id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 26 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20240426.1 Rolnummer: 24/213/A Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-07-09 Raadplegingen: 199 - laatst gezien 2026-06-17 15:02 Fiche Klacht tegen kandidatuur HR verantwoordelijke voor sociale verkiezingen. De werkgever is van oordeel dat de kandidatuur rechtsmisbruik uitmaakt en vraagt de verwijdering van de kandidatuur van de kandidatenlijst voor de werknemersvertegenwoordigers (kaderleden) voor de Ondernemingsraad en uit de lijst met kandidaten voor de werknemersvertegenwoordigers (bedienden) voor het CPBW. Om als afgevaardigde van het personeel verkiesbaar te zijn, moet een werknemer voldoen aan verschillende voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat de werknemer geen deel mag uitmaken van het leidinggevend personeel, noch de hoedanigheid mag hebben van preventieadviseur van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk of vertrouwenspersoon is (art. 19, 2° Bedrijfsorganisatiewet). Er bestaan op gebied van functies van de werknemer geen andere wettelijke beletsels dan deze. Daarom ook kan een lid van de personeelsdienst, en zelfs de adjunct van het hoofd van het personeel, personeelsafgevaardigde zijn indien het niet is aangetoond dat hij of zij een leidinggevende functie heeft (Cass. 16 april 1984, Arr. Cass. 1983-1984, 1099). Een mogelijk belangenconflict omdat een kandidaat volgens de werkgever een functie uitoefent waarbij hij eerder de belangen van de werkgever dan die van de werknemers moet verdedigen is geen grondslag voor de nietigverklaring van een kandidatuur (Arbrb. Brussel 15 april 2008, A.R. nr. 5080/08). De rechtbank is verder van oordeel dat de werkgever niet onomstotelijk bewijst dat de HR verantwoordelijke zich enkel kandidaat heeft gesteld met de bedoeling zichzelf te behoeden voor ontslag. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Sociale verkiezingen Wettelijke bepalingen: Wet - 04-12-2007 - 33 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Wet - 04-12-2007 - 36 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Wet - 04-12-2007 - 37 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Wet - 04-12-2007 - 39 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Wet - 20-09-1948 - 19 - 01 ELI link Pub nr 1948092002 Wet - 20-09-1948 - 14 - 01 ELI link Pub nr 1948092002 Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer: Uitgereikt aan Uitgereikt aan 25/ Datum van uitspraak: op op 26/04/2024 € € Rechtsmiddelen Rolnummer: 24/213/A Materie: Sociale verkiezingen Type vonnis: Eindvonnis arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge Vonnis Kamer B2 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/213/A – p. 2 VON : EVT In de zaak van: Z vzw, eisende partij, voor wie de heer X ter zitting verschijnt, bijgestaan door mr. tegen: ALGEMENE CENTRALE DER LIBERALE VAKBONDEN VAN BELGIË (ACLVB), KBO: 0850.330.011, met zetel te 9000 GENT, Koning Albertlaan 95, eerste verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw V.K., tweede verwerende partij, ter zitting in persoon aanwezig en bijgestaan door De door de eisende partij aangeduide betrokken partijen: ALGEMEEN BELGISCH VAKVERBOND (ABVV), KBO: 0923.971.817, met zetel te 1000 BRUSSEL, Hoogstraat 42, op de zitting niet verschenen en evenmin vertegenwoordigd ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND VAN BELGIË (ACV), KBO: 0850.330.506, met zetel te 1030 SCHAARBEEK, Haachtsesteenweg 579, op de zitting niet verschenen en evenmin vertegenwoordigd NATIONALE CONFEDERATIE VAN HET KADERPERSONEEL (NCK), (zonder gekende inschrijving in het KBO),met zetel te 1030 BRUSSEL, Lambermontlaan 171/4, op de zitting niet verschenen en evenmin vertegenwoordigd HUISLIJST 1, (zonder gekende inschrijving in het KBO) Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/213/A – p. 3 met als enige kandidaat E.C. ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw I. FEITEN & VOORWERP VAN HET GESCHIL 1.
- Tweede verwerende partij trad op 1 juni 2017 met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst bij eisende partij. Zij nam er de functie van adjunct HR directeur op. Later, vanaf 1 januari 2021, nam zij de functie van Senior HR Business Partner op zich. Bij eisende partij worden er van 13 tot 16 mei 2024 sociale verkiezingen gehouden voor de Ondernemingsraad (OR) en voor het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk (CPBW). Tweede verwerende partij deelde op 29 februari 2024 aan haar vakvereniging (eerste verwerende partij) mee dat zij zich kandidaat wenste te stellen voor de sociale verkiezingen
- Op 18 maart 2024 diende eerste verwerende partij haar kandidatenlijst in voor de verkiezingen van de OR en het CPBW. Tweede verwerende partij werd voor de verkiezingen van de OR als kaderlid op de lijst geplaatst, en voor de verkiezing van het CPBW als bediende. Op 28 maart 2024 ontving eerste verwerende partij een klacht met betrekking tot de kandidatuur van tweede verwerende partij. Deze klacht dateerde van 26 maart 2024, ging uit van werknemers van de HR-dienst en vat aan als volgt: “Met dit schrijven wensen wij als HR team van Z. vzw graag onze visie mee te delen op de kandidatuur van K.V. als kandidate ACLVB, lijst kaderleden, bij de verkiezingen van de personeelsafvaardiging voor de ondernemingsraad. Voor ons als HR team creëert dit een nieuwe en onverwachte context, waarvan we niet willen nalaten te benadrukken welke impact wij zien op onze operationele werking en indirect dus ook op ons functioneren als HR team binnen de organisatie”. De klacht komt er samengevat op neer dat de werknemers van het HR-team het uitoefenen van een mandaat in een sociaal overlegorgaan onverenigbaar, of minstens moeilijk verzoenbaar vinden met het werkzaam zijn binnen de HR-dienst, die naar eigen zeggen op een vertrouwelijke en neutrale manier, zowel in het belang van de werkgever als van de werknemers zijn activiteiten moet kunnen ontplooien. Met een brief van 27 maart 2024 gaf de directie van eisende partij aan deze klacht tegen “de kandidatuurstelling van K.V. als kandidaat voor de kaderlijst ACLVB bij de Sociale Verkiezingen 2024 binnen Z. vzw” te steunen. Ook de directie nam het standpunt in dat de functie van tweede verwerende partij niet, of toch moeilijk, te verzoenen valt met een mandaat als personeelsvertegenwoordiger. Op 4 april 2024 antwoordde eerste verwerende partij dat tweede verwerende partij voldoet aan alle verkiesbaarheidsvoorwaarden. Bijgevolg zag eerste verwerende partij geen reden om haar kandidatenlijst van kaderleden voor de OR te wijzigen. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/213/A – p. 4 1.
- Eisende partij is van oordeel dat de kandidatuur van tweede verwerende partij rechtsmisbruik uitmaakt. Zij vordert bijgevolg om eerste verwerende partij op te leggen tweede verwerende partij te verwijderen uit de lijst met kandidaten voor de werknemersvertegenwoordigers (kaderleden) voor de Ondernemingsraad en uit de lijst met kandidaten voor de werknemersvertegenwoordigers (bedienden) voor het CPBW. Zij verzoekt de rechtbank ook verwerende partijen te veroordelen tot de kosten van het geding, die zij aan haar zijde begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.800 EUR en een bijdrage van 24 EUR aan het Begrotingsfonds voor de Juridische Tweedelijnsbijstand. Verwerende partijen verzoeken de vordering gedeeltelijk onontvankelijk te verklaren, en voor het overige ook ongegrond te verklaren. Zij verzoeken de rechtbank voor recht te zeggen dat: - tweede verwerende partij behouden moet worden op de lijst van kandidaten voor de Ondernemingsraad voor de categorie van het kaderpersoneel en voor het CPBW voor de categorie bedienden, zoals door haar voorgedragen in het kader van de sociale verkiezingen van 2024 bij eisende partij; - de sociale verkiezingen 2024 bij eisende partij verder georganiseerd en voorbereid moeten worden op grond van deze (rechterlijke) beslissing. Zij verzoeken de rechtbank ten slotte ook om eisende partij te veroordelen tot de kosten van het geding, die aan haar zijde echter niet aanwezig zijn. II. PROCEDURE Eisende partij stelde haar vordering in met een verzoekschrift op tegenspraak dat zij op 12 april 2024 op de griffie van de rechtbank neerlegde. Bij beschikking van 15 april 2024 bepaalde de rechtbank, rekening houdende met artikel 12bis van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen, conclusietermijnen en stelde zij een de rechtsdag voor pleidooien vast op 23 april
- Verwerende partijen concludeerden gezamenlijk op 17 en 22 april
- De laatste conclusie betreft een syntheseconclusie. Eisende partij concludeerde op 19 april
- Deze partijen legden hun stukken tijdig neer. Op de buitengewone openbare terechtzitting van 23 april 2024 waren eisende en verwerende partij aanwezig. De partijen die mede in zake zijn, verschenen niet. De rechtbank hoorde de aanwezige partijen, sloot daarna de debatten gesloten en nam vervolgens de zaak in beraad. De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en van de stukken die de partijen neerlegden. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/213/A – p. 5 De rechtspleging verliep in het Nederlands. III. MIDDELEN & ARGUMENTEN VAN DE PARTIJEN 3.
- Verwerende partijen wijzen erop dat de klacht van de werknemers van de HR-dienst tegen de kandidatuur van tweede verwerende partij enkel betrekking had op haar kandidatuur voor de OR op de lijst kaderleden. Deze klacht strekte zich volgens verwerende partijen dan ook niet uit tot de kandidatuur voor het CPBW op de lijst bedienden. Verwerende partijen stellen zich dan ook op het standpunt dat de werkgever voor die laatste kandidatuur, bij gebrek aan klacht daartegen, overeenkomstig artikel 39, §2, 2de lid Wet Sociale Verkiezingen beroep had moeten aantekenen tegen datum X+
- Dit gebeurde niet, zodat het beroep tegen de kandidatuur van tweede verwerende partij voor het CPBW volgens verwerende partijen niet tijdig en dus ook niet ontvankelijk is. Eisende partij antwoordt dat uit de klacht van de werknemers van de HR-dienst duidelijk blijkt dat zij bezwaar hem tegen haar kandidatuur voor de sociale verkiezingen in het algemeen. Volgens eisende partij voegen verwerende partijen een voorwaarde toe aan de wet. De wet vereist voor de verlengde beroepstermijn volgens haar enkel een klacht tegen een kandidaat, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt en moet worden gemaakt tussen de kandidatuur voor de OR en voor het CPBW. Eisende partij antwoordt ook nog dat de niet-ontvankelijkheid daarenboven slechts kan worden aangenomen indien belangenschade is aangetoond. Verwerende partijen tonen dat volgens haar niet aan. 3.
- Eisende partij voert aan dat tweede verwerende partij misbruik maakt van het recht zich kandidaat te stellen voor de OR en het CPBW. Zij merkt op dat tweede verwerende partij geen vlekkeloos parcours heeft gehad bij haar, met degradaties van adjunct HR-directeur naar HR Business Partner tot gevolg. Eisende partij verwijst ter zake naar verschillende evaluaties (2019 tot en met 2023). Eisende partij geeft aan dat tweede verwerende partij in het najaar 2022 ook verantwoordelijk was voor het mislopen van een subsidie ter waarde van 681.800 EUR, waarna haar takenpakket vanaf 1 maart 2023 verder werd beperkt. Op 13 februari 2024 volgde er opnieuw een gesprek met haar rechtstreeks leidinggevende, waarna tweede verwerende partij met ingang van 19 februari 2024 ziekteverlof nam, en na een verlenging hiervan al minstens tot 30 april 2024 afwezig was op het werk. Eisende partij meent dat deze feiten, en de chronologie ervan, aantonen dat de kandidatuur voor de sociale verkiezingen, die werd ingediend tijdens het ziekteverlof, is ingegeven door persoonlijke motieven en enkel bedoeld is om zich te behoeden voor een ontslag. Dit blijkt volgens eisende partij uit een e-mailbericht van 15 februari 2024 aan haar rechtstreekse leidinggevende. Eisende partij meent ook dat tweede verwerende partij geen oprechte syndicale overtuiging heeft, en hekelt hierbij het feit dat zij tijdens haar ziekteverlof klaarblijkelijk wel in staat was vormingsactiviteiten van haar vakvereniging te volgen. Eisende partij onderstreept dat tweede verwerende partij als lid van de HR-dienst in het belang van de organisatie moet denken en werken, hetgeen niet of toch moeilijk te verzoenen is met een mandaat als personeelsvertegenwoordiger. Het zal haar onmogelijk worden welbepaalde taken uit te oefenen, omdat er zich talloze belangenconflicten zullen stellen. Dat tweede verwerende partij weigert die Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/213/A – p. 6 bezorgdheden onder ogen te zien, bewijst volgens eisende partij dat zij enkel ontslagbescherming nastreeft. Verwerende partijen antwoorden hierop dat de waarderingsgesprekken (evaluaties) geenszins als negatief kunnen worden beschouwd en dat tweede verwerende partij ook helemaal niet werd gedegradeerd tot HR Business Partner en geen ingebrekestellingen heeft ontvangen. Er bestond bij haar – op het ogenblik van haar kandidaatstelling – geen vrees voor ontslag, en in tegenstelling tot wat eisende partij voorhoudt, kan dit ook niet worden afgeleid uit het e-mailbericht van 15 februari
- Zij stelde zich dus wel degelijk kandidaat met de oprechte bedoeling een mandaat uit te oefenen, redenen waarom zij ook deelnam aan een infoavond daaromtrent, en van plan is de kandidatenvorming van haar vakvereniging te volgen. Verwerende partijen betwisten ook dat de functie van tweede verwerende partij onverenigbaar zou zijn met het uitoefenen van een mandaat als personeelsvertegenwoordiger. Tweede verwerende partij is geen leidinggevende en oefent bij eisende partij ook niet het dagelijks bestuur uit. Verwerende partijen zien niet in welke belangenconflicten er zouden kunnen bestaan of ontstaan. Dat zij weigert haar kandidatuur in te trekken omdat zij hieromtrent niet dezelfde mening heeft als haar collega’s en de directie, kan volgens verwerende partijen in geen geval worden opgevat als rechtsmisbruik. IV. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK Ontvankelijk van het beroep – Tijdigheid van de klacht en het beroep 4.
- Representatieve werknemersorganisaties kunnen tot uiterlijk 35 dagen na de aanplakking van het bericht dat de datum van de verkiezingen aankondigt, kandidatenlijsten indienen (art. 33, §1 Wet Sociale Verkiezingen). Binnen de 5 dagen na het verstrijken van die termijn, laat de werkgever een bericht aanplakken met vermelding van de namen van de kandidaten, zoals zij voorkomen op de kandidatenlijsten (art. 36 Wet Sociale Verkiezingen). Hierop beschikken de werknemers die op de kiezerslijsten voorkomen, alsmede de betrokken representatieve werknemersorganisaties en de betrokken representatieve organisaties van kaderleden over een termijn van 7 dagen om bij de werkgever een klacht in te dienen in verband met de voordracht van een kandidaat (art. 37, 1ste lid Wet Sociale Verkiezingen). De dag na het verstrijken van die termijn, brengt de werkgever de representatieve werknemersorganisatie op de hoogte van deze klacht. Hierop beschikt deze organisatie over een termijn van 6 dagen om haar kandidatenlijst zo nodig te wijzigen (art. 37, 3de lid Wet Sociale Verkiezingen). Uiterlijk de 2de dag na die termijn plakt de werkgever de al dan niet gewijzigde kandidatenlijst aan (art 37, 4de lid Wet Sociale Verkiezingen). De werkgever kan beroep instellen tegen de voordracht van kandidaten, zelfs indien geen enkele klacht werd ingediend (art. 39, §2, 1ste lid Wet Sociale Verkiezingen). In het geval er géén klacht werd ingediend, moet het beroep van de werkgever ingesteld worden binnen vijf dagen na de hierboven vermelde termijn van 7 dagen voor de indiening van klachten (art. 39, §2, 2de lid Wet Sociale Verkiezingen . In geval er wel een klacht werd ingediend, dan moet de klacht tegen de voordracht van de kandidaat die tot de bedoelde klacht aanleiding heeft gegeven, worden Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/213/A – p. 7 ingediend binnen een termijn van 5 dagen na aanplakking van de kandidatenlijsten (art. 39, §2, 1ste lid in samenlezing met art. 39, §1 Wet Sociale Verkiezingen). 4.
- De rechtbank stelt vast dat de werknemers van de HR-dienst van eisende partij, die ook op de kiezerslijst staan tijdig een klacht hebben ingediend tegen de kandidatuur van tweede verwerende partij. De tijdigheid van deze klacht wordt ook niet betwist. Verwerende partijen merken echter terecht op dat deze klacht enkel betrekking had op haar kandidatuur voor de verkiezingen van de OR in de categorie “kaderleden”. Dit blijkt duidelijk uit de klacht die als volgt begint: “Met dit schrijven wensen wij als HR team van Z. vzw graag onze visie mee te delen op de kandidatuur van K.V. als kandidate ACLVB, lijst kaderleden, bij de verkiezingen van de personeelsafvaardiging voor de ondernemingsraad.” (de rechtbank onderlijnt) De hierboven aangehaalde paragraaf is voor geen enkele andere interpretatie vatbaar. Het voorwerp van de klacht betrof wel degelijk de kandidatuur als kaderlid bij de verkiezingen van de OR. Dat in deze brief wordt verwezen naar “de sociale verkiezingen” en de positie van de HR-dienst ten opzichte van de OR en ook het CPBW, is in het licht van deze duidelijke en klare tekst onvoldoende om te besluiten dat de klagers impliciet ook zouden hebben bedoeld een klacht in te dienen tegen haar kandidatuur voor het CPBW in categorie “bedienden”. In de brief van de directie, die de klacht van deze werknemers begeleidde, wordt het voorwerp ervan trouwens ook omschreven als: “kandidatuursteling van K.V. als kandidaat voor de kaderlijst ACLVB bij de Sociale Verkiezingen 2024 binnen Z. vzw”. Ook eisende partij begreep en interpreteerde de klacht dus louter als een klacht tegen de kandidatuur voor de OR in de categorie “kaderleden”, categorie die enkel bestaat bij de verkiezingen voor de OR. De rechtbank komt derhalve tot het besluit dat wat de voordracht van tweede verwerende partij betreft voor de verkiezingen van het CPBW door geen enkele werknemer op de kiezerslijst en door geen enkele representatieve vakorganisatie een klacht werd ingediend binnen de termijn vooropgesteld in artikel 37, 1ste lid Wet Sociale Verkiezingen. 4.
- Aangezien er tegen de kandidatuur van tweede verwerende partij voor de verkiezingen van het CPBW door geen enkele werknemer op de kiezerslijst en door geen enkele representatieve vakorganisatie een klacht werd ingediend, beschikte eisende partij (als werkgever) over een termijn van 5 dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 37, 1ste lid Wet Sociale Verkiezingen, om bij de arbeidsrechtbank een beroep in te stellen tegen de voordracht van tweede verwerende partij voor de verkiezingen van het CPBW (art. 39, §2, 2de lid Wet Sociale Verkiezingen). Eisende partij liet dit na, zodat het huidige beroep daartegen, dat pas werd ingesteld op 12 april 2024, laatijdig en niet ontvankelijk is. Het beroep had in dit geval immers moeten worden ingesteld uiterlijk op 5 april
- Eisende partij voert ten onrechte aan dat eens er tegen een persoon een klacht is ingediend, dat de werkgever dan hoe dan ook over de beroepstermijn vermeld in artikel 39, §1 Wet Sociale Verkiezingen beschikt, en dat het niet ter zake zou doen voor welk overlegorgaan de persoon zich kandidaat heeft gesteld en/of op welke lijst hij vermeld zou staan. Er moet voor de toepassing van de artikelen 37 en 39 Wet Sociale Verkiezingen wel degelijk rekening worden gehouden met het voorwerp, de strekking en de draagwijdte van de klacht die Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/213/A – p. 8 door één of meerdere werknemers of door een andere representatieve vakorganisatie is ingediend. De beroepstermijn uit artikel 39, §1 Wet Sociale Verkiezingen geldt immers enkel met betrekking tot de voordracht van de kandidaten die aanleiding hebben gegeven tot een klacht, en hierbij moet wel degelijk rekening worden gehouden met het feit of deze klacht betrekking heeft op een voordracht voor de verkiezingen van de OR, dan wel op een voordracht voor de verkiezingen van het CPBW, dan wel voor beiden. Hoewel de verkiezingen van de leden van het OR en het CPBW procedureel op een gelijke wijze verlopen, blijft immers gelden dat het om onderscheiden procedures gaat, die bijgevolg ook aanleiding kunnen geven tot twistpunten, die niet noodzakelijk identiek zijn, zo ook wat de voordracht van een kandidaat betreft. Op deze manier wordt geen voorwaarde aan de wet toegevoegd, maar wordt enkel op een gepaste wijze rekening gehouden met de werkelijke draagwijdte van de klacht, op gevaar anders aan een klacht onbedoelde en ongewenste rechtsgevolgen te verlenen, die de kandidaat en de representatieve vakorganisaties kunnen verschalken in hun rechtmatige verwachtingen. Immers, wanneer een werkgever uitdrukkelijk laat weten dat een aantal werknemers een klacht hebben ingediend tegen de kandidatuur van een werknemer die voor de verkiezingen van de OR op de lijst staat in de categorie “kaderleden”, zonder enig duidelijk en concreet bezwaar te uiten tegen de kandidatuur van die werknemer voor de verkiezingen van het CPBW, dan mag de vakvereniging van deze werknemer ervan uitgaan dat er tegen die laatste voordracht geen bezwaar bestaat, zodat zij er evenzeer van uit mogen gaan dat zij hun kandidatenlijst voor de verkiezing van dat overlegorgaan kunnen handhaven. Het is immers slechts in geval van klacht dat de betrokken organisatie over een termijn beschikt om de lijst met voorgedragen kandidaten te wijzigen. Enkel dan zijn ze in de mogelijkheid dat te doen (art. 37, 3de lid Wet Sociale Verkiezingen; Arbrb. Brussel 28 april 2000, AR 18.412 en 19.466). Het is niet aan deze vakorganisatie om een klacht ruimer of breder op te vatten, dan dat blijkt uit (de normale uitlegging van) de tekst ervan. Uit het antwoord van eerste verwerende partij op de klacht van de werknemers van de HR-dienst blijkt duidelijk dat zij er – net zoals eisende partij, en ook geheel terecht – is van uitgegaan dat de klacht van de werknemers van de HR-dienst enkel betrekking had op de kandidatuur van tweede verwerende partij als kaderlid voor de verkiezingen van de OR, en dus niet op de kandidatuur van tweede verwerende partij als bediende voor de verkiezingen van het CPBW, zodat de vakvereniging enkel de samenstelling van haar kandidatenlijst voor de OR, categorie kaderleden, in heroverweging nam en moest nemen, en daaromtrent vervolgens besliste geen wijzigingen door te voeren. 4.
- Eisende partij voert ook ten onrechte aan dat de laattijdigheid van het beroep een nietigheid van de proceshandeling zou betreffen, die bij gebrek aan belangenschade gedekt kan worden (cf. 860 en 861 Ger.W.). De onderscheiden termijnen om bij de arbeidsrechtbank beroep in te stellen tegen de voordracht van een kandidaat bij de sociale verkiezingen zijn vervaltermijnen, die betrekking hebben op het instellen van de eis (O. Vanachter, Procedure voor de sociale verkiezingen, Mechelen, Kluwer, 2023, 253, met verwijzing naar Arbrb. Brussel 1 maart 2004, AR nr. 70.497/04 en 70.498/
- Zie ook Cass. 22 juni 1992, Arr.Cass. 1991-92, 1016, met concl. H. Lenaerts, die erop wijst dat de naleving van de strikte termijnen in het teken staat van het vlot en tijdig kunnen organiseren van de sociale verkiezingen). Wie een vervaltermijn laat verstrijken, wordt geenszins geconfronteerd met de nietigheid van de laattijdig gestelde proceshandeling. De eis in rechte is door het verstrijken van Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/213/A – p. 9 de tijd eenvoudigweg ontoelaatbaar (cf. J. Laenens, e.a. Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2020, 147). 4.
- Het beroep tegen de voordracht van tweede verwerende partij voor de verkiezingen van de OR, is wel tijdig en ontvankelijk. Daarover bestaat tussen partijen ook geen betwisting. Gegrondheid van het beroep – Verkiesbaarheid – Functie van de werknemer 4.
- Om als afgevaardigde van het personeel verkiesbaar te zijn, moet een werknemer voldoen aan verschillende voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat de werknemer geen deel mag uitmaken van het leidinggevend personeel, noch de hoedanigheid mag hebben van preventieadviseur van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk of vertrouwenspersoon is (art. 19, 2° Bedrijfsorganisatiewet). Er bestaan op gebied van functies van de werknemer geen andere wettelijke beletsels dan deze. Daarom ook kan een lid van de personeelsdienst, en zelfs de adjunct van het hoofd van het personeel, personeelsafgevaardigde zijn indien het niet is aangetoond dat hij of zij een leidinggevende functie heeft (Cass. 16 april 1984, Arr. Cass. 1983-1984, 1099). Een mogelijk belangenconflict omdat een kandidaat volgens de werkgever een functie uitoefent waarbij hij eerder de belangen van de werkgever dan die van de werknemers moet verdedigen is geen grondslag voor de nietigverklaring van een kandidatuur (Arbrb. Brussel 15 april 2008, A.R. nr. 5080/08). 4.
- De rechtbank stelt vast dat tweede verwerende partij op het formulier X voor de verkiezingen van de ondernemingsraad staat vermeld als kaderlid met de functie “senior HR Business Partner”. Ook in hun klachten tegen de voordracht van tweede verwerende partij verwijzen haar collega’s en de directie naar haar rol en functie als “senior HR Business Partner”. De functie van “Senior HR Business Partner” wordt in het formulier X uitdrukkelijk als een kaderfunctie aangemerkt, en niet als een leidinggevende functie. Dit laatste is wel het geval voor de Directeur Mens & Organisatie, de rechtstreekse leidinggevende van tweede verwerende partij. Uit de omschrijving van de functie ““Senior HR Business Partner” en het vereiste competentieprofiel valt trouwens ook niet af te leiden dat deze taak feitelijk wel zou inhouden dat tweede verwerende partij belast is met het dagelijks bestuur van de onderneming en gemachtigd is de werkgever te vertegenwoordigen en te verbinden, dan wel dat zij opdrachten van dagelijks beheer vervult. Er kan inderdaad hoogstens worden gezegd dat zij in de onderneming een kaderfunctie uitoefent, dit is een hogere functie, die in het algemeen voorbehouden wordt aan de houder van een diploma van een bepaald niveau of aan diegene die een evenwaardige beroepservaring heeft (zie art. 14, §1, 2de lid, 3° Bedrijfsorganisatiewet). Zij is in die functie immers nog steeds ondergeschikt aan een leidinggevende, de directeur Mens & Organisatie, die geen eigen bevoegdheden aan haar delegeert, maar haar daarentegen bevelen en instructies kan geven. De hoedanigheid van kaderlid is evident niet onverenigbaar met een mandaat als personeelsvertegenwoordiger, nu de regelgeving met betrekking tot de OR uitdrukkelijk voorziet in een vertegenwoordiging van het kaderpersoneel. Dat het zou gaan om een kaderlid dat deel uitmaakt van de personeelsdienst verandert daar niets aan. Ook deze kaderleden, en meer in het algemeen ook de werknemers van de personeelsdienst hebben recht op vertegenwoordiging om Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/213/A – p. 10 op die manier ook hun belangen als werknemers van de onderneming beschermd en verdedigd te zien. Het is hen evenzeer toegestaan op te komen voor het collectief belang van de werknemers in de onderneming, zonder dat dat afbreuk doet en in de weg zou staan aan hun plicht om tegelijk hun functie op een correcte manier te goeder trouw uit te voeren in het belang van de onderneming, de organisatie of hun dienst. 4.
- Eisende partij betoogt trouwens dat tweede verwerende partij feitelijk was gedegradeerd tot een lagere functie (HR business partner, nadat zij ooit was aangeworven als adjunct-directeur). De rechtbank merkt hieromtrent eerst en vooral op dat deze degradatie niet blijkt uit de stukken: - De partijen kwamen onderling overeen om de functie van adjunct-directeur te wijzigen naar “Senior HR Business Partner”, omdat men tot de bevinding was gekomen dat de functie van adjunct-directeur overbodig was geworden. Het ging hier niet om een degradatie, maar een reorganisatie. - Een e-mailbericht van 21 februari 2023 van de directeur Mens & Organisatie toont wel een herschikking van het takenpakket van tweede verwerende partij aan, zonder dat daaruit echter valt af te leiden dat zij werd gedegradeerd tot “HR Business Partner”. Zelfs indien tweede verwerende partij andere of nieuwe taken kreeg, en sommige taken moest afstaan, bleef haar positie in de hiërarchie ongewijzigd. Indien echter zou worden aangenomen dat tweede verwerende partij effectief werd gedegradeerd tot een functie die steeds meer uitvoerend is, dan is er volgens de rechtbank nog minder reden om te stellen dat haar functie onverenigbaar is met het uitoefenen van een mandaat als personeelsvertegenwoordiger en aanleiding zou kunnen geven tot belangenconflicten. Rechtsmisbruik 4.
- De werkgever kan een kandidaat voor de sociale verkiezingen laten weren op grond van rechtsmisbruik, met name het misbruik van het recht om zich kandidaat te stellen (Cass. 5 maart 1984, RW 1984-1985, 1810; zie ook Cass. 24 september 2001, Arr.Cass. 2001, afl. 8, 1525, concl. adv-gen. Leclercq). Er is sprake van zodanig misbruik wanneer de werknemer zich uitsluitend kandidaat stelt om een ontslag te verhinderen of om van de bij wet bepaalde ontslagbescherming te genieten. Op die manier wordt immers afbreuk gedaan aan het doel en de functie van het mandaat van personeelsvertegenwoordiger. Het wezen van het mandaat bestaat erin als vertegenwoordiger van (een gedeelte van) de werknemers oprecht, en dus niet op een geveinsde of fictieve manier, de belangenverdediging van de werknemers op zich te nemen, en op die manier deel te nemen en bij te dragen aan het sociaal overleg binnen de onderneming. De werkgever die rechtsmisbruik aanvoert, moet hiervan ook het bewijs leveren. De werkgever mag dit bewijs met alle middelen van recht leveren, getuigen en vermoedens inbegrepen. Bij de beoordeling van het bestaan van rechtsmisbruik wel moet rekening worden gehouden met het recht en de (uitsluitende) bevoegdheid van representatieve werknemersorganisaties naar eigen inzicht kandidaten voor te dragen (art. 33, §1 Wet Sociale Verkiezingen; in samenlezing met art. 11 EVRM). Het komt de werkgever niet toe de opportuniteit en moraliteit van een kandidaatstelling in vraag te stellen. Ook de rechtbank heeft dit niet te toetsen. Een verkiezing veronderstelt uiteindelijk immers Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/213/A – p. 11 dat enkel de kiezers – via het uitbrengen van hun stem – de persoonlijke bekwaamheid en geschiktheid van een kandidaat beoordelen. 4.
- De rechtbank is van oordeel dat eisende partij niet onomstotelijk bewijst dat tweede verwerende partij zich enkel kandidaat heeft gesteld met de bedoeling zichzelf te behoeden voor ontslag. Ten eerste wijst het feit dat een werkneemster zich tijdens haar ziekteverlof aanbiedt als kandidaat voor de sociale verkiezingen, op zichzelf niet op rechtsmisbruik. Eisende partij toont daarmee ook niet dat tweede verwerende partij haar arbeidsongeschiktheid zou veinzen, zelf al volgde ze na haar kandidatuur en dus tijdens haar ziekteverlof vormingsactiviteiten van haar vakvereniging. Het is niet omdat een werkneemster tijdelijk ongeschikt is voor het uitoefenen van de overeengekomen arbeid, dat zij tot niets meer in staat zou zijn. De rechtbank ontkent niet dat er voorafgaand aan dit ziekteverlof spanningen bestonden tussen tweede verwerende partij en haar leidinggevende, die eigenlijk nog steeds voortduren. Doorheen de jaren is bij de leidinggevende van tweede verwerende partij duidelijk twijfel gegroeid omtrent haar geschiktheid voor de opgedragen functie. Hij is niet tevreden over het prestatieniveau dat tweede verwerende partij haalt. Tweede verwerende partij is zich hiervan bewust en heeft het gevoel dat haar leidinggevende haar onvoldoende waardeert en haar weinig, of minder krediet geeft dan anderen. Het is echter niet zo dat tweede verwerende partij ooit ondubbelzinnig werd bedreigd met ontslag, noch in de waarderingsgesprekken, noch tijdens het gesprek van 13 februari 2024 met haar leidinggevende, noch in het daaropvolgende verslag of in de daaropvolgende e-mailberichten. Zeggen dat iemand zich moet herpakken, is nog niet hetzelfde als aangeven dat een ontslag in aantocht is. Zij ontving ook nooit ingebrekestellingen die haar waarschuwden voor een ontslag indien de ene of de andere fout zich zou voordoen of zich zou herhalen, of indien welbepaalde doelstellingen niet zouden worden bereikt. Ten tweede merkt de rechtbank op dat uit het e-mailbericht van 15 februari 2024 van tweede verwerende partij aan haar leidinggevende, niet valt af te leiden dat zij persoonlijk vreest voor een ontslag. Zij gaf aan een zeker wantrouwen te hebben ontwikkeld ten aanzien van haar leidinggevende en gaf ook aan dat er mogelijk achterliggende (niet-benoemde) beweegredenen meespeelden. Hiermee geeft tweede verwerende partij hoogstens te kennen dat de negatieve houding van haar leidinggevende haar (zelf)vertrouwen aantast en volgens haar mogelijks is gekleurd door persoonlijke motieven of waardeoordelen die zij niet kent of niet begrijpt. Meer kan er volgens de rechtbank hieruit niet worden afgeleid. Eisende partij reikt geen enkel stuk of element aan dat toelaat te besluiten dat tweede verwerende partij hiermee zou hebben verwezen of hebben willen verwijzen naar een nakend of dreigend ontslag. Ten slotte levert eisende partij ook geen overtuigend bewijs dat de syndicale overtuiging of het syndicaal engagement van tweede verwerende partij niet oprecht zou zijn. De loutere vaststelling dat zij een lange tijd geen lid meer was van een vakvereniging en dat zij thans – in de hierboven beschreven omstandigheden – ineens weer voor een vakvereniging opkomt voor de sociale verkiezingen, wijst nog niet op een gebrek aan oprechte overtuiging of een geveinsde wil om zich te engageren. Dat tweede verwerende partij in het verleden soms kritisch is geweest voor de wijze waarop vakbonden de zaken aanpakken, hetgeen zij ter terechtzitting niet ontkende, doet geen afbreuk aan de oprechtheid en eerlijkheid van haar huidige intenties. Wel integendeel, dit toont aan dat zij voor zichzelf een duidelijke Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/213/A – p. 12 visie heeft over hoe een vakbond zijn rol wel en niet kan spelen, en hoe zij persoonlijk invulling zal geven aan haar mandaat, mocht zij verkozen worden. Het is uitsluitend aan haar eigen vakvereniging om te beoordelen of haar standpunten hierover en haar beoogde werkwijze te verzoenen vallen met het beleid, de cultuur en het programma van de vakvereniging. V. BESLISSING VAN DE RECHTBANK De arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Brugge, kamer B2 doet uitspraak op tegenspraak inzake de partijen in hoofdzaak en bij afwezigheid van de in het geding betrokken partijen. De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, inzonderheid de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41, werd nageleefd. De rechtbank verklaart de vordering van de eisende partij tegen de voordracht van tweede verwerende partij als kandidaat voor de verkiezingen van het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk in de categorie “bedienden” niet ontvankelijk. De rechtbank verklaart de vordering van de eisende partij tegen de voordracht van tweede verwerende partij als kandidaat voor de verkiezingen van de Ondernemingsraad in de categorie “kaderleden” wel ontvankelijk. De rechtbank verklaart deze vordering echter ongegrond. De rechtbank zegt voor recht dat tweede verwerende partij voor de sociale verkiezingen van 2024 bij eisende partij behouden moet worden op de kandidatenlijsten die eerste verwerende partij indiende, meer in het bijzonder: - op de lijst van kandidaten voor de Ondernemingsraad in de categorie van het kaderpersoneel; - op de lijst van kandidaten voor het Comité Preventie en Bescherming op het Werk in de categorie bedienden. De rechtbank draagt eisende partij op de procedure met betrekking tot de sociale verkiezingen voort te zetten, rekening houdende met deze uitspraak. De rechtbank veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding (art. 1017, 1ste lid Ger.W.), en begroot deze als volgt: - een bijdrage voor het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand van 24 EUR; - een rechtsplegingsvergoeding van 1.800 EUR voor eisende partij zelf; Deze kosten zijn desgevallend te vermeerderen met de kosten van uitgifte van onderhavig vonnis. Dit vonnis werd gewezen door: NEVENS KOEN, rechter - voorzitter van de kamer, DESEURE MARIANNE rechter in sociale zaken-werkgever, ROTTEE NICO rechter in sociale zaken-werknemer-bediende, bijgestaan door: DE CLERCK CAROLINE, griffier, Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/213/A – p. 13 DE CLERCK CAROLINE NEVENS KOEN en uitgesproken op ZESENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND VIERENTWINTIG in openbare zitting van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge, kamer B2, door NEVENS KOEN, rechter - voorzitter van de kamer en bijgestaan door DE CLERCK CAROLINE, griffier. DE CLERCK CAROLINE NEVENS KOEN PDF document ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20240426.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div