id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 21 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20240321.1 Rolnummer: 24/239/A en 24/240/A Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-07-09 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-06-17 14:34 Fiche Werknemer stelde zich op 29 januari 2024 kandidaat voor de sociale verkiezingen. Op 6 februari 2024 werd hij (tijdens de occulte periode) ontslagen. Hij werd niet opgenomen op de kiezerslijst. De vakbond tekende beroep aan. De rechtbank is van oordeel dat de werknemer op dag X niet op de kiezerslijsten moest worden vermeld. Aangezien de werknemer op 23 februari 2024 (dag X) ingevolge een ontslag eerder die maand niet tewerkgesteld was in de onderneming en de wetgeving (die van openbare orde
- is)niet in een uitzondering voorziet voor het geval waarin een kandidaat-personeelsafgevaardigde tussen dag X – 30 en dag X + 35 ontslagen werd, voldeed hij niet aan de voorwaarden om op de kiezerslijsten te worden vermeld. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Sociale verkiezingen Wettelijke bepalingen: Wet - 04-12-2007 - 14 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Wet - 04-12-2007 - 16 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Wet - 20-09-1948 - 19 - 01 ELI link Pub nr 1948092002 Wet - 04-12-2007 - 46 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer: Uitgereikt aan Uitgereikt aan 25/ Datum van uitspraak: op op 21/03/2024 € € Rechtsmiddelen Rolnummer: 24/239/A en 24/240/A Materie: Sociale verkiezingen Type vonnis: Eindvonnis arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent Vonnis Kamer G1 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/239/A en 24/240/A – p. 2 VON : EVT In de zaken 24/239/A en 24/240/A van: ALGEMENE CENTRALE DER LIBERALE VAKBONDEN BELGIE (ACLVB), (KBO: 0850.330.011), met zetel te 9000 GENT, Koning Albertlaan 95, eisende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester tegen: C. NV, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door meester Door de eisende partij in het geding betrokken partijen FEDERAAL ABVV FGTB FEDERALE, (KBO: 0851.766.007), met zetel te 1000 BRUSSEL, Hoogstraat 42, ter zitting niet aanwezig, noch vertegenwoordigd, ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND VAN BELGIE, (KBO: 0850.330.506), met zetel te 1030 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579, ter zitting niet aanwezig, noch vertegenwoordigd, NATIONALE CONFEDERATIE VAN HET KADERPERSONEEL, (KBO: 0414.829.804), met zetel te 1030 BRUSSEL, Lambermontlaan 171 bus 4, ter zitting niet aanwezig, noch vertegenwoordigd, S. S., ter zitting niet aanwezig, noch vertegenwoordigd, Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/239/A en 24/240/A – p. 3 1. PROCEDURE 1.1. PROCEDURE MET ROLNUMMER 24/239/A 1. Met een verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 14 maart 2024, maakte het ACLVB een vordering aanhangig voor de kamer G1 van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent. In een beschikking van 14 maart 2024 werd de zaak voor behandeling vastgesteld op de bijzondere openbare zitting van de kamer G1 van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent van 20 maart 2024. Aan de partijen werd de kans geboden om conclusies en stukken neer te leggen uiterlijk op 19 maart 2024, om 12.00 uur. Op 19 maart 2024, voor 12.00 uur, legde de NV C. een conclusie en stukken ter griffie neer. Het ACLVB legde op 19 maart 2024 zowel voor als na 12.00 uur stukken ter griffie neer. Op de bijzondere openbare zitting van 20 maart 2024 hoorde de rechtbank de aanwezige partijen. NV C. verklaarde dat hij er akkoord mee ging dat alle door het ACLVB neergelegde stukken in de debatten bleven. De partijen verklaarden zich niet te verzetten tegen de samenvoeging van de zaak met de zaak gekend onder het rolnummer 24/240/A. Hierna werden de debatten gesloten en nam de rechtbank de zaak in beraad. De zaak werd voor uitspraak gesteld op heden. De rechtspleging gebeurde in het Nederlands, overeenkomstig de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. 1.2. PROCEDURE MET ROLNUMMER 24/240/A 2. Met een verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 14 maart 2024, maakte het ACLVB een vordering aanhangig voor de kamer G1 van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent. In een beschikking van 14 maart 2024 werd de zaak voor behandeling vastgesteld op de bijzondere openbare zitting van de kamer G1 van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent van 20 maart 2024. Aan de partijen werd de kans geboden om conclusies en stukken neer te leggen uiterlijk op 19 maart 2024, om 12.00 uur. Op 19 maart 2024, voor 12.00 uur, legde de NV C. een conclusie en stukken ter griffie neer. Het ACLVB legde op 19 maart 2024 zowel voor als na 12.00 uur stukken ter griffie neer. Op de bijzondere openbare zitting van 20 maart 2024 hoorde de rechtbank de aanwezige partijen. NV C. verklaarde dat hij er akkoord mee ging dat alle door het ACLVB neergelegde stukken in de debatten bleven. De partijen verklaarden zich niet te verzetten tegen de samenvoeging van de zaak met de zaak gekend onder het rolnummer 24/239/A. Hierna werden de debatten gesloten en nam de rechtbank de zaak in beraad. De zaak werd voor uitspraak gesteld op heden. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/239/A en 24/240/A – p. 4 De rechtspleging gebeurde in het Nederlands, overeenkomstig de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. 2. VORDERINGEN VAN DE PARTIJEN 2.1. VORDERING VAN HET ACLVB 2.1.1. PROCEDURE MET ROLNUMMER 24/239/A 3. Met een verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 14 maart 2024, tekende het ACLVB beroep aan tegen de mededelingen gedaan op dag X die betrekking hadden op de kiezerslijsten voor het comité voor preventie en bescherming op het werk. De vordering van het ACLVB luidt als volgt: “De hogervermelde verweerster en betrokken partijen per gerechtsbrief op te roepen om te verschijnen op een door u vast te stellen zitting; Voor recht te zeggen dat: - de naam van S.S. moet toegevoegd worden aan de kiezerslijst voor arbeiders in het bericht X van het CPBW in de onderneming van de verweerster; - de sociale verkiezingen voor het CPBW in de onderneming van de verweerster verder voorbereid en georganiseerd moeten worden rekening houdend met de beslissing van uw rechtbank; De verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin begrepen zijnde: - de rechtsplegingsvergoeding, voorlopig begroot op: 1.800 euro; - de bijdrage Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand: 24,00 euro.” 2.1.2. PROCEDURE MET ROLNUMMER 24/240/A 4. Met een verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 14 maart 2024, tekende het ACLVB beroep aan tegen de mededelingen gedaan op dag X die betrekking hadden op de kiezerslijsten voor de ondernemingsraad. De vordering van het ACLVB luidt als volgt: “De hogervermelde verweerster en betrokken partijen per gerechtsbrief op te roepen om te verschijnen op een door u vast te stellen zitting; Voor recht te zeggen dat: - de naam van S.S. moet toegevoegd worden aan de kiezerslijst voor arbeiders in het bericht X van de ondernemingsraad in de onderneming van de verweerster; Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/239/A en 24/240/A – p. 5 - de sociale verkiezingen voor de ondernemingsraad in de onderneming van de verweerster verder voorbereid en georganiseerd moeten worden rekening houdend met de beslissing van uw rechtbank; De verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin begrepen zijnde: - de rechtsplegingsvergoeding, voorlopig begroot op: 1.800 euro; - de bijdrage Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand: 24,00 euro.” 2.2. VORDERING VAN DE NV C. 2.2.1. PROCEDURE MET ROLNUMMER 24/239/A 5. In een conclusie, ter griffie neergelegd op 19 maart 2024, luidde de vordering van de NV C. als volgt: “De vorderingen van ACLVB als onontvankelijk, minstens ongegrond horen verklaren en te zeggen voor recht dat: - de naam van de heer S. S. niet moet worden toegevoegd aan de kiezerslijst voor arbeiders in het bericht X van het comité voor preventie en bescherming op het werk in de onderneming van C.; - de sociale verkiezingen voor het comité voor preventie en bescherming op het werk in C. verder voorbereid en georganiseerd moeten worden rekening houdend met de beslissing van Uw rechtbank.” Tevens vorderde de NV C. het ACLVB te veroordelen tot de kosten van het geding, aan haar zijde begroot op de rechtsplegingsvergoeding van 1.800 euro en de bijdrage van 24 euro aan het Begrotingsfonds voor de Juridische Tweedelijnsbijstand. 2.2.2. PROCEDURE MET ROLNUMMER 24/240/A 6. In een conclusie, ter griffie neergelegd op 19 maart 2024, luidde de vordering van de NV C. als volgt: “De vorderingen van ACLVB als onontvankelijk, minstens ongegrond horen verklaren en te zeggen voor recht dat: - de naam van de heer S. S. niet moet worden toegevoegd aan de kiezerslijst voor arbeiders in het bericht X van de ondernemingsraad in de onderneming van C.; - de sociale verkiezingen voor de ondernemingsraad in C. verder voorbereid en georganiseerd moeten worden rekening houdend met de beslissing van Uw rechtbank.” Tevens vorderde de NV C. het ACLVB te veroordelen tot de kosten van het geding, aan haar zijde begroot op de rechtsplegingsvergoeding van 1.800 euro en de bijdrage van 24 euro aan het Begrotingsfonds voor de Juridische Tweedelijnsbijstand. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/239/A en 24/240/A – p. 6 3. FEITEN 7. De heer S. S. trad op 30 augustus 2021 in dienst bij de nv C. (hierna aangeduid als “C.”) middels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Hij werd tewerkgesteld als arbeider in de vestiging van C. in GENT, aan de … (zie het stuk 9 van het ACLVB). Op 29 januari 2024 stelde de heer S. S. zich kandidaat om bij de sociale verkiezingen 2024 op de lijst van het ACLVB te staan (zie het stuk 1 van het ACLVB). Op 6 februari 2024 beëindigde C. de arbeidsovereenkomst van de heer S. S. met onmiddellijke ingang en met betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 12 weken loon (zie het stuk 2 van het ACLVB). 8. De heer S. S. maakte deel uit van de volgende technische bedrijfseenheden: - voor de ondernemingsraad: de TBE C. NV Antwerpen – C. NV Gent; - voor het comité voor preventie en bescherming op het werk: de TBE C. NV Gent. Binnen deze technische bedrijfseenheden worden de sociale verkiezingen gehouden op 23 mei 2024. Op 23 februari 2024 (dag X) werden (onder andere) de voorlopige kiezerslijsten voor de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk van de hierboven genoemde technische bedrijfseenheden kenbaar gemaakt. De naam van de heer S. S. kwam op die lijsten niet voor (zie de stukken 7 van het ACLVB). Met een aangetekende brief, verzonden op 28 februari 2024, tekende het ACLVB bij de voorzitter van het comité voor preventie en bescherming op het werk bezwaar aan tegen de voorlopige kiezerslijsten van de technische bedrijfseenheid C. NV Gent. Dat bezwaar werd als volgt gemotiveerd (zie het stuk 3 van het ACLVB, neergelegd in de procedure met rolnummer 24/239/A): “Hierbij wenst het ACLVB in toepassing van artikel 30 van de wet van 4 december 2007 bezwaar aan te tekenen tegen de inhoud van het bericht X voor het CPBW binnen de TBE C. NV Gent (dossiernummer FOD X) met adres te … dat werd meegedeeld en dit meer in het bijzonder m.b.t. de kiezerslijsten. De volgende personen werden ten onrechte niet vermeld als kiezer op de kiezerslijst voor de arbeiders: S.S. Betrokkene is kandidaat voor de ACLVB. Betrokkene diende op 29/01/2024 zijn kandidatenfiche in bij de ACLVB. Hij zal voorkomen op de kandidatenlijst die uiterlijk op 29/03/2004 (d.i. X + 35) zal worden ingediend. De ACLVB zal binnen de 30 dagen na voormelde datum verzoeken dat betrokkene wordt gere-integreerd gelet op zijn ontslag dd. 6/02/24 tijdens de occulte periode. Mag ik u dan ook vriendelijk verzoeken voormelde personen toe te voegen aan de kiezerslijsten van de arbeiders voor het CPBW en het aldus verbeterde resultaat aan te plakken of elektronisch ter beschikking te stellen. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/239/A en 24/240/A – p. 7 Indien zou blijken dat u hieraan geen gevolg geeft, zal ik genoodzaakt zijn een procedure aanhangig te maken bij de arbeidsrechtbank.” Met een aangetekende brief, verzonden op 28 februari 2024, tekende het ACLVB bij de voorzitter van de ondernemingsraad bezwaar aan tegen de voorlopige kiezerslijsten van de technische bedrijfseenheid C. NV Antwerpen - C. NV Gent. Dat bezwaar bevatte een identieke motivering als het bezwaar aangetekend bij de voorzitter van het comité voor preventie en bescherming op het werk (zie het stuk 3 van het ACLVB, neergelegd in het dossier met rolnummer 24/240/A). Met een aangetekende brief van 13 maart 2024 deelden de heer S.M., voorzitter van het comité voor preventie en bescherming op het werk, en de heer M.E., voorzitter van de ondernemingsraad, aan het ACLVB mee dat zij de kiezerslijsten niet zouden wijzigen. Die beslissing was als volgt gemotiveerd (zie de stukken 5 van het ACLVB): “In navolging van het bezwaar dat jullie hebben ingediend m.b.t. de kiezerslijsten voor de ondernemingsraad voor de TBE C. NV Gent/Antwerpen en het CPBW voor de TBE C. NV Gent (uw kenmerk: X), hebben wij overleg gepleegd in bovenvermelde overlegorganen. Op basis van dit overleg werd vandaag beslist om geen rechtzetting aan te brengen aan de kiezerslijsten. De kiezerslijsten werden opgesteld op basis van de wettelijke bepalingen ter zake. Eén van de voorwaarden om te worden opgenomen op de kiezerslijsten is dat de betrokkene werknemer moet zijn in de technische bedrijfseenheid waarvoor de sociale verkiezingen worden georganiseerd. Op het moment dat de verkiezingsdatum werd aangekondigd, was de betrokkene niet meer in dienst van de technische bedrijfseenheid waardoor aan deze voorwaarde niet voldaan is.” 4. BEOORDELING 4.1. SAMENVOEGING 9. Het artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek laat toe dat rechtsvorderingen als samenhangend worden behandeld, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen om oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk zouden worden behandeld (J. PETIT, Sociaal Procesrecht, Brugge, Die Keure, 2000, 137). De feitenrechter oordeelt vrij of er samenhang is (Cass. 4 september 1987, Arr. Cass. 1987-’88, 4). Samenhang vereist wel een objectieve band tussen de vorderingen (J. PETIT, ibidem). De rechtbank oordeelt dat het passend voorkomt de zaken, gekend onder de algemene rolnummers 24/239/A en 20/240/A samen te voegen. Beide zaken hebben een identieke rechtsvraag als inzet; de oorzaak en het voorwerp van de vorderingen zijn bovendien zeer gelijklopend. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/239/A en 24/240/A – p. 8 4.2. ONTVANKELIJKHEID VAN DE VORDERINGEN 10. C. werpt op dat de vordering onontvankelijk is wegens een gebrek aan hoedanigheid in hoofde van de verweerder. Hij voert in dat kader aan dat de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk de beslissingen over het bezwaar van het ACLVB hebben genomen en dat het deze organen zijn die als verweerder in de procedure betrokken hadden moeten worden. De rechtbank volgt dat argument niet. Eisen in verband met de sociale verkiezingen moeten tegen de werkgever worden ingesteld, zelfs indien de verrichtingen waartegen beroep wordt aangetekend (zoals het geval is bij de mededelingen op dag X) door andere instanties dan de werkgever werden gedaan (O. VANACHTER, Procedure voor de sociale verkiezingen. Een praktische handleiding voor de sociale verkiezingen van de ondernemingsraad en het comité PBW, Wolters Kluwer, Mechelen, 2023, 259). C. heeft dan ook de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang om als verweerder in rechte op te treden. Hoewel het de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk zijn die de voorlopige kiezerslijsten bekendmaken en vervolgens ook beslissen over een eventueel bezwaar tegen die lijsten, is – indien de ondernemingsraad en/of het comité voor preventie en bescherming op het werk weigeren op dat bezwaar in te gaan – de vordering om de kiezerslijsten aan te passen en de verkiezingsprocedure met deze gewijzigde lijst verder te zetten noodzakelijk tegen de werkgever gericht. De betrokken werkgever (in casu C.) heeft dan ook belang en hoedanigheid om in deze procedure als verweerder op te treden. Het is tot slot niet mogelijk om het beroep tegen de mededelingen op dag X te richten tegen de ondernemingsraad en/of het comité voor preventie en bescherming op het werk. Deze organen hebben geen rechtspersoonlijkheid en kunnen niet in rechte gedaagd worden (J. VANTHOURNOUT & P. HUMBLET, De sociale verkiezingen tot op het bot, Intersentia, Antwerpen, 2019, 292). 11. Met toepassing van het artikel 31bis van de Wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen (hierna aangehaald als “Wet Sociale Verkiezingen”), dienen de betrokken werknemers of de betrokken representatieve werknemersorganisaties beroep aan te tekenen tegen de beslissing waarbij de datum van de verkiezingen wordt aangekondigd binnen de zeven dagen die volgen op het verstrijken van de termijn als bedoeld in het artikel 31 van die wet. Deze termijn van zeven dagen volgt op twee andere termijnen. Met toepassing van het artikel 30 van de Wet Sociale Verkiezingen kunnen de werknemers en de representatieve vakorganisaties bij de ondernemingsraad, het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij ontstentenis ervan, de werkgever, bezwaar aantekenen tegen een aantal onderdelen van het bericht waarbij de datum van de verkiezingen wordt aangekondigd. Dat bezwaar moet ingediend worden binnen een termijn van zeven dagen na de aanplakking van dat bericht. In het artikel 31 van de Wet Sociale Verkiezingen wordt bepaald dat de ondernemingsraad of het comité voor de preventie en bescherming op het werk of, bij ontstentenis ervan, de werkgever, zich vervolgens binnen de zeven dagen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een bezwaar moeten uitspreken over de ingediende klachten. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/239/A en 24/240/A – p. 9 Deze bepalingen leiden ertoe dat het beroep bij de arbeidsrechtbank moet worden aangetekend uiterlijk op dag X + 21. Op 23 februari 2024 (dag X) werden (onder andere) de voorlopige kiezerslijsten voor de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk kenbaar gemaakt. Met twee aangetekende brieven van 28 februari 2024 tekende het ACLVB bij de voorzitter van de ondernemingsraad en de voorzitter van het comité voor preventie en bescherming op het werk bezwaar aan tegen de voorlopige kiezerslijsten. Deze bezwaren werden aldus ingediend binnen een termijn van zeven dagen na dag X, waarvan de laatste dag 1 maart 2024 was. De ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk dienden zich over die bezwaren uit te spreken binnen een termijn van zeven dagen na het verstrijken van de termijn voor het indienen ervan, dus uiterlijk op 8 maart 2024 (dag X + 14). De termijn om beroep aan te tekenen bij de arbeidsrechtbank verstreek dan ook op 15 maart 2024 (dag X + 21). Wanneer het ACLVB op 14 maart 2024 twee verzoekschriften neerlegde waarmee hij beroep aantekende tegen de beslissingen genomen op dag X, deed hij dat dus tijdig. De vorderingen van het ACLVB zijn ontvankelijk. 4.3. GEGRONDHEID 12. De rechtbank is van oordeel dat de heer S. S. op dag X niet op de kiezerslijsten moest worden vermeld. In de wetgeving inzake de sociale verkiezingen is vooreerst nergens voorzien dat de kandidaat- personeelsafgevaardigde die tijdens de occulte periode ontslagen werd en op dag X dus geen werknemer is tewerkgesteld in de onderneming, op de kiezerslijsten dient te worden vermeld. In het artikel 14, 4° van de Wet Sociale Verkiezingen wordt bepaald dat de ondernemingsraad, het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij ontstentenis ervan, de werkgever op dag X de werknemers o.a. in kennis stelt van: “de voorlopige kiezerslijsten of de plaatsen waar zij kunnen worden geraadpleegd. Deze lijsten hernemen, per categorie, de werknemers tewerkgesteld in de onderneming en de uitzendkrachten ter beschikking gesteld bij de gebruiker bedoeld in artikel 16, derde lid, die op de dag van de verkiezingen zullen voldoen aan de kiesvoorwaarden. Aan elke persoon van dezelfde categorie op deze lijst, wordt een nummer toegekend;” Met betrekking tot de kiesvoorwaarden wordt in het artikel 16, lid 1 van de Wet Sociale Verkiezingen bepaald dat aan de sociale verkiezingen wordt deelgenomen door alle werknemers van de onderneming, met inbegrip van buitenlandse werknemers en staatlozen, die verbonden zijn door een arbeids- of leerovereenkomst, met uitzondering van de werknemers die deel uitmaken van het leidinggevend personeel, die op de datum van de verkiezingen sedert ten minste drie maanden tewerkgesteld zijn in de juridische entiteit of in de technische bedrijfseenheid gevormd door meerdere juridische entiteiten. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/239/A en 24/240/A – p. 10 Uit deze artikelen volgt dat een persoon slechts op de voorlopige kiezerslijsten moet worden vermeld, indien hij op dag X tewerkgesteld is in de onderneming én op dag Y voldoet aan de volgende voorwaarden: - hij heeft op de datum van de verkiezingen een anciënniteit van drie maanden; - hij is op die datum (nog) met de onderneming verbonden door een arbeids- of leerovereenkomst (Arbrb. Brussel 7 maart 2012, A.R.12/2601/A), onuitg.); - hij behoort tot de technische bedrijfseenheid waarop de kiezerslijsten betrekking hebben (Arbrb. Luik 8 maart 2012, A.R. 405.199, onuitg.). Er dient echter geen rekening te worden gehouden met gebeurtenissen die zich mogelijk zullen voordoen tussen dag X en dag Y. Zo mag – om te bepalen of een afzonderlijke kiezerslijst moet worden opgesteld voor de jeugdige werknemers – geen rekening worden gehouden met het feit dat de werkgever een van de jeugdige werknemers, van wie het einde van de arbeidsovereenkomst voorzien is vóór dag Y, wellicht niet opnieuw in dienst zal nemen; het enige zekere criterium is in dat geval de leeftijd van de werknemers (Cass. 12 februari 2001, Arr. Cass. 2001, afl. 2, 263; JTT 2001, 429). In de Wet Sociale Verkiezingen (of zijn uitvoeringsbesluiten) wordt geen uitzondering voorzien voor de hypothese waarin een werknemer ontslagen werd tijdens de occulte periode en daardoor op dag X niet in de onderneming tewerkgesteld was, maar dat op dag Y met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wel opnieuw zal zijn. Nochtans is, als het erop aankomt de verkiesbaarheidsvoorwaarden van de kandidaat- personeelsafgevaardigden te bepalen, in de daarop toepasselijke wetgeving wel in een uitzonderingsregeling voorzien voor de kandidaat die tijdens de occulte periode ontslagen werd. In het artikel 19 van de Wet van 20 september 1948 houdende de organisatie van het bedrijfsleven wordt bepaald wat de voorwaarden zijn om zich kandidaat te stellen als personeelsafgevaardigde; de kandidaat moet “werknemer” van de onderneming zijn en moet op de dag van de verkiezingen aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoen. In dat artikel wordt over de werknemer die tijdens de occulte periode ontslagen werd (en op dag X + 35 dus geen werknemer is van de onderneming) het volgende bepaald: “De werknemer die in strijd met de bepalingen van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, werd ontslagen mag als kandidaat worden voorgedragen.” Een identieke regeling is bovendien, wat de kandidaten voor het comité voor preventie en bescherming op het werk betreft, te vinden in het artikel 59 van de Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. A contrario leidt de rechtbank uit deze uitdrukkelijke bepalingen (die uitsluitend betrekking hebben op het recht voor de werknemer die tijdens de occulte periode ontslagen werd om alsnog op de kandidatenlijst te worden vermeld) af dat diezelfde werknemer niet het recht heeft om op de kiezerslijsten te figureren. Dat wordt immers niet uitdrukkelijk voorzien in de Wet Sociale Verkiezingen of zijn uitvoeringsbesluiten. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/239/A en 24/240/A – p. 11 De rechtbank volgt het vonnis van de arbeidsrechtbank Luik, afdeling Luik van 20 maart 2020, waarin anders werd geoordeeld, niet. De rechtbank wijst erop dat de Wet Sociale Verkiezingen van openbare orde is en strikt moet worden geïnterpreteerd. Het gaat dan ook niet op om op een situatie die in die wet niet wordt geregeld, de uitzondering toe te passen voorzien in een andere wet en voor een andere situatie. Dat de interpretatie van de arbeidsrechtbank Luik, afdeling Luik in het voordeel van de werknemer en zijn vakorganisatie is, is daarbij niet relevant. Dat het, zoals C. opmerkt, met toepassing van het artikel 46 van de Wet Sociale Verkiezingen mogelijk is om de voorlopige kiezerslijsten op dag Y – 13 “op te kuisen” en daarvan de werknemers die op dat ogenblik geen deel meer uitmaken van het personeel te schrappen, is evenmin relevant. Het is niet omdat het mogelijk zou zijn de heer S. S. later in de procedure van de kiezerslijsten te schrappen dat hij op dag X zonder wettelijke grondslag moet worden toegevoegd aan die lijsten. Aangezien de heer S. S. op 23 februari 2024 (dag X) ingevolge een ontslag eerder die maand niet tewerkgesteld was in de onderneming en de wetgeving (die van openbare orde
- is)niet in een uitzondering voorziet voor het geval waarin een kandidaat-personeelsafgevaardigde tussen dag X – 30 en dag X + 35 ontslagen werd, voldeed hij niet aan de voorwaarden om op de kiezerslijsten te worden vermeld. 13. Bovendien staat het evenmin vast dat de heer S. op 23 mei 2024, dag waarop de sociale verkiezingen binnen C. gehouden worden, wél (opnieuw) tewerkgesteld zal zijn in de onderneming. Met toepassing van het artikel 2, §1 van de Wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat- personeelsafgevaardigden (hierna aangehaald als de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden) kunnen de personeelsafgevaardigden en kandidaat-personeelsafgevaardigden slechts worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair comité werden erkend. De personeelsafgevaardigden genieten het voordeel van het artikel 2, §1 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld (artikel 2, §2 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden). De personeelsafgevaardigden zijn dus beschermd tegen ontslag vanaf dag X – 30, terwijl de representatieve werknemersorganisaties ingevolge het artikel 33 van de Wet Sociale Verkiezingen pas uiterlijk op dag X + 35 bij de werkgever de kandidatenlijsten moeten indienen. Tussen dag X – 30 en X + 35 is er een dus een zogenoemde “occulte periode”, waarin de werkgever nog niet weet welke werknemers zich reeds kandidaat hebben gesteld. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/239/A en 24/240/A – p. 12 Met toepassing van het artikel 14 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden kan de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen zijn re-integratie in de onderneming vragen onder dezelfde voorwaarden als die welke hij voor de beëindiging van de overeenkomst genoot. Deze vraag moet worden gesteld met een ter post aangetekende brief die, bij een ontslag voor de bekendmaking van de kandidatenlijsten, wordt verstuurd binnen de dertig dagen volgend op de dag van de voordracht van de kandidaturen. De re-integratie mag niet worden gevraagd vóór de voordracht van de kandidaten (Cass. 2 december 1996, Arr. Cass. 1996, 1146, RW 1997-98, 639) en evenmin op dezelfde dag waarop de kandidatenlijst wordt ingediend (Arbh. Gent 14 april 2003, A.R. 110/02, onuitg., geciteerd door O. WOUTERS, “Sociale verkiezingen 2024 – de spelregels voor de kandidatenlijsten”, Or. 2023/10, 384). Binnen C. loopt de occulte periode van 24 januari 2024 (dag X - 30) tot 29 maart 2024 (dag X + 35). C. beëindigde de arbeidsovereenkomst van de heer S. S. op 6 februari 2024 met onmiddellijke ingang, zodat zijn ontslag binnen deze periode viel. Hij heeft daardoor het recht om vanaf de voordracht van de kandidaturen zijn re-integratie te vragen. Het is echter lang niet zeker of de heer S. S. op 23 mei 2024 (dag Y) ook daadwerkelijk zal gere- integreerd zijn in de onderneming en aan de kiesvoorwaarden zal voldoen. Het ACLVB heeft vooreerst tot 29 maart 2024 de tijd om kandidaten voor te dragen, zodat het op heden niet zeker is of de heer S. S. ook daadwerkelijk zal worden voorgedragen als kandidaat. Het is in dat kader opvallend dat op de kandidatenfiche van het ACLVB, die de heer S. S. op 29 januari 2024 invulde, uitdrukkelijk wordt vermeld dat het onderschrijven van die fiche geenszins betekent dat hij automatisch op de kandidatenlijst zal staan en dat hij voorzichtig dient te zijn bij het publiek maken van zijn kandidatuur zolang hij niet het fiat gekregen heeft van de bestendige secretaris van het ACLVB (zie het stuk 1 van het ACLVB). Niets belette het ACLVB overigens om deze onduidelijkheid alvast op te lossen door, zoals zijn recht is, de kandidatenlijsten reeds voor 29 maart 2024 bekend te maken. Bovendien kan de heer S. S. zijn re-integratie pas aanvragen vanaf de dag volgend op de dag waarop het ACLVB zijn kandidaten heeft voorgedragen. Het ACLVB zal dat wellicht pas doen op 29 maart 2024. Het is op heden dus evenmin zeker dat de heer S. S. daadwerkelijk zijn re-integratie zal vragen. Tot slot is het niet zeker – indien de heer S. S. als kandidaat wordt voorgedragen en hij of zijn vakorganisatie de re-integratie vragen – of C. op die vraag zal ingaan. Dat de ontslagen werknemer ingevolge het artikel 17 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, indien hij of zijn vakorganisatie zijn re-integratie heeft aangevraagd en de werkgever weigert op die vraag in te gaan, recht heeft op een substantiële vergoeding maakt de re-integratie weliswaar waarschijnlijker, maar nog steeds niet voldoende zeker. Gelet op hetgeen hierboven werd uiteengezet, voldeed de heer S. S. op dag X niet aan de kiesvoorwaarden en diende hij niet op de voorlopige kiezerslijsten te worden vermeld. De vordering van het ACLVB is ongegrond. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/239/A en 24/240/A – p. 13 4.4. GERECHTSKOSTEN 14. Met toepassing van het artikel 1017, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek dient het ACLVB, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld tot de kosten van het geding. De vordering is niet in geld waardeerbaar, zodat de rechtsplegingsvergoeding dient te worden bepaald op het basisbedrag voor niet in geld waardeerbare vorderingen, hetzij 1.800 euro. De bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand blijft ten laste van het ACLVB (2 x 24 euro). Indien meerdere samenhangende vorderingen worden ingesteld tussen dezelfde partijen, moet tot slot slechts één rechtsplegingsvergoeding worden toegekend (B. VAN DEN BERGH & S. SOBRIE, De rechtsplegingsvergoeding in al zijn facetten, Wolters Kluwer, Mechelen, 2016, 105). 5. BESLISSING De kamer G1 van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent; Doet recht op tegenspraak en bij afwezigheid van de in het geding betrokken partijen; Past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe; Voegt de zaken gekend onder de rolnummers A.R. 24/239/A en A.R. 24/240/A samen; Verklaart de vordering van het ACLVB ontvankelijk maar ongegrond; Zegt voor recht dat de heer S. niet moet worden toegevoegd aan de kiezerslijsten voor de arbeiders van de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk in de onderneming van C.; Zegt voor recht dat de verkiezingen voor de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk in de onderneming van C. verder voorbereid en georganiseerd dienen te worden overeenkomstig deze uitspraak; Legt de gerechtskosten, met toepassing van het artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het ACLVB en vereffent deze kosten aan de zijde van C. als volgt: - rechtsplegingsvergoeding: 1.800 euro; Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/239/A en 24/240/A – p. 14 Dit vonnis werd gewezen en ondertekend door: VANDEN POEL ISABELLE: ondervoorzitter, CAENEN MICHAËL: rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever, QUINTELIER JOHAN: rechter in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider, bijgestaan door: PROVOST ISABELLE, griffier, PROVOST ISABELLE QUINTELIER JOHAN CAENEN MICHAËL VANDEN POEL ISABELLE en uitgesproken op EENENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND VIERENTWINTIG in buitengewone openbare zitting van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent, KAMER G1 door VANDEN POEL ISABELLE, ondervoorzitter en bijgestaan door PROVOST ISABELLE, griffier. PROVOST ISABELLE VANDEN POEL ISABELLE PDF document ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20240321.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.