id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 16 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20240216.1 Rolnummer: 24/25/A Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-07-10 Raadplegingen: 262 - laatst gezien 2026-06-18 21:55 Fiche Het ABVV is van oordeel dat een aantal venootschappen behoren tot dezelfde technische bedrijfseenheid en sociale verkiezingen moeten organiseren. De vakorganisatie slaagt er volgens de rechtbank in te bewijzen dat alle voornoemde vennootschappen behoren tot éénzelfde economische groep, die onderling gestructureerd is en over centrale diensten beschikt die voor alle juridische vennootschappen werken. Het ABVV slaagt er ook in te bewijzen dat er sociale samenhang is en dit aan de hand van de volgende feitelijke realiteit: -alle divisies en/of juridische vennootschappen hebben hun maatschappelijke zetel op dezelfde plaats, -in ditzelfde kantoorgebouw werken naast personeelsleden die voor alle juridische entiteiten werken ook personeelsleden die specifiek voor één van de onderscheiden juridische vennootschappen werken. Zij hebben onderling contact , -daarnaast zijn er de arbeiders/bedienden, 'talenten‘ genoemd, die worden gedetacheerd door de verschillende divisies in elk hun eigen bedrijfstak. De rechtbank besluit dat het ABVV voldoende elementen brengt op economisch en sociaal vlak aan zodat het vermoeden van sociale samenhang speelt. De rechtbank zegt voor recht dat de verwerende partijen één TBE vormen en voldoen aan de voorwaarden voor de oprichting van één ondernemingsraad en één comité voor preventie en bescherming op het werk. Beveelt dat de sociale verkiezingen worden georganiseerd, zoals bedoeld in artikel 12 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen, binnen één technische bedrijfséénheid, de TBE groep “H. O. T.” gevormd door de verwerende partijen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Sociale verkiezingen Wettelijke bepalingen: Wet - 20-09-1948 - 14 - 01 ELI link Pub nr 1948092002 Wet - 04-12-2007 - 12 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer: Uitgereikt aan Uitgereikt aan 25/ Datum van uitspraak: op op 16/02/2024 € € Rechtsmiddelen Rolnummer: 24/25/A Materie: Sociale verkiezingen Type vonnis: Eindvonnis arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk Vonnis Kamer K1 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/25/A– p. 2 VON : EVT In de zaak van 24/25/A: ABVV BRUSSEL , (KBO: 0923.971.817) , gevestigd te 1000 BRUSSEL, Hoogstraat 42, eisende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester tegen: C.T. nv, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester T. C. bv, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester S. T. nv, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester B. T. S. bv, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester H. B. nv, verwerende partij, N.-I. bv, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester A. bv, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/25/A– p. 3 C. G. nv, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester M. S. S. nv, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester M. nv, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester Q. C. nv, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester H. S. M. bv, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester H. S. RH nv, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester H. O. T. bv, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester S. nv, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester De door de eisende partij aangeduide betrokken partijen: ACV DIENST ONDERNEMING, (KBO 0923.971.718), gevestigd te 1031 BRUSSEL, Postbus 10, ter zitting vertegenwoordigd door meester Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/25/A– p. 4 ACLVB, (KBO: 0850.330.011), gevestigd te 9000 GENT, Koning Albertlaan 95, ter zitting niet verschenen, noch vertegenwoordigd NATIONALE CONFEDERATIE VOOR HET KADERPERSONEEL, (KBO: 0414.829.804), gevestigd te 1030 BRUSSEL 3, Lambermontlaan 171 bus 4, ter zitting niet verschenen, noch vertegenwoordigd
- PROCEDURE In de zaak van 24/25/A: Eisende partij leidde haar vordering in bij tegensprekelijk verzoekschrift dat op de griffie werd ontvangen op 18 januari
- Op 18 januari 2024 werd een beschikking verleend met conclusietermijnen voor partijen alsook rechtsdag op de buitengewone terechtzitting van de kamer K1 van de arbeidsrechtbank Gent afdeling Kortrijk van 31 januari
- Namens verwerende partijen werden conclusies neergelegd op 24 januari 2024 en 30 januari
- Namens eisende partij werden conclusies neergelegd op 26 januari
- Namens het ACV, als de door eisende partij aangeduide betrokken partij, werden conclusies neergelegd op 27 januari
- Eisende en verwerende partijen, alsook het ACV (als de door eisende partij aangeduide betrokken partij) werden gehoord in hun middelen en conclusies op de buitengewone openbare terechtzitting van 31 januari
- De overige partijen waren niet aanwezig. De debatten werden vervolgens gesloten. De rechtbank neemt kennis van de stukken van de rechtspleging en de stukkenbundels van de verschenen partijen. In de zaak van 24/26/A: Eisende partij leidde haar vordering in bij tegensprekelijk verzoekschrift dat op de griffie werd ontvangen op 18 januari
- Op 18 januari 2024 werd een beschikking verleend met conclusietermijnen voor partijen alsook rechtsdag op de buitengewone terechtzitting van de kamer K1 van de arbeidsrechtbank Gent afdeling Kortrijk van 31 januari
- Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/25/A– p. 5 Namens verwerende partijen werden conclusies neergelegd op 24 januari 2024 en 30 januari
- Namens eisende partij werden conclusies neergelegd op 26 januari
- Namens het ACV, als de door eisende partij aangeduide betrokken partij, werden conclusies neergelegd op 27 januari
- Eisende en verwerende partijen, alsook het ACV (als de door eisende partij aangeduide betrokken partij) werden gehoord in hun middelen en conclusies op de buitengewone openbare terechtzitting van 31 januari
- De overige partijen waren niet aanwezig. Bij tussenvonnis van deze rechtbank van 7 februari 2024 werden de debatten overeenkomstig art. 775 Ger. W. heropend. Tevens werden de zaken 24/25/A en 24/26/A gevoegd. Eisende en verwerende partijen, alsook het ACV (als de door eisende partij aangeduide betrokken partij) werden vervolgens opnieuw gehoord op de buitengewone openbare terechtzitting van 12 februari
- De overige partijen waren niet aanwezig. De debatten werden vervolgens gesloten. De rechtbank neemt kennis van de stukken van de rechtspleging en de stukkenbundels van de verschenen partijen. De rechtspleging verliep in het Nederlands overeenkomstig artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
- VOORWERP VAN DE VORDERING In de zaak van 24/25/A: Bij verzoekschrift ter griffie neergelegd op 18 januari 2024 vordert eisende partij: -te horen zeggen voor recht dat verwerende partijen één technische bedrijfseenheid vormen en derhalve voldoen aan de voorwaarden voor de oprichting van één ondernemingsraad, -verwerende partijen te horen veroordelen tot de organisatie van sociale verkiezingen binnen één technische bedrijfseenheid, de TBE ‘groep H. O. T.’ gevormd door de verwerende partijen, zijnde de juridische vennootschappen: NV C. T., BV T. C., NV S. T. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/25/A– p. 6 BV B. T. S. NV H. B. BV N.-I. BV A. NV C. G. NV M. S. S. NV M. NV Q. C. BV H. S. M. NV H. S. R. BV H. O. T. NV S. en dit ten einde te kiezen voor één ondernemingsraad, onder verbeurte van een dwangsom van 100 EUR per dag vertraging vanaf de betekening van het tussen te komen vonnis. Tevens vordert eisende partij de veroordeling van verwerende partijen tot betaling van de kosten van het geding, inbegrepen de wettelijke verschuldigde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.320 EUR. In de zaak van 24/26/A: Bij verzoekschrift ter griffie neergelegd op 18 januari 2024 vordert eisende partij: -te horen zeggen voor recht dat verwerende partijen één technische bedrijfseenheid vormen en derhalve voldoen aan de voorwaarden voor de oprichting van één comité, -verwerende partijen te horen veroordelen tot de organisatie van sociale verkiezingen binnen één technische bedrijfseenheid, de TBE ‘groep H. O. T. gevormd door de verwerende partijen, zijnde de juridische vennootschappen: NV C. T., BV T. C., NV S. T. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/25/A– p. 7 BV B. T. S. NV H. B. BV N.-I. BV A. NV C. G. NV M. S. S. NV M. NV Q. C. BV H. S. M. NV H. S. R. BV H. O. T. NV S. en dit ten einde te kiezen voor één comité, onder verbeurte van een dwangsom van 100 EUR per dag vertraging vanaf de betekening van het tussen te komen vonnis. Tevens vordert eisende partij de veroordeling van verwerende partijen tot betaling van de kosten van het geding, inbegrepen de wettelijke verschuldigde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.320 EUR. Beide zaken werden reeds gevoegd bij tussenvonnis van 7 februari 2024 waarbij tevens het feitenrelaas en het standpunt van partijen werd uiteengezet. Standpunt van de rechtbank. Betreffende de onontvankelijkheid van de vordering wegens niet-betrekken in het geschil van alle juridische entiteiten-met eenzelfde en onsplitsbaar belang-in de beweerde technische bedrijfseenheid. Zoals vermeld in voormeld tussenvonnis wierpen verwerende partijen in laatste besluiten voormelde onontvankelijkheid op. Volgens verwerende partijen zou er een onsplitsbaar geschil bestaan overeenkomstig artikel 31 Gerechtelijk Wetboek waardoor naar analogie met artikel 1053 Gerechtelijk Wetboek ook de twee vennootschappen Q. G. NV en E. T. NV tijdig in de zaak moesten betrokken worden. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/25/A– p. 8 Het gevolg is dat de vordering in haar geheel ten aanzien van alle(wel tijdig in het geding geroepen)partijen onontvankelijk is. Hierover bestaat volgens verwerende partijen ,bij onsplitsbare geschillen en tegenstrijdige belangen, unanimiteit in de rechtsleer en rechtspraak, incl. die van het Hof van Cassatie. Ter zake wordt dan ook verwezen naar een arrest van het Hof van Cassatie van 5 december 2005,S.04.0189.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051205.2/
- In deze zaak meende de vakorganisatie dat een aantal verschillende juridische entiteiten van één economische groep een technische bedrijfseenheid uitmaakte en wenste gebruik te maken van het ‘vermoeden’ van artikel 14,§2 van de Wet Organisatie Bedrijfsleven. Slechts één van de betrokken juridische entiteiten startte de procedure sociale verkiezingen op. De vakorganisatie stelde haar beroep in tegen alle betrokken juridische entiteiten, doch laattijdig. De arbeidsrechtbank meende dat het beroep ten aanzien van de vennootschappen die de procedure sociale verkiezingen niet hadden opgestart, niet laattijdig was. Deze beslissing werd door voormeld arrest van het Hof van Cassatie verbroken : "Overwegende dat artikel 9, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk, bepaalt dat de betrokken werknemers alsook de betrokken representatieve werknemersorganisaties uiterlijk op de zevende dag die volgt op de bij artikel 8 van dat besluit bedoelde vijfendertigste dag, tegen de in artikel 8 vermelde beslissingen van de werkgever of tegen de afwezigheid van een beslissing van de werkgever beroep kunnen instellen bij de arbeidsrechtbank; Dat tot de beslissingen bedoeld in het eerste lid, 2°, van voormeld artikel 8 behoort die welke de werkgever uiterlijk op de vijfendertigste dag die de aanplakking voorafgaat van het bericht waarin de datum van de verkiezingen wordt aangekondigd, ter kennis moet brengen aan de aldaar gepreciseerde bestemmelingen en welke betrekking heeft op het aantal technische bedrijfseenheden of juridische entiteiten waarvoor organen moeten worden opgericht, niet hun beschrijving, en de indeling van de juridische entiteit in technische bedrijfseenheden met hun beschrijving en grenzen of de samenvoeging van meerdere juridische entiteiten in technische bedrijfseenheden met hun beschrijving en grenzen; Dat een vordering die ertoe strekt te horen zeggen dat verscheidene juridische entiteiten, waarvan minstens één ervan een aanvang heeft genomen met de verkiezingsprocedure, één technische bedrijfseenheid vormen, ten aanzien van al die juridische entiteiten een beroep is inzake sociale verkiezingen en de procedure hieromtrent, in de zin van artikel 9 van het koninklijk besluit van 15 mei 2003, waarover de arbeidsrechtbank in laatste aanleg oordeelt; Dat het beroep bedoeld in artikel 9 tegen een in artikel 8 vermelde beslissing van de werkgever of tegen de afwezigheid ervan, moet worden ingesteld ten aanzien van alle juridische entiteiten waarvan de , insteller van het beroep meent dat zij een technische bedrijfseenheid vormen; Overwegende dat het bestreden vonnis vaststelt dat de initiële rechtsvordering van verweerster ertoe strekt te horen zeggen dat de eiseressen en de NV H. één technische bedrijfseenheid vormen, waarvan de gewoonlijke gemiddelde tewerkstelling minstens 100 bedraagt en dat voor deze technische bedrijfseenheid één ondernemingsraad en één comité voor preventie en bescherming op het werk moet worden opgericht;
- deze partijen te bevelen onverwijld over te gaan tot het verrichten van alle haar door het koninklijk besluit van 15 mei 2003 opgelegde handelingen, met het oog op het organiseren van sociale verkiezingen voor de aanwijzing van personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraad en in het comité voor preventie en bescherming op het werk; Overwegende dat het bestreden vonnis Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/25/A– p. 9 voorts vaststelt dat van de ondernemingen waartegen de initiële vordering was gericht "enkel de NV H. (...) als aparte technische bedrijfseenheid de procedure voor sociale verkiezingen (heeft) opgestart volgens de in het koninklijk besluit van 15 mei 2003 betreffende de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk (...) beschreven werkwijze" en dat deze partij "haar beslissing ten aanzien van de technische bedrijfseenheid (heeft) bekendgemaakt en meegedeeld op 8 januari 2004, zodat de vordering van (verweerder tegen de NV H.) uiterlijk op 15 januari 2004 moest worden ingeleid"; Overwegende dat het bestreden vonnis de rechtsvordering ten aanzien van eiseressen ontvankelijk verklaart ondanks het verstrijken van de bij artikel 9 van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 voorgeschreven termijn, op grond "dat de vordering van (verweerder) wel degelijk strekt tot het organiseren van sociale verkiezingen en niet louter gericht is tegen het uitblijven van een beslissing van de werkgever over het aantal technische bedrijfseenheden" Dat de bestreden beslissing door aldus te oordelen de in het middel aangevoerde wetsbepalingen schendt; Dat het middel gegrond is." De rechtbank meent dat uit voormeld arrest van het Hof van Cassatie kan afgeleid worden dat een vordering vanwege de vakorganisatie inzake het afbakenen van de grenzen van een technische bedrijfseenheid moet worden gericht tegen alle betrokken juridische entiteiten . Indien één van de juridische entiteiten in de oorspronkelijke vordering door de vakorganisatie wordt vergeten, dan kan de oorspronkelijke vordering later niet meer worden uitgebreid tot de vergeten vennootschap (zeker niet buiten de oorspronkelijke vervaltermijn). In casu hebben de vakorganisaties de vordering ingesteld ten aanzien van 15 rechtspersonen waarvan zij menen dat zij beantwoorden aan de economische en sociale voorwaarden om samen één technische bedrijfseenheid te vormen. Van meet af aan werden deze 15 rechtspersonen als juridische entiteiten betrokken in het geding: “Verwerende partijen te horen veroordelen tot de organisatie van sociale verkiezingen binnen één technische bedrijfséénheid, de TBE ’groep H. O. T.’ gevormd door de verwerende partijen….’ Zoals de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent in het vonnis van 17 februari 2020 oordeelde betekent “het feit dat er volgens de vier gedaagde vennootschappen nog een vijfde in de zaak had moeten worden betrokken niet dat het beroep niet-ontvankelijk is, maar heeft dit enkel tot gevolg dat het vonnis niet tegen deze vijfde vennootschap afdwingbaar is.”(Soc.Kron.2024,27). Rekening houdende met voormelde overwegingen is de vordering ontvankelijk. Betreffende het vermoeden overeenkomstig artikel 14 §1,tweede lid,1° van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven. Artikel 14 §1, tweede lid, 1° van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven definieert het begrip onderneming als de technische bedrijfseenheid, bepaald in het kader van deze wet op grond van de economische en sociale criteria, ingeval van twijfel primeren de sociale criteria. Verder bepaalt deze wet nog: Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/25/A– p. 10 “meerdere juridische entiteiten worden vermoed, tot het tegendeel wordt bewezen, een technische bedrijfseenheid te vormen, indien het bewijs kan worden geleverd:
(1)dat ofwel deze juridische entiteiten deel uitmaken van eenzelfde economische groep of beheerd worden door eenzelfde persoon of door personen die onderling een economische band hebben, ofwel deze juridische entiteiten eenzelfde activiteit hebben of activiteiten die op elkaar afgestemd zijn;
(2)en dat er elementen bestaan die wijzen op een sociale samenhang tussen deze juridische entiteiten, zoals met name een gemeenschap van mensen verzameld in dezelfde gebouwen of in nabije gebouwen, een gemeenschappelijk personeelsbeheer, een gemeenschappelijk personeelsbeleid, een arbeidsreglement of collectieve arbeidsovereenkomsten die gemeenschappelijk zijn of die gelijkaardige bepalingen bevatten. Wanneer het bewijs wordt geleverd van één van de voorwaarden bedoeld in
(1)en het bewijs van bepaalde elementen bedoeld in
(2), zullen de betrokken juridische entiteiten beschouwd worden als vormend een enkele technische bedrijfseenheid behalve indien de werkgever(
- s)het bewijs levert(
- en)dat het personeelsbeheer en -beleid geen sociale criteria aan het licht brengen, kenmerkend voor het bestaan van een technische bedrijfseenheid in de zin van artikel 14, § 1, tweede lid, IV (artikel 14 §2,
- b)van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven). “ Dezelfde wettelijke omschrijvingen zijn terug te vinden in hoofdstuk Vlll van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, voor wat betreft het comité voor preventie en bescherming op het werk. Wat de sociale criteria betreft, zoals voorzien in de wetgeving, somt de rechtspraak enorm veel voorbeelden op die elementen kunnen uitmaken voor het vaststellen van sociale indiciën. P. Humblet en J. Vanthournout vatten deze in 2007, naar aanleiding van de sociale verkiezingen van 2008, samen in vier thema's: - het personeelsbeleid en -beheer, - organisatorische elementen, - sociale cohesie en profilering van de onderneming, - sociaal overleg. (P. Humblet en J. Vanthournout,De sociale verkiezingen doorgelicht, intersentia, 2007, p. 26 e.v.) Het begrip “bepaalde elementen” die wijzen op sociale samenhang houdt in dat er minstens twee dergelijke elementen moeten bewezen worden (Arbrb. Nijvel, afd. Waver 20 februari 2004, AR 71/W/2004). De rechtspraak aanvaardt dat bij het bepalen van de (grenzen van
- de)technische bedrijfseenheid rekening kan worden gehouden met de doelstelling die de wet nastreeft, met name het tot stand brengen van een doeltreffend sociaal overleg dat kan plaats vinden in de best mogelijke voorwaarden (zie de rechtspraak aangehaald in J. Vanthournout, e.a., “Overzicht rechtspraak sociale verkiezingen 2004-2016”, in J. Vanthournout en P. Humblet (eds.), De sociale verkiezingen tot op het bot, Antwerpen, Intersentia, 2019, 30-31). Dit vereist goed functionerende overlegorganen, die op het juiste niveau zijn ingesteld. Hierbij mag men ook niet uit het oog verliezen dat de bij wet ingestelde overlegorganen aan de werknemers toelaten, en ook moeten toelaten, op een passende manier uitvoering te geven aan hun grondrecht op informatie en overleg (cf. artikel 23 Gw.). Wanneer wordt aangevoerd dat verschillende juridische entiteiten één technische bedrijfseenheid vormen, komt het erop aan om na te gaan of zij “vanuit sociaal oogpunt” één enkel geheel vormen, en Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/25/A– p. 11 of de juridische entiteiten “een voldoende homogene groep” vormen, die rechtvaardigt dat gemeenschappelijke overlegorganen worden opgericht (Mvt bij wetsontwerp betreffende de sociale verkiezingen, Parl. St. Kamer 1998-1999, nr. 1856/1, 5-6) Vooreerst dient opgemerkt dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot de sociale verkiezingen en oprichting van een ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk de openbare orde aanbelangen. Hieruit volgt dat in geval van betwisting over het bestaan van een technische bedrijfseenheid de rechter de criteria voor de objectieve vaststelling van een technische bedrijfseenheid dient te onderzoeken. Zulks houdt in dat de rechter in geval van betwisting over het bestaan van een technische bedrijfseenheid geen rekening mag houden met een vroeger akkoord of een beweerde bekentenis omtrent het bestaan en de omschrijving van een technische bedrijfseenheid.(Cass.13 november 2000,RW 2001-02,164). 1. Betreffende de economische criteria Wat het economisch luik van het vermoeden betreft moet de vakorganisatie het bewijs leveren dat ofwel deze juridische entiteiten deel uitmaken van eenzelfde economische groep of beheerd worden door eenzelfde persoon of door personen die onderling een economische band hebben, ofwel deze juridische entiteiten eenzelfde activiteit hebben of activiteiten die op elkaar afgesteld zijn. Het bestaan van de vennootschapsgroep kan ook blijken uit de betiteling van de functies van een aantal leidinggevenden binnen H. O. T. De vakorganisaties slagen erin te bewijzen dat alle voornoemde vennootschappen behoren tot éénzelfde economische groep, de groep ‘H. O. T.’ die onderling gestructureerd is en over centrale diensten beschikt die voor alle juridische vennootschappen werken: -de centrale figuur in de groep ‘H. O. T.’ is de heer S. R. die niet alleen officieel vermeld wordt in het Belgisch Staatsblad en de jaarrekeningen waarin hij optreedt als CEO maar tevens in de verschillende persartikelen, -mevrouw L. T. is als de vaste vertegenwoordiger van nv S. aanwezig in alle vennootschappen in de functie van CFO, -de heer P. C. wordt aangeduid als COO in de groep. Het strategisch, financieel en operationeel beleid van de verschillende juridische entiteiten wordt waargenomen door voormelde groep personen. Dezelfde personen zijn (gedelegeerd)bestuurder van de verschillende entiteiten. Hun participatie in deze juridische vennootschappen gebeurt via hun al dan niet onderscheiden patrimonium/managementvennootschappen. Op het niveau van dagelijks bestuur zijn bepaalde functies gecentraliseerd in handen van dezelfde personen. Telkens komen vrijwel dezelfde namen voor: HR Director G. V., Marketing Director T. L.. Daarnaast zijn de activiteiten van de verschillende entiteiten dezelfde, met name het invullen van knelpuntvacatures in verschillende sectoren en dit door detachering van haar personeelsleden, minstens zijn deze entiteiten op elkaar afgesteld hetgeen kan afgeleid worden uit de website van de groep ‘H. O. T.’. 2. Betreffende de sociale criteria. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/25/A– p. 12 De arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, stelde dat de analyse van gemeenschappelijke elementen of verschilpunten als volgt moet gebeuren: “Een gemeenschappelijk element weegt vaak zwaarder door in de richting van sociale en economische samenhang dan een verschil in de richting van sociale en economische autonomie. Verschillen kunnen immers het gevolg zijn van de juridische structuur, de aard van de activiteit of commerciële overwegingen en zeggen in dat geval niet zo veel over de graad van sociale en economische autonomie. Indien entiteiten verschillende activiteiten uitvoeren, is het logisch dat er andere reglementen, andere paritaire comités e.d.m. van toepassing zijn.”(Arbrb.Antwerpen, afdeling Turnhout, 14 februari 2020,AR 20/X/A.) Bepaalde verschillen kunnen louter het gevolg zijn van het bestaan van onderscheiden juridische entiteiten. Daarom moet gekeken worden naar de feitelijke realiteit: “Het is op het gebied van sociale samenhang en het bestaan van een arbeidsgemeenschap die zich onderscheidt van anderen, hoe dan ook van belang te kijken naar de feitelijke realiteit, veeleer dan enkel oog te hebben voor verschillen die voortvloeien uit het bestaan van onderscheiden entiteiten. Daarenboven wijst de rechtbank er op dat het bestaan van dezelfde of gelijkaardige arbeidsvoorwaarden inderdaad kan wijzen op het bestaan van een arbeidsgemeenschap, maar dat dit nog niet wil zeggen dat binnen een arbeidsgemeenschap alle werknemers noodzakelijkerwijs aan precies dezelfde arbeidsvoorwaarden moeten werken vooraleer tot sociale samenhang kan worden besloten. Met ander woorden, er kunnen op vlak van arbeidsvoorwaarden ook binnen één en dezelfde arbeidsgemeenschap verschillen zijn of bestaan die niet van die aard zijn dat zij de sociale samenhang teniet doen.”(Arbrb. Gent, afdeling Gent,12 februari 2020,AR 20/46/A,20/48/A en 20/49/A.) Eisende partij slaagt erin te bewijzen dat er sociale samenhang is en dit aan de hand van de volgende feitelijke realiteit: -alle divisies en/of juridische vennootschappen hebben hun maatschappelijke zetel op dezelfde plaats, -in ditzelfde kantoorgebouw werken naast personeelsleden die voor alle juridische entiteiten werken ook personeelsleden die specifiek voor één van de onderscheiden juridische vennootschappen werken. Zij hebben onderling contact , -daarnaast zijn er de arbeiders/bedienden, ’talenten‘ genoemd, die worden gedetacheerd door de verschillende divisies in elk hun eigen bedrijfstak. Elk van deze gedetacheerden(van de verpleegster in een zorginstelling tot de beenhouwer in de supermarkt)worden geconfronteerd met verscheidene werkomstandigheden. Het aanknopingspunt blijkt evenwel de groep ‘H. O. T.’. Immers: -de personeelszaken voor de verschillende divisies worden geregeld door één HR director die dezelfde is voor alle entiteiten, minstens onder haar supervisie, met name mevrouw G. V., -de vacatures voor alle divisies binnen de groep zijn op één website te vinden van ‘H. O. T.’. Telkens komen dezelfde drie contactpersonen voor die werken over de divisies heen zodat er zodoende minstens een gedeeltelijk personeelsbeheer is op het niveau van ‘H. O. T.’, -in de onthaalbrochure van C. T. wordt op pagina 6 verduidelijkt dat in diverse domeinen van de arbeidsmarkt de bedrijven onder H. O. T. kandidaten aan het werk helpen waarbij gewerkt wordt vanuit dezelfde visie. Hierbij wordt een opsomming gegeven van de verschillende divisies zonder onderscheid, -de contactgegevens van de personeelsadministratie, de fleetmanager, de preventieadviseurs, de vertrouwenspersoon en de interne functionaris voor gegevensbescherming, zijn dezelfde. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/25/A– p. 13 De fleetmanager is verantwoordelijk voor alle divisies betreffende de bedrijfswagens die onafhankelijk van het type, hetzelfde logo hebben, -de overkoepelende gemeenschappelijke activiteiten zijn legio waarvan vele activiteiten terug te vinden zijn op de facebookpagina. Op deze pagina wordt ook verwezen naar migratie van systemen over de divisies heen, -er is éénzelfde website. Eisende partij brengt voldoende elementen op economisch en sociaal vlak aan zodat het vermoeden van sociale samenhang speelt. De door verwerende partijen ingeroepen aanwijzingen van een gebrek aan economische en sociale samenhang wegen niet op tegen het geheel van de elementen dat hiervoor werd aangehaald en die wel wijzen op een economische en sociale samenhang. Zoals hiervoor gemeld kunnen er op vlak van arbeidsvoorwaarden ook binnen één en dezelfde arbeidsgemeenschap verschillen zijn of bestaan die niet van die aard zijn dat zij de sociale samenhang teniet doen. Een en ander kan te wijten zijn aan de verschillende activiteiten die worden uitgeoefend met hun eigen reglementering. Een dwangsom kan niet opgelegd worden indien door eisende partij niet wordt aangetoond dat de werkgever het vonnis niet zou uitvoeren.(H.F.Lenaerts, J.Y.Verslype, O.Wouters, ”Sociale Verkiezingen 2004, Overzicht van rechtspraak”, Larcier, 2007, 60). Geen enkel element wordt aangehaald waaruit zou moeten blijken dat verwerende partijen het vonnis niet zouden uitvoeren. De vordering tot het opleggen van een dwangsom is ongegrond. 5. BESLISSING Wijzende op tegenspraak tegenover de verschenen partijen. Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond Zegt voor recht dat de verwerende partijen één TBE vormen en voldoen aan de voorwaarden voor de oprichting van één ondernemingsraad en één comité voor preventie en bescherming op het werk. Beveelt dat de sociale verkiezingen worden georganiseerd, zoals bedoeld in artikel 12 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen, binnen één technische bedrijfséénheid, de TBE groep “H. O. T.” gevormd door de verwerende partijen, zijnde de juridische vennootschappen NV C. T., BV T. C., NV S. T., BV B. T. S., NV H. B., Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/25/A– p. 14 BV N.-I, BV A., NV C. G., NV M . S. S., NV M. NV Q. C., BV H. S. M., NV H. S. R., BV H. O. T., NV S. Wijst de vordering tot het opleggen van een dwangsom af als ongegrond. Veroordeelt verwerende partijen tot de kosten van het geding aan de zijde: - van eisende partij ABVV begroot op 1.800 €, rechtsplegingsvergoeding - van de door de eisende partij aangeduide betrokken partij ACV:1.800 €, rechtsplegingsvergoeding. Dit vonnis werd gewezen door: DESMET DOMINIQUE, rechter - voorzitter van de kamer, ARRYN RONNY, rechter in sociale zaken, werkgever, DEJAEGERE JEROEN, rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider, bijgestaan door: DRECQ ILSE, griffier, DRECQ ILSE DEJAEGERE JEROEN ARRYN RONNY DESMET DOMINIQUE en uitgesproken op ZESTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND VIERENTWINTIG in openbare zitting van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk, kamer K1, door DESMET DOMINIQUE, rechter - voorzitter van de kamer en bijgestaan door DRECQ ILSE, griffier. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/25/A– p. 15 DRECQ ILSE DESMET DOMINIQUE PDF document ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20240216.1 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051205.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div