan is het wettelijk antwoord de opzegging. Het wettelijk ant-woord is niet het opzeggen aan een ‘goedkoper tarief'. Overigens is deze argumentatie van CR toch ook behept met een probleem. Men is jaren blijven werken met een man over wiens gedrag zo vele en scherpe klachten werden geformuleerd. De medewerkers stelden zich de vraag waarom de directie niets ondernam en ook de arbeidsgeneesheer heeft verschillende keren om een dringen-de tussenkomst verzocht. Het is niet duidelijk wat de afloop daar-van is geweest, maar feit is wel dat LVDV lang is blijven werken en de klachten bleven komen. Het blijkt niet dat CR in het verle-den die problematiek adequaat heeft aangepakt. Het is dan niet passend naar dat verleden te verwijzen. Daarentegen dient de Rechtbank bij de besluitvorming wél reke-ning te houden met het algemeen bekend gegeven dat personen met een handicap minder kansen hebben op de arbeidsmarkt. Dat is ook het geval wanneer een handicap geen enkel verband houdt met de taak. Maar de negatieve invloed op de wederte-werkstellingskansen is uiteraard nog groter zo de handicap de uit-voering van de concrete taak bemoeilijkt. Het stoort dan ook dat de eiser niet aangeeft in welke zin zijn handicap een nadeel uit-maakt voor zijn concreet werk. Hij maakt niet duidelijk in welke zin de amputatie van het linkeronderbeen de uitvoering van zijn taak als produktieverantwoordelijke bemoeilijkt. Evenmin blijkt of hij staande arbeid moest leveren, in welke mate, en of zijn handi-cap bij zijn werk nadelig is. Overigens verschaft geen van beide partijen informatie over de vraag of er voor de reclassering van de eiser overheidstussenkomsten bestaan, wat evenzeer een in-vloed kan hebben op de wedertewerkstelling. De nv CR legt de VDAB-lijst met knelpuntenberoepen van 2008 voor. De lijst vermeldt de functie van ‘productieoperator'. Voor de nv CR is het dan ook duidelijk: de eiser zou gemakkelijk elders werk vinden. Men dient dit argument voorzichtig te hanteren. Een knelpuntbe-roep is in wezen een beroep dat moeilijk invulbaar is. Voor de werkgever betekent dit dat hij moeilijk geschikt personeel vindt, maar voor de werkzoekenden kan dit betekenen dat zij moeilijk aan de specifieke eisen en verwachtingen van de werkgevers voldoen. Het is vaak moeilijk werk te vinden in knelpuntberoe-pen (gezien de verlangde kwalificaties of omstandigheden). Daarom werken de VDAB en andere instellingen hele batterijen specifieke opleidingen en andere tewerkstellingstrajecten uit om hieraan tegemoet te komen, en om de werkzoekenden toe te leiden naar de knelpuntberoepen. Het is al te eenvoudig om te stellen dat gelijk welke werkzoekende meteen aan de slag kan in een knelpuntberoep. Het concrete profiel van de werkzoekende moet ook nog beantwoorden aan de werkelijke en reële ver-wachtingen van de werkgever. De loutere vermelding van de functie blijft abstract. Maar in casu betwist LVDV niet dat zijn profiel beantwoordt aan de functie vermeld in de lijst. Hij huldigt zich in een betekenisvol stilzwijgen over dit argument. Bovendien vermeldt de lijst dat de oorzaak van het knelpuntka-rakter in casu kwantitatief van aard is, wat betekent dat er voor die job te weinig mensen instromen op de arbeidsmarkt. Dit is een element dat wordt meegenomen bij de beoordeling. LVDV had bijna 16 jaar anciënniteit en was ongeveer 42 jaar oud (° 07.08.1965) op het ogenblik van het ontslag. Hij verdien-de op jaarbasis een loon van 56.400,88 euro. Rekening houdend met al deze elementen, is de Rechtbank van oordeel dat de uitbetaalde opzeggingsvergoeding volstaat. Overigens is het volslagen onduidelijk waarom de handicap van LVDV zijn eis rechtvaardigt om een extra vergoeding gelijk aan 7 maand loon te bekomen. Hij motiveert dat op geen enkele wijze. *** Aangenomen dat de vergoeding moet worden bepaald op 17 maand loon, zoals de werkgever dat heeft gedaan, dienen er ver-der nog enkele geschilpunten beoordeeld te worden aangaande de wijze waarop de vergoeding wordt berekend. Beide partijen vertrekken van een maandloon van 3.436,21 euro. Waar dat met 12 wordt vermenigvuldigd, wordt rekening gehou-den met het enkel vakantiegeld. Door het echter met 13,92 te vermenigvuldigen, wordt bovendien rekening gehouden met een volledige eindejaarspremie (terwijl de eiser slechts de opname van 2.004,46 euro vordert) en het dubbel vakantiegeld. LVDV heeft het dus verkeerd voor waar hij stelt dat deze componenten niet werden opgenomen in de berekeningsbasis. Ook het voordeel van het privaat gebruik van de bedrijfswagen werd opgenomen en werd door de werkgever zelfs eerder over-gewaardeerd (549,43 euro per maand). LVDV heeft nog een korte tijd na het einde van de overeenkomst gebruik gemaakt van de bedrijfswagen. Aldus kon de nv CR terecht voor die periode het overeenstemmende deel in mindering brengen op de opzeggings-vergoeding. LVDV kan dat voordeel geen twee keer vragen (vgl. A. Bossuyt, "Algemene rechtsbeginselen in de rechtspraak van het Hof van Cassatie", T.P.R. 2004, 1618). De partijen bepalen de voordelen van de groeps- en hospitalisa-tieverzekeringen op dezelfde wijze. De verweerster wijst erop - en wordt daarin niet tegengesproken door de eiser - dat een deel van deze verzekering reeds werd betaald. Aldus beschouwd blijkt de werkgever een meer dan behoorlijke vergoeding te hebben betaald. De nv CR heeft artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet correct toegepast; LVDV kan geen aanspraak maken op een aanvullende vergoeding. De vordering is ongegrond. C. De vergoeding voor intellectuele eigendomsrechten.
  5. De bevoegdheid van de Rechtbank. Reeds in de inleidende dagvaarding vorderde LVDV een vergoe-ding voor het gebruik van ‘intellectuele eigendomsrechten'. Hij baseerde en baseert deze vordering op onder meer het Verdrag van Parijs van 14 juli 1967, de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooien en de wet op de arbeidsovereenkomsten. De nv CR voert aan dat deze vordering beoordeeld hoort te wor-den door de Rechtbank van koophandel die ter zake exclusief bevoeg is. LVDV antwoordt dat de Arbeidsrechtbank wél bevoegd is; slechts in ondergeschikte orde stelt deze partij voor de zaak naar de Ar-rondissmentsrechtbank te verwijzen. *** De Rechtbank kan zijn bevoegdheid zelf vaststellen (art. 639, eerste en derde lid Ger.W.) aangezien de eiser dat in eerste in-stantie ook zo vraagt, en slechts in ondergeschikte orde de ver-wijzing naar de Arrondissementsrechtbank voorstelt. Artikel 574, 15° van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de Rechtbank van koophandel bevoegd is voor "de in artikel 73 van de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooien bedoelde vorderingen". Dit artikel 73 vermeldt onder meer §
  6. De rechtbanken van koophandel nemen, zelfs wanneer de partijen geen kooplieden zijn, kennis van alle vorderingen in-zake octrooien of aanvullende beschermingscertificaten, onge-acht het bedrag van de vordering. §
  7. Is uitsluitend bevoegd tot kennisneming van de vordering inzake inbreuk op octrooien of inzake vaststelling van de in artikel 29 voorziene vergoeding, de rechtbank die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied de inbreuk of de exploitatie is geschied of, naar keuze van de eiser, de rechtbank die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied de verweerder of één hunner zijn woon- of verblijfplaats heeft. Inderdaad betreft dit een exclusieve bevoegdheid. Maar de vor-dering die LVDV stelt is geen vordering in de zin van dit artikel
  8. Hij heeft immers geen octrooi (zijn gewezen werkgever evenmin). De vergoeding die hij vordert is evenmin een vergoe-ding in de zin van artikel 29, aangezien deze bepaling de moge-lijkheid beschrijft krachtens welke een octrooiaanvrager een ver-goeding kan bekomen. LVDV is echter geen octrooiaanvrager. LVDV baseert zijn vordering niet op artikel 29 of artikel 73, maar uitdrukkelijk op artikel 2 van de wet: Onder de voorwaarden en binnen de grenzen van deze wet wordt onder de naam "uitvindingsoctrooi", hierna octrooi ge-noemd, een uitsluitend en tijdelijk recht van exploitatie ver-leend voor iedere uitvinding die nieuw is, op uitvinderswerk-zaamheid berust en vatbaar is voor toepassing op het gebied van de nijverheid. Bovendien baseert hij zijn vordering ook op de artikelen 17, 3° a en 18, 7° van de Arbeidsovereenkomstenwet. De Arbeidsrecht-bank is daar uitdrukkelijk voor bevoegd (art. 578 Ger.W.), al-thans wat art. 17, 3° a betreft.
  9. Beoordeling van de aanspraak. LVDV stelt dat hij volgende uitvindingen heeft gedaan: - Lasagne bolognaise Weicht Watchers, - Vol au vent Aldi, - Vol au vent met aardappelpuree Delhaize, - Groentenbereidingen GB/Carrefour, - Nr. 1 vacuümgerechten Carrefour, - Celentoni met kip en mascarponesaus, - Hamrolletjes met ham (!), - Moussaka Delhaize, - Macaroni 365 met ham en kaassaus, - Penne bolognaise Delhaize, - Macaroni Delhaize, - Braadworst met bloemkool, braadjus en natuuraardappelen Delhaize, - Tortelloni ricotta spinazie en puttenescasaus Delhaize (?), - Varkenskotelet met spinazie en aardappelen Delhaize, - Paëlla Valanciana Delhaize, - Spaghetti Bolognaise Delhaize, - Lasagne bolognaise Menken en Oberland. Hij argumenteert dat hij als uitvinder van deze gerechten daar ook de titularis van is, en meent derhalve klaarblijkelijk ook dat deze gerechten niet door anderen mogen worden bereid. Hij voegt daar nog aan toe dat artikel 17, 3° a van de Arbeids-overeenkomstenwet "weliswaar een confidentialiteitsclausule voor de werknemers bevat, doch a contrario niet toelaat dat de werkgever een onbeperkt gebruik mag maken van de intellec-tuele prestaties van de werknemer (...)". De nv CR verweert zich door te stellen dat voormelde bepaling enkel een verplichting van de werknemer inhoudt. Klaarblijkelijk meent de verweerster derhalve dat LVDV deze geheimen niet verder mag exploiteren, en de vernoemde gerechten niet mag bereiden. Er wordt nochtans geen vordering in dit verband ge-steld. Verder meent de nv CR te weten dat art. 18, 7° van de Arbeids-overeenkomstenwet niet zou bestaan, en dat de uitvinding van de eiser niet beschermd is door een octrooi. De creaties zouden zelfs niet aan de ‘octrooieerbaarheidsvereisten' voldoen. *** De Rechtbank meent dat de vordering niet kan worden ingewil-ligd. Vooreerst deelt de Rechtbank de opvatting van de verwerende partij dat artikel 18, 7° van de Arbeidsovereenkomstenwet niet bestaat. Het betreft evenmin een bepaling die vroeger heeft be-staan, noch zijn er wetsvoorstellen die een dergelijke bepaling beogen in te voeren. Hoewel de creaties van LVDV ongetwijfeld een belangrijke maat-schappelijke meerwaarde betekenen, blijkt niet meteen dat het om nieuwigheden gaat. Er is natuurlijk wel een verschil tussen bv. ‘vol au vent Aldi', ‘vol au vent Delhaize' en gewone ‘vol au vent', maar de Rechtbank is van oordeel dat onvoldoende werd aangetoond dat de eerst vermelde gerechten ook uitvindingen zijn. Het valt trouwens op dat in conclusies LVDV buiten de geciteerde opsomming geen andere gegevens verschaft. Het stukkenbundel bevat wel foto's van de gerechten en ook wat ‘steekfiches' (lijst met ingrediënten), maar daaruit kan evenmin worden afgeleid dat er sprake is van uitvindingen. Overigens, betrof het al uitvindingen, dan was dat wel een dienstuitvinding waarvoor geen vergoeding kan worden toege-kend (M.C. Janssens, "Uitvindingen van werknemers. Een «no-toire» lacune in de Belgische wetgeving − pleidooi voor een wet-telijke regeling, R.W. 1996-97, 865). De uitvinding is dan het re-sultaat van de arbeid waar de werknemer voor werd betaald. Deze vordering is niet ernstig en wordt afgewezen als flagrant ongegrond. V. BESLISSING. De Arbeidsrechtbank te Gent, tweede kamer, spreekt het vol-gend vonnis uit op tegenspraak. De Rechtbank verklaart zich bevoegd. De vorderingen zijn ontvankelijk. De Rechtbank wijst de vorderingen van de eisende partij echter alle af als ongegrond. LVDV wordt veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten. Het bedrag van de te vereffenen kosten wordt tot op heden be-groot aan de zijde van verwerende partij op : rechtsplegingsvergoeding : 2.000,00 euro onverminderd de kosten van uitgifte van onderhavig vonnis. Aldus gewezen door: Dhr. B.LIETAERT, rechter in de arbeidsrechtbank die de tweede kamer voorzit ; Dhr. L.DHAENENS, rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever ; Dhr. D.VAN HOOREBEKE, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-bediende; bijgestaan door :Mevr. R.COOLENS, griffier ; en uitgesproken op ZESTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN NE-GEN in openbare terechtzitting van de tweede kamer van de ar-beidsrechtbank Gent. R.COOLENS D.VAN HOOREBEKE L.DHAENENS B.LIETAERT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2009:JUG.20091116.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.