← België

ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250317.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 17 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250317.1 Rolnummer: 22/793/A Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-07-02 Raadplegingen: 622 - laatst gezien 2026-06-19 02:16 Fiche Er is een onderscheid tussen twee vormen van arbeidsongeschiktheid in art. 100 ZIV-wet. Art. 100, § 1: focust op het verdienvermogen. Is het inkomen van de persoon door ziekte of ongeval verminderd tot minder dan een derde van wat een gezonde persoon verdient? Dan wordt hij arbeidsongeschikt verklaard. Art. 100, § 2: Focust op het gezondheidsvermogen. Heeft de persoon een verlies van fysieke, psychische of sociale capaciteit van minstens 50% behouden? Dan kan die persoon het werk hervatten met behoud van het recht op uitkeringen, mits toestemming van de adviserend arts. Het is volgens de rechtbank niet vereist dat een persoon nog langer voldoet aan het criterium in §1 om uitkeringen te kunnen genieten wanneer hij na werkhervatting nog steeds voldoet aan het criterium in §

  1. Beide regelingen hebben volgens de rechtbank immers een ander doel en bestaan afzonderlijk van elkaar: § 1: compenseert inkomensverlies, § 2: stimuleert re-integratie. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 100 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer: Uitgereikt aan Uitgereikt aan 25/ Datum van uitspraak: op op 17/03/2025 € € Rechtsmiddelen Rolnummer: 22/793/A Materie: Ziekteverzekering werknemers Type vonnis: Eindvonnis arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent Vonnis Kamer G4 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 22/793/A – p. 2 VON : EVT In de zaak van: S eisende partij (“de heer S”), ter zitting vertegenwoordigd door de heer STIJN DE BEUL (ACV GENT), syndicale afgevaardigde met kantoor te 9000 GENT, Poel
  2. tegen: L verwerende partij (“L”), ter zitting vertegenwoordigd door mr. KURT DEMEESTER loco mrs. NAULAERTS GEERT en SMANS RACHEL, advocaat met kantoor te 2300 TURNHOUT, de Merodelei
  3. KERN VAN DE BESLISSING De rechtbank kent de vordering van de heer S toe. Hij was arbeidsongeschikt overeenkomstig artikel 100, § 2 ZIV-wet vanaf 27 juli 2022 tot de datum waarop L zijn ongeschiktheid opnieuw erkend had en heeft voor die periode recht op een uitkering bovenop het inkomen uit zijn werkhervatting. De volledige beslissing van de rechtbank vindt u terug op pagina 12 Deze rechtszaak beslaat: - Het verzoekschrift van 14 september 2022, ontvangen door de griffie op dezelfde dag, - De oproeping van de partijen voor de zitting van 23 februari 2023 (artikel 704, § 2 Ger.W.1), - De mededeling aan het openbaar ministerie (artikel 764, 10° Ger.W.), - Het administratief dossier van het openbaar ministerie, - De bewijsstukken van de partijen, - De pleidooien van de partijen, allen aanwezig, op de zitting van 23 februari 2023, - Het mondeling advies van de substituut-arbeidsauditeur, de heer Jan Vermeir, om een deskundige aan te stellen (artikel 780, eerste lid, 1° en 4° Ger.W.), - Het tussenvonnis van 23 maart 2023 dat een deskundige aanwijst, - Het deskundigenverslag van 24 oktober 2024, ontvangen door de griffie op 25 oktober 2024, - De oproeping, op gezamenlijk verzoek van de partijen, voor de zitting van 17 februari 2025 (artikel 750 Ger.W.), - De pleidooien van de partijen, allen aanwezig, op de zitting van 17 februari 2025, - Dit vonnis. 1 Het Gerechtelijk Wetboek (“Ger.W.”), BS 31 oktober 1967, 11360, Numac 1967101055, te raadplegen op ejustice.just.fgov.be. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 22/793/A – p. 3 De procedure, het advies, de deskundige, de pleidooien en de vonnissen maakten gebruik van het Nederlands.2 In dit vonnis I. De vraag van de partijen II. Wat aan de zaak voorafging III. Het tussenvonnis en het deskundigenonderzoek IV. De beoordeling door de rechtbank V. De beslissing van de rechtbank I. DE VRAAG VAN DE PARTIJEN De heer S vordert de vernietiging van de beslissingen van de adviserende arts: - van 12 juli 2022 die hem vanaf 27 juli 2022 werkgeschikt bevindt in de zin van artikel 100, §§ 1 en 2 ZIV -wet3, - van 18 augustus 2022 die de aangifte van zijn arbeidsongeschiktheid vanaf 11 augustus 2022 afwijst. L verzoekt de rechtbank om de vorderingen af te wijzen. II. WAT AAN DE ZAAK VOORAFGING 1 Kniepijn maakte de heer S, die werkte als vleesbewerker, arbeidsongeschikt op 18 mei
  4. Vanaf de daaropvolgende dag, 19 mei 2022, heeft hij het werk progressief hervat voor 19 uur per week met toelating van de adviserende arts van het ziekenfonds. Na een medisch onderzoek op 12 juli 2022 besloot de adviserende arts dat het fysiek, psychisch en sociaal vermogen van de heer S meer bedraagt dan de helft van een gezonde persoon. Daarom beëindigde de arts de arbeidsongeschiktheid vanaf 27 juli
  5. Het ziekenfonds stelde de heer S in kennis van deze beslissing met een brief van 15 juli
  6. 2 De heer S gaf op 11 augustus 2022 zijn arbeidsongeschiktheid aan bij het ziekenfonds. Met een brief van 18 augustus 2022 gaf de adviserende arts, die geen nieuwe medische elementen aantrof, kennis van zijn beslissing om de heer S niet te erkennen als arbeidsongeschikt. 3 De heer S ging niet akkoord met beide beslissingen en legde de betwisting voor aan de arbeidsrechtbank met een verzoekschrift van 14 september
  7. 4 Bij het verzoekschrift voegde de heer S drie medische getuigschriften van 29 juli, 5 augustus en 7 september 2022 van zijn behandelende artsen, de heren D en V en mevrouw L, waarin de artsen van oordeel zijn dat de heer S slechts ten dele zijn vroegere of hiermee aanverwante beroepen kan uitoefenen noch andere beroepen die hij zou kunnen uitoefenen wegens zijn beroepsopleiding in het kader van een progressieve werkhervatting. De volgende redenen deden de artsen daartoe besluiten: “Betrokkene lijdt aan volgende aandoeningen: terminale gonarthrose re knie, patello pijn re knie, discopathie lumbaal op ≠ niveaus, belastingsgebonden pijn re knie waardoor >4u rechtstaan en recht lopen niet mogelijk. Ik ben van oordeel dat betrokkene ten onrechte minder 2 Artikels 2 en 30 tot 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, BS 22 juni 1935, 4002, Numac 1935061501, te raadplegen op ejustice.just.fgov.be. 3 De wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (“ZIV-wet”), BS 27 augustus 1994, 21524, Numac 1994071451, te raadplegen op ejustice.just.fgov.be. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 22/793/A – p. 4 dan 66% arbeidsongeschikt wordt verklaard, alsook dat betrokkene van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 pct. behoudt om de volgende redenen: omscholing naar 'lichter' werk niet mogelijk aangezien geen ervaring en geen diploma HMO. Bijgevolg is de stopzetting van de werkzaamheden nog steeds het rechtstreeks gevolg van het intreden of verergeren van letsels of functionele stoornissen (…).” “Bij S zijn de knieklachten dermate aanwezig en invaliderend dat fulltime werken (als beenhouwer in zijn huidige functie) onmogelijk is. Halftijds werken (voormiddagen) lijkt net haalbaar. Er zijn reeds meerdere pogingen ondernomen om fulltime te herbeginnen, maar dit lijkt altijd te falen. Er is een uitgesproken belastingspijn na enkele uren, erna steeds ijs en rust nodig. Ook nachtelijk ontwaken van de pijn. Er is ook een instabiel gevoel (doorzakken) thv de re knie. Dagelijks pijnstilling nodig: diclofenac en tradonal odis (afhankelijk van inflammatoire kenmerken). Opvolging bij Dr. V (orthopedist) gebeurt op regelmatige basis. Op heden zijn er geen heelkundige mogelijkheden. Partiële werkhervatting (50%) is voor S dus de enige haalbare oplossing. Aanpassing op de werkvloer worden bekeken bij de arbeidsgeneesheer.” “47 jarige arbeider (beenhouwerij) met terminale rechter gonarthrose (cfr antecedenten) welke met zijn 50% werkhervatting zijn werk wel net aan kan; werkhervatting 50% is net haalbaar gezien gekend knielijden TAO 2 7 2022 - 2 12 2022 50% verder voorgesteld, momenteel voor zijn leeftijd zijn er heden geen andere opties dan partiele werk status of anders grondige herorganisatie van werkvloer, prothese chirurgie bij een 47-jarige actieve patiënt dient zolang mogelijk te worden uit gesteld!” III. HET TUSSENVONNIS EN HET DESKUNDIGENONDERZOEK 5 Bij tussenvonnis van 23 maart 2023 heeft de rechtbank de vorderingen ontvankelijk verklaard, een medisch onderzoek bevolen en daarvoor als deskundige de heer B aangewezen met als opdracht: “De rechtbank adviseren over de vraag of: het vermogen tot verdienen van de heer S vanaf 27 juli 2022 als rechtstreeks gevolg van het intreden of verergeren van letsels of functionele stoornissen, verminderd is tot een derde of minder van wat een persoon kan verdienen door zijn werkzaamheid in het gewone beroep van de betrokkene, in zover de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne zoals bedoeld in artikel 100 § 1, lid 6 ZIV-wet; de heer S vanaf 27 juli 2022 van een geneeskundig oogpunt uit een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 percent behoudt in de zin van artikel 100 § 2 ZIV-wet.” 6 De gerechtsdeskundige deelde zijn voorlopig advies mee aan de partijen met de vraag om hun opmerkingen te bezorgen. De partijen hadden geen opmerkingen. 7 De gerechtsdeskundige bevestigde zijn voorlopig advies in zijn eindverslag dat de griffie op 25 oktober 2024 ontving. Hij beantwoordde de vraag van de rechtbank zowel positief als negatief met de volgende motivering: “Posthoc kan men stellen dat betrokkene op 08/08/2022 niet in staat was om volledig het werk te hervatten. De gedeeltelijke werkongeschiktheid liep verder tem 15/05/2023 en is te rechtvaardigen. Vanaf 16/05/2023 is er opnieuw volledige decompensatie, mogelijks door de kniepijn rechts. Betrokkene gaat hiervoor consult inwinnen in het UZ te Gent op 08/06/2023, waarbij men dan uiteindelijk besluit om een totale knieprothese te plaatsen rechts. Heden is er een moeizame genezing na het plaatsen van deze totale knieprothese. M.i. was het Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 22/793/A – p. 5 gerechtvaardigd dat betrokkene bleef werken aan 50 % vanaf 18/05/
  8. De pijnproblematiek van de rechter knie speelde hem in die mate parten, dat hij op 16/05/2023 andermaal opnieuw volledig werk onbekwaam is geworden en uiteindelijk een knieprothese liet plaatsen op 07/09/
  9. Zodoende kan men stellen dat het vermogen tot verdienen van de heer S vanaf 27 juli 2022 als rechtstreeks gevolg van het verergeren van letsels, niet verminderd is tot een derde of minder van wat een persoon kan verdienen door zijn werkzaamheid in het gewone beroep van de betrokkene. Er dient wel gezegd te worden dat de knieproblematiek rechts niet voor genezing vatbaar was binnen een tamelijk korte tijdspanne. Onderzochte behield vanaf 27 juli 2022 (van geneeskundig oogpunt uit) een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 percent in de zin van artikel 100 § 2 ZIV- wet.” IV. DE BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK A. De arbeidsongeschiktheid vanaf 27 juli 2022 8 Op de zitting van 17 februari 2025 vroeg L aan de rechtbank, met verwijzing naar het arrest van het Gentse arbeidshof van 7 oktober 2024, om de arbeidsongeschiktheid vanaf 27 juli 2022 af te wijzen op basis van het advies van de gerechtsdeskundige. De heer S vroeg het omgekeerde, evenzeer op basis van het advies van de gerechtsdeskundige. 9 De rechtbank analyseerde het eindverslag van de gerechtsdeskundige en komt tot de vaststelling dat de deskundige binnen de vooropgestelde termijn het opgedragen werk zorgvuldig en kwaliteitsvol heeft uitgevoerd. Het verslag geeft op uitgebreide wijze objectieve, medische vaststellingen weer en getuigt van een omstandig medisch onderzoek van de heer S en een grondige studie van de door de partijen bezorgde documenten. De deskundige heeft zijn besluit beknopt maar voldoende gemotiveerd. De volledig- en grondigheid van het onderzoek blijkt ook uit de vaststelling dat geen van de partijen opmerkingen formuleerde op het voorlopig advies van de deskundige. Er zijn geen concrete argumenten die de medische vaststellingen en de slotsom van de deskundige ontkrachten. 10 De rechtbank volgt het deskundigenadvies. De heer S is vanaf 27 juli 2022 niet langer arbeidsongeschikt overeenkomstig artikel 100, § 1 ZIV-wet maar wel overeenkomstig artikel 100, § 2 ZIV-wet. 11 De heer S heeft recht op een uitkering, bovenop het inkomen uit zijn werkhervatting, vanaf 27 juli 2022 tot de datum waarop L hem opnieuw erkend had als arbeidsongeschikt. 12 De rechtbank licht haar beslissing nader toe. De ziekte- en invaliditeitsverzekering kent twee vormen van arbeidsongeschiktheid die elk een eigen invulling geven aan de betekenis van arbeidsongeschikt zijn. Beide vormen hebben een ander vertrekpunt en een andere finaliteit en hanteren eigen toekenningsvoorwaarden. Ze bestaan naast elkaar. De ene sluit de andere niet uit. En de ene vormt geen vermoeden van beantwoording aan de voorwaarden van de andere. 13 De sociaal verzekerde die aan de toelatingsvoorwaarden voldoen (wachttijd en bijdragebetaling, zie artikels 128 tot 131 ZIV-wet) moet ook aan de toekenningsvoorwaarden van een van beide vormen voldoen om een uitkering te kunnen ontvangen. 14 De eerste vorm verbindt een medisch met een economisch criterium: het meet de impact van een vermindering van het fysiek, psychisch en sociaal vermogen op het economisch vermogen van de verzekerde. Het stelt de vraag naar de gevolgen van een ongeval of ziekte van de sociaal verzekerde Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 22/793/A – p. 6 op zijn concurrentiele positie op de arbeidsmarkt. De maatstaf is het economisch vermogen, het vermogen tot verdienen: is dat verminderd tot een derde of minder van een vergelijkbaar, voltijds werkend persoon, dan vervult de verzekerde deze toekenningsvoorwaarde. De grootte van vermindering van het fysiek, psychisch en sociaal vermogen is niet van belang. Voldoet de verzekerde vervolgens ook aan de andere toekenningsvoorwaarden dan opent hij een recht op een uitkering (het verminderde verdienvermogen is het rechtstreeks gevolg van het verminderde fysiek, psychisch en sociaal vermogen en de verzekerde staakt alle werkzaamheden). Deze eerste vorm van arbeidsongeschiktheid is opgenomen in artikel 100, § 1 ZIV-wet: “Wordt als arbeidsongeschikt erkend als bedoeld in deze gecoördineerde wet, de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding.” 15 De tweede vorm staat volledig los van het economisch vermogen van de sociaal verzekerde. Het meet de grootte van het fysiek, psychisch en sociaal vermogen van de verzekerde: is dat verminderd tot de helft of minder van een vergelijkbaar, gezond persoon, dan vervult de verzekerde deze toekenningsvoorwaarde. De grootte van vermindering van het economisch vermogen is niet van belang. Voldoet de verzekerde vervolgens ook aan de andere toekenningsvoorwaarden dan opent hij een recht op een uitkering (hij is, minstens voor een dag, arbeidsongeschikt geweest in de betekenis van de eerste vorm en hij heeft de toelating van de adviserende arts om het werk te hervatten). Deze tweede vorm van arbeidsongeschiktheid is opgenomen in artikel 100, § 2 ZIV-wet: “Wordt als arbeidsongeschikt erkend, de werknemer die een toegelaten arbeid hervat op voorwaarde dat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 pct. behoudt. De Koning bepaalt binnen welke termijn en onder welke voorwaarden de toelating tot werkhervatting als bedoeld in het eerste lid wordt verleend.” 16 De andere benaderingswijze van beide vormen verklaart zich door hun verschillende vertrek- en mikpunt. De eerste vorm van arbeidsongeschiktheid vertrekt van de persoon voor (de verergering van) de ziekte of (het letsel van) het ongeval. Het wil de vermindering van het economisch vermogen compenseren. Het stelt de vraag hoe arbeidsongeschikt de persoon is. De tweede vorm vertrekt van de persoon na (de verergering van) de aandoening. Het wil de vermeerdering van het fysiek, psychisch, sociaal en economisch vermogen stimuleren. Het stelt de vraag hoe arbeidsgeschikt de persoon is en hoe hij zijn progressieve gezondheidsherstel economisch kan inzetten. 17 Een andere lezing van de wet leidt tot toepassingsconflicten. De wet vereist dus niet dat de rechthebbende voortdurend voldoet aan de toekenningsvoorwaarden van de eerste vorm van arbeidsongeschiktheid om een erkenning van de tweede vorm van arbeidsongeschiktheid te behouden. Dat is bovendien niet mogelijk. Men kan niet tegelijk toelaten (tweede vorm) en verbieden (eerste vorm) om te werken. Ook de vereiste van het blijvend moeten voldoen aan sommige voorwaarden van de eerste vorm als bestaansvoorwaarde voor de tweede vorm van ongeschiktheid berust op een onjuiste lezing van de wet omdat een dergelijke toepassing deze tweede vorm grotendeels uitholt en zijn finaliteit miskent. Het doet juridisch onhoudbare situaties ontstaan die op gespannen voet staan met de werkelijkheid. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 22/793/A – p. 7 18 Concreet, de vereiste dat een persoon, om uitkeringsgerechtigd te blijven, te allen tijde een vermindering van twee derde van zijn verdienvermogen moet behouden, beknot de stimulerende mogelijkheden die de wetgever beoogt met de tweede vorm van erkende arbeidsongeschiktheid. Het verdienvermogen van een persoon is met zijn werkvolume verbonden, zij het niet recht evenredig dan minstens lineair: wie meer werkt, kan meer verdienen. De voorwaarde van een maximaal verdienvermogen van 1/3e toevoegen aan de tweede vorm van arbeidsongeschiktheid, resulteert in een feitelijke uitsluiting van een werkhervatting aan een halftijdse of hogere tewerkstellingsbreuk. 19 Het Hof van Cassatie verwerpt een dergelijke toepassing van de wet in het arrest van 18 mei 2015 en licht artikel 100, § 2 ZIV-wet toe (eigen onderlijning): “Die bepaling wijkt af van de voorwaarde van het vermogen tot verdienen voorgeschreven bij paragraaf 1, ten gunste van de werknemer die, zoals bepaald in die paragraaf, arbeidsongeschikt is geworden en later, overeenkomstig paragraaf 2, de arbeid hervat”.4 20 Het arrest van het Gentse arbeidshof van 7 oktober 2024, waar L zijn argumentatie op bouwt, besluit tot een cumulatieve en geen chronologische werking van de beide vormen van arbeidsongeschiktheid die de ZIV-wet definieert. Het hof berust zijn oordeel op twee gronden: enerzijds een rechtskundige analyse van de heer Philippe Gosseries en anderzijds het arrest van 18 mei 2015 van het Hof van Cassatie. 21 De heer Philippe Gosseries is, als ere-raadsheer van het Hof van Cassatie, niet de minste auteur. Het rechtsleerartikel, dat het Gentse arbeidshof hanteert ter ondersteuning van zijn oordeel, ondersteunt dat oordeel niet. De auteur besluit het tegendeel van wat het arbeidshof besliste: “Het is juist dat arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 2 een voorafgaande erkenning van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 1 van de wet van 14 juli 1994 veronderstelt. Voor arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 2 is echter niet langer vereist dat, wanneer wordt vastgesteld dat er sprake is van een vermindering van de arbeidsgeschiktheid met ten minste 50 % vanuit medisch oogpunt, de verzekerde nog steeds een vermindering van de arbeidsgeschiktheid met ten minste een derde in de zin van artikel 100, § 1 heeft. Men kan dus stellen dat artikel 100, § 2 geen arbeidsongeschiktheid veronderstelt overeenkomstig artikel 100, § 1 maar een andere hypothese van arbeidsongeschiktheid formuleert”.5 22 Ook de tweede steunpilaar, het cassatiearrest van 18 mei 2015, houdt het Gentse arrest niet overeind. Het Hof verbreekt een arrest dat handelde over een 100, § 1-ongeschiktheid omdat het de geschiktheidsverklaring afwees met verwijzing naar 100, § 2, zolang de verzekerde hooguit geschikt is voor halftijds werk. Het Hof deed in zijn arrest een heldere uitspraak over de verhouding tussen beide wettelijke bepalingen: artikel 100, § 2 wijkt af van 100, § 1 wat betreft de vereiste van verdienvermogen. “Wijkt af” is het tegenovergestelde van het door het Gentse arbeidshof gehanteerde “vult aan”. In de gegeven cassatiezaak mocht het vernietigde arrest niet naar 100, § 2 verwijzen om een ongeschiktheid onder 100, § 1 te beoordelen. Het omgekeerde mag evenmin, wat 4 Cass. 18 mei 2015, S.13.0012.F, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150518.3, te raadplegen op juportal.be. 5 Ph. GOSSERIES, “L’incapacité de travail des salariés et des indépendants en assurance indemnités obligatoire. Notion - critères - évaluation”, JTT 1997, 88, randnr. 80bis, te raadplegen op bib.kuleuven.be, vertaling van: “Certes, l’incapacité de travail de l’article 100, § 2, suppose la reconnaissance préalable de l’incapacité de travail au sens de l’article 100, § 1 er, de la loi du 14 juillet
  10. Cependant, l’incapacité de travail de l’article 100, § 2, ne nécessite plus, lorsqu’elle est constatée selon une réduction de capacité de 50 % au moins sur le plan médical, qu’il y ait encore dans le chef de l’assuré réduction de capacité à un tiers au moins selon l’article 100, § 1er. Aussi, peut-on affirmer que l’article 100, § 2, ne présume pas une incapacité de travail de l’article 100, § 1er, mais formule une autre hypothèse de l’incapacité”. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 22/793/A – p. 8 het Gentse arbeidshof in het arrest van 7 oktober 2024 doet: naar 100, § 1 verwijzen om een ongeschiktheid 100, § 2 te beoordelen. 23 De conclusie van de advocaat-generaal in de cassatiezaak, de heer Jean-Marie Genicot, die het Hof van Cassatie overnam, laat geen twijfel bestaan: “Het lijkt er echter op dat artikel 100, § 2, slechts een afwijking kan zijn van de bij artikel 100, § 1, ingevoerde regeling, en dus niet kan dienen ter rechtvaardiging van de logica van het stelsel die het bestreden arrest eraan lijkt te willen toekennen. In dit verband volgen wij de logica van de rechtsleer, die stelt dat indien artikel 100, § 2, binnen de werkingssfeer van artikel 100, § 1, zou vallen, het een extra voorwaarde zou toevoegen en dus een gebrek aan vertrouwen in de daadwerkelijke terugkeer naar het werk tot uitdrukking zou brengen, terwijl daarentegen ‘een werknemer die zich inspant om weer aan het werk te gaan, geniet van soepeler criteria voor de erkenning van zijn arbeidsongeschiktheid’. Artikel 100, § 2, lijkt een uitzondering te vormen op het in § 1 vastgelegde systeem, in geval van daadwerkelijke terugkeer naar werk op deeltijdse basis, en kan mijns inziens niet als interpretatief voorbeeld dienen”.6 24 De advocaat-generaal treedt, op dat vlak, de inzichten bij van de heer Paul Palsterman: “Er bestaat enige controverse over de aard van deze ‘vermindering van het vermogen’ en hoe deze zich verhoudt tot het algemene concept van artikel 100, §
  11. Volgens één interpretatie wordt de voorwaarde van een ‘medische vermindering van het vermogen met ten minste 50%’ toegevoegd aan de voorwaarde van een ‘vermindering van het verdienvermogen met meer dan 66%’. (...) Wij zien echter de logica van deze interpretatie niet, en zelfs niet hoe deze kan worden gerechtvaardigd in termen van de tekst. Het komt erop neer te veronderstellen dat de tekst een extra vereiste oplegt bovenop de reeds bestaande, wat zou impliceren dat de wetgever wantrouwig staat tegenover werkhervattingen, zelfs als deze worden toegestaan. Dit is geenszins het geval, althans niet in de huidige situatie, waarover een zeer brede consensus bestaat, zowel in de politieke wereld als onder de sociale partners. (...) Het is daarentegen logisch om te stellen dat werknemers die zich inspannen om weer aan het werk te gaan, kunnen rekenen op flexibelere criteria voor de erkenning van hun arbeidsongeschiktheid. (...) Een strikte toepassing van het 66%-criterium zou het risico met zich meebrengen dat de re-integratie- inspanningen van een werknemer, wiens medische situatie rond deze drempel schommelt of zelfs licht verbetert als gevolg van zijn werkhervatting, in het gedrang komen”.7 6 J.M. Genicot, conclusies van de advocaat-generaal bij Cass. 18 mei 2015, ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150518.3, te raadplegen op juportal.be, vertaling van: “Il apparaît cependant que l’article 100, § 2, ne peut être que dérogatoire au régime instauré par l’article 100, § 1er, et ne peut donc servir à justifier la logique du système que l’arrêt attaqué semble vouloir lui assigner. Nous suivrons à cet égard la logique énoncée par la doctrine selon laquelle, si l’article 100, § 2, s’inscrivait dans le cadre du § 1er, il y ajouterait une condition supplémentaire, et exprimerait donc une défiance à l’égard de la reprise du travail effective, alors qu’au contraire « le travailleur qui fait l’effort de reprendre le travail bénéficie de critères plus souples de reconnaissance de son incapacité de travail ». Le § 2 de l’article 100, apparaît bien une exception au système instauré au § 1er, en cas de reprise effective à temps partiel et dont il ne peut à mon sens servir d’exemple interprétatif”. 7 P. PALSTERMAN, "L'incapacité de travail des travailleurs salariés – Approche transversale", in Le maintien au travail de travailleurs devenus partiellement inaptes, ed. M. DAVAGLE, Anthémis, 2013, 24 en 25, te raadplegen op lexnow.io, vertaling van: “Il existe une controverse sur la nature de cette « réduction de capacité » et son articulation avec la notion générale de l’article 100, § 1er. Selon une certaine interprétation, la condition d’avoir « sur le plan médical une réduction de capacité d’au moins 50 % » s’ajoute à celle de présenter une « réduction de capacité de gain de plus de 66 % ». (…) On ne voit cependant pas quelle est la logique de cette interprétation, ni même comment elle peut se justifier en fonction du texte. Elle revient à considérer que le texte pose une exigence supplémentaire par rapport à celle qui existe déjà, ce qui supposerait dans le chef du législateur une défiance vis à vis de reprises du travail, fussent-elles autorisées. Tel n’est nullement le cas, en tout cas dans les conceptions actuelles, qui font l’objet d’un très large consensus, aussi bien dans le monde politique que parmi les interlocuteurs sociaux. (…) Il est par contre logique de dire que le travailleur qui fait l’effort de reprendre le travail bénéficie de critères plus souples de reconnaissance de son incapacité de travail. (…) En appliquant strictement le critère des 66 %, on risquerait de compromettre l’effort de reclassement d’un travailleur dont la situation médicale oscille aux alentours de ce seuil, voire connaît une légère amélioration du fait même de la reprise du travail”. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 22/793/A – p. 9 25 De ongerijmdheden in het arrest van het Gentse arbeidshof vormde de aanleiding voor een voorziening in cassatie, neergelegd ter griffie van het Hof van Cassatie op 13 januari
  12. De vernietigingsprocedure tegen het Gentse arrest hangt. Het vormt een sluitende reden waarom deze rechtbank haar oordeel er niet op kan gronden. 26 Ook het rechtlijnig willen verbinden van de graad van fysiek, psychisch en sociaal vermogen met het verdienvermogen van een persoon geeft een toepassingsconflict. Enkel in de uitersten heeft deze verbinding zin: wie fysiek, psychisch en sociaal niets kan (vegetatief), kan niet werken; wie fysiek, psychisch en sociaal alles kan (kerngezond), kan volledig werken. Maar tussen beide uitersten is het niet nuttig om de graad van gezondheid met de tewerkstellingsbreuk te verbinden. Daarvoor ontbreekt het tussen beide criteria aan (recht) evenredigheid: wie maar de helft kan van een gezonde persoon, kan (afhankelijk van welke concrete helft) in sommige beroepen voltijds werken en in andere beroepen niet werken of kan nog steeds in geen enkel beroep werken. Het fysiek, psychisch en sociaal vermogen toch laten samenvallen met het verdienvermogen, resulteert in het uitsluiten van elke werkhervatting met een grotere tewerkstellingsbreuk dan 1/2 e. 27 Artikel 100, § 2 ZIV-wet noch artikel 230 ZIV-besluit (dat aan de wetsbepaling uitvoering geeft), behoudt de mogelijkheid van werkhervatting voor aan wie minder dan 1/3 e kan verdienen of minder dan 1/2e kan werken. Aan de voorwaarden dat de sociaal verzekerde aan de arbeidsongeschiktheid van artikel 100, § 1 ZIV moet hebben beantwoord, zij het erg kort en nadien niet langer (wat vervat zit in het woord “hervat”), en een vermogen-vanuit-geneeskundig-oogpunt behoudt van ten minste 50 %, voegt de besluitgever maar een voorwaarde toe: de adviserende arts “kan de toelating verlenen om tijdens de ongeschiktheid een beroepsactiviteit uit te oefenen voor zover die verenigbaar is met de betrokken aandoening” (artikel 230, § 2, derde lid ZIV-besluit8). De arts kan een meer dan halftijdse tewerkstelling toelaten die de verzekerde meer doet verdienen dan een derde van de maatpersoon, wanneer die tewerkstelling verenigbaar is met zijn aandoening. 28 Het verklaart zich door het doel dat de wetgever beoogt met artikel 100, § 2 ZIV-wet: herval vermijden. Iemands gezondheidstoestand is geen binair gegeven (ziek/niet-ziek). De progressieve verruiming van het vermogen van de gerechtigde moet gepaard gaan met een verruiming van de erkenningsvoorwaarden van zijn arbeidsongeschiktheid op straffe van het afremmen van het herstel. 29 Op latere gelegenheden bevestigt de besluitgever die uitlegging: “De Ministerraad beklemtoont dat zulks trouwens de procedurele logica is krachtens welke de adviserende geneesheer op het ogenblik van de erkenning van de arbeidsongeschiktheid moet nagaan of de arbeidsongeschiktheid minstens 66 pct. bedraagt, terwijl hij, wanneer hij artikel 100, § 2, van de in het geding zijnde wet toepast, het voordeel van de uitkeringen handhaaft indien de werknemer vanuit geneeskundig oogpunt voor minstens 50 pct. arbeidsongeschikt blijft”.9 “De Ministerraad betwist dat dit zou betekenen dat de werknemer zijn werk slechts halftijds mag hervatten.”10 8 Het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (“ZIV-besluit”), BS 31 juli 1996, 20285, Numac 1996022344, te raadplegen op ejustice.just.fgov.be. 9 MINISTERRAAD, ‘conclusie bij GwH 28 maart 2013, 51/2013’, ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.051, te raadplegen op const-court.be. 10 MINISTERRAAD, ‘conclusie bij GwH 19 februari 2015, 21/2015’, ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.021, te raadplegen op const-court.be. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 22/793/A – p. 10 30 De adviserende arts heeft in principe de bevoegdheid om de combinatie van een uitkering met een voltijdse activiteit toe te laten (in de ruime zin: bijvoorbeeld een tewerkstelling bij dezelfde of een ander werkgever, een activiteit als zelfstandige, een herscholing of zelfs vrijwilligerswerk – artikel 100, § 1, tweede lid ZIV-wet en artikel 15 Vrijwilligerswet11), voor zover de voorwaarden vervuld blijven van verenigbaarheid met de aandoening en van het maximale fysiek, psychisch en sociaal vermogen. De rechtbank wijst erop dat de praktijk aantoont dat adviserende artsen een grotere werkhervatting toelaten dan een 1/3e of halftijdse tewerkstelling, die in de regel een verdienvermogen impliceren dat hoger ligt dan een derde van de maatpersoon. 31 Het beperken van de tweede vorm van arbeidsongeschiktheid tot een 1/3e of halftijdse werkhervatting conflicteert met de bedoeling van de wetgever om de gezondheidsgraad en het verdienvermogen van de uitkeringsgerechtigde te stimuleren. Het ogenblik van stopzetting van de erkenning van de arbeidsongeschiktheid onder deze tweede vorm, voor het einde van de maximale (maar verlengbare) looptijd van twee of vijf jaar (artikels 177, §1, 1°, f en 2°, f en 230, § 2, laatste lid ZIV-besluit), hangt niet af van het bereiken van een bepaald verdienvermogen of werkvolume. Het hangt enerzijds af van het bereiken van een staat van gezondheid (meer dan de helft van de gezonde persoon) en anderzijds van de beslissing van de adviserende arts dat de verzekerde voldoende hersteld is om zonder de omkadering van de ziekteverzekering verder te gaan en niet langer de stimulans van de uitkering nodig heeft om aan het werk te blijven en niet in de werkloosheid te vervallen. 32 Het Luikse arbeidshof bevestigt het bovenstaande in zowel het oude arrest van 27 maart 1987 als de recente arresten van 6 juli 2023 en 10 januari 2024 en haalt rechtsleer aan die het gebald samenvat (zij het met de artikelnummering van de voorgaande wet van 9 augustus 1963 voor coördinatie ervan door de ZIV-wet): “Een werknemer die aanspraak maakt op toepassing van artikel 56, § 2, hoeft alleen aan de voorwaarden voor toepassing van die tekst te voldoen. Hieruit volgt ook dat een verdienvermogen van minder dan twee derde niet noodzakelijkerwijs leidt tot een medisch vermogen van minder dan 50 % en omgekeerd. Het is evenmin noodzakelijk dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 66 % bedraagt om toestemming te krijgen om weer aan het werk te gaan. Uit het voorgaande volgt ook dat artikel 56, § 2, geen vermoeden van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 56, § 1, vaststelt. In feite formuleert het een andere hypothese van arbeidsongeschiktheid.”12 “Overwegende dat de eerste geïntimeerde stelt dat de §§ 1 en 2 van artikel 56 cumulatief moeten worden toegepast, dat wil zeggen dat een werknemer die op grond van § 2 als arbeidsongeschikt wordt erkend, ook moet bewijzen dat hij aan de voorwaarden van § 1 voldoet; Overwegende dat dit standpunt in strijd is met de wet, die twee verschillende regelingen heeft vastgesteld; Overwegende dat het probleem in deze zaak niet is of appellant voor meer dan 66 % arbeidsongeschikt is, maar of hij medisch gezien voor ten minste 50 % arbeidsongeschikt is; Overwegende dat het feit dat appellant voor minder dan 66 % arbeidsongeschikt wordt bevonden, niet noodzakelijkerwijs betekent dat hij lichamelijk voor 11 De wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers (“Vrijwilligerswet”), BS 29 augustus 2005, 37309, Numac 2005022674, te raadplegen op ejustice.just.fgov.be. 12 Arbh. Luik (afd. Namen) 6 juli 2023, 2022/AN/105, te raadplegen op terralaboris.be, vertaling van: “le travailleur prétendant au régime de l’article 56, § 2, n’est tenu de satisfaire qu’aux conditions d’application de ce seul texte. Il s’ensuit aussi qu’une incapacité de gain inférieure aux deux tiers n’entraîne pas nécessairement une incapacité de moins de 50% sur le plan médical, et inversement. Il n’est pas non plus requis que l’incapacité de gain soit descendue en dessous de 66% pour obtenir l’autorisation de reprendre le travail. De ce qui précède, il se déduit encore que l’article 56, § 2, n’énonce pas une présomption d’incapacité de travail telle qu’elle est définie par l’article 56, § 1er. En réalité, il formule une autre hypothèse d’incapacité.” Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 22/793/A – p. 11 minder dan 50 % arbeidsongeschikt is; Overwegende dat de door verweerder aangehaalde rechtspraak niet het tegendeel verklaart, maar erop wijst dat artikel 56, § 2 slechts van toepassing is wanneer men vooraf werd erkend als arbeidsongeschikt in de zin van § 1, wat hier het geval is.”13 “Daarentegen moet de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd zijn op fysiologische ongeschiktheid in geval van een door de adviserende arts toegestane werkhervatting. Dit is dus een ander criterium, dat op een flexibelere manier wordt beoordeeld om de terugkeer naar het werk te bevorderen.”14 33 Het Brusselse arbeidshof maakte recent nog een toepassing van beide afzonderlijk van elkaar bestaande vormen van arbeidsongeschiktheid in het arrest van 2 mei 2024: “Artikel 100, § 2, wijkt af van de in artikel 100, § 1, gestelde voorwaarde van verdienvermogen ten gunste van een werknemer die arbeidsongeschikt is geworden zoals bepaald in voornoemde § 1 en die nadien zijn werk hervat onder de voorgeschreven voorwaarden”.15 34 In een poging om de aanhoudende discussie te beëindigen, stelde de heer Ide de vraag onomwonden aan (de staatssecretaris van) de minister van Volksgezondheid: “Wat is het criterium [om] de graad van arbeidsongeschiktheid te beoordelen indien de arbeidsongeschikte verzekerde wordt opgeroepen in het kader van artikel 16 van de Verordening (artikel 16 regelt de toelating tot werkhervatting, red.)? Gebruikt de adviserend geneesheer het criterium zoals bepaald in artikel 100, § 1 (…) of het criterium zoals omschreven in artikel 100, § 2 (…)?”. Na zijn vraag driemaal te stellen (nr. 5-3279 op 30 september 2011, nr. 5-4185 op 23 december 2011 en nr. 5-7971 op 24 januari 2013), antwoordde de minister op 11 maart 2013 dat laatste: “Op voorwaarde dat de verzekerde effectief deze toegelaten activiteit verricht, moet de staat van arbeidsongeschiktheid overeenkomstig artikel 100, §2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 worden beoordeeld. Dit houdt dus in dat er moet worden nagegaan of de gerechtigde een vermindering van het vermogen, van een geneeskundig oogpunt uit, van ten minste 50 % behoudt”.16 B. Kosten 35 De rechtbank verwijst L in de kosten (artikels 580 en 1017, tweede lid, 1° Ger.W.). 36 De kosten en erelonen van de gerechtsdeskundige maken deel uit van de gerechtskosten (artikel 1018, eerste lid, 4° Ger.W.). De rechtbank stelde in de beschikking van 25 november 2024 vast dat geen van 13 Arbh. Luik 27 maart 1987, JTT 1988, 205, te raadplegen op bib.kuleuven.be, vertaling van: “Attendu que le premier intimé soutient qu’il y a lieu d’appliquer cumulativement les §§ 1er et 2 de l’article 56, c’est-à-dire qu’un travailleur qui est reconnu incapable dans le cadre du § 2 devrait également justifier qu’il remplit les conditions du § 1 er; Attendu que cette position est contraire à la loi qui a établi deux régimes distincts; Attendu que le problème en l’espèce, n’est pas de savoir si l’appelant à plus de 66 % d’incapacité mais s’il a au moins 50 % d’incapacité sur le plan médical; Que le fait de constater que l’appelant aurait moins de 66 % d’incapacité n’entraîne pas qu’il aurait nécessairement moins de 50 % d’incapacité sur le plan physique; Attendu que la jurisprudence invoquée par l’intimé ne dit pas le contraire, mais rappelle qu’on ne peut bénéficier du § 2 de l’article 56 que si antérieurement on a été reconnu incapable de travailler au sens du § 1er; ce qui est le cas en l’espèce”. 14 Arbh. Luik (afd. Neufchâteau), 10 januari 2024, 2023/AU/25, te raadplegen op terralaboris.be, vertaling van: “En revanche, l’évaluation de l’incapacité en cas de reprise du travail autorisée par le médecin conseil de la mutualité doit être effectuée en fonction de l’incapacité physiologique. Il s’agit donc d’un critère différent, apprécié de façon plus souple en vue de favoriser la reprise de travail”. 15 Arbh. Brussel 2 mei 2024, 2023/AB/577, te raadplegen op terralaboris.be, vertaling van: “L’article 100, § 2 déroge à la condition de capacité de gain fixée par l’article 100, § 1er au profit du travailleur devenu incapable de travailler comme prévu audit § 1er et qui reprend ultérieurement un travail conformément aux conditions prescrites”. 16 Vraag nr. 5-7971 van de heer L. Ide, SENAAT, 24 januari 2013, te raadplegen op senate.be. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 22/793/A – p. 12 de partijen de bedragen had betwist, begrootte het bedrag op 755 euro en gaf bevel tot tenuitvoerlegging tegen L (artikel 991, § 1 Ger.W.). 37 De rechtbank legt ook de bijdrage van 22 euro in het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten laste van L (artikel 4, § 2, derde lid Wet 19 maart 201717). V. DE BESLISSING VAN DE RECHTBANK De rechtbank kent de vordering van de heer S toe. Hij was arbeidsongeschikt overeenkomstig artikel 100, § 2 ZIV-wet vanaf 27 juli 2022 tot de datum waarop L zijn ongeschiktheid opnieuw erkend had en heeft voor die periode recht op een uitkering bovenop het inkomen uit zijn werkhervatting. De rechtbank vernietigt de beslissingen van L van 12 juli 2022 en 18 augustus 2022 in zoverre ze in strijd zijn met haar oordeel. De rechtbank veroordeelt L tot het betalen van: - 755 euro voor het deskundigenonderzoek aan de gerechtsdeskundige, - 22 euro bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Vonnis op tegenspraak gewezen door: SWINNEN WILLEM, rechter, MOUTON DIRK, rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever, QUINTELIER JOHAN, rechter in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider, bijgestaan door: DE CANCK ANN, griffier, DE CANCK ANN QUINTELIER JOHAN MOUTON DIRK SWINNEN WILLEM en uitgesproken op ZEVENTIEN MAART TWEEDUIZEND VIJFENTWINTIG in openbare zitting van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent, kamer G4, door SWINNEN WILLEM, rechter en bijgestaan door DE CANCK ANN, griffier. DE CANCK ANN SWINNEN WILLEM 17 De wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, BS 31 maart 2017, 46565, Numac 2017011424, te raadplegen op ejustice.just.fgov.be. PDF document ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250317.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150518.3 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150518.3 ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.051 ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.021 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.