← België

ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20241119.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 19 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20241119.1 Rolnummer: 24/104/A Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2025-07-02 Raadplegingen: 604 - laatst gezien 2026-06-17 16:47 Fiche Het ontslag om dringende reden van een werknemer bij een overheidsdienst die heeft deelgenomen aan rellen na een voetbalwedstrijd, is terecht. De werknemer werd na de rellen aangehouden. De tewerkstellende overheid werd hierover ingelicht en besliste om hem te ontslaan. De werknemer vocht zijn ontslag aan maar kreeg geen gelijk. Volgens de rechtbank ging het om zeer ernstige feiten die een weerslag hadden op de werkgever. De werknemer vernielde niet alleen openbaar domein en een auto, hij hielp ook mee de rellen organiseren en hitste de andere relschoppers op om de confrontatie aan te gaan met de politie. Hij werd daarvoor door de correctionele rechtbank strafrechtelijk veroordeeld. De werknemer voerde aan dat het ontslag niet rechtsgeldig was omdat hij vooraf niet was gehoord door de werkgever. Volgens de rechtbank kon de tewerkstellende overheid de werknemer vóór het ontslag echter niet horen omwille van overmacht. Hij was immers in voorlopige hechtenis genomen en zat in de gevangenis. Het ontslag om dringende reden moet echter binnen een termijn van drie werkdagen na kennisname van de feiten worden gegeven. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer: Uitgereikt aan Uitgereikt aan 25/ Datum van uitspraak: op op 19/11/2024 € € Rechtsmiddelen Rolnummer: 24/104/A Materie: Arbeidsovereenkomst arbeider Type vonnis: Eindvonnis arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge Vonnis Kamer B1 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/104/A – p. 2 VON : EVT In de zaak van: X, eisende partij, met als advocaat mr. DEPLA E loco mr. BAERT F, beiden advocaat met kantoor te 8490 JABBEKE, (…). tegen: S, verwerende partij, met als advocaat mr. VERHELLE I, advocaat te Meigem loco mr. GOEGEBEUR I, advocaat met kantoor te 8200 BRUGGE, (…).

  1. PROCEDURE De vordering werd ingeleid met een dagvaarding, betekend op 4 december 2018, zoals blijkt uit het dossier van de rechtspleging. De zaak werd ingeleid op de openbare zitting van 18 december
  2. Op 18 december 2018 bekrachtigde de rechtbank het akkoord van partijen over de conclusietermijnen en stelde de rechtsdag vast op 17 september
  3. De eisende partij legde besluiten neer op 23 augustus 2024 en de verwerende partij op respectievelijk 26 februari 2019 en 21 mei
  4. Op de openbare zitting van 17 september 2019 werd de zaak op vraag van de beide partijen verzonden naar de bijzondere rol. De zaak werd op 5 december 2022 ambtshalve weggelaten van de algemene rol. Op verzoek van de verwerende partij werd de zaak op 27 februari 2024 opnieuw ingeschreven op de algemene rol, met algemeen rolnummer 2024/104/A. De verwerende partij verzocht om de zaak in staat te stellen met haar schrijven van 29 februari
  5. Op 2 april 2024 bepaalde de rechtbank de conclusietermijnen en stelde de rechtsdag vast op 15 oktober
  6. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/104/A – p. 3 De verwerende partij legde besluiten neer op 17 mei 2024 en 26 augustus
  7. Voor de eisende partij werden geen besluiten meer neergelegd. De poging tot minnelijke schikking zoals voorzien in artikel 734 van het Gerechtelijk Wetboek bleef vruchteloos. De partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 15 oktober
  8. De eisende partij verwees naar haar besluiten van 23 augustus 2019, waarin zij volhardde. Hierna werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen. De rechtbank neemt kennis van de stukken van het geding, gevoegd bij het dossier van de rechtspleging en vermeld op de inventaris ervan. De rechtbank past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe. Na beraad spreekt de rechtbank in de Nederlandse taal het volgende vonnis uit.
  9. VOORWERP VAN DE VORDERING 2.
  10. De eisende partij vordert in haar (laatste) besluiten van 23 augustus 2019 om haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dus om: - De verwerende partij te veroordelen tot het betalen van een verbrekingsvergoeding van 3.912,24 euro, meer de gerechtelijke intresten vanaf 4 december 2018 (datum dagvaarding) tot de dag van volledige betaling; - De verwerende partij te veroordelen tot de kosten van de procedure, aan de zijde van de eisende partij begroot op: o 159,91 euro dagvaardingskosten; o 780,00 euro rechtsplegingsvergoeding. 2.
  11. De verwerende partij vordert in haar (laatste) synthesebesluiten van 26 augustus 2024 om - de vordering van de eisende partij onontvankelijk, minstens manifest ongegrond te verklaren; - uiterst subsidiair, de verbrekingsvergoeding te beperken tot hoogstens 3.718,85 euro; - akte te nemen van het voorbehoud van de verwerende partij aangaande de eis tot schadeloosstelling; - de eisende partij te veroordelen tot alle kosten van het geding, aan de zijde van de verwerende partij begroot op 372,96 euro; - het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van het kantonnement. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/104/A – p. 4
  12. DE FEITEN 3.
  13. De eisende partij en S sloten een vervangingsovereenkomst voor arbeiders op 30 december 2014 en de eisende partij werd met ingang van 1 januari 2015 tewerkgesteld op de (…) dienst van (…). De arbeidsovereenkomst van de eisende partij wordt op 30 juni 2016 verlengd naar aanleiding van een openstaande vacature met ingang van 1 september 2016 en de eisende partij bleef tewerkgesteld op de (…) dienst van (…). 3.
  14. Met een brief van 15 november 2017 gaf de procureur des Konings persoonlijk kennis aan de burgermeester van (…) van de aanhouding van de eisende partij wegens zijn betrokkenheid bij de rellen na de voetbalwedstrijd Brugge-Antwerpen van 22 oktober
  15. De ten laste gelegde feiten betroffen volgens de procureur des Konings weerspannigheid in bende na voorafgaande afspraak, lidmaatschap van een vereniging van misdadigers (bendevorming) en de vernieling of onbruikbaarmaking van een motorvoertuig. Door de onlusten werden meerdere politiemensen gewond, werd schade veroorzaakt aan het materiaal van de politie en werd materiële schade aangericht aan de woningen en voertuigen van particulieren en aan het publiek domein. Volgens deze brief zou de eisende partij op 17 november 2017 voor de raadkamer verschijnen die zou beslissen over de verdere aanhouding. De burgemeester werd in kennis gesteld omdat de eisende partij verklaarde dat hij werkzaam zou zijn als (…) bij (…). 3.
  16. De ontslagbrief luidt als volgt: U bent aangesteld als arbeider in contractueel verband voor onbepaalde duur bij de dienst (…). Het stadsbestuur (…) werd op 20 november 2017 schriftelijk in kennis gesteld, door het Parket van de Procureur des Konings, van uw aanhouding wegens uw betrokkenheid bij de rellen na de voetbalwedstrijd Club Brugge-Antwerpen op 22 oktober
  17. De ten laste gelegde feiten betreffen een fout die het voortzetten van elke professionele samenwerking tussen u en het stadsbestuur definitief en onmiddellijk onmogelijk maakt. Dergelijk gedrag brengt zware morele schade toe aan het stadsbestuur. In zitting van 22 november 2017 heb ik beslist u ontslag te geven wegens dringende reden, met onmiddellijke ingang, zonder vooropzeg of vergoeding. In bijlage zend ik u het C4-document. 3.
  18. De eisende partij betwistte het ontslag om dringende reden door middel van een dagvaarding, die aan S werd betekend op 21 november
  19. In afwachting van de strafprocedure werd de zaak, op vraag van de beide partijen, naar de bijzondere rol gestuurd op de openbare zitting van 17 september
  20. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/104/A – p. 5 Op 31 januari 2024 sprak het Hof van Beroep te Gent een eindarrest uit met betrekking tot de feiten die zich op 22 oktober 2017 afspeelden op het grondgebied van S.
  21. BEOORDELING 4.
  22. Het ontslag om dringende reden 4.1.
  23. Toepasselijke wetgeving Overeenkomstig artikel 35, tweede lid van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt onder dringende reden het volgende verstaan: de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Een ontslag om dringende reden mag niet meer zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept (artikel 35, derde lid Arbeidsovereenkomstenwet). Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn (artikel 35, vierde lid Arbeidsovereenkomstenwet). Op straffe van nietigheid, geschiedt de kennisgeving van de dringende reden hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot. Deze kennisgeving kan ook geschieden door afgifte van een geschrift aan de andere partij. De handtekening van deze partij op het duplicaat van dit geschrift geldt enkel als bericht van ontvangst van de kennisgeving (artikel 35, vijfde, zesde en zevende lid Arbeidsovereenkomstenwet). De partij die een dringende reden inroept, dient hiervan het bewijs te leveren; bovendien moet zij bewijzen dat zij de termijnen voorzien in het derde en vierde lid geëerbiedigd heeft (artikel 35, achtste lid Arbeidsovereenkomstenwet). 4.1.
  24. Nagaan naleving vormvereisten voor het ontslag om dringende reden 4.1.2.
  25. Op grond van de voorliggende stukken blijkt dat het College van Burgemeester en Schepenen zijn aanstellings-, ontslag- en tuchtbevoegdheid delegeerde aan de Stadssecretaris op 10 maart
  26. De Stadssecretaris delegeerde op zijn beurt deze aanstellings-, ontslag- en tuchtbevoegdheden naar de Adjunct-Stadssecretaris. De ontslagbrief van 23 november 2017 werd ondertekend door de Adjunct-Stadssecretaris van S, met name (…), zodat het ontslag werd genomen en betekend door het bevoegde orgaan. 4.1.2.
  27. Op grond van het besluit van de Adjunt-Secretaris van 22 november 2017 (stuk 3 eisende partij) blijkt dat het stadsbestuur op 20 november 2017 schriftelijk in kennis werd gesteld van de aanhouding van de eisende partij voor zijn betrokkenheid bij de rellen na de voetbalwedstrijd Club Brugge-Antwerpen op 22 oktober
  28. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/104/A – p. 6 Het ontslag werd gegeven op 22 november 2017 en betekend op 23 november 2017, zodat het gegeven werd binnen de driedagentermijn na kennisname van de feiten. Met diezelfde brief van 22 november 2017 gaf de verwerende partij ook kennis van de dringende reden. Het bewijs van aangetekende zending van 23 november 2017 aan de eisende partij ligt voor. Het ontslag werd gegeven met in acht name van de strikte termijnen voorzien in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet. 4.1.2.
  29. De eisende partij hekelt dat zij niet gehoord werd voordat zij werd ontslagen. Daarvoor verwijst de eisende partij (onder meer) naar het arrest van het Grondwettelijk Hof van 22 februari 2018 (arrest nr. 22/2018). Volgens de verwerende partij dateert dit arrest van na het ontslag. Zij verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 12 oktober
  30. Verder meent zij dat de eisende partij niet nuttig kon verhoord worden, nu zij ten tijde van de ontslagprocedure in voorhechtenis zat. In een arrest van het Hof van Cassatie van 12 oktober 2015 (Arr. Cass. 2015, 2322) en een arrest van de Raad van State (RvSt 27 september 2016, nr. 235.871) werd geoordeeld dat bij een ontslag van een contractuele werknemer in overheidsdienst de beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn. In zijn arresten van 6 juli 2017 (arrest nr. 86/2017) van 22 februari 2018 (arrest nr. 22/2018) oordeelde het Grondwettelijk Hof dat respectievelijk de artikelen 32, 3° en 37 §1 van de Arbeidsovereenkomsten- wet en het artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet geen beletsel vormen voor het recht van een door een overheid tewerkgestelde werknemer om vóór zijn ontslag, om redenen die verband houden met zijn persoon of zijn gedrag, te worden gehoord in het kader van het hoorrecht als beginsel van behoorlijk bestuur. In tegenstelling met wat S voorhoudt is het daarbij irrelevant of het ontslag plaatsvond voor of na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 22 februari 2018, want de rechtbank is gebonden aan een grondwetsconforme interpretatie van de in het geding zijnde regels. De sanctie van het niet horen van de werknemer maakt evenwel niet dat het gegeven ontslag om dringende reden nietig is. Desgevallend kan de betrokken werknemer een schadevergoeding vorderen als hij aantoont dat hij geschaad is doordat hij niet gehoord werd. Volgens S, hierin niet tegengesproken door de eisende partij, was het horen van de eisende partij op het moment dat de dringende beslissing diende genomen te worden, niet mogelijk. Immers, de eisende partij zat volgens de procureur des konings in voorhechtenis. S nam klaarblijkelijk ook contact op met de griffie van de gevangenis, zodat de ontslagbrief kon worden afgegeven aan de eisende partij. Nu de eisende partij in voorhechtenis zat kon S geen nuttig hoorrecht organiseren. Immers, in navolging met de rechtspraak van het Hof van Cassatie moet er over gewaakt worden dat het hoorrecht niet gebruikt wordt om de ingangsdatum voor het vaststellen van de dringende redenen die aanleiding geven tot het ontslag onrechtmatig te verlengen. Het volstaat voor het Hof van Cassatie dat de werkgever voldoende zekerheid heeft om een beslissing te nemen met kennis van zaken wat betreft het bestaan van het feit en de omstandigheden (Cass. 22 oktober 2001, Arr.Cass. 2001, 1676; Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/104/A – p. 7 Cass. 6 september 1999, Arr.Cass. 1999, 437; Cass. 7 december 1998, Arr.Cass. 1100; Cass. 24 juni 1996, Arr.Cass. 1996, 639; Cass. 11 januari 1993, JTT 1993, 58). Dit momentum kan soms gesitueerd worden op de datum van een verhoor, maar vaak ook veel vroeger. Het moet in concreto voor elk ontslag worden bepaald. Het verkrijgen van voldoende zekerheid over de dringende reden betekent echter niet dat de werkgever het bewijs in handen moet hebben voordat hij tot ontslag mag overgaan. De zekerheid kan bestaan vóór het ogenblik waarop alle bewijsstukken in handen zijn van de werkgever. Of de redenen voldoende ernstig waren om het ontslag om dringende reden te mogen geven, wordt hierna beoordeeld. Maar wat betreft de tijdigheid van het ontslag werd gehandeld conform de wettelijke bepalingen: de werkgever nam kennis van de feiten naar aanleiding van het schrijven van de procureur des konings op 20 november 2017 en het ontslag werd gegeven op 22 november
  31. De kennisgeving van de redenen werd betekend op 23 november
  32. Het hoorrecht kon niet worden uitgeoefend omwille van overmacht, met name doordat de eisende partij in voorlopige hechtenis was genomen. 4.1.2.
  33. Het is vaste rechtspraak dat de kennisgeving van de dringende reden met de grootste nauwkeurigheid en preciesheid moet gebeuren. Deze nauwkeurigheid is niet alleen noodzakelijk omdat de ontslagen partij zou ingelicht worden omtrent de feiten die haar ten laste worden gelegd, maar ook opdat de rechter zou kunnen nagaan of de ingeroepen reden zwaarwichtig genoeg is en/of de voor hem ingeroepen redenen dezelfde zijn als die welke betekend werden aan de ontslagen partij (zie ook Cass. 2 juni 1976, R.W. 1976-77, 1022; Cass. 27 februari 1978, R.W. 1978-79, 331). De reden die aan de grondslag ligt van het ontslag van de eisende partij werd met afdoende nauwkeurigheid vermeld in de ontslagbrief. Het gaat over de aanhouding van de eisende partij wegens haar betrokkenheid bij de rellen na de voetbalwedstrijd Club Brugge – Antwerpen op 22 oktober
  34. S verwijst in de ontslagbrief ook nog naar het schrijven van de procureur des konings, die aan haar ter kennis werd gebracht op 20 november
  35. Hiermee wist de eisende partij, en de rechtbank nu ook, welke feiten aan de grondslag lagen van het ontslag om dringende reden. Op grond van de vermelde omschrijving is het voldoende duidelijk welke feiten aan de grondslag liggen van het ontslag, met name zijn aanhouding wegens betrokkenheid bij de rellen na de voetbalwedstrijd Club Brugge-Antwerpen op 22 oktober 2017, en kan de rechtbank de zwaarwichtigheid ervan op afdoende wijze controleren. Het feit dat de eisende partij aangehouden was voor haar betrokkenheid bij die rellen was voor S afdoende gewichtig om elke samenwerking met de eisende partij onmiddellijk en definitief te beëindigen. Of deze reden effectief zwaarwichtig genoeg was gaat over de gronden van het ontslag en staat los van de beoordeling van de naleving van de vormvereisten van het ontslag. 4.1.2.
  36. De rechtbank besluit dat het ontslag werd gegeven met inachtname van de vormvoorwaarden voor een ontslag om dringende reden. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/104/A – p. 8 4.1.
  37. Nagaan dringende reden 4.1.3.
  38. Om een ontslag om dringende reden te mogen geven moet er een ernstige tekortkoming aan de grondslag liggen die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Pas als een dergelijke ernstige tekortkoming aanwezig is, mag een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur zonder opzegging te beëindigen. Het ontslag om dringende reden is de zwaarste sanctie in het arbeidsrecht en moet dan ook met de nodige omzichtigheid worden benaderd. De partij die de dringende reden inroept, moet hiervan het bewijs te leveren (art. 35, achtste lid Arbeidsovereenkomstenwet). De partij die de arbeidsovereenkomst beëindigt, moet het bestaan bewijzen van de feiten die ter rechtvaardiging van de dringende reden worden ingeroepen. De partij die de dringende reden inroept draagt dus de volledige bewijslast. Ernstige twijfel over het bestaan van de ingeroepen fout speelt in het voordeel van de wederpartij. Het bewijs mag geen enkele twijfel meer laten bestaan over de feiten. Dat bewijs kan worden geleverd door alle wettelijke middelen (zie ook Cass. 24 september 1979, J.T.T. 1980, 98; Cass. 13 oktober 1986, R.W. 1986-87, 1711). Artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet vereist niet dat de ernstige tekortkoming een contractuele tekortkoming is (Cass. 6 maart 1995, J.T.T. 1995, 281). Ook feiten die zich in het privéleven afspelen kunnen een ernstige tekortkoming uitmaken voor zover die fout elke professionele samenwerking tussen de werkgever en werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. De ernst van de ingeroepen redenen moet geval per geval beoordeeld worden, rekening houdend met alle omstandigheden eigen aan de zaak. Kenmerkend voor een dringende reden is dat de arbeidsrelatie niet meer in stand kan gehouden worden, zelfs niet gedurende een korte tijd (Cass. 1 juni 1981, J.T.T. 1981, 295, concl. H. Lenaerts). Deze onmogelijkheid om zelfs tijdelijk nog samen te werken is essentieel voor het ontslag om dringende reden. Bij de beoordeling van de dringende reden moet rekening gehouden worden met de omstandigheden eigen aan de zaak. Naast de beoordeling van het foutief karakter van de ingeroepen feiten zal de rechter ook de ernst van de tekortkoming moeten beoordelen. Het feit dat het ontslag om dringende reden rechtvaardigt, is immers het feit met inachtneming van alle omstandigheden die het feit het karakter van een zwaarwichtig motief geven. 4.1.3.
  39. Zoals hierboven reeds aangehaald moet de ontslaggevende partij niet over het nodige bewijs beschikken van de gepleegde feiten op het ogenblik van het ontslag. Het volstaat dat de ontslaggevende partij met zekerheid weet dat de feiten zo ernstig zijn dat zij elke verdere samenwerking onmiddellijk en definitief wenst stop te zetten. De rechtbank stelt vast dat de door de werkgever ingeroepen feiten wel degelijk bewezen worden en dit aan de hand van het (definitief) arrest van het Hof van Beroep te Gent van 31 januari
  40. Met een arrest van het Hof van Beroep van 31 januari 2024 werd de eisende partij veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van twee jaar, met uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf voor een periode van 5 jaar, meer bepaald voor de volgende bewezen feiten op en rond 22 oktober 2017: Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/104/A – p. 9 - B: weerspannigheid zonder wapens met verzwarende omstandigheden, te weten zonder van wapens te zijn voorzien, een aanval te hebben gepleegd of zich met geweld of bedreiging te hebben verzet tegen diverse leden van de Federale Politie en diverse leden van diverse lokale politiezones, opgesteld op het kruispunt van (…) te (…), op 22 oktober 2017, met de omstandigheid dat de weerspannigheid gepleegd werd door verscheidene personen ten gevolge van een voorafgaande afspraak en met de omstandigheid dat de feiten begaan werden omwille van en ter gelegenheid van de organisatie van een voetbalwedstrijd; - E: vernieling van een motorvoertuig, op 22 oktober 2017, met de omstandigheid dat de feiten begaan werden omwille van en ter gelegenheid van de organisatie van een voetbalwetstrijd; - G: deel uitmaken van een vereniging opgericht om op personen of eigendommen wanbedrijven te plegen, met name het toebrengen van slagen en verwondingen en het toebrengen van beschadigingen, met de omstandigheid dat de feiten begaan werden omwille van en ter gelegenheid van de organisatie van een voetbalwetstrijd. Uit het arrest blijkt onder meer het volgende: - op 22 oktober 2017 vond in het kader van de Jupiler Pro League de wedstrijd Club Brugge – Royal Antwerp FC plaats, die werd gespeeld in het Jan Breydelstadion in Brugge; - er ontstaan rellen tussen de verschillende supportersgroepen, waarbij ook projectielen gegooid worden naar de ordediensten; - uit de camerabeelden blijkt naast de aanwezigheid van de eisende partij tijdens de rellen ook dat zij: o zich vooraan ophoudt ter hoogte van de ordediensten die in linie opgesteld staan op het Kruispunt (…); o zich tussen de relschoppers bevindt en de andere relschoppers ophitst door met de armen te zwaaien in de lucht; o één van de vier verdachten betreft die het rood voertuig gekanteld hebben, daar zij met de rechterarm op het moment van het kantelen een zwaaibeweging richting het voertuig maakt. Zij ontkent dat zij het voertuig (mede) heeft doen kantelen; - in haar verhoor erkent de eisende partij de ophitsende bewegingen alsook dat zij een steen had opgeraapt, maar die terug heeft laten vallen; - uit de uitlezing van de gsm van de eisende partij valt af te leiden dat de harde kernen van Club Brugge kv en Royal Antwerp FC afspraken maakten om elkaar reeds voor de wedstrijd van 22 oktober 2017 te treffen, dit eventueel op zaterdag 21 oktober
  41. Hierbij is er tevens sprake at Ado Den Haag ook hierop aanwezig zou zijn; - er worden berichten en foto’s met betrekking tot de rellen aangetroffen, die werden gestuurd / ontvangen tussen 22 oktober 2017 en 21 oktober 2017; - tijdens de huiszoeking bij de eisende partij worden ook nazi-memorabilia aangetroffen en ook een boksbeugel. Het Hof stelt vast dat de eisende partij behoort tot de harde kern, die mee verantwoordelijk is voor het uitnodigen van de buitenlandse groepen en reeds van voor de match uit waren op gewelddadig conflict. De feiten aangehaald in de ontslagbrief zijn voor deze rechtbank dan ook zeker bewezen. Doordat de eisende partij op 22 oktober 2017 deelnam aan de rellen naar aanleiding van de voetbalmatch tussen Club Brugge en Antwerpen, waarbij meerdere leden van de federale en lokale politie gewond raakten, er schade werd verzoorzaakt aan het materiaal van de politie en er materiële schade toegebracht werd aan een particulier voertuig en aan het publiek domein, maakte de eisende partij wel degelijk een Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/104/A – p. 10 ernstige fout die het voortzetten van elke professionele samenwerking tussen de eisende partij en S definitief en onmiddellijk onmogelijk maakt. Het gaat hier om bijzonder laakbare en ernstige feiten die wel degelijk een weerslag hebben op S: een werknemer moet zich onthouden van alles wat de veiligheid van zijn werkgever of derden zou kunnen schaden. De eisende partij bracht vernielingen aan het openbaar domein aan én aan de eigendom van particulieren op het grondgebied van S. Daarnaast hitste zij duidelijk andere relschoppers op om de confrontatie aan te gaan met de ordediensten en hielp zij zelfs de rellen mee te organiseren… 4.1.3.
  42. Nu de rechtbank oordeelt dat het ontslag om dringende reden terecht is, zijn de vorderingen van de eisende partij integraal ongegrond. 4.
  43. De kosten van het geding Artikel 1017 lid 1 Ger.W. stelt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. Er ligt geen overeenkomst voor tussen de partijen. De eisende partij is de in het ongelijk gestelde partij, zodat zij wordt verwezen in de kosten van het geding. Dit geschil is geen geschil die onder het toepassingsgebied valt van de artikelen 579 en 1017, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek, zodat de gewone tarieven van artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn. Voor een vordering tussen de 2500,01 en de 5000,01 euro bedraagt de basisrechtsplegingsvergoeding 975,00 euro. UITSPRAAK De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge, kamer B1, beslist op grond van bovenvermelde redenen als volgt: De rechtbank doet uitspraak op tegenspraak en verklaart de vorderingen van de eisende partij ontvankelijk, maar ongegrond. De rechtbank veroordeelt de eisende partij tot de kosten van het geding, als volgt te vereffenen: - aan de zijde van de eisende partij: o 160,83 euro dagvaardingskosten (met inbegrip van de 20,00 euro vergoeding aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand); o 975,00 euro geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding; - aan de zijde van de verwerende partij: o 975,00 euro geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding. Dit vonnis werd gewezen door: HUYS A, rechter - voorzitter van de kamer, Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/104/A – p. 11 DESEURE M, rechter in sociale zaken, werkgever, CLAES J, rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider, bijgestaan door: VERFAILLIE K, griffier, VERFAILLIE K CLAES J DESEURE M HUYS A en uitgesproken op NEGENTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND VIERENTWINTIG in openbare zitting van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge, kamer B1, door K NEVENS, ondervoorzitter en bijgestaan door VERFAILLIE K, griffier. VERFAILLIE K NEVENS K PDF document ECLI:BE:ARGNT:2024:JUG.20241119.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.