id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 08 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2010:JUG.20100308.1 Rolnummer: 09/1743 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2010-03-12 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 21:32 Fiche Een schuldeiser die een schuldvordering indient, maar talmt met het indienen van een bijkomende schuldvordering verliest zijn recht. De collectieve schuldenregeling is immers bedoeld om de financiële situatie van mensen te saneren, daarbij rekening houden met de gelijkheid onder de schuldeisers. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Algemeen (collectieve schuldenregeling) GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Andere (collectieve schuldenregeling) Vrije woorden: Schuldvordring gedeeltelijk aangeven in de CSR - Voor het ander deel dagvaarden na het verstrijken van de CSR - ongegrond Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 1674 Gerechtelijk Wetboek - 1674/9 Gerechtelijk Wetboek - 1674/14 Tekst van de beslissing A.R. 09/1743 Rep.nr. De arbeidsrechtbank Gent, tweede kamer heeft het volgend vonnis uitgesproken : INZAKE : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, ondernemingsnummer 0206731645, - EISENDE PARTIJ OP HOOFDVORDERING - VERWERENDE PARTIJ OP TEGENVORDERING - ter zitting vertegenwoordigd door Mr.S.VANOVERBEKE, advocaat met kantoor te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Driekoningen-straat 3 ; TEGEN : C Peter, wonende te, - VERWERENDE PARTIJ OP HOOFDVORDERING - EISENDE PARTIJ OP TEGENVORDERING - ter zit-ting vertegenwoordigd door Mr.I.ABBELOOS, advocaat met kantoor te 9000 GENT, Fortlaan
- I. PROCEDURE De vordering werd ingeleid bij dagvaarding betekend op 28 december
- De zaak werd weggelaten van de rol. Op vraag van de verwe-rende partij - Peter C - werd zij opnieuw ingeschreven op de rol (op 30 juni 2009). De partijen hebben de conclusiekalender niet in onderling overleg be-paald. De Rechtbank heeft het procesverloop daarom zelf bepaald, en de pleitdag vastgesteld op 8 februari
- De partijen zijn verschenen. Ze werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies. De debatten werden gesloten; de stukken ingezien. De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd (inzonderheid de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41). II. VORDERING. De eisende partij op hoofdeis vordert in haar conclusie de verwe-rende partij te veroordelen tot: - 461,03 euro, te vermeerderen met de verwijlintresten op 338,30 euro vanaf 3 november 2001 tot de dag der algehele betaling; - 62,02 euro dagvaardingskosten. Bij besluiten neergelegd ter griffie op 4 december 2009 stelt Pe-ter C een tegenvordering, en vordert de R.S.Z. te veroordelen tot betaling van 500,00 euro schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding (en tevens tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 87,86 euro). III. FEITEN EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN. Peter C heeft een procedure collectieve schuldenregeling doorlo-pen. Deze procedure werd opgestart in het jaar
- De RSZ heeft in dat kader tijdig een aangifte van schuldvordering inge-diend. Het betrof achterstallige socialezekerheidsbijdragen voor het derde en vierde kwartaal van 1997 en het eerste kwartaal van
- Op 8 augustus 2001 heeft de beslagrechter een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opgelegd. Kort nadien (op 28 december 2001) ging de RSZ over tot dag-vaarding van Peter C, en dit evenzeer voor schulden die betrek-king hadden op het vierde kwartaal van
- Beide partijen deelden ter zitting mee dat de collectieve schul-denregeling thans afgesloten is. Verder worden geen details meegedeeld of stukken voorgelegd. Peter C verweert zich tegen de aanspraak van de RSZ. Hij stelt dat de schuld die de RSZ bij dagvaarding wil invorderen geen nieuwe schuld was. De oorsprong ervan dateert van
- De RSZ had dus ook deze schudvordering moeten verwerken in de aangifte van collectieve schuldenregeling. Hij stelt dat de RSZ de collectieve schuldenregeling heeft willen omzeilen. Het was nochtans mogelijk om een bijkomende aangif-te te doen. Dat de RSZ toch tot dagvaarding overgaat, is een geval van tergend en roekeloos geding. Hij vordert daarvoor een schadevergoeding van 500 euro. De RSZ antwoordt dat het wel een nieuwe schuld betreft. Ze is nieuw omdat ze niet werd aangegeven in de collectieve schul-denregeling en er dus buiten valt. De aanzuiveringsregeling kan er bijgevolg geen betrekking op hebben. Meer, zelfs al zou de schuld onder de collectieve schuldenregeling vallen, dan nog meent de RSZ een uitvoerbare titel te kunnen bekomen aange-zien daden van uitvoering tijdens de schuldenregeling enkel ge-schorst worden, maar nadien hernomen kunnen worden. IV. BEOORDELING De collectieve schuldenregeling heeft als bedoeling de schuld-problematiek van mensen te saneren, en moet er voor zorgen dat zij na verloop van tijd met een nieuwe lei kunnen participe-ren aan het maatschappelijk leven. Bij het uitwerken van de re-geling geldt de gelijke behandeling van de schuldeisers als uit-gangspunt. Het kan dus niet dat een schuldeiser zijn vordering niet of niet geheel aangeeft in de schuldenregeling, maar er op speculeert dat hij na het verstrijken van de regeling integrale betaling zal bekomen. In dat geval wordt immers de gelijkheid onder de schuldeisers doorbroken en wordt ook het doel niet bereikt, met name een definitieve sanering van de financiële situatie van de schuldenaar (zoals die uitdrukking kan vinden in de kwijtschel-ding). Als verschillende schuldeisers een dergelijke houding zou-den aannemen, wordt de collectieve schuldenregeling een maat voor niets. De wetgever heeft dergelijke situaties willen voorkomen. Zo heeft de schuldbemiddelaar de wettelijke mogelijkheid een schuldeiser aan te manen aangifte te doen. Die wettelijke moge-lijkheid zou maar weinig betekenis hebben mocht er geen sanc-tie aan gekoppeld zijn. De wet voorziet daarom dat de schuldei-ser die in weerwil van de aanmaning niet reageert, geacht wordt afstand te doen van zijn schuldvordering (art. 1675/9 § 3 Ge-rechtelijk Wetboek). Maar in casu heeft de schuldbemiddelaar geen dergelijke aan-maning verzonden naar de RSZ. Het systeem van artikel 1675/9 § 3 van aanmaning + sanctie is derhalve niet van toepassing. Het zou evenwel fout zijn daaruit a contrario te redeneren, alsof er geen vermoeden van verzaking is zo de schuldbemiddelaar geen aanmaning verzonden heeft. Een dergelijke lezing a contra-rio strookt immers niet met de algemene opzet van de collectie-ve schuldenregeling (sanering van de financiële situatie met ge-lijkheid van de schuldeisers als leidraad). Artikel 1675/9 § 3 van het Gerechtelijk Wetboek is geen bijzonder geval, dat toestaat bij andere gevallen a contrario te redeneren, maar integendeel ook zelf een toepassing van de algemene opzet van de regeling. Het is logisch dat waar de schuldbemiddelaar een bevoegdheid wordt verleend, aan deze bevoegdheid een sanctie wordt gekop-peld. Waar die bevoegdheid niet kan worden gebruikt (door ge-brek aan informatie), hoeft dit niet te betekenen dat de gevolgen anders moeten zijn. Aangezien de RSZ op de hoogte was van de schuldenregeling maar de vordering niet geheel heeft aangegeven, moet de Rijks-dienst geacht worden afstand te hebben gedaan van het niet aangegeven deel van de vordering. De RSZ herwint zijn rechten niet in de periode na de schuldenregeling (vgl. K. Loontjes, "En-kele praktische problemen in verband met de collectieve schul-denregeling" in Beslag en collectieve schuldenregeling, Larcier, 2005, p. 114). De vordering is ongegrond. *** Dat is in casu zeker het geval gelet op de specifieke omstandig-heden eigen aan de zaak. In conclusies luidt het dat de schuld-vordering betrekking heeft op "een annulatie van de verminde-ringen ten gevolge van een debetsaldo van de rekening". Daar-door was "nog een bijkomend bedrag verschuldigd voor het vier-de kwartaal van 1997". De RSZ vordert dus een bedrag wegens de annulatie van één of andere vermindering van bijdragen. De vermindering werd ge-annuleerd omdat Peter C schulden had bij de RSZ (en vandaar ‘een debetsaldo van de rekening'). De schuld uit de annulatie en de initiële schulden zijn dus nauw verweven. De RSZ had derhal-ve ook de schuld uit de annulatie kunnen en moeten aangeven. Het ging niet om een "nieuwe schuld", zoals de RSZ beweert. De Rechtbank is dan ook van oordeel dat de schuldvordering van de RSZ begrepen zit in de schuldenregeling en in het gevolg dat die regeling heeft gekend (maar waar partijen geen informatie over geven). Er kan geen afzonderlijke titel voor worden ge-vraagd. Maar zelfs al ging het om een nieuwe schuld, dan nog had de RSZ daar aangifte van kunnen doen. Artikel 1675/14 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek geeft de schuldeiser immers de mogelijk-heid om bij een ‘nieuw feit' de zaak door een eenvoudige schrif-telijke verklaring opnieuw voor de schuldbemiddelingsrechter te brengen. Eerder dan Peter C te dagvaarden voor de arbeids-rechtbank, had de RSZ dus deze specifiek voorgeschreven pro-cedure kunnen toepassen (gesteld al dat het ging, zoals be-weerd, om een ‘nieuw feit'). Deze mogelijkheid wordt ten ande-re geregeld gebruikt, bijv. door de fiscus voor nieuwe belastings-schulden. Deze worden niet buiten de collectieve schuldenrege-ling ingevorderd. *** Tenslotte is er de tegenvordering van Peter C. Hij vordert een schadevergoeding voor tergend en roekeloos geding. Dat is kort door de bocht. Peter C had immers ook mededeling kunnen - en moeten - doen van de dagvaarding aan zijn schuldbemiddelaar (vgl. art. 1675/14 § 1, tweede lid en art. 1675/14 § 2, derde lid Gerechtelijk Wetboek). Ook deze vordering is ongegrond. V. BESLISSING. De Arbeidsrechtbank te Gent, tweede kamer, spreekt het vol-gend vonnis uit op tegenspraak. De Rechtbank verklaart zowel de hoofdvordering als de tegenvordering ontvankelijk doch wijst ze beide af als ongegrond. De eisende partij wordt veroordeeld tot het betalen van de ge-rechtskosten. Het bedrag van de te vereffenen kosten wordt tot op heden begroot aan de zijde van verwerende partij op : rechtsplegingsvergoeding : 87,86 euro (zoals uitdrukkelijk be-groot) onverminderd de kosten van uitgifte van onderhavig vonnis. Aldus gewezen door: Dhr. B.LIETAERT, rechter in de arbeidsrechtbank die de tweede kamer voorzit ; Dhr. W.VAN DRIESSCHE, rechter in sociale zaken, be-noemd als werkgever ; Dhr. M.AERSSENS, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-bediende; bijgestaan door :Mevr. R.COOLENS, griffier ; en uitgesproken op ACHT MAART TWEEDUIZEND EN TIEN in openbare terechtzitting van de tweede kamer van de arbeids-rechtbank Gent. R.COOLENS M.AERSSENS W.VAN DRIESSCHE B.LIETAERT PDF document ECLI:BE:ARGNT:2010:JUG.20100308.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div