← België

IC BV & G tegen RSZ

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 16 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250416.1 Rolnummer: 23/500/A Zaak: IC BV & G tegen RSZ Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2025-10-31 Raadplegingen: 396 - laatst gezien 2026-06-19 03:33 Fiche In een vonnis van 16 april 2025 oordeelde de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare over een discussie tussen een onderneming en de RSZ over schijnwerknemerschap. Na het faillissement van een onderneming richtte de zoon van de voormalige zaakvoerder een nieuwe vennootschap op, waarin zijn vader voortaan als werknemer werd ingeschreven. De RSZ besliste dat deze tewerkstelling enkel formeel was en schrapte de vader ambtshalve uit het werknemersstelsel. De rechtbank volgde die redenering. Uit de feiten bleek dat de vader de feitelijke leiding had over de nieuwe onderneming, contacten onderhield met klanten en het sociaal secretariaat, terwijl de zoon geen daadwerkelijk gezag over hem uitoefende. Ook de loonbetalingen bevestigden het ontbreken van een reële arbeidsrelatie: het overeengekomen loon werd niet volledig en slechts in kleine schijven aan de vader uitbetaald. De rechtbank herhaalde dat, conform de artikelen 332 en 333 van de Programmawet van 27 december 2006 (Wet op de arbeidsrelaties), de feitelijke situatie primeert op de formele kwalificatie die partijen geven aan hun relatie. Er was tussen de vader en de nieuwe onderneming geen geldige arbeidsovereenkomst, en de RSZ mocht terecht tot ambtshalve schrapping overgaan. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Begrip - bestaansvereisten - vorm Vrije woorden: schijnwerknemerschap, ambtshalve schrapping werknemersstelsel, RSZ, arbeidsrelatiewet Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2006 - 333 - 30 ELI link Pub nr 2006021362 Wet - 27-12-2006 - 332 - 30 ELI link Pub nr 2006021362 Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer: Uitgereikt aan Uitgereikt aan 25/ Datum van uitspraak: op op 16/04/2025 € € Rechtsmiddelen Rolnummer: 23/500/A Materie: Sociaal zekerheidsrecht werknemers - varia Type vonnis: Eindvonnis arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare Vonnis Kamer R8 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare – 23/500/A – p. 2 VON : EVT In de zaak van: IC BV, KBO:, met zetel te , G, RRN: , wonende te , eisende partijen, vertegenwoordigd door mr. DEVOS KURT, advocaat met kantoor te 9051 GENT, Kortrijksesteenweg 1084/0401, tegen: RSZ, KBO: 0206.731.645, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, verwerende partij, vertegenwoordigd door mr. VANDERMEULEN MARIE-CHARLOTTE, advocaat met kantoor te 9200 DENDERMONDE, Kasteelstraat

  1. PROCEDURE De vordering werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd op 20 september 2023 door eisende partijen, de bv IC en G. De Rijksdienst voor sociale zekerheid (RSZ) is de verwerende partij De zaak werd eerder gehoord op de zitting van de rechtbank op 18 september
  2. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 20 november 2014 de vordering van eisende partijen ontvankelijk verklaard, maar vooraleer ten gronde te oordelen de debatten heropend en de voorlegging van stukken bevolen. Eisende partijen hebben stukken neergelegd. Er werd niet bijkomend geconcludeerd. De rechtbank heeft de zaak geheel hernomen gezien het tussenvonnis werd uitgesproken door een anders samengestelde zetel. Partijen werden gehoord op de zitting van 19 maart 2025 waarna de debatten werden gesloten. Het Openbaar Ministerie achtte het niet dienstig om advies te verlenen. De zaak werd in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op heden. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare – 23/500/A – p. 3 De stukken van de rechtspleging en de stukken door partijen neergelegd werden door de rechtbank ingezien. De rechtspleging verliep in het Nederlands overeenkomstig artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. 2 FEITEN EN VOORWERP VAN DE VORDERING G, geboren op … , was zaakvoerder van de vennootschap E bv die op 4 november 2009 failliet werd verklaard. Hij was ook actief in een eenmansonderneming die op 23 april 2014 failliet werd verklaard. Op 23 april 2014 werd de vennootschap IC bv opgericht door zijn zoon M, die voordien actief bij hem was geweest als arbeider. G werd met ingang van 6 mei 2014 ingeschreven als werknemer van de by IC. Tussen partijen, de bv IC en G enerzijds en de RSZ anderzijds bestaat discussie over de vraag of G al dan niet ten onrechte werd ingeschreven als werknemer in dienst van de bv IC en bijgevolg ten onrechte werd onderworpen aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. Bij beslissing van de RSZ van 23 juni 2023 betreffende het sociaal statuut van G liet de RSZ aan de bv IC weten dat G door haar ten onrechte was onderworpen aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers en dit voor de periode van 6 mei 2014 tot en met 31 maart
  3. Bij beslissing van de RSZ van 23 juni 2023 betreffende het sociaal statuut van de heer G liet de RSZ aan G weten dat zij ambtshalve beslist had tot zijn schrapping uit het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers voor zijn tewerkstelling bij de bv IC voor de nog niet verjaarde periode, zijnde vanaf het tweede kwartaal 2020 t.e.m. het eerste kwartaal
  4. Het is tegen deze beslissingen dat eisende partijen beroep aantekenen. Eisende partijen vorderen in hun syntheseconclusie neergelegd op 17 september 2024: "De vordering van eerste concluante en tweede concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren; Bijgevolg de beslissing d.d. 23.06.2023 van de RSZ buiten toepassing te willen laten en opnieuw rechtdoende te willen zeggen voor recht dat tussen eerste en tweede concluant een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst bestond/bestaat, zodat er géén sprake is van schijn-werknemerschap; Voor recht te horen zeggen dat geen intresten of opslagen verschuldigd zijn voor de betaling van de sociaalzekerheidsbijdra gen voor de tewerkstelling van tweede concluant. De RSZ te veroordelen tot de kosten van dit geding conform artikel 1017, tweede lid Ger. W., hierbij inbegrepen de bijdragen aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en de Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare – 23/500/A – p. 4 rechtsplegingsvergoeding, die in hoofde van beide concluan ten elk wordt begroot op de basis rechtsplegingsvergoeding." Verwerende partij vordert in haar syntheseconclusie neergelegd op 24 juni 2024: "- de vorderingen van de eisers ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; -in ondergeschikte orde, voor zover zou komen vast te staan dot de tweede eiser toch als werknemer van de eerste eiseres dient te worden aangemerkt, onder voorbehoud van aanpassing van deze vordering in de loop van het geding, de eerste eiseres te veroordelen tot de betaling van het bedrag van 25.036,48 euro te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten (7%) vanaf opeisbaarheid conform artikel 42 lid 5 Sociale Zekerheidswet tot op de datum waarop de eerste eiseres tot terugbetaling van deze sommen aan de verweerder zal zijn overgegaan; - de eisers te veroordelen tot de gerechtskosten, welke de verweerder begroot, als volgt: - de rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg ten aanzien van de eerste eiseres: 1.800,00 euro; - de rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg ten aanzien van de tweede eiser: 163,98 euro." De rechtbank heeft in het tussenvonnis het volgende beslist: “Gelet op de betwisting tussen partijen en teneinde volledig ingelicht te zijn over het geschil tussen partijen beveelt de rechtbank de overlegging van een overzicht van alle betalingen (met stavingstukken) door de by IC aan de heer G verricht voor al zijn prestaties voor de vennootschap in de periode van het tweede kwartaal 2020 tot en met het eerste kwartaal van 2023, en dit uiterlijk op 20 december
  5. ... De rechtbank heropent de debatten, teneinde partijen toe te laten, na overlegging van alle betalingen verricht door de by IC aan de heer G voor zijn prestaties voor de vennootschap in de periode van het tweede kwartaal 2020 tot en met het eerste kwartaal van 2023, en dit uiterlijk op 20 december 2024, nader standpunt in te nemen over de vraag in welke mate deze betalingen een invloed hebben op de gegrondheid van hun wederzijdse vorderingen.”
  6. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 3.1 De verwerende partij RSZ De RSZ voert aan dat zij terecht is overgegaan tot de ambtshalve schrapping van G uit het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers, aangezien er volgens haar geen sprake is van een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst met IC BV. De RSZ baseert zich daarbij op volgende elementen: - Ontbreken van gezagsverhouding: G oefende in werkelijkheid de feitelijke leiding uit binnen IC. Hij onderhield contacten met de boekhouder en het sociaal secretariaat via een e-mailadres op Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare – 23/500/A – p. 5 zijn naam. Hij werd door externe partijen aanzien als het gezicht van de onderneming, wat wijst op een onafhankelijke positie. - Verwarring over functies: Hoewel de formele statuten van IC aangeven dat M (de zoon) bestuurder is, blijkt uit verklaringen en het ontbreken van betrokkenheid bij administratieve en operationele processen dat deze formele rol weinig tot geen inhoudelijke betekenis heeft. - Onregelmatigheden in loonbetalingen: Ondanks het bestaan van een arbeidsovereenkomst op papier, zijn er geen sluitende bewijzen van effectieve loonbetalingen. Dit suggereert dat de overeenkomst louter geveinsd is en bedoeld was om een sociaal statuut te bekomen. - Familiale band: Hoewel de familiale band op zich het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet uitsluit, moet de gezagsverhouding ook in dergelijke context effectief aanwezig zijn en niet louter fictief zijn. De RSZ stelt dat hier sprake is van een simulatie die de sociale zekerheidswetgeving van openbare orde omzeilt. - Toepassing van de arbeidsrelatieswet (Programmawet 2006): De RSZ benadrukt dat de feitelijke uitvoering van de overeenkomst bepalend is en dat, volgens de vier algemene criteria (wil van partijen, vrijheid van werk- en tijdsorganisatie, en mogelijkheid tot hiërarchische controle), geen ondergeschiktheid aanwezig is. 3.2 De eisende partijen IC BV en G De eisende partijen betwisten ten stelligste de kwalificatie als “schijnwerknemer” en vorderen bevestiging van het bestaan van een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst. Hun middelen omvatten: - Wil van partijen: Er werd uitdrukkelijk een arbeidsovereenkomst gesloten waarin G werd aangesteld als bediende. Deze overeenkomst werd geregistreerd, en er werden bijdragen betaald. - Geen feitelijke leiding of beslissingsmacht: G is noch aandeelhouder, noch bestuurder, noch beschikt hij over enig vetorecht. De feitelijke en juridische leiding ligt volgens hen bij zijn zoon M, die de onderneming oprichtte. - Functionele rol als ploegbaas: Het contact met boekhouder en sociaal secretariaat, alsook met klanten, kadert volgens de eiser in een praktische uitvoeringsfunctie (ploegchef), en niet in een leidinggevende hoedanigheid. Ze wijzen erop dat administratieve bedienden of kaderleden ook zulke contacten onderhouden zonder zelfstandige te zijn. - Loonverplichting: Er wordt gesteld dat G een vast loon kreeg uitbetaald. Dat loon was onafhankelijk van bedrijfsresultaten, wat volgens de eisende partijen duidt op een werknemersstatuut. In de arbeidsovereenkomst is sprake van een “normaal loon als bediende”. - Familiale relatie als niet-excluderend: Ze benadrukken dat het bestaan van een familieband de mogelijkheid van een arbeidsovereenkomst niet uitsluit, verwijzend naar vaste cassatierechtspraak en het advies van de Nationale Arbeidsraad die pleit voor nuance bij het vermoeden van schijnzelfstandigheid binnen familiale ondernemingen. - Afwezigheid van bewuste simulatie of fraude: De eisende partijen ontkennen met klem dat sprake zou zijn van enige intentie tot misbruik van het socialezekerheidsstelsel. De samenwerking zou zuiver en rechtsgeldig zijn ingericht, zonder het oogmerk sociale bijdragen te ontwijken of voordelen te simuleren. - Procedurieel bezwaar: Tot slot hekelen zij de eenzijdigheid en abruptheid van de ambtshalve beslissing van de RSZ en vragen minstens dat deze beslissing wordt opgeschort in afwachting van een definitieve rechterlijke uitspraak, gelet op de gevolgen voor G, die zijn pensioenrechten dreigt te verliezen. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare – 23/500/A – p. 6
  7. BEOORDELING TEN GRONDE 4.1 Wettelijk kader De toetsing van de zaak gebeurt op basis van: - Artikel 1 van de Wet van 27 juni 1969 (Sociale Zekerheidswet), waarbij onderwerping aan het werknemersstelsel vereist dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. - Artikelen 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, waarin de drie constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst worden omschreven: arbeidsprestaties, loon en gezag. - Artikel 328 e.v. Programmawet van 27 december 2006 (“Wet op de arbeidsrelaties”), met vier algemene criteria ter beoordeling van de gezagsverhouding: - De wil van de partijen; - Vrijheid van organisatie van de werktijd; - Vrijheid van organisatie van het werk; - Mogelijkheid tot hiërarchische controle. Artikel 331 van de Arbeidsrelatiewet formuleert als principe dat de partijen – zonder de openbare orde, de goede zeden en de dwingende wetten te kunnen overtreden – vrij de aard van hun arbeidsrelatie kiezen, waarbij de effectieve uitvoering van de overeenkomst moet overeenkomen met de aard van de arbeidsrelatie. Er moet voorrang worden gegeven aan de kwalificatie die uit de feitelijke uitoefening blijkt indien deze de door de partijen gekozen juridische kwalificatie uitsluit. De Arbeidsrelatiewet en de daaraan voorafgaande rechtspraak van het Hof van Cassatie maakt duidelijk dat de partijenkwalificatie niet onaantastbaar is. Artikel 332 van de Arbeidsrelatiewet laat er geen twijfel over bestaan dat indien de uitoefening van de arbeidsrelatie voldoende elementen naar voor brengt die, beoordeeld overeenkomstig de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, onverenigbaar zijn met de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie wordt gegeven, er een herkwalificatie van de arbeidsrelatie zal gebeuren. Ook het Hof van Cassatie wees er na de inwerkingtreding van de Arbeidsrelatiewet in verschillende arresten op dat wanneer elementen worden bewezen die onverenigbaar zijn met de partijenkwalificatie, deze terzijde moet worden geschoven door de rechter (Cass. 9 juni 2008, JTT 2008, 380; Cass. 6 december 2010, RABG 2011/15, 1024; 10 oktober 2011, S.10.0185.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111010.6; 26 maart 2013, P.12.0387.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130326.4; Cass. 13 september 2016, P.15.0450.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.3). De partij die de gekozen kwalificatie verwerpt, draagt de bewijslast van haar stelling dat die gekozen kwalificatie niet overeenstemt met de werkelijke uitvoering van de arbeidsrelatie. Zij moet daartoe voldoende feitelijke elementen aanreiken (Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt 2 april 2021, JTT 2022/158, 315-319). Bij de beoordeling van het bestaan van een gezagsverhouding, essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst, is de rechter niet gebonden door de kwalificatie die de partijen aan de tussen hen gesloten overeenkomst geven. De rechter moet de feitelijke toestand onderzoeken aan de hand van alle feitelijke gegevens van de zaak. Wanneer hij dat doet, miskent hij de verbindende kracht van de overeenkomst niet (Cass. 7 september 1992, Soc. Kron. 1993, 13). Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare – 23/500/A – p. 7 Het is alleszins aan de RSZ die dient aan te tonen dat de feitelijke uitoefening van de arbeidsrelatie tussen de werknemer en de werkgever voldoende elementen naar voor zou brengen die samen genomen onverenigbaar zijn met de door deze partijen voorgehouden kwalificatie van een arbeidsovereenkomst en deze kwalificatie dus uitsluiten. 4.2 Het onderzoek van de RSZ en de door haar verzamelde feitelijke elementen De RSZ is in het kader van haar onderzoek overgegaan tot een uitvoerig verhoor van M op 8 december
  8. G werd uitgenodigd voor een verhoor op dezelfde dag maar daagde zonder reden niet op. Uiteindelijk kon hij wel worden verhoord op 9 februari
  9. De conclusie van het onderzoeksverslag van 3 maart 2021 luidt als volgt: “De verklaring van vader en zoon waren netjes op elkaar afgestemd. G is enkel ploegchef In de onderneming, trekt zich niet aan van de administratie en heeft geen zeggenschap. Dit kon moeilijk weerlegd worden tijdens de verhoren zelf. Echter na de verhoren is gebleken dat dit toch niet volledig waarheidsgetrouw was... Uit navraag bij de dossierbeheerder van Group S en de dossierbeheerder bij het boekhoudkantoor D is namelijk gebleken dat het niet M maar G, die de contacten onderhoudt met zowel het sociaal secretariaat als het boekhoudkantoor. Bij later mailverkeer is ook gebleken dat M -die toch zeggens alle administratie voor eigen rekening neemt- tijdens zijn verhoor het emailadres van de onderneming niet kende, aangezien hij een niet correct emailadres heeft meegedeeld. Opvallend is ook dat ik geen bewijzen van loonuitbetaling heb gekregen, niettegenstaande ik hier meerdere malen uitdrukkelijk heb onderzocht. Zowel aan G als aan M. Volgens de boekhouder werden er zowel cashbetalingen verricht, betalingen via gewone overschrijving (die niet werden gestaafd) en werd het nettoloon diverse keren van de R/C zaakvoerder gehaald... De bedragen van de R/C zaakvoerder blijken bovendien een stuk hoger te zijn dan de nettoloon vermeld over de individuele rekening! Op mijn vraag aan G waarom hij zich op LinkedIn profileert als zaakvoerder van IC BVBA heb ik eveneens geen antwoord ontvangen. Beslissing aan de binnendienst wat betreft het werknemersstatuut van G.” Door de RSZ werd nadien nog een bijkomende analyse gemaakt die werd opgenomen in een onderzoeksverslag van 24 april
  10. Twee andere werknemers werden uitgenodigd voor een verhoor op 4 april 2022 doch zijn niet opgedaagd. Voormalige klanten voor wie in onderaanneming werd gewerkt werden bevraagd en de conclusie luidt als volgt: “Of M effectief gezag uitoefent over zijn vader G kan niet aangetoond worden op basis van de informatie van de klanten. Wel is bij de bevraging en de ontvangen documenten duidelijk gebleken dat niet M, maar wel zijn vader telkens naar voor komt als zijnde het gezicht, het aanspreekpunt van IC BV. Zelfs bij de belangrijkste klant E NV denken ze dat G eigenaar is van de onderneming en hebben ze geen contact met de zoon. Enkel bij glascentrale B BV kwam M ook ter sprake.” 4.3 Beoordeling 4.3.1 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare – 23/500/A – p. 8 In het voorliggende geval rijst in de eerste plaats de vraag of de door partijen gekozen arbeidsrelatie niet van in het begin een fictieve of geveinsde constructie was. Er is sprake van veinzing wanneer de partijen een of meer schijnbare akten opmaken maar overeenkomen de gevolgen ervan te wijzigen of teniet te doen door een andere overeenkomst die geheim blijft (zie Cass. 27 september 2012, C.11.03222.F, www.juridat.be). In de zin dat er sprake zou zijn van een dergelijke geveinsde constructie, dan gaat de keuze die partijen maakten voor een arbeidsovereenkomst in tegen de dwingende wettelijke bepalingen van de RSZ- reglementering en de Arbeidsrelatiewet. Met de wil van de partijen moet maar rekening worden gehouden indien het om de werkelijke wil gaat. Dit is niet het geval als partijen de toepassing van dwingende rechtsregels trachten te omzeilen door hun werkelijke overeenkomst te verschuilen achter een geveinsde overeenkomst. Dient de veinzing om de sociale of fiscale wet te ontduiken, dan kan dit met alle middelen van recht worden aangetoond. (Corr. Oost-Vlaanderen (afd. Gent) 18 maart 2015, Soc. Kron. 2016, afl. 3, p. 109); Het is anderzijds evident dat ‘veinzing’ niet wordt vermoed en dat het aan de RSZ toekomt om het bewijs te leveren dat de voorgelegde arbeidsovereenkomst niet met de werkelijkheid overeenkomt. 4.3.2 Alles wijst erop dat IC bv de doorstart is van de economische activiteit van G die hij voordien had onder E bv die op 4 november 2009 failliet werd verklaard en via zijn eenmansonderneming die op 23 april 2014 failliet werd verklaard. Deze ondernemingen hadden de woonplaats van G als zetel, nl. … te …, dat is vandaag nog steeds het geval voor IC bv. De continuiteit blijkt uit de de verklaring van G afgelegd op 9 februari 2021: “Ik ben sedert 6 april 2014 tewerkgesteld als arbeider bij IC BVBA. Voordien was ik zaakvoerder van een eenmansonderneming. Deze is een faling gegaan in april
  11. De activiteit van de eenmansonderneming betrof metaalbouw, onderhoud in de industrie van machines, enzoverder ... hetgeen M nu eigenlijk doet. Dus het klopt dat M in mijn eenmansonderneming was te werk gesteld tot op datum faling. G heeft in zijn verklaring ook verduidelijkt dat het werken onder het statuut werknemer geen vrije keuze was: “Ik was liever zelfstandige gebleven maar ik stond na mijn faling met mijn rug tegen de muur. Ik had niets meer en ik kon niet meer als zelfstandige werken. Ik had geen keuze, ik moest als werknemer werken.” Op de vraag wat er voor hem in feite was gewijzigd kon hij geen duidelijk antwoord geven, hij verwees naar bevelen die hij kreeg, maar waarover dit gaat werd niet verduidelijkt. Even later tijdens het verhoor verklaarde hij het volgende: “U vraagt mij of er kan gesproken worden over een gezagsrelatie tussen mijn zoon en ik. Dit is een moeilijke vraag, er kan eerder gesproken worden over een vertrouwensrelatie. Het is niet dat hij mij echt controleert maar het gebeurt wel eens dat hij mij aanspreekt over zaken die hem niet aanstaan bijvoorbeeld als ik met de camionette na het werk nog eens elders ben bestopt of als ik mij niet volledig aan de planning houd. Het is niet omdat ik zijn vader ben dat hij mij anders behandelt dan de andere werknemers. Zeker niet.” Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare – 23/500/A – p. 9 Over de gezagsrelatie verklaarde de zoon M op 8 december 2020 het volgende: “ik ken zijn kwaliteiten, hij heeft zijn jarenlange ervaring. Het is niet zo dat ik hem ga controleren. Ik vertrouw hem. We hebben wel al veel discussie gehad. Ik ben van een nieuwe generatie en hij van de oude generatie, maar hij moet luisteren naar mij omdat ik uiteindelijk de baas ben en hij accepteert dat wel.” IC bv werd in 2014 opgericht, formeel, door de toen 22- jarige zoon M en de echtgenote van G, I. M werd aangesteld als niet statutaire zaakvoerder. Er werd echter op 26 januari 2015 in het Belgisch Staatsblad een beslissing dd. 12 december 2014 gepubliceerd waarbij G vanaf 1 januari 2015 werd aangesteld als zaakvoerder. Op 26 april 2018 volgde dan een nieuwe publicatie waarbij zijn aanstelling met ingang van 1 januari 2015 werd ingetrokken. Een zinvolle verklaring wordt daarvoor niet gegeven. Op zich is het niet abnormaal dat een jongeman een belangrijker rol krijgt in de onderneming van zijn vader. Op papier was er in 2014 een switch van de situatie waarin eerst de zoon werkte onder het gezag van zijn vader en dan de rollen opeens zouden zijn omgekeerd. De feitelijke gegevens zijn daarmee niet in overeenstemming. De voorgehouden gezagsrelatie van de zoon over de vader was een situatie van veinzing en kan door de rechtbank aan de kant worden geschoven. 4.3.3 prestaties en loon De elementen omtrent arbeidsprestaties en (aangekondigd) loon lijken op zich vervuld te zijn. Echter, de RSZ merkt terecht op dat de feitelijke loonbetalingen tijdens het onderzoek niet konden worden aangetoond en dat het contractueel vastgelegde loon nooit effectief volledig werd uitbetaald. Dit wijst op een discrepantie tussen formele schijn en feitelijke realiteit. Ook uit de stukken die na het tussenvonnis aan de rechtbank werden medegedeeld blijkt dat het loon in kleine stukjes en onvolledig werd betaald op een rekening van de echtgenote. 4.3.4 gezagsverhouding De rechtbank stelt vast dat G nog steeds het gezicht is van het bedrijf, de operationele leiding heeft en als contactpersoon fungeert voor het sociaal secretariaat en de boekhouder. De zoon M is nauwelijks op de hoogte van de operationele en administratieve zaken, noch van de structuur van de vennootschap. De feitelijke machtspositie, ondanks formeel werkgeverschap van M, ligt impliciet bij G. Er is geen enkel feitelijk element dat wijst op effectieve of zelfs potentiële gezagsuitoefening van de zoon over zijn vader. Integendeel, uit verklaringen blijkt dat G zelf “geen keuze had” na zijn faling en de constructie werd opgezet om hem een sociaal statuut te verlenen. De vrijheid inzake werkorganisatie, het gebrek aan toezicht, het ontbreken van werkinstructies van de zoon of toezicht op de uitvoering van het werk, evenals het onduidelijke gezagskader, maken dat niet kan worden gesproken van een gezagsverhouding. 4.3.5 kwalificatie van de overeenkomst Conform artikel 332 en 333 van de Programmawet 2006 primeert de feitelijke situatie op de door partijen gekozen kwalificatie. De kwalificatie “arbeidsovereenkomst” blijkt in dit dossier niet te stroken met de werkelijkheid. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare – 23/500/A – p. 10 De rechtbank stelt bijgevolg vast dat er geen geldige arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. G genoot ten onrechte het werknemersstatuut, wat impliceert dat de RSZ terecht is overgegaan tot ambtshalve schrapping.
  12. BESLISSING De Rechtbank oordeelt in deze zaak op tegenspraak als volgt en verklaart dat: - De reeds ontvankelijk verklaarde vordering van IC bv en G ongegrond is. - De twee aangevochten beslissingen van de RSZ dd. 23 juni 2023 worden bevestigd. - Er in de periode van 1 april 2020 tot 31 maart 2023 geen sprake was van een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst tussen IC bv en G. - De vordering van de RSZ gesteld in ondergeschikte orde ongegrond is. - IC bv wordt veroordeeld tot de gerechtskosten, begroot op één rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan de RSZ, nl. 1.883,72 euro (aanpassing index vanaf 1 maart 2025) Dit vonnis werd gewezen door: MEIRSSCHAUT DANNY, rechter-voorzitter van de kamer, ARRYN RONNY, rechter in sociale zaken, werkgever, WITTEVRONGEL WOUTER, rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider, bijgestaan door: HANSSENS KATIA, griffier, HANSSENS KATIA WITTEVRONGEL WOUTER ARRYN RONNY MEIRSSCHAUT DANNY en uitgesproken op ZESTIEN APRIL TWEEDUIZEND VIJFENTWINTIG in buitengewone openbare zitting van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare, kamer R8, door MEIRSSCHAUT DANNY, rechter-voorzitter van de kamer en bijgestaan door HANSSENS KATIA, griffier. HANSSENS KATIA MEIRSSCHAUT DANNY Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare – 23/500/A – p. 11 PDF document ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250416.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111010.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130326.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.