← België

ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20240703.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 03 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20240703.1 Rolnummer: 24/165/A Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-07-02 Raadplegingen: 829 - laatst gezien 2026-06-19 04:29 Fiche Een werknemer van een restaurant die zich tijdens zijn dienst opzettelijk van de keldertrap laat vallen, is geen slachtoffer van een arbeidsongeval. Een werknemer die een ongeval opzettelijk veroorzaakt, kan geen aanspraak maken op vergoedingen die worden bepaald door de Arbeidsongevallenwet. Op camerabeelden was duidelijk te zien dat de werknemer het ongeval volledig in scène had gezet. Hij liet zich op de grond vallen zonder dat er een externe factor was die hem (buiten zijn wil

  1. om)tot vallen bracht. De rechtbank bevestigde de weigeringsbeslissing van de arbeidsongevallenverzekeraar. De rechtbank veroordeelde de werknemer tot de gerechtskosten omdat hij beroep had aangetekend terwijl ook hij de duidelijke camerabeelden had gezien en zeer goed wist dat hij een frauduleuze aangifte had gedaan. Volgens de rechtbank was zijn eis tergend en roekeloos. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 68 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Wet - 10-04-1971 - 9 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Wet - 10-04-1971 - 7 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer: Uitgereikt aan Uitgereikt aan 25/ Datum van uitspraak: op op 03/07/2024 € € Rechtsmiddelen Rolnummer: 24/165/A Materie: Arbeidsongeval Type vonnis: Eindvonnis arbeidsrechtbank Gent, afdeling Aalst Vonnis Kamer A3 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Aalst – 24/165/A – p. 2 VON : EVT In de zaak van: De heer B, RRN: …, wonende te …, eisende partij, vertegenwoordigd op de zitting door de heer Frederik VAN DAELE (ABVV), syndicale afgevaardigde met kantoor te 9300 AALST, Houtmarkt 1, in het bezit van een schriftelijke volmacht. tegen: A NV, KBO: … , met maatschappelijke zetel te …, verwerende partij, vertegenwoordigd op de zitting door advocaat Singin FUNGH loco advocaat Dirk VERLEYEN, met kantoor te 9000 GENT, Hubert Frere-Orbanlaan 7. 1. Procedure De vordering werd regelmatig ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak van 26.2.2024 neergelegd via e-deposit op 28.2.2024. De partijen werden in toepassing van artikel 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek opgeroepen op de openbare zitting van 6.5.2024 voor de kamer A3. Op de zitting van 6.5.2024 werd de zaak op verzoek van beide partijen uitgesteld naar de zitting van 3.6.2024. A NV heeft een conclusie neergelegd op de griffie op 24.5.2024. De rechtbank heeft de beide partijen op de zitting van 3.6.2024 gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies, en heeft de debatten gesloten. De stukken van het geding, onder meer deze gevoegd bij het dossier van de rechtspleging, werden ingezien. Hierna werd de zaak in beraad genomen. De wet van 15.6.1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken werd nageleefd. 2. Feiten Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Aalst – 24/165/A – p. 3 2.1. De heer B was tewerkgesteld als kelner bij L en dit via een arbeidsovereenkomst vanaf 3.9.2021. 2.2. De heer B houdt voor dat hij op 2.7.2022 omstreeks 22u10 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval. Hij stelde dat hij met twee lege bakken met waterflessen van de trap was uitgegleden, waarna hij op zijn linkerflank is gevallen. De heer B hield voor een schouderletsel en een hoofdletsel te hebben opgelopen. A NV is de arbeidsongevallenverzekeraar van zijn werkgever. 2.3. In zijn arbeidsongevallenaangifte verklaarde de heer B dat hij van de trap was gevallen (stuk 4 bundel de heer B). In het kader van een inspectieonderzoek legde de heer B volgende verklaring af (stuk 1 bundel A NV): Vrije vertaling: “Ik werk hier sinds begin september 2021 voltijds en ik werk als kelner bij mijn werkgever. De dag van de feiten ben ik zoals gewoonlijk begonnen omstreeks 18u. Omstreeks 22u daalde ik de trap af met in mijn linker- en rechterhand een lege bak Bru (1 liter), het is te zeggen met lege flessen erin. Bij het dalen van de trap ben ik in het midden uitgegleden en heb ik geprobeerd de bakken niet te laten vallen en ik ben dan gevallen vanop een hoogte van de derde laagste trap. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Aalst – 24/165/A – p. 4 Ik ben gevallen op mijn linkerschouder, nadat ik de twee bakken heb laten vallen. Toen ik me op de grond bevond zijn de baas en de rest van het personeel en de dochter (sous-chef) gekomen, nl. mr. Luc (de baas), die mij zo snel mogelijk heeft gevoerd naar het dichtstbijzijnde hospitaal. Ik ben met mijn hoofd tegen de muur terecht gekomen, maar niets erg, het is vooral de linkerschouder die pijn doet. Ik ben ongeveer 1u gebleven op de spoed van St. Pierre, maar ze hebben niets gevonden of vastgesteld en ze hebben mij 5 dagen arbeidsongeschiktheid voorgeschreven. Ik heb een kleine studio hier in Brussel om te blijven slapen wanneer het te laat wordt. Ik heb een attest gekregen tot en met 12 augustus 2022. Er was geen enkele getuige van het ongeval, iedereen was later komen kijken, ongeveer 30 seconden later. Wanneer de scanner niets aanwijst van objectief letsel, zal ik het werk onmiddellijk hernemen. Ik bevestig deze verklaring wat betreft de echtheid en heb deze afgelegd op een objectieve wijze.” De heer B hield voor dat hij ten gevolge van het ongeval voor de periode van 3.7.2022 t/m 31.8.2022 volledig arbeidsongeschikt is geworden. 2.4. A NV weigert het ongeval te aanvaarden als arbeidsongeval. Zij motiveert in haar beslissing van 19.9.2022 (stuk 1 bundel de heer B) dat er tegenstrijdige verklaringen werden afgelegd en dat het zou gaan om een geveinsd arbeidsongeval. 2.5. Omdat de heer B zich met de weigeringsbeslissing van A NV van 19.9.2022 niet akkoord kon verklaren, heeft hij de zaak aanhangig gemaakt bij deze rechtbank. 3. Voorwerp van de vorderingen Met het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd via e-deposit op 28.2.2024 luidt de vordering van de heer B als volgt: - Te zeggen voor recht dat de heer B wel degelijk het slachtoffer was van een arbeidsongeval op 2.7.2022 - Te zeggen voor recht dat een geneesheer-deskundige wordt aangesteld met als opdracht de heer B te onderzoeken en zich uit te spreken over de duur en de graad van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, de datum van consolidatie en de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid ingevolge het arbeidsongeval van 2.7.2022 - Na neerlegging van het deskundig verslag de gevolgen van het ongeval definitief te horen beslechten en de vergoeding te horen bepalen waarop de heer B recht heeft - Zich te horen veroordelen tot betaling van deze vergoeding, meer de wettelijke en de gerechtelijke intresten en alle kosten van het geding. Met een conclusie neergelegd via e-deposit op 24.5.2024 luidt de actuele vordering van A NV als volgt: Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Aalst – 24/165/A – p. 5 - De vordering van de heer B ontvankelijk doch ongegrond te verklaren - De heer B te veroordelen tot de kosten van het geding begroot op € 163,98 aan rechtsplegingsvergoeding. 4. Bespreking 4.1. Toelaatbaarheid De vordering behoort tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank (artikel 579, 1° van het Gerechtelijk Wetboek) en is regelmatig naar de vorm (artikel 1034 van het Gerechtelijk Wetboek) ingesteld. De rechtsvordering ten aanzien van de arbeidsongevallenverzekeraar tot betaling van vergoeding verjaart na drie jaar (artikel 69 van de Arbeidsongevallenwet). Het staat vast dat de vordering van de heer B tijdig is aanhangig gemaakt door middel van de neerlegging van een verzoekschrift op 28.2.2024. De vordering is alleszins tijdig en ontvankelijk. 4.2. Ten gronde 4.2.1. Algemene principes Voor de toepassing van wet op de arbeidsongevallen van 10.4.1971 (hierna aangeduid als Arbeidsongevallenwet) wordt als ‘arbeidsongeval’ beschouwd: “elk ongeval dat een werknemer tijdens en door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt”. Om tot vergoedingen binnen het raam van de Arbeidsongevallenwet te worden toegelaten, dient de getroffene volgende elementen aan te tonen om een arbeidsongeval te bewijzen: - een plotselinge gebeurtenis; - het bestaan van een letsel; - tijdens en door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. De bewijsvoering wordt voor de getroffene vergemakkelijkt door twee wettelijke vermoedens: - artikel 7, tweede lid van de Arbeidsongevallenwet: het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt, behoudens tegenbewijs, geacht door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst te zijn gebeurd - artikel 9 van de Arbeidsongevallenwet: wanneer de getroffene, benevens het bestaan van een letsel een plotselinge gebeurtenis aanwijst, wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door het ongeval te zijn veroorzaakt. Vooraleer te kunnen genieten van de beide wettelijke vermoedens hoort het echter aan de getroffene Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Aalst – 24/165/A – p. 6 zelf het bewijs te leveren, zowel van de plotselinge gebeurtenis (Cass. 15 april 1982, Arr. Cass., 1981- 82, 991; Cass. 27 april 1981, Arr. Cass., 1981-82, 975) tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst (Cass. 8 december 1967, Arr. Cass. 1968, 507; Cass. 4 februari 1965, Pas. 1965, I, 564 en Bull. Ass. 1967, 269) als het bestaan van een letsel (Cass. 21 december 1992, Arr. Cass. 1991- 92, 1457). De rechtbank gaat in dit dossier slechts in op één van de verschillende toepassingsvereisten, nl. of het ongeval werd veroorzaakt door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Wanneer het vaststaat dat het voorval zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, wordt het voorval geacht door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst te zijn gebeurd. Dit vermoeden kan de verzekeraar evenwel weerleggen door te bewijzen dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen het voorval en de arbeid. De vraag stelt zich dus óf het voorval overkomen is “door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst”. Het ongeval moet (dus) niet alleen tijdens maar ook door de uitvoering van de overeenkomst plaatsgevonden hebben. Door de uitvoering houdt in dat er een oorzakelijk verband moet bestaan tussen het opgelopen letsel en de uitvoering van de overeenkomst. Uit de redactie van de wet blijkt dat niet vereist is dat het ongeval te wijten is aan de uitvoering van het werk zelf (Cass. 5 juni 1989, Arr. Cass. 1988- 1989, 1172). Een ongeval is het gevolg van het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wanneer het ongeval het gevolg is van een oorzaak die met deze uitvoering verband houdt, m.a.w. wanneer het in verband staat met om het even welke omstandigheid die betrekking heeft, hetzij op de activiteit zelf van de werknemer of op deze van de andere personeelsleden van de onderneming, hetzij op het industrieel of het professioneel milieu waarin het slachtoffer zich door zijn contract geplaatst ziet (cfr. de parlementaire voorbereiding van de arbeidsongevallenwet van 1903, waarin de voorwaarde “door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst” reeds was opgenomen: zie Gedr. St. Kamer, 1901-1902, nr. 302 §31, p.110; memorie van toelichting, Gedr. St. Kamer, 1900-1901, nr. 123, p.9, 10 en 29; Cass. 7 juni 1962, Pas. 1962, I, 1153). Artikel 48, lid 1 van de Arbeidsongevallenwet stelt hierbij uitdrukkelijk dat de bij deze wet bepaalde vergoedingen niet verschuldigd zijn, wanneer het ongeval door de getroffene opzettelijk is veroorzaakt. Ongevallen die opzettelijk worden veroorzaakt door de werknemer kunnen geen aanleiding geven tot schadeloosstelling aan de getroffene of zijn rechthebbenden (Cass. 12 februari 1961, Pas. 1961, I, 509; Cass. 17 december 1965, Pas. 1966, I, 529). Een opzettelijk ongeval is een ongeval dat de dader bewust – en dus intentioneel – heeft gewild en moet onderscheiden worden van een zware fout of zware onvoorzichtigheid (Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt 20 december 2010, A.R. 2009/AH/239, Juristenkrant 2011 (weergave BETSCH, N.), afl. 224, 3; Limb.Rechtsl. 2011, afl. 3, 247; Soc.Kron. 2011, afl. 5, 228). Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Aalst – 24/165/A – p. 7 Het ongeval is slechts opzettelijk door het slachtoffer veroorzaakt wanneer diegene die door het ongeval getroffen is, het willens heeft teweeggebracht, ook al heeft hij de gevolgen ervan niet gewild (Cass. 16 februari 1987, Arr. Cass. 1986-87, 800, met conclusie van Advocaat-generaal Lenaerts (die onderstreept dat de wetgever van 1903 er geen twijfel laat over bestaan dat zware fout niet met opzettelijke fout mag worden gelijkgesteld)). 4.2.2. Toepassing 4.2.2.1. A NV stelt formeel dat de aangifte van het arbeidsongeval door de heer B frauduleus werd ingediend. In die zin is A NV van oordeel dat het ongeval door de heer B opzettelijk werd veroorzaakt, waardoor de dekking door de Arbeidsongevallenwet wordt uitgesloten. 4.2.2.2. De rechtbank neemt kennis van de camerabeelden (stuk 2 bundel A NV) waarop duidelijk de volgende vaststellingen kunnen worden weerhouden: - De heer B daalt een trap af met twee bakken gevuld met flessen water - In het midden van de trap gooit hij eerst de twee bakken met flessen water naar beneden - Nadat deze twee bakken onderaan de trap op de grond zijn gevallen laat de heer B zich theatraal op de grond vallen - Niettegenstaande de camerabeelden zonder geluid zijn, waren zijn collega’s opgeschrikt door bepaalde geluiden, want enkele seconden later kwamen er reeds enkele collega’s kijken wat er was gebeurd en ontfermden zich over de heer B. De heer B heeft effectief zijn val opzettelijk veroorzaakt. Artikel 48 van de Arbeidsongevallenwet is wel degelijk in casu van toepassing. Uit alles blijkt dat de heer B het ongeval alleszins heeft gewild. 4.2.2.3. De heer B heeft op geen enkel ogenblik zijn evenwicht verloren of werden zijn bewegingen door een externe factor veroorzaakt. Integendeel zelfs, de heer B lag volledig zelf aan de basis van zijn schwalbe. De rechtbank is dan ook van oordeel dat door dit opzettelijk veroorzaken van het ongeval er evenmin sprake kan zijn van een plotselinge gebeurtenis of een traumatisch letsel, vermits de heer B het ongeval wetens en willens heeft veroorzaakt. De vordering van de heer B is dan ook ongegrond. 5. Gerechtskosten Conform artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet dient de arbeidsongevallenverzekeraar te worden verwezen in de kosten van het geding, behalve wanneer de eis roekeloos en tergend is. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Aalst – 24/165/A – p. 8 A NV stelt dat zij haar stukken (camerabeelden incluis) heeft overgemaakt aan de heer B vóór de inleidingszitting, doch blijft de heer B volharden in zijn vordering. Uit mailverkeer blijkt inderdaad duidelijk dat de heer B reeds vóór 15.12.2022 op de hoogte was van de camerabeelden (stuk 10 bundel de heer B). A NV dringt aan opdat de gerechtskosten ten laste zouden vallen van de heer B op grond van een tergend en roekeloos karakter van zijn volgehouden vordering. Een vordering is roekeloos en/of tergend indien ze is ingeleid met een schuldige lichtzinnigheid wat betreft de kansen op succes (Kh. Brussel 10 september 1992, J.T. 1992, 719, T.R.V. 1992, 437, noot B. SERVAES). De rechtbank is van oordeel dat de heer B wel degelijk op een wijze heeft gehandeld die kennelijk de grenzen van de normale uitoefening van het recht om een rechtsmiddel in te zetten door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon te buiten gaat. Niettegenstaande hij kennis heeft genomen van de camerabeelden volhardt hij in zijn vordering, daar waar aldus deze camerabeelden overduidelijk aantonen dat hijzelf een frauduleuze aangifte van een arbeidsongeval heeft ingediend. Dergelijke afweging zou niet zijn begaan door een normaal bedachtzaam en voorzichtige rechtzoekende, die in dezelfde situatie verkeert. De heer B wordt aldus veroordeeld tot de kosten van het geding in toepassing van artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet. De rechtbank stelt vast dat A NV haar kosten begroot op € 163,98 aan rechtsplegingsvergoeding. De rechtbank meent te moeten oordelen over de toepassing van de correcte forfaitair vastgelegde tarieven zoals vermeld in het koninklijk besluit van 26.10.2007. De rechtbank is van oordeel dat, wanneer vaststaat dat voor welke rechtbank de vordering wordt gesteld, het eveneens vaststaat welke materie het betreft én de Rechtbank heeft beslist of het een al dan niet in geld waardeerbare vordering betreft, dit alles louter een kwestie betreft van het correct toepassen van het koninklijk besluit van 26.10.2007, meer bepaald het juiste artikel van het K.B. toepassen met het (op het moment van de uitspraak) daaraan verbonden juiste bedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Dit principe wordt nu eveneens bevestigd in een arrest van het Hof van Cassatie van 13 januari 2023 (A.R. C.22.0158.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4) dat stelt: “Behoudens wanneer een procedureakkoord omtrent de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Aalst – 24/165/A – p. 9 De rechter die zodoende met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding het correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepaalt, miskent niet het algemeen rechtsbeginsel houdende de autonomie van de procespartijen in het civiele geding.” Artikel 8 van voormeld koninklijk besluit voorziet in de mogelijkheid tot indexering. De basis-, minimum- en maximumbedragen zijn immers gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen dat overeenstemt met 105,78 punten (basis 2004). Telkens als het indexcijfer met 10 punten stijgt of daalt, worden de sommen bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4 van dit besluit met 10 procent vermeerderd of verminderd. Dit is wel degelijk het geval vanaf 1.11.2022. De basisrechtsplegingsvergoeding zoals voorzien voor een (zoals in casu) niet in geld waardeerbare vordering voor de arbeidsrechtbanken bedraagt in die zin vanaf 1.11.2022 € 163,98. De rechtbank stelt vast dat A NV haar rechtsplegingsvergoeding correct heeft begroot. 6. Beslissing De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Aalst, kamer A3, spreekt het vonnis uit op tegenspraak. De rechtbank heeft de Taalwet van 15 juni 1935 gerespecteerd. De rechtbank verklaart de vordering van de heer B ontvankelijk, doch ongegrond. De rechtbank bevestigt de beslissing van A NV van 19.9.2022, waar werd gesteld dat er geen sprake is van een arbeidsongeval op 2.7.2022. De rechtbank veroordeelt de heer B (in toepassing van de uitzondering zoals voorzien in artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet) tot de kosten van het geding. Deze kosten werden: - aan de zijde van de heer B niet begroot - aan de zijde van A NV begroot op € 163,98 aan rechtsplegingsvergoeding. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg, in toepassing van artikel 67 van de Arbeidsongevallenwet. De rechtbank verwijst de heer B tevens in de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, begroot op € 24,00. Dit vonnis werd gewezen door: Kristof VAN CAMP afdelingsvoorzitter Luc BOEYKENS rechter in sociale zaken - werkgever Farah CIRPI rechter in sociale zaken - werknemer-arbeider Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Aalst – 24/165/A – p. 10 bijgestaan door: Els DE MEERLEER griffier Els DE MEERLEER Farah CIRPI Luc BOEYKENS Kristof VAN CAMP en uitgesproken op DRIE JULI TWEEDUIZEND VIERENTWINTIG in buitengewone openbare zitting van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Aalst, kamer A3, door Kristof VAN CAMP, afdelingsvoorzitter en bijgestaan door Els DE MEERLEER, griffier. Els DE MEERLEER Kristof VAN CAMP PDF document ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20240703.1 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.