id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 16 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20240416.1 Rolnummer: 24/168/A Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-07-10 Raadplegingen: 222 - laatst gezien 2026-06-17 13:53 Fiche Een technische bedrijfseenheid bestaande uit verschillende vennootschappen is van oordeel dat de kandidatuur van de heer D. personeelsvertegenwoordiger voor de bedienden voor het CPBW, zoals voorgedragen door het ACLVB in het kader van de sociale verkiezingen van 2024, ongeldig is wegens rechtsmisbruik. De werkgever die rechtsmisbruik aanvoert, moet hiervan ook het bewijs leveren. De werkgever mag dit bewijs met alle middelen van recht leveren, getuigen en vermoedens inbegrepen. Bij de beoordeling van het bestaan van rechtsmisbruik moet wel rekening worden gehouden met het recht en de (uitsluitende) bevoegdheid van representatieve werknemersorganisaties om naar eigen inzicht kandidaten voor te dragen (art. 33, §1 Wet Sociale Verkiezingen). Het komt de werkgever niet toe de opportuniteit en moraliteit van een kandidaatstelling in vraag te stellen. Ook de rechtbank heeft dit niet te toetsen. De rechtbank besluit dat eisende partijen in deze niet afdoende bewijzen dat de heer D. met het stellen van zijn kandidatuur voor het CPBW voor de sociale verkiezingen van 2024, zijn subjectief recht om deze kandidatuur te stellen heeft afgewend van het wettelijk doel en voor andere oogmerken heeft aangewend. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Sociale verkiezingen Wettelijke bepalingen: Wet - 04-12-2007 - 39 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Wet - 04-12-2007 - 33 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer: Uitgereikt aan Uitgereikt aan 25/ Datum van uitspraak: op op 16/04/2024 € € Rechtsmiddelen Rolnummer: 24/168/A Materie: Sociale verkiezingen Type vonnis: Eindvonnis arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk Vonnis Kamer K2 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/168/A – p. 2 VON : EVT In de zaak van: P.I. nv, eerste eisende partij, op de buitengewone openbare terechtzitting vertegenwoordigd door B.P.I. nv, tweede eisende partij, op de buitengewone openbare terechtzitting vertegenwoordigd door B.B. nv, derde eisende partij, op de buitengewone openbare terechtzitting vertegenwoordigd door tegen: D.G., eerste verwerende partij, op de buitengewone openbare terechtzitting vertegenwoordigd door ACLVB, (KBO: 0850.330.011), met zetel te 1000 BRUSSEL, Boudewijnlaan 8, tweede verwerende partij, op de buitengewone openbare terechtzitting vertegenwoordigd door de door eisende partijen aangeduide betrokken partijen: ACV BRUSSEL, (KBO: 0850.330.506), met zetel te 1030 BRUSSEL 3, Haachtsesteenweg 579, op de buitengewone openbare terechtzitting niet verschenen en evenmin vertegenwoordigd. ABVV BRUSSEL, (KBO: 0923.971.817), met zetel te 1000 BRUSSEL, Hoogstraat 42, op de buitengewone openbare terechtzitting niet verschenen en evenmin vertegenwoordigd. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/168/A – p. 3
- PROCEDURE De vordering werd ingeleid door middel van een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 5 april
- Bij beschikking van 8 april 2024 werden conclusietermijnen bepaald en werd de zaak voor behandeling vastgesteld op de buitengewone openbare terechtzitting van de kamer K2 van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk, Beheerstraat 41, 8500 KORTRIJK op dinsdag 16 april 2024 om 14u00 (zaal D). De eisende partijen legden hun overtuigingsstukken neer op 10 april
- De verwerende partijen legden conclusies evenals een stukkenbundel neer op 10 april 2024 en op 15 april 2024, waarbij de laatste conclusies overeenkomstig artikel 748bis van het gerechtelijk wetboek en voor de toepassing van artikel 780 Van het gerechtelijk wetboek als syntheseconclusies worden beschouwd. De eisende partijen legden conclusies neer op 12 april
- De partijen zijn verschenen op de buitengewone openbare zitting van 16 april 2024 en werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De stukken van de rechtspleging en de stukken neergelegd door de partijen werden door de rechtbank ingezien. De rechtspleging verliep in het Nederlands overeenkomstig de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
- VOORWERP VAN DE VORDERING De vordering van eisende partijen zoals geformuleerd in hun verzoekschrift en hernomen in hun conclusie neergelegd ter griffie op 12 april 2024, strekt ertoe: - Hun vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens: o te zeggen voor recht dat de kandidatuur van de heer D. als personeelsvertegenwoordiger voor de bedienden voor het CPBW, zoals voorgedragen door het ACLVB in het kader van de sociale verkiezingen van 2024, ongeldig is wegens rechtsmisbruik en mitsdien te zeggen voor recht dat de naam van de heer D. van de betrokken kandidatenlijsten dient te worden geweerd, en in voorkomend geval, eveneens van de stembiljetten, en dat hij niet zal kunnen worden vervangen; o te zeggen voor recht dat de sociale verkiezingen op 14 mei 2024 bij eisende partijen verder moeten worden georganiseerd en voorbereid op basis van deze beslissing; o de heer D. en het ACLVB te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 1.800,00 euro (basisbedrag). De verwerende partijen vorderen in hun syntheseconclusie, neergelegd op 15 april 2024: Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/168/A – p. 4 - de vordering van eisende partijen ontvankelijk,doch ongegrond te verklaren en dienvolgens: o te zeggen voor recht dat dhr. D.G. dient te worden behouden op de lijst van de kandidaten voor het CPBW voor de categorie bedienden, zoals voorgedragen door de ACLVB in het kader van de sociale verkiezingen van 2024 binnen de TBE2 CPBW Oost- en West-Vlaanderen; o te zeggen voor recht dat de sociale verkiezingen 2024 voor de TBE2 CPBW Oost-en West-Vlaanderen bij eisende partijen verder dienen te worden georganiseerd en voorbereid op grond van deze beslissing; o eisende partijen te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde vanbeide verwerende partijen begroot op nihil.
- FEITEN 3.
- De heer G.D. trad op 1 maart 2006 in dienst bij de NV P.I., met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Hij oefende er de functie van verkoopsadviseur uit en was tewerkgesteld in de exploitatiezetel te Kortrijk, gelegen aan … (stuk B.1 eisende partijen). De eisende partijen behoren tot de B.-groep en baten tal van doe-het-zelf-winkels uit verspreid over het Belgische grondgebied. 3.
- De eisende partijen maken samen een technische bedrijfseenheid uit (TBE 2 CPBW Oost- en West- Vlaanderen). Binnen die technische bedrijfseenheid worden op dinsdag 14 en woensdag 15 mei 2024 sociale verkiezingen georganiseerd voor het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk (hierna genoemd CPBW) (stukken A.
- en A.4 eisende partijen). 3.
- De heer D. is lid bij de ACLVB sinds december
- Bij de sociale verkiezingen van 2016 en 2020 werd de heer D. door de ACLVB telkens als kandidaat-lid voor het CPBW voorgedragen, doch hij werd niet verkozen (stuk B.2 en B.3 eisende partijen). Voordien was de heer D. lid van het ABVV. Bij de sociale verkiezingen van 2008 en 2012 werd hij verkozen als plaatsvervangend personeelsafgevaardigde voor het CPBW (stuk 21 verwerende partijen). Op 5 oktober 2023 ondertekende de heer D. opnieuw een kandidatenfiche van de ACLVB waarin hij te kennen gaf zich opnieuw verkiesbaar te willen stellen voor de komende sociale verkiezingen (stuk 2 verwerende partijen). Op 16 maart 2024 diende mevrouw K.M., in haar hoedanigheid van bestendig secretaris van de ACLVB, de kandidatenlijst voor het CPBW, voor de bewuste technische bedrijfseenheid, in via de webapplicatie van de FOD WASO. De kandidatenlijst vermeldt 2 kandidaten. Als eerste mevrouw L. V.B. en als tweede de heer G.D. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/168/A – p. 5 3.
- Volgens de van toepassing zijnde verkiezingskalender viel dag X+35 op 20 maart 2024, zodat de vakorganisaties hun kandidatenlijsten ten laatste op die dag dienden in te dienen. Tot uiterlijk 1 april 2024 konden bij eisende partijen klachten worden ingediend tegen de neergelegde kandidatenlijsten. Er werden geen interne klachten ontvangen. 3.
- De eisende partijen verzetten zich bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 5 april 2024, tegen de door de ACLVB voorgedragen kandidatuur van de heer G.D. Zij voeren aan dat er sprake is van rechtsmisbruik aangezien de heer D. zich enkel kandidaat zou hebben gesteld om opnieuw de bij wet bepaalde ontslagbescherming te kunnen genieten. Dat verzoekschrift ligt aan deze procedure ten grondslag.
- BEOORDELING 4.
- Bevoegdheid De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk is zowel materieel (artikel 582, 4° van het Gerechtelijk Wetboek) als territoriaal (artikel 627,9e van het Gerechtelijk Wetboek) bevoegd om kennis te nemen van de vordering. 4.
- Ontvankelijkheid van de vordering De vordering van de eisende partijen werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Verwerende partijen voeren hieromtrent overigens geen betwisting. De vordering is ontvankelijk. 4.
- Ten gronde 4.3.
- Algemene principes 4.3.1.
- Artikel 39 §2 van de Wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen bepaalt dat een werkgever beroep kan instellen tegen de voordracht van kandidaten, wanneer de kandidaturen of de kandidatenlijsten niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, en van deze wet, zelfs indien geen enkele klacht werd ingediend door de betrokken werknemers of de betrokken representatieve vakorganisaties. In een arrest van 22 juni 1992 werd door het Hof van Cassatie duidelijk gesteld dat deze mogelijkheid tot beroep zich niet beperkt tot een onderzoek naar de verkiesbaarheidvoorwaarden als dusdanig van de kandidaten, doch tevens van toepassing op alle betwistingen betreffende de geldigheid van een kandidatuur en de samenstelling van de kandidatenlijsten (Cass., 22 juni 1992, R.W. 1992-93, 359). Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/168/A – p. 6 De werkgever kan middels zijn beroep ook een kandidaat laten weren op grond van rechtsmisbruik, met name het misbruik van het recht om zich kandidaat te stellen (Cass. 5 maart 1984, RW 1984-1985, 1810; zie ook Cass. 24 september 2001, Arr.Cass. 2001, afl. 8, 1525, concl. adv-gen. Leclercq). Rechtsmisbruik wordt omschreven als het uitoefenen van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van een normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en vooruitziend persoon (zie o.m. Cass., 16 december 1982, Pas. 1983, I, 472; Cass., 29 november 1987, Pas. 1988, I, 332 – en, Cuypers D., “Rechtsmisbruik in het arbeidsrecht” – Revisited, in Actuele Problemen van het Arbeidsrecht 5, Gent, Meys en Breesch, 1997, p.85). Het recht dat in het kader van de sociale verkiezingen ter discussie staat betreft het subjectief recht van iedere werknemer om zich verkiesbaar te stellen, voor zover de betrokkene voldoet aan de wettelijk vereiste voorwaarde van verkiesbaarheid. Dit subjectief recht, dat wordt toegekend met een specifiek doel, namelijk het uitoefenen van een mandaat in een sociaal overlegorgaan, dit in het belang van de gemeenschap van werknemers, kan het voorwerp uitmaken van rechtsmisbruik, wanneer dit recht wordt afgewend van dit doel en het voor andere oogmerken wordt aangewend. Er is bijvoorbeeld sprake van rechtsmisbruik wanneer de werknemer zich uitsluitend kandidaat stelt om een ontslag te verhinderen of om van de bij wet bepaalde ontslagbescherming te genieten. Op die manier wordt immers afbreuk gedaan aan het doel en de functie van het mandaat van personeelsvertegenwoordiger. Het wezen van het mandaat bestaat erin als vertegenwoordiger van (een gedeelte van) de werknemers oprecht, en dus niet op een geveinsde of fictieve manier, de belangenverdediging van de werknemers op zich te nemen, en op die manier deel te nemen en bij te dragen aan het sociaal overleg binnen de onderneming. 4.3.1.
- De werkgever die rechtsmisbruik aanvoert, moet hiervan ook het bewijs leveren. De werkgever mag dit bewijs met alle middelen van recht leveren, getuigen en vermoedens inbegrepen. Bij de beoordeling van het bestaan van rechtsmisbruik moet wel rekening worden gehouden met het recht en de (uitsluitende) bevoegdheid van representatieve werknemersorganisaties om naar eigen inzicht kandidaten voor te dragen (art. 33, §1 Wet Sociale Verkiezingen). Het komt de werkgever niet toe de opportuniteit en moraliteit van een kandidaatstelling in vraag te stellen. Ook de rechtbank heeft dit niet te toetsen. Een verkiezing veronderstelt uiteindelijk immers dat enkel de kiezers — via het uitbrengen van hun stem — de persoonlijke bekwaamheid en geschiktheid van een kandidaat beoordelen. De vermeende (persoonlijke) onbekwaamheid of ongeschiktheid doet geen afbreuk aan de verkiesbaarheid van een werknemer, zo hij aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoet die de wet limitatief opsomt. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/168/A – p. 7 4.3.
- Standpunt van partijen 4.3.2.
- Eisende partijen zijn van oordeel dat zij afdoende bewijzen dat de kandidatuur van de heer D. niet het uitoefenen van een mandaat als personeelsafgevaardigde in het CPBW beoogt, doch enkel werd ingediend met het oog op de wettelijke bescherming tegen een dreigend ontslag. Eisende partijen menen aldus dat de kandidatuur om die reden een rechtsmisbruik uitmaakt en dient te worden geweerd. De eisende partijen ontwikkelen verschillende argumenten ter ondersteuning van hun standpunt. Vooreerst voeren zij aan dat de heer D. sinds begin 2022 quasi constant afwezig is geweest. Op enkele kortstondige periodes van werkhervatting na zou de heer D. al meer dan 2 jaar afwezig zijn en aldus ook vervreemd zijn van de werkvloer. Bovendien zou de heer D. op het ogenblik dat hij zich kandidaat stelde, geweten hebben dat het voortbestaan van zijn arbeidsovereenkomst door diverse eerdere incidenten, onzeker was geworden. Hij zou immers een duidelijke voorafgaande ingebrekestelling hebben ontvangen waarin in niet mis te verstane woorden werd verwezen naar een nakend ontslag om dringende reden zodat hij duidelijk moet hebben aangevoeld dat zijn positie binnen de onderneming in het gedrang kwam. Daarnaast zou het volgens eisende partijen opvallend zijn dat de heer D. gedurende zijn lange periode van tewerkstelling geen interesse heeft getoond in enige syndicale activiteit en evenmin in het beleid inzake veiligheid van de werknemers. Hij zou nooit lid zijn geweest van de syndicale delegatie en nooit actief zijn opgekomen voor de belangen van de werknemers. Hij zou ook geen enkele belangstelling hebben getoond voor de veiligheid en het welzijn van het personeel en zelfs eerder blijk hebben gegeven van een absolute desinteresse op dat vlak door bepaalde veiligheidsvoorschriften niet te respecteren. Tenslotte voeren eisende partijen aan dat de heer D. zich niet collegiaal opstelt en absoluut niet goed in de groep ligt bij de collega’s, zodat hij niet de geknipte persoon is om de collega’s in een overlegorgaan te vertegenwoordigen. 4.3.2.
- De verwerende partijen van hun kant menen dat de eisende partijen niet aantonen dat er een kennelijke onredelijke uitoefening is van het recht in hoofde van de heer D. om zich kandidaat te stellen. Zij wijzen erop dat de heer D. zijn kandidatuur reeds indiende op 5 oktober 2023 en dat er op dat ogenblik nog geen enkel signaal zou zijn geweest dat zijn tewerkstelling bij eisende partijen onder druk stond. Dat er nadien verschillende ingebrekestellingen zijn gevolgd, doet volgens verwerende partijen niet terzake aangezien die geen invloed kunnen hebben gehad op de eerdere kandidaatstelling. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/168/A – p. 8 Verwerende partijen menen zelfs dat die plotse toename aan ingebrekestellingen een bewuste reactie kan zijn geweest van de eisende partijen teneinde een dossier tegen de heer D. op te bouwen. Bovendien wijzen zij erop dat de heer D. gedurende zijn volledige periode van tewerkstelling al blijk heeft gegeven van intresse in de syndicale werking. Zo was hij eerder lid bij het ABVV. Bij de verkiezingen van 2008 en 2012 kwam hij op als kandidaat voor de sociale verkiezingen voor het ABVV en werd hij telkens verkozen. Hij fungeerde in die jaren dan ook als plaatsvervangend lid van de vakbondsafvaardiging binnen de onderneming van eisende partijen. In december 2015 sloot hij zich aan bij de ACLVB. Zowel bij de verkiezingen van 2016 als van 2020 was hij kandidaat personeelsafgevaardigde voor het CPBW voor de ACLVB. Dat hij daarbij niet werd verkozen zou niet aan hem kunnen toegeschreven worden, doch slechts aan de beperkte representativiteit van de ACLVB binnen de onderneming van eisende partijen. Verwerende partijen voeren tenslotte aan dat er in hoofde van de heer D. geen sprake is van een jarenlange ononderbroken afwezigheid met een uitgesproken vervreemding van het gebeuren op de werkvloer tot gevolg. De heer D. zou inderdaad veelvuldig afwezig zijn geweest in de afgelopen 2 jaar, dit ingevolge arbeidsongeschiktheid en familiale noodzaak, doch die afwezigheden werden onderbroken door periodes van werkhervatting zodat de voeling met de onderneming bleef bestaan. Zijn huidige afwezigheid wegens tijdskrediet loopt overigens af half april 2024 zodat er een duidelijk vooruitzicht is op werkhervatting op heel korte termijn. Dat de heer D. thans opnieuw arbeidsongeschikt is, blijkens het medisch attest dat door eisende partijen wordt voorgelegd ter zitting, zou daaraan geen afbreuk doen. Het attest gewaagt immers slechts van een korte periode van arbeidsongeschiktheid, aflopende op 28 april 2024, en er zijn geen redenen om aan te nemen dat er nadien opnieuw een periode van afwezigheid zou volgen. 4.3.
- Concrete beoordeling De rechtbank besluit dat eisende partijen in deze niet afdoende bewijzen dat de heer D. met het stellen van zijn kandidatuur voor het CPBW voor de sociale verkiezingen van 2024, zijn subjectief recht om deze kandidatuur te stellen heeft afgewend van het wettelijk doel en voor andere oogmerken heeft aangewend. De rechtbank komt tot dat besluit op grond van onderstaande overwegingen:
- Langdurige afwezigheden in het verleden volstaan niet als bewijs van rechtsmisbruik indien een werkhervatting op korte termijn hoogstwaarschijnlijk is en niet aangetoond is dat het mandaat in de toekomst niet zou kunnen worden opgenomen Hoewel vaststaat dat de heer D. in de afgelopen jaren telkens gedurende langere periodes afwezig is geweest van het werk o.a. omwille van arbeidsongeschiktheid, omwille van ernstige medische problemen in zijn dichte familiale kring en recent omwille van tijdskrediet, en hoewel uit de stukken blijkt dat hij thans opnieuw enkele dagen afwezig zal zijn wegens arbeidsongeschiktheid, meent de rechtbank dat deze vaststelling niet kan volstaan om te besluiten tot rechtsmisbruik. Deze veelvuldige afwezigheden verhinderen immers niet dat de heer D. zich kandidaat heeft gesteld voor de sociale verkiezingen met de intentie om effectief een mandaat als werknemers-vertegenwoordiger op zich te Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/168/A – p. 9 nemen. Eisende partijen bewijzen overigens niet dat de heer D. in de onmogelijkheid zal verkeren om wanneer hij zou verkozen worden, zijn mandaat op te nemen. Integendeel. Er ligt geen enkel element voor op basis waarvan kan aangenomen worden dat de heer D., na afloop van zijn huidige periode van afwezigheid, het werk niet zou hervatten. Het is zelfs meer dan waarschijnlijk dat de heer D. op datum van de verkiezingen het werk reeds zal hervat hebben.
- Het is niet bewezen dat de kandidaatstelling een reactie was op een reële dreiging met ontslag en dus slechts was ingegeven vanuit de intentie om de wettelijke bescherming tegen ontslag te genieten Aangezien op basis van de door de ACLVB voorgelegde stukken blijkt dat de heer D. zijn kandidatenfiche reeds ondertekende op 5 oktober 2023, meent de rechtbank dat eisende partijen niet ernstig kunnen voorhouden dat de dreiging met ontslag, zoals verwoord in de ingebrekestelling van 9 januari 2024, de directe aanleiding zou zijn geweest voor zijn kandidaatstelling. Eisende partijen bewijzen niet dat zij de heer D. reeds voordien signalen zouden hebben gegeven dat het voortbestaan van zijn tewerkstelling precair was geworden, zodat zij thans niet met succes kunnen beweren dat de kandidatuur van de heer D. slechts zou zijn ingegeven vanuit de intentie om aan een nakend ontslag te ontsnappen.
- De rechtbank kan geen oordeel vellen over de capaciteiten of de populariteit van de kandidaat Het feit dat de heer D. tijdens zijn afwezigheid volledig vervreemd zou zijn van de werkvloer, wat overigens niet afdoende bewezen is en gezien de verschillende onderbrekingen in zijn afwezigheid ook kan worden betwijfeld, is in deze niet relevant. Evenmin relevant is het beweerde gebrek aan de juiste capaciteiten of de verkeerde ingesteldheid in hoofde van de heer D. en zijn beweerde niet-collegiale houding. Nog los van de vraag of deze beweringen wel afdoende bewezen zijn, kan daaruit immers niet worden afgeleid dat de kandidatuur zou zijn gesteld met een andere bedoeling dan met het oog op de uitoefening van een syndicaal mandaat. Dat bepaalde collega’s de heer D. door zijn langdurige afwezigheden onvoldoende zouden kennen en dat diegenen die hem wel kennen, zouden twijfelen aan zijn geschiktheid en aan zijn intenties en hem niet geschikt zouden vinden als werknemersvertegenwoordiger, zal mogelijks (opnieuw) leiden tot een bedroevend resultaat bij de verkiezingen maar kan er thans niet toe leiden dat de kandidaatstelling van de heer D. wordt geweigerd. Het komt in eerste instantie immers aan de voordragende vakorgansiatie toe om de sterkte van haar kandidaten en de opportuniteit van hun kandidaatstelling te beoordelen en vervolgens is het aan de kiezers om zich daarover uit te spreken. Zij kunnen de geschiktheid van de kandidatuur van de heer D. beoordelen en hem desgevallend afrekenen op zijn (gebrek aan) visibiliteit, zijn (gebrek aan) engagement en zijn houding. Het behoort niet tot de taak van de rechtbank om de geschiktheid of de capaciteiten van een kandidaat te beoordelen.
- Een gebrek aan syndicaal engagement in het verleden is, gelet op de eerdere kandidaturen, niet bewezen en evenmin doorslaggevend Ook de bewering van de eisende partijen dat de heer D. in het verleden geen syndicale interesse zou hebben getoond kan de rechtbank niet overtuigen. Vooreerst blijkt uit de feiten dat de heer D. bij de Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/168/A – p. 10 2 vorige sociale verkiezingen reeds kandidaat was voor de ACLVB en bij de verkiezingen van 2008 en 2012 voor het ABVV, zodat men thans moeilijk van een totaal gebrek aan syndicale interesse kan gewagen. Dat de heer D. bij de 2 laatste verkiezingen, in tegenstelling tot eerder, niet verkozen werd kan in deze geen argument zijn. Ten overvloede merkt de rechtbank trouwens op dat een zeker voorafgaandelijk syndicaal engagement geen verkiesbaarheidsvoorwaarde uitmaakt. Een eventueel gebrek daaraan of het feit dat er recent geen syndicale opleidingen meer werden gevolgd kan dan ook geen bewijs vormen van rechtsmisbruik. De vordering van eisende partijen is ongegrond. 4.3.
- Met betrekking tot de gerechtskosten Aangezien de vordering van eisende partijen wordt afgewezen, dienen zij, als in het ongelijk gestelde partijen te worden beschouwd in de zin van artikel 1017, eerste lid, van het gerechtelijk wetboek en veroordeeld te worden tot de kosten van het geding. De verwerende partijen begroten hun gerechtskosten op 0 euro. OM DEZE REDENEN DE ARBEIDSRECHTBANK Rechtsprekend op tegenspraak. Alle andere en tegenstrijdige conclusies verwerpend. Verklaart de vordering van eisende partijen ontvankelijk, doch ongegrond. Zegt dienvolgens voor recht dat de kandidatuur van de heer G.D. als personeelsafgevaardigde voor de bedienden voor het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk, binnen de technische bedrijfseenheid gevormd door eigende partijen, zoals voorgedragen door de ACLVB in het kader van de sociale verkiezingen van 2024, kan worden weerhouden en dat de lopende procedure sociale verkiezingen verder kan worden gezet, rekening houdend met deze beslissing. Veroordeelt de eisende partijen in toepassing van artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek tot de gerechtskosten. Begroot de gerechtskosten als volgt: - Aan de zijde van eisende partijen: 24,00 euro (bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de Juridische Tweedelijnsbijstand) en 1.800 euro (actueel basisbedrag) aan rechtsplegingsvergoeding. - Aan de zijde van de verwerende partijen: nihil. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/168/A – p. 11 Dit vonnis werd gewezen door: VANDERSTRAETEN MARLEEN, rechter - voorzitter van de kamer, MATTHIJS PETER-JAN, rechter in sociale zaken, werkgever, MEEUWS RIK, rechter in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door: VAN DEN STEEN JOHAN, griffier-hoofd van dienst, VAN DEN STEEN MEEUWS MATTHIJS VANDERSTRAETEN JOHAN RIK PETER-JAN MARLEEN en uitgesproken op ACHTTIEN APRIL TWEEDUIZEND VIERENTWINTIG in buitengewone openbare zitting van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk, kamer K2, door DESMET DOMINIQUE, rechter - voorzitter van de kamer en bijgestaan door VAN DEN STEEN JOHAN, griffier-hoofd van dienst. VAN DEN STEEN DESMET JOHAN DOMINIQUE PDF document ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20240416.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div