← België

ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250324.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 24 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250324.1 Rolnummer: 24/549/A Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-07-02 Raadplegingen: 370 - laatst gezien 2026-06-18 21:23 Fiche Het verzuim door de sociaal verzekerde om de vervaltermijn na te leven heeft niet tot gevolg dat de rechter, bij wie de instelling van sociale zekerheid een uitvoerbare titel tracht te verkrijgen, de beslissing tot terugvordering niet meer kan beoordelen. De rechter moet hoe dan ook, op grond van het artikel 159 van de Grondwet, de wettigheid van de beslissing nagaan. Het verhandelen van drugs is een werkzaamheid in de zin van het artikel 100, §1 van de ZIV-Wet. Om als arbeidsongeschikt te worden erkend moet men voldoen aan de voorwaarden voorzien in het artikel 100, §1 van de ZIV-Wet. Aangezien de heer D zijn werkzaamheid als drugsdealer niet heeft onderbroken, was er nooit sprake van een geldige erkenning op grond van het artikel 100, §1 van de ZIV-Wet. Met toepassing van het artikel 164 van de ZIV-Wet, is het ziekenfonds gerechtigd om de onterecht betaalde bedragen van hem terug te vorderen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 100 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Wet - 14-07-1194 - 164 - 38 Link Justel databank 11940714-38 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer: Uitgereikt aan Uitgereikt aan 25/ Datum van uitspraak: op op 24/03/2025 € € Rechtsmiddelen Rolnummer: 24/549/A Materie: Ziekteverzekering werknemers Type vonnis: Eindvonnis arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent Vonnis Kamer G4 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/549/A – p. 2 VON : EVT In de zaak van: D, RRN:, wonende te , eisende partij, ter zitting vertegenwoordigd door mr. WOUTER PARMENTIER, advocaat met kantoor te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg

  1. tegen: L, KBO:, met zetel te, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door mr. KURT DEMEESTER loco mr. ELS DEVROE, advocaat met kantoor te 2000 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 12/
  2. PROCEDURE
  3. Met een verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 10 juni 2024, tekende de heer D beroep aan tegen de beslissing van de adviserend arts van L van 30 januari
  4. De zaak werd, overeenkomstig het artikel 704, §2 van het Gerechtelijk Wetboek, voor behandeling vastgesteld op de openbare zitting van 28 oktober
  5. Op die zitting werd de zaak, overeenkomstig het artikel 754 van het Gerechtelijk Wetboek, uitgesteld naar de zitting van 27 januari
  6. Met toepassing van het artikel 764 van het Gerechtelijk Wetboek werd de zaak meegedeeld aan het openbaar ministerie, dat meedeelde dat het het niet dienstig achtte om advies te verlenen. Op de zitting van 27 januari 2025 werden de heer D en L gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. De rechtbank doet op heden uitspraak. De rechtbank neemt kennis van de stukken van het geding, gevoegd bij het dossier van de rechtspleging en vermeld op de inventaris ervan. De rechtbank past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/549/A – p. 3
  7. VOORWERP VAN DE VORDERING
  8. In het verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 10 juni 2024, luidde de vordering van de heer D als volgt: “De hogervermelde verweerster per gerechtsbrief op te roepen om te verschijnen op een door u vast te stellen zitting. Om voormelde redenen en alle andere te laten gelden in de loop van het geding, onder voorbehoud van alle recht en zonder enige nadelige erkentenis en onder voorbehoud van wijziging van de gevorderde bedragen in de loop van het geding: Het beroep van de verzoeker ontvankelijk en gegrond te verklaren, aldus - de beslissing van de verweerster met kenmerk (…) te vernietigen en te zeggen voor recht dat de verzoeker wel degelijk gerechtigd was op een ziekte- /invaliditeitsuitkering in de periode van 24 april 2021 tot en met 30 november 2022; - de verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin begrepen zijnde de rechtsplegingsvergoeding, voorlopig begroot op 327,87 euro.”
  9. In een conclusie, ter griffie neergelegd op 28 oktober 2024, vorderde L de vordering van de heer D onontvankelijk en ongegrond te verklaren. Tevens vorderde hij om hem akte te verlenen van zijn tegenvordering en de heer D te veroordelen tot betaling van het bedrag van 32.432,86 euro.
  10. PERTINENTE FEITEN
  11. De heer D werd in de periode van 23 november 2020 tot en met 30 november 2022 arbeidsongeschikt verklaard en genoot in die periode ziekte- en invaliditeitsuitkeringen. Van 24 maart 2021 tot en met 23 april 2021 was hij opgesloten in de gevangenis. Van 2 juni tot en met 6 november 2021 liet hij zich vervolgens vrijwillig opnemen in PC S, waarna hij van 30 november 2021 tot en met 20 januari 2023 verbleef in D in G. In een vonnis van 20 december 2021 veroordeelde de correctionele rechtbank van eerste aanleg West- Vlaanderen, afdeling Brugge de heer D wegens het bezit, de levering en de verkoop van heroïne in de periode van 1 januari 2020 tot en met 24 maart
  12. Op 30 januari 2023 deelde L aan de heer D zijn beslissing mee om een bedrag van 32.432,86 euro van hem terug te vorderen. Die beslissing was als volgt gemotiveerd (zie het stuk 2 van de heer D): “De dienst voor Administratieve controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering heeft na onderzoek vastgesteld dat u ten onrechte uitkeringen ontvangen hebt voor de periode van 23 november 2020 tot en met 30 november 2022, voor een bedrag van 32.432,86 euro. We vorderen die uitkeringen terug om de volgende reden. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/549/A – p. 4 Volgens de gegevens die we ontvingen, heeft u niet al uw activiteiten stopgezet bij aanvang van uw arbeidsongeschiktheid van 23 november
  13. Daardoor kan u niet arbeidsongeschikt erkend worden vanaf die datum en dienen we uw ziekte-uitkeringen terug te vorderen. (art. 100 §1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994). Ook de inhaalpremie die u in 2022 ontving, dienen we terug te vorderen. Het bedrag van 32.432,86 euro dat u moet terugbetalen, wordt als volgt berekend: […] Aangezien het fiscaal jaar 2022 al afgesloten is, kunnen we de bedrijfsvoorheffing van de voorgaande jaren niet meer terugvorderen bij de Federale Overheidsdienst Financiën. Daardoor moet u voor die periode 953,66 euro meer terugbetalen dan u oorspronkelijk ontvangen hebt. Bij de volgende behandeling van uw belastingaangifte zal de fiscale administratie dat bedrag in mindering brengen. We zijn wettelijk verplicht de uitkeringen die door ons ten onrechte betaald werden, van u terug te vorderen (artikel 164 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen). De vordering tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde uitkeringen verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin de uitkeringen betaald werden (artikel 174, 5° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994). Deze brief stuit echter de verjaring. Welke mogelijkheden heeft u? U gaat akkoord met de terugvordering. U stort het bedrag van 32.432,86 euro vóór 28 februari 2023 op rekeningnummer (…) met vermelding van onze referte: (…) We zijn bereid u afbetalingsmogelijkheden toe te staan. Als u daarvan gebruik wenst te maken, verwachten wij een gemotiveerd afbetalingsvoorstel tegen 28 februari
  14. U betwist de terugvordering. In dat geval kunt u de beslissing aanvechten voor de bevoegde arbeidsrechtbank van uw woonplaats (zie bijgevoegde lijst). Uw eis moet dan bij verzoekschrift gericht worden aan de griffie van die rechtbank. U kunt uw verzoekschrift overhandigen of aangetekend versturen en wel binnen de drie maanden na de kennisgeving van deze brief. Nadien is deze beslissing niet meer aanvechtbaar. Er eis moet gericht zijn tegen L. […]” De beslissing van 30 januari 2023 werd met een aangetekende brief van 1 februari 2023 aan de heer D betekend (zie het stuk 7 van het administratief dossier). Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/549/A – p. 5 Met een verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 10 juni 2024, tekende de heer D beroep aan tegen deze beslissing.
  15. BEOORDELING 4.1 HOOFDVORDERING 4.1.
  16. ONTVANKELIJKHEID - Standpunt van de partijen
  17. De heer D voert aan dat L in zijn brief van 30 januari 2023 niet tegemoetkwam aan de verplichtingen van het artikel 14 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “Handvest” van de sociaal verzekerde (hierna aangehaald als “Handvest van de Sociaal Verzekerde”). L diende de mogelijkheid om voor de bevoegde rechtbank een voorziening in te stellen én het adres van de bevoegde rechtscolleges te vermelden. Hij voegde bij zijn brief echter alleen een lijst van alle arbeidsrechtbanken en -hoven van België. Hij vermeldde dan ook niet welke rechtbank voor het concrete geval van de heer D bevoegd was. De beroepstermijn van 3 maanden is dan ook niet beginnen te lopen, zodat de heer D tijdig beroep heeft aangetekend. Zijn vordering is ontvankelijk.
  18. L voert op zijn beurt aan dat de beslissing aan de voorwaarden van het artikel 14 van het Handvest van de Sociaal Verzekerde voldoet. In de beslissing werd vermeld dat de vordering moest worden ingesteld bij de rechtbank van zijn woonplaats en op de achterzijde ervan werden vervolgens alle rechtbanken en hun adressen vermeld. De heer D kon eenvoudig opzoeken welk van deze rechtbanken bevoegd was in zijn concrete geval. Hij kon ook L contacteren met de vraag welke concrete rechtbank hij diende aan te schrijven. Zelfs indien het niet duidelijk was welke rechtbank bevoegd was, dan kan de heer D zich niet op de sanctie van het artikel 14 van het Handvest van de Sociaal Verzekerde beroepen. Hij kon immers bij elk van de opgesomde rechtbanken beroep aantekenen, waarna deze rechtbank de zaak zelf zou verwijzen naar de territoriaal bevoegde rechtbank. Het is echter duidelijk dat de heer D geen enkel initiatief genomen heeft om beroep aan te tekenen tegen deze beslissing van L. Dat hij zich nu, om dat gebrek goed te maken, op de afwezigheid van een verplichte vermelding beroept, is tergend en roekeloos. - Beoordeling door de rechtbank
  19. Het beroep tegen de beslissing van L van 30 januari 2023 moest worden aangetekend binnen de drie maanden na de kennisgeving van de bestreden beslissing of, indien geen kennisgeving heeft plaatsgevonden, binnen de drie maanden na de kennisneming van de beslissing door de sociaal verzekerde (artikel 23 van het Handvest van de Sociaal Verzekerde). Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/549/A – p. 6 Als ogenblik van kennisgeving geldt de datum waarop de aangetekende brief op het juiste adres wordt aangeboden, zelfs indien de brief tevergeefs wordt aangeboden en niet wordt afgehaald (Cass. 16 september 1991, Arr.Cass. 1991-92, 51, Pas. 1992, I, 45). Wanneer de kennisgeving bij aangetekende brief geschiedt, beginnen de termijnen die deze doet ingaan, te lopen vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst. Het tegenbewijs dat de geadresseerde van een aangetekende brief dient te leveren, heeft geen betrekking op het tijdstip waarop hij daadwerkelijk van de brief heeft kennisgenomen, maar op het tijdstip waarop die brief op zijn woonplaats werd aangeboden, zodat hij daarvan naar alle waarschijnlijkheid heeft kunnen kennisnemen (Cass. 14 februari 2019, AR FR.17.0153.F, https://juportal.be). De beslissing van 30 januari 2023 werd met een brief van diezelfde datum aan de heer D betekend. Deze brief werd op 1 februari 2023 bij BPost afgeleverd, zodat hij geacht moet worden ontvangen te zijn op de derde werkdag die op deze datum volgt. Wanneer de heer D op 10 juni 2024 een verzoekschrift ter griffie neerlegde, gebeurde dat dus in elk geval buiten de termijn van drie maanden na de kennisgeving van die beslissing.
  20. De heer D voert echter aan dat de termijn van het artikel 23 van het Handvest van de Sociaal Verzekerde niet beginnen lopen is, omdat de brief van 30 januari 2023 niet alle door het Handvest voorgeschreven vermeldingen bevatte. In het artikel 14 van het Handvest van de Sociaal Verzekerde wordt het volgende bepaald: “De beslissingen tot toekenning of weigering van de prestaties moeten de volgende vermeldingen bevatten: 1° de mogelijkheid om voor de bevoegde rechtbank een voorziening in te stellen; 2° het adres van de bevoegde rechtscolleges; 3° de termijn om een voorziening in te stellen en de wijze waarop dit moet gebeuren; 4° de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek; 5° de refertes van het dossier en van de dienst die het beheert; 6° de mogelijkheid om opheldering te verkrijgen omtrent de beslissing bij de dienst die het dossier beheert of bij een aangewezen voorlichtingsdienst. Indien de beslissing de in het eerste lid genoemde vermeldingen niet bevat, gaat de termijn om een voorziening in te stellen niet in. De Koning kan bepalen dat het eerste lid niet van toepassing is op de prestaties die Hij bepaalt.” De heer D meent dat de vermeldingen voorgeschreven door de artikelen 14, 1° en 14, 2° van het Handvest van de Sociaal Verzekerde (“mogelijkheid om voor de bevoegde rechtbank een voorziening in te stellen” en “adres van de bevoegde rechtscolleges”) niet (of niet concreet genoeg) in de beslissing waren opgenomen. De rechtbank is het daarmee niet eens. De beslissing van 30 januari 2023 vermeldt dat deze kan worden aangevochten “voor de bevoegde arbeidsrechtbank van uw woonplaats (zie bijgevoegde lijst)” en bevat op de achterzijde een lijst van Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/549/A – p. 7 alle afdelingen van de arbeidsrechtbanken. L vermeldt dus de mogelijkheid om beroep aan te tekenen voor de bevoegde rechtbank én het adres van de bevoegde rechtscolleges. Anders dan de heer D aanvoert, is het op grond van het Handvest van de Sociaal Verzekerde niet vereist dat in de beslissing alleen het adres wordt vermeld van de arbeidsrechtbank van de woonplaats van de sociaal verzekerde. Het artikel 14 van het Handvest van de Sociaal Verzekerde schrijft voor dat “het adres van de bevoegde rechtscolleges” moet worden vermeld, waardoor juist wordt gesuggereerd dat het adres van alle bevoegde arbeidsrechtbanken moet worden vermeld. Dat is ook logisch, aangezien de sociaal verzekerde tijdens de beroepstermijn kan verhuizen en de instelling bij het verzenden van de beslissing onmogelijk met zekerheid kan bepalen wat – op het ogenblik dat de sociaal verzekerde beslist beroep aan te tekenen – de territoriaal bevoegde rechtbank zal zijn. De rechtbank merkt daarnaast op dat de territoriale bevoegdheid van de arbeidsrechtbank niet van openbare orde is. Dat heeft tot gevolg dat de rechter zijn onbevoegdheid niet ambtshalve mag opwerpen en dat de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, indien de partijen geen middel van onbevoegdheid ontwikkelen, territoriaal bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Werpt de verweerder op dat de aangezochte rechter territoriaal onbevoegd is, dan heeft dat bovendien alleen tot gevolg dat – naar keuze van de eiser – hetzij de zaak naar de arrondissementsrechtbank wordt verwezen, hetzij de aangezochte rechter het bevoegdheidsincident zelf beslecht (artikel 639 van het Gerechtelijk Wetboek). Iedere beslissing over de bevoegdheid verwijst de zaak, zo nodig, naar de bevoegde rechter die zij aanwijst (artikel 660, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek). De zaak wordt vervolgens ambtshalve en zonder kosten op de rol van de als bevoegd aangewezen rechter gebracht en het geding wordt verdergezet in de staat waarin het zich laatst bevond (artikel 662, eerste en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek). Uit dit alles volgt dat, zelfs indien de sociaal verzekerde zijn zaak zou hebben ingeleid voor een andere dan de voor zijn woonplaats bevoegde arbeidsrechtbank, deze vergissing de ontvankelijkheid van zijn vordering niet aantast en de zaak door de aangezochte rechter of de arrondissementsrechtbank verwezen wordt naar de territoriaal bevoegde arbeidsrechtbank. Leidt de sociaal verzekerde een zaak in voor de verkeerde afdeling van de nochtans territoriaal bevoegde arbeidsrechtbank, dan is er zelfs geen sprake van een bevoegdheidsincident. Het is een verdelingsincident in de zin van het artikel 88, §2 van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij de zaak weliswaar bij de territoriaal bevoegd rechtbank werd aanhangig gemaakt, maar niet bij de juiste afdeling, sectie, kamer of rechter van die rechtbank. Wordt een dergelijk incident voor ieder ander middel door een van de partijen of bij de opening van de debatten ambtshalve uitgelokt, dan wordt de zaak voorgelegd aan de voorzitter van de rechtbank. Deze laatste oordeelt binnen de acht dagen over de toewijzing van de zaak en kan de zaak onmiddellijk aan de juiste afdeling, sectie, kamer of rechter toewijzen en een datum vaststellen voor verdere behandeling. Indien de rechter en de partijen geen bezwaar formuleren over de verdeling of dat niet tijdig doen, dan blijft de zaak aanhangig bij de afdeling, sectie, kamer of rechter bij wie deze aanhangig werd gemaakt. Ook in dat geval kan de sociaal verzekerde dus niets verkeerd doen; zijn vergissing tast de ontvankelijkheid van zijn vordering niet aan en zijn zaak wordt na de inleiding beslecht hetzij door de aangezochte rechter hetzij door de andere rechter aan wie de zaak toegewezen wordt. Dit gebrek aan sanctionering kan – ten overvloede – verklaren waarom de wetgever het niet noodzakelijk heeft geacht om de instelling van sociale zekerheid te verplichten de in de concrete zaak territoriaal bevoegde rechtbank te vermelden. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/549/A – p. 8 Uit dat alles volgt dat de termijn van 3 maanden, voorzien in het artikel 23 van het Handvest van de Sociaal Verzekerde, wel degelijk is beginnen lopen en dat het beroep van de heer D laattijdig werd aangetekend. De vordering van de heer D is onontvankelijk.
  21. Het verzuim door de sociaal verzekerde om de vervaltermijn na te leven heeft echter niet tot gevolg dat de rechter, bij wie de instelling van sociale zekerheid een uitvoerbare titel tracht te verkrijgen, de beslissing tot terugvordering niet meer kan beoordelen. De rechter moet hoe dan ook, op grond van het artikel 159 van de Grondwet, de wettigheid van de beslissing nagaan (G. VAN LIMBERGHEN & K. MORTIER, “Rechtsingang in socialezekerheidszaken”, Soc. Kron. 2013, 241). In het artikel 159 van de Grondwet wordt bepaald dat de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen, in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Krachtens deze bepaling dienen de hoven en de rechtbanken, indien zij geroepen worden het bestaan te erkennen van een bestuurlijke beslissing, deze beslissing op haar legaliteit te controleren. Elk met eigenlijke rechtspraak belast orgaan kan en moet de interne en externe wettigheid toetsen van gelijk welke bestuurshandeling waarop een vordering, verweer of exceptie gegrond is (Cass. 29 juni 2018, F.17.0062.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180629.2, juportal.be; Cass. 10 oktober 2011, S.10.0112.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111010.5, juportal.be). Bij een vastgestelde onwettigheid wordt de bestuurlijke beslissing buiten toepassing verklaard, wat met zich meebrengt dat tussen de partijen in die zaak dit besluit buiten beschouwing wordt gelaten, waardoor het geen gevolgen sorteert en de rechter er in rechte noch in feite rekening mee mag houden (Cass. 14 november 2017, P.17.0121.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.4, juportal.be; Gent 20 januari 2018, RABG 2018, p. 921; Vred. Brugge 4 oktober 2018, TGR 2019, 3). Uit dit alles volgt dat de rechtbank, hoewel de hoofdvordering onontvankelijk werd verklaard, nog steeds de wettigheid van de beslissing van L van 30 januari 2023, waarop zijn tegenvordering is gesteund, dient na te gaan. De rechtbank dient dan ook na te gaan of deze beslissing met de wetten, in het bijzonder de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna aangehaald als “ZIV-Wet”), overeenstemt. 4.2 TEGENVORDERING - Standpunt van de partijen
  22. De heer D betwist niet dat de terugvordering voor de periode van 23 november 2020 tot en met 24 maart 2021 wettig is. Hij werd immers door de correctionele rechtbank van eerste aanleg West- Vlaanderen, afdeling Brugge veroordeeld wegens het bezit, de aflevering en de verkoop van heroïne in de periode van 1 januari 2020 tot en met 24 maart
  23. In deze incriminatieperiode kan hij dan ook geen aanspraak maken op uitkeringen. Hij verzet zich evenmin tegen de terugvordering voor de periode van 25 maart 2021 tot en met 23 april 2021, aangezien hij toen in het regime van voorhechtenis was opgesloten in de gevangenis; deze straf werd achteraf bevestigd door de correctionele rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, zodat hij ook voor deze periode geen recht had op uitkeringen. De heer D vraagt echter de vernietiging van de terugvordering voor de periode van 24 april 2021 tot en met 30 november
  24. Hij was in die periode vrijwillig opgenomen in Sint-Jan-Baptist en De Kiem Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/549/A – p. 9 en werd door het RIZIV als arbeidsongeschikt erkend. Indien het RIZIV hem in die periode had willen laten uitsluiten van het recht op uitkeringen, dan had hij tijdens een medisch onderzoek moeten vaststellen dat de heer D niet langer arbeidsongeschikt was, wat het RIZIV niet heeft gedaan. De heer D verwijst daarvoor naar een arrest van het arbeidshof Gent, afdeling Brugge van 8 september 2022, waarin het hof oordeelde dat de terugvordering – bij gebrek aan een medisch onderzoek waarin de arbeidsongeschiktheid werd gecontroleerd – moet worden beperkt tot de incriminatieperiode.
  25. L voert op zijn beurt aan dat het verhandelen van drugs een economische activiteit is die niet verenigbaar is met ziekte-uitkeringen. Deze activiteit kan als een hervatting van de werkzaamheid in de zin van de ZIV-Wet worden aangemerkt. Dat het gaat over een criminele activiteit waarvoor nooit de toestemming van de adviserend arts kon worden bekomen, verandert daaraan niets. Aangezien de heer D zijn activiteiten nooit heeft stopgezet, had hij bovendien nooit uitkeringen mogen ontvangen. Hij is met zijn illegale activiteiten gestart op 1 januari 2020 en het begin van de (beweerde) arbeidsongeschiktheid dateert van 23 november
  26. Aangezien hij zijn werkzaamheid nooit volledig heeft stopgezet, voldeed hij dus nooit aan de voorwaarden van het artikel 101, §1 van de ZIV-Wet en had hij geen recht op uitkeringen. Er moet dan ook geen einde worden gesteld aan de arbeidsongeschiktheid, aangezien er nooit een arbeidsongeschiktheid in de zin van het artikel 101, §1 van de ZIV-Wet is geweest. In het arrest waarnaar de heer D verwijst, lag een andere situatie voor: de arbeidsongeschikte werknemer was na de erkenning van zijn arbeidsongeschiktheid “opnieuw werkzaamheden gaan verrichten”, zodat hij – anders dan de heer D – aanvankelijk wel aan het artikel 100, §1 van de ZIV-Wet voldeed. In een arrest van het arbeidshof Gent, afdeling Brugge van 16 mei 2024 – dat werd gewezen in de zaak van een mededader van de heer D – oordeelde het arbeidshof dat de betrokkene eerst dient te voldoen aan het artikel 100, §1 van de ZIV-Wet, vooraleer het artikel 101 van die wet kan spelen. De tegenvordering van L dient dan ook voor de volledige periode gegrond te worden verklaard. - Beoordeling door de rechtbank
  27. Op grond van het vonnis van de correctionele rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 20 december 2021 staat het vast dat de heer D in de periode van 1 januari 2020 tot en met 24 maart 2021 heroïne verhandelde. Dat deze activiteiten moeten worden beschouwd als een werkzaamheid in de zin van het artikel 100 , §1 van de ZIV-Wet kan niet ernstig betwist worden (en wordt door de heer D ook niet betwist). Het begrip werkzaamheid” krijgt in de rechtspraak immers een ruime invulling en slaat op “elke werkzaamheid met een productief karakter die in het maatschappelijk verkeer wordt verricht” (Cass. 18 mei 1992, Arr. Cass. 1991-92, 886). Het kan bovendien gaan om een werkzaamheid die wordt verricht in het maatschappelijk verkeer en niet is toegestaan door de wet of een illegaal karakter vertoont (GwH 20 oktober 2022, nr. 131/2022, http://www.const-court.be). Zo is het verhandelen van drugs waarvoor de gerechtigde strafrechtelijk werd veroordeeld een werkzaamheid in de zin van het artikel 100, §1 van de ZIV-Wet. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/549/A – p. 10 In een vonnis van 20 december 2021 veroordeelde de correctionele rechtbank van eerste aanleg West- Vlaanderen, afdeling Brugge de heer D wegens het bezit, de levering en de verkoop van heroïne in de periode van 1 januari 2020 tot en met 24 maart
  28. In die periode – die grotendeels samenviel met de periode waarin hij arbeidsongeschiktheidsuitkeringen heeft genoten – heeft hij dan ook een werkzaamheid verricht.
  29. De rechtbank beschouwt deze werkzaamheid bovendien niet als een werkhervatting in de zin van het artikel 101 van de ZIV-Wet, maar als een werkzaamheid die de heer D reeds uitoefende op het ogenblik dat hij als arbeidsongeschikt werd erkend. Uit het vonnis van de correctionele rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 20 december 2021 blijkt dat de heer D op 23 november 2020, ogenblik waarop zijn erkenning een aanvang nam, al meer dan 10 maanden drugs verhandelde en dat is blijven doen tot minstens 24 maart
  30. Om als arbeidsongeschikt te worden erkend moest de heer D voldoen aan de volgende voorwaarden, voorzien in het artikel 100, §1 van de ZIV-Wet: “Wordt als arbeidsongeschikt erkend als bedoeld in deze gecoördineerde wet, de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding.” Hij moest dus, om vanaf 23 november 2020 als arbeidsongeschikt te worden erkend, elke werkzaamheid stopgezet hebben. Aangezien vaststaat dat de heer D vanaf 1 januari 2020 drugs verhandelde en dat nog steeds deed op 23 november 2020, had hij niet elke werkzaamheid onderbroken en voldeed hij niet aan de voorwaarden om als arbeidsongeschikt te worden erkend en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te ontvangen. Om diezelfde reden dient de terugvordering niet te worden beperkt tot de dagen of de periode welke hij de niet toegelaten arbeid heeft hervat. Het artikel 101, §2, eerste lid, van de ZIV-Wet, waarin de terugvordering aldus wordt beperkt, is niet van toepassing. Opdat het artikel 100, §2 van toepassing zou zijn, moet er eerst een geldige erkenning van de arbeidsongeschiktheid op grond van het artikel 100, §1 van de ZIV-Wet geweest zijn. Aangezien de heer D zijn werkzaamheid niet heeft onderbroken, was er nooit sprake van een geldige erkenning op grond van het artikel 100, §1 van de ZIV-Wet. Dat het RIZIV niet overging tot een medisch onderzoek en dus ook geen toepassing maakte van het artikel 101, §1 van de ZIV-Wet, is niet relevant. Ook dit artikel is uitsluitend van toepassing op de als arbeidsongeschikt erkende werknemer die eerst aan de voorwaarden van het artikel 100, §1 van de ZIV-Wet voldeed én in de periode waarvoor de erkenning van arbeidsongeschiktheid gold, al dan niet met toestemming van de adviserend arts, opnieuw arbeid is beginnen verrichten. Aangezien de heer D niet aan het artikel 100, §1 van de ZIV-Wet voldeed, diende het RIZIV – op het ogenblik dat vaststond dat hij van bij het begin van de arbeidsongeschiktheid had verder gewerkt – zijn arbeidsongeschiktheid voor de toekomst niet te onderzoeken. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/549/A – p. 11 Anders dan de heer D voorhoudt, zijn de feiten die tot het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge van 8 september 2022 hebben geleid, niet analoog aan de feiten die in de onderhavige procedure voorliggen. Uit de uiteenzetting van de feiten in het arrest (waarin het arbeidshof uiteenzet dat de betrokkene in de periode waarin hij als arbeidsongeschikt erkend was “opnieuw werkzaamheden ging verrichten” door het opzetten van een handel in het verkopen van drugs) leidt de rechtbank af dat de arbeidsongeschikte gerechtigde in die zaak aanvankelijk wel alle werkzaamheden had onderbroken en pas daarna, toen hij met zijn handel in verdovende middelen begon, het werk hervatte. Die situatie is niet analoog aan de situatie van de heer D; deze laatste was bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid reeds drugs aan het verhandelen en had zijn werkzaamheden dus nooit onderbroken.
  31. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de heer D in de periode waarop de terugvordering betrekking heeft, nl. 23 november 2020 tot en met 30 november 2022, geen recht had op de door hem genoten arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. L was dan ook, met toepassing van het artikel 164 van de ZIV-Wet, gerechtigd om de onterecht betaalde bedragen van hem terug te vorderen. De tegenvordering van L, ingesteld met een conclusie van 28 oktober 2024, is dan ook gegrond. De rechtbank veroordeelt de heer D tot betaling aan L van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die hij in de periode van 23 november 2020 tot en met 30 november 2022 ontvangen heeft, hetzij een bedrag van 32.432,86 euro. 4.3 RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
  32. Met toepassing van het artikel 1017, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek wordt de overheid of de instelling van sociale zekerheid, behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, verwezen in de gedingkosten met betrekking tot geschillen die ingesteld worden door of tegen de sociaal verzekerden en die verband houden met de artikelen 579, 6° en 7°, 580, 581 en 582, 1° en 2° van het Gerechtelijk Wetboek. De vordering van de heer D is in geld waardeerbaar (aangezien de onderliggende waarde kan worden bepaald op het bedrag van de terugvordering) en bedraagt meer dan 2.500 euro. Het op 1 maart 2025 geïndexeerde bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor vorderingen met die waarde bedraagt 343,21 euro.
  33. BESLISSING De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent, kamer G4 (in dit vonnis “de rechtbank” genoemd) doet recht op tegenspraak. De rechtbank maakt toepassing van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De rechtbank verwerpt alle andere en tegenstrijdige conclusies. De rechtbank verklaart de vordering van de heer D onontvankelijk. De rechtbank verklaart de tegenvordering van L ontvankelijk en gegrond. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/549/A – p. 12 De rechtbank veroordeelt de heer D tot betaling aan L van een bedrag van 32.432,86 euro. De rechtbank veroordeelt L, met toepassing van het artikel 1017, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek, tot de kosten van het geding en vereffent deze aan de zijde van de heer D op de rechtsplegingsvergoeding van 343,21 euro. De rechtbank verwijst L tevens in de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, begroot op 24,00 euro. Dit vonnis werd gewezen door: VANDEN POEL ISABELLE, ondervoorzitter, DE BREMME MARJOLEIN, rechter in sociale zaken - werkgever, WYTINCK DAVID, rechter in sociale zaken - bediende, bijgestaan door: DE CANCK ANN, griffier, DE CANCK ANN WYTINCK DAVID DE BREMME VANDEN POEL MARJOLEIN ISABELLE en uitgesproken op VIERENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND VIJFENTWINTIG in openbare zitting van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent, kamer G4, door VANDEN POEL ISABELLE, ondervoorzitter en bijgestaan door DE CANCK ANN, griffier. DE CANCK ANN VANDEN POEL ISABELLE PDF document ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250324.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111010.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180629.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.