id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 16 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20240216.2 Rolnummer: 24/28/A Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-07-10 Raadplegingen: 208 - laatst gezien 2026-06-17 14:11 Fiche Het ACV is van oordeel dat 2 juridische entiteiten afzonderlijke sociale verkiezingen moeten organiseren voor het CPBW. Opdat dezelfde gemeenschap van mensen tot een verschillende TBE-bepaling kan leiden voor de Ondernemingsraad enerzijds en het CPBW anderzijds moeten de vakorganisaties bewijzen dat dit noodzakelijk is voor de specifieke taken van elk orgaan waarbij voor de afbakening van de TBE's voor het CPBW moet gekeken worden naar zaken betreffende het welzijn op het werk. Rekening houdende met het reeds bestaan van een overkoepelend veiligheidsbeleid waarvan de elementen hierboven werden opgesomd en de gemeenschappelijke veiligheidsrisico's oordeelt de rechtbank dat er geen reden bestaat om meerdere CPBW's op te richten. De vordering van de eisende partijen is ongegrond. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Sociale verkiezingen Wettelijke bepalingen: Wet - 04-12-2007 - 12 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer: Uitgereikt aan Uitgereikt aan 25/ Datum van uitspraak: op op 16/02/2024 € € Rechtsmiddelen Rolnummer: 24/28/A Materie: Sociale verkiezingen Type vonnis: Eindvonnis arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk Vonnis Kamer K1 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/28/A – p. 2 VON : EVT In de zaak van: ABVV BRUSSEL , (KBO: 0923.971.817) , gevestigd te 1000 BRUSSEL, Hoogstraat 42, eisende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester ACV DIENST ONDERNEMING , (KBO 0923.971.718) , gevestigd te 1031 BRUSSEL, Postbus 10, eisende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester tegen: D. K. D. vzw , verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester C. vzw , verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester De door de eisende partij aangeduide betrokken partijen: ACLVB, (KBO: 0850.330.011) , gevestigd te 9000 GENT, Koning Albertlaan 95, ter zitting niet verschenen, noch vertegenwoordigd N. C. V. H. K. L., ter zitting niet verschenen, noch vertegenwoordigd 1. PROCEDURE Eisende partijen leidden hun vordering in bij tegensprekelijk verzoekschrift dat op de griffie werd ontvangen op 20 januari 2024. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/28/A – p. 3 Op 22 januari 2024 werd een beschikking verleend met conclusietermijnen voor partijen alsook rechtsdag op de buitengewone terechtzitting van de kamer K1 van de arbeidsrechtbank Gent afdeling Kortrijk van 31 januari 2024. Namens verwerende partijen werden conclusies neergelegd op 25 januari 2024 en 30 januari 2024. Namens eisende partijen werden conclusies neergelegd op 27 januari 2024. Eisende en verwerende partijen, werden gehoord in hun middelen en conclusies op de buitengewone openbare terechtzitting van 31 januari 2024. De overige partijen waren niet aanwezig. De debatten werden vervolgens gesloten. De rechtbank neemt kennis van de stukken van de rechtspleging en de stukkenbundels van de verschenen partijen. De rechtspleging verliep in het Nederlands overeenkomstig artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. 2. VOORWERP VAN DE VORDERING Bij verzoekschrift ter griffie neergelegd op 20 januari 2024 vordert eisende partijen te horen zeggen voor recht dat in het kader van de sociale verkiezingen 2024 beide juridische vennootschappen afzonderlijke verkiezingen dienen te organiseren voor het comité preventie en bescherming op het werk en zodoende voor wat het comité betreft de technische bedrijfseenheden als volgt moeten samengesteld worden: -TBE vzw D. K. D. = de juridische vennootschap vzw D. K. D. -TBE vzw C. = de juridische vennootschap vzw C. Bijgevolg vorderen eisende partijen verwerende partijen te horen veroordelen tot: -de organisatie van sociale verkiezingen binnen deze afzonderlijke technische bedrijfseenheden, -de betaling van de kosten van het geding, inbegrepen de wettelijk verschuldigde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.320 EUR. 3. DE FEITEN Eisende partijen zetten uitéén dat in 2016 en 2020 de sociale verkiezingen als volgt verliepen: -verkiezing voor één apart CPBW voor C. vzw, -verkiezing voor één apart CPBW en OR voor K. Z.-W.-V. vzw (thans D. K. D.). Verwerende partijen wensen geen aparte procedure meer op te starten voor een CPBW binnen de afzonderlijke juridische entiteit vzw C. Bijgevolg zou er enkel één overkoepelende verkiezing georganiseerd worden voor beide vzw’s hetgeen betekent dat er naast één ondernemingsraad slechts één comité wordt opgericht voor D. K. D. en C. samen. Volgens eisende partijen wordt het sociaal overleg hierdoor beknot wat precies in een maatwerkbedrijf dat gezien wordt als een ‘zachte sector’ waar net meer en uitgebreid overleg nodig is, een averechts effect kan creëren. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/28/A – p. 4 Eisende partijen stellen dan ook dat er in beide juridische vennootschappen afzonderlijke verkiezingen dienen georganiseerd te worden voor het comité preventie en bescherming op het werk zodat alle werknemers zo dicht mogelijk bij het overleg betrokken worden. De sociale criteria nemen zodoende de overhand op de economische criteria. De economische criteria zijn gelijk aan een economische zelfstandigheid tussen de vzw’s. De beide juridische entiteiten betreffen twee afzonderlijke vzw’s die onder de koepel van de personele unie vallen (D.) en zijn geen vzw’s die gefusioneerd zijn. De activiteiten zijn verschillend met een eigen website, facebookpagina en dergelijke. Wat de sociale criteria betreft verwijzen eisende partijen naar de aard van de activiteiten en dienvolgens de veiligheidsrisico’s die niet gelijklopend zijn voor de beide vzw’s. Er is een verschil in product hetgeen zijn weerslag heeft op het werkveld. Er zijn onderscheiden adressen, productieruimtes, logo’s, andere uurroosters, CAO’s, bedragen maaltijdcheques. Volgens verwerende partijen kan de technische bedrijfseenheid voor de OR en het CPBW enkel verschillend omschreven worden wanneer bijzondere en aan de concrete situatie gebonden omstandigheden ervoor zorgen dat de OR of het CPBW bepaalde bevoegdheden niet naar behoren kunnen uitoefenen indien de TBE voor beiden identiek zou zijn afgebakend. De bewijslast ligt ter zake bij eisende partijen. Volgens verwerende partijen is het welzijn van de werknemers geenszins beter gediend met afzonderlijke technische bedrijfseenheden want er is een gemeenschappelijk welzijnsbeleid en de aard van de risico’s zijn overkoepelend. De vzw’s voeren een gemeenschappelijk preventie-en welzijnsbeleid. De door eisende partijen ingeroepen sociale criteria zijn geenszins gelinkt aan de veiligheid binnen de onderneming. 4. BEOORDELING Standpunt van de rechtbank. De arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, vatte de principes van de vraag om de technische bedrijfseenheid anders af te bakenen voor de ondernemingsraad dan voor het CPBW samen als volgt: “De TBE kan ook verschillend zijn al naargelang het gaat om de OR of het CPBW. De definitie van TBE’s in de Wet Welzijn op het Werk en de Bedrijfsorganisatiewet is identiek, maar de toepassing ervan op concrete omstandigheden kan verschillend zijn voor de OR of het CPBW in functie van het door de wet nagestreefde doel. Dit is: het verkrijgen van zo goed mogelijk functionerende overlegorganen waar alle werknemers in de beste mogelijke voorwaarden bij betrokken worden. Het gevolg kan zijn dat een OR beter op een ander niveau wordt opgericht dan een comité (Vanthournout, Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/28/A – p. 5 J. en Humblet, P., “De sociale verkiezingen tot op het bot”, Intersentia, p. 30 randnummer 13 met verwijzing naar relevante rechtspraak).” (Arbrb. Antwerpen (afd. Antwerpen) (1°
- k)13 februari 2020, A.R. 20/244/A)” De arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, wees in deze zaak waarin de partijen het eens waren dat voor de ondernemingsraad slechts één technische bedrijfseenheid gold, de vordering van de vakorganisatie om twee CPBW’s in te richten af. De rechtbank stelde immers vast dat het preventie- en veiligheidsbeleid gecentraliseerd was, zodat er geen reden was om te spreken van twee technische bedrijfseenheden voor het CPBW: “Naar het oordeel van de arbeidsrechtbank toont het [vakorganisatie] dan ook niet aan dat de werknemers van de franchise-vestigingen een afzonderlijke ‘gemeenschap van mensen die op het vlak van welzijn en veiligheid van de werknemer worden beheerd door eigen wetten’ uitmaken. Zoals hoger reeds aangehaald wordt niet aangetoond dat er tussen de werknemers van de franchise- vestigingen het vereiste ‘samenhorigheidsgevoel’ zou bestaan om te kunnen besluiten tot een afzonderlijke TBE. Er ligt dan ook geen afdoende bewijs voor dat het welzijn van deze werknemers meer baat zou hebben bij het oprichten van hun ‘eigen’ CPBW naast het reeds bestaande CPBW. De NV voert tot slot van haar kant een aantal elementen aan die het bestaan van slechts één TBE bevestigen: – Er is voor de gehele TBE één externe dienst voor preventie en bescherming op het werk – Er is één preventie-adviseur; – Het arbeidsreglement voor de gehele TBE bevat identieke bepalingen mbt veiligheid en gezondheid; – Er is een globaal preventieplan voor de gehele TBE; – Er is één jaaractieplan; – Er is een gemeenschappelijk beleid tegen arbeidsongevallen; – Er is één arbeidsgeneeskundige dienst en een coördinerend arbeidsgeneesheer; – Er is één controlearts-bijstand nl. X – Er is één en dezelfde arbeidsongevallenverzekering; - Er is éénzelfde personeelspolitiek. Deze elementen worden door het vakorganisatie overigens niet ernstig betwist of niet weerlegd. Op grond van al deze overwegingen dient de vordering van het vakorganisatie ongegrond te worden verklaard. (Arbrb. Antwerpen (afd. Antwerpen) (1°
- k)13 februari 2020, A.R. 20/244/A)” Ook andere rechtspraak benadrukt dat bij het bepalen van een andere invulling van de technische bedrijfseenheid rekening moet worden gehouden met het belang van de werknemers om over goed functionerende overlegorganen te beschikken, bijvoorbeeld omwille van de eigenheden van een bepaalde site door de aard van de activiteiten, de samenstelling van het personeel dat er werkzaam is, enzovoort. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/28/A – p. 6 “Niettegenstaande deze identieke omschrijving, kan de invulling van de notie ‘onderneming’ of ‘technische bedrijfseenheid’, echter anders zijn voor enerzijds de ondernemingsraad en anderzijds het CPBW. De actiedomeinen en opdrachten van de beide organen zijn immers verschillend. Er moet bovendien bij de afbakening van de TBE rekening worden gehouden met de belangen van de werknemers om over goed functionerende overlegorganen te beschikken (zie H.F. Lenaerts en O. Wouters, Sociale verkiezingen 2016. Overzicht van rechtspraak, Larcier, 2019, p.35 en p.55).” (Arbrb. Gent (afd. Ieper) (kamer I2) 7 februari 2020, AR 20/5/A)” Opdat dezelfde gemeenschap van mensen tot een verschillende TBE-bepaling kan leiden voor de Ondernemingsraad enerzijds en het CPBW anderzijds moeten de vakorganisaties bewijzen dat dit noodzakelijk is voor de specifieke taken van elk orgaan waarbij voor de afbakening van de TBE’s voor het CPBW moet gekeken worden naar zaken betreffende het welzijn op het werk. De technische bedrijfseenheid D. K. D. is samengesteld uit 2 juridische entiteiten, nl. D. K. D. vzw en C. vzw. De vzw’s die samenwerken onder de naam ‘D.’ zijn maatwerkbedrijven waar mensen werken die niet of nog niet in het regulier economisch circuit terecht kunnen. De activiteit van D. K. D. is gericht op de inzameling, sortering, nazicht, herstelling, verkoop van gebruikte goederen. C. telt twee hoofdactiviteiten: de afdeling hout heeft haar expertise in alle hout-,interieur-en timmerwerk, op maat en het team groen is gespecialiseerd in groenonderhoud en ecologisch natuurbeheer voor openbare besturen en privébedrijven. Beide vzw’s behoren tot hetzelfde paritair comité(PC Beschutte en Sociale Werkplaatsen/subcomité Sociale werkplaatsen). In 2017 verhuisden C. en de centrale diensten van D. K. D. naar een gemeenschappelijke site gelegen te X. Uit de foto’s blijkt dat op de lokale site te X alle activiteiten van de vzw’s verweven zijn en de overkoepelende risico’s dezelfde zijn: -het adres van D. K. D. en C. is weliswaar verschillend (X, Y) maar toch is duidelijk dat de beide vzw’s zich de facto op dezelfde site bevinden, met een gemeenschappelijke ingang en onthaal, -er zijn twee grote vergaderruimtes die gezamenlijk voor zowel C. als D. K. D. worden gebruikt, -in de onthaal-en personeelsdienst zijn zowel medewerkers van C. als D. K. D. aan het werk, -de technische dienst bevindt zich in de gemeenschappelijke ruimtes en is actief voor zowel C. als D. K. D., -het vormingslokaal bevindt zich in de gemeenschappelijke ruimtes en wordt zowel door C. als D. K. D. gebruikt, -een gezamenlijke personeelsingang geeft toegang tot het gebouw, -een gemeenschappelijke gang geeft toegang tot zowel het atelier van D. K. D. als van C. In deze gang is zowel materiaal van D. K. D. terug te vinden alsook werkmateriaal van C. Op foto 19 van verwerende partij wordt ook de gemeenschappelijke toegang tot de refter weergegeven, -de sanitaire ruimtes worden gedeeld door de werknemers van D. K. D. en C., -in de opslagruimtes en magazijnen bevinden zich zowel het materiaal van team groen van C., het materiaal van team hout van C. als het materiaal(textiel)van D. K. D., Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/28/A – p. 7 -het EHBO lokaal is gemeenschappelijk en ligt aan de gemeenschappelijke gang. De brandmap met instructies is bedoeld voor de volledige site, -op de parking bevinden zich zowel bestelwagens van C. als van D. K. D., Er dient dus een gemeenschappelijk verkeersplan voor de site te zijn. Ook materiaal van de beide vzw’s wordt gestald op de parking (foto 31 verwerende partij). Verder maakt ook de oprit naar de betrokken parking geen onderscheid tussen de verschillende vzw’s. (foto 32 verwerende partij), -zowel binnen als buiten is er een gezamenlijke eetplaats voor de medewerkers van C. en D. K. D., -er is een gemeenschappelijke jaarplanning en berichtenbord, -er is een enclavewerking binnen de vzw’s met het oog op de sortering van klein gerief waarbij medewerkers van C. worden ingeschakeld bij D. K. D., -in een gemeenschappelijke foyer wordt maandelijks een drink georganiseerd voor alle medewerkers van de beide vzw’s. Daar hangen ook posters aan de muur waarop de 3 activiteiten worden afgebeeld. De aard van de veiligheidsrisico’s zijn gelijklopend voor de beide vzw’s. De beide vzw’s voeren een gemeenschappelijk preventie-en welzijnsbeleid. Zulks kan afgeleid worden uit de aanwezigheid van: - een globaal preventieplan 2020-2024, de jaaractieplannen 2023 en 2024 en de maandverslagen die overkoepelend zijn voor de volledige groep, -identieke arbeidsreglementen in het bijzonder wat de welzijnsbepalingen betreft, -dezelfde arbeidsongevallenverzekering, preventieadviseur en externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, -hetzelfde kwaliteitsboek met alle interne instructies inzake veiligheid voor de D., behalve die voor de specifieke werkposten en machines, -dezelfde handleiding ‘leiden en begeleiden’, -dezelfde opleidingen in het kader van welzijn en preventie voor beide vzw’s, -éénzelfde meerjarenplan voorgesteld voor de D. Rekening houdende met het reeds bestaan van een overkoepelend veiligheidsbeleid waarvan de elementen hierboven werden opgesomd en de gemeenschappelijke veiligheidsrisico’s oordeelt de rechtbank dat er geen reden bestaat om meerdere CPBW’s op te richten. De vordering van de eisende partijen is ongegrond. 5. BESLISSING Wijzende op tegenspraak tegenover de verschenen partijen; Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond. Beveelt dat de sociale verkiezingen worden georganiseerd overeenkomstig de beslissingen zoals door de werkgever meegedeeld op de datum zoals bedoeld in artikel 12 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen. Veroordeelt eisende partijen tot de kosten van het geding aan de zijde van verwerende partijen begroot op 1.800 € rechtsplegingsvergoeding. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/28/A – p. 8 Dit vonnis werd gewezen door: DESMET DOMINIQUE, rechter - voorzitter van de kamer, ARRYN RONNY, rechter in sociale zaken, werkgever, DEJAEGERE JEROEN, rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider, bijgestaan door: DRECQ ILSE, griffier, DRECQ ILSE DEJAEGERE JEROEN ARRYN RONNY DESMET DOMINIQUE en uitgesproken op ZESTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND VIERENTWINTIG in openbare zitting van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk, kamer K1, door DESMET DOMINIQUE, rechter - voorzitter van de kamer en bijgestaan door DRECQ ILSE, griffier. DRECQ ILSE DESMET DOMINIQUE PDF document ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20240216.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div