← België

ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250423.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 23 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250423.1 Rolnummer: 24/932/A Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Overige Invoerdatum: 2025-05-31 Raadplegingen: 385 - laatst gezien 2026-06-19 04:12 Fiche 1 Artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit bepaalt dat, om uitkeringen te kunnen genieten, de werkloze wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon moet zijn. Een werkloze vrouw combineerde haar uitkeringen met een zelfstandige activiteit als traiteur: klanten konden bij haar gerechten bestellen, die zij zelf klaarmaakte. Op het formulier C1A had zij echter aangegeven dat ze haar zelfstandige activiteit tijdens de werkloosheid niet zou uitoefenen. Uit een onderzoek van de RVA bleek dat zij dit wel deed. Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - RECHT OP UITKERING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Afwezigheid arbeid Fiche 2 artikel 169, lid 3 van het Werkloosheidsbesluit luidt als volgt: “Wanneer de werkloze die de artikelen 44 of 48 overtreden heeft, bewijst dat hij alleen arbeid heeft verricht of een zelfstandige heeft geholpen op bepaalde dagen of gedurende bepaalde periodes, wordt de terugvordering tot deze dagen of periodes beperkt.” De bewijslast voor de beperking van de terugvordering tot welbepaalde dagen ligt bij de werkloze. RVA vertrekt immers met een achterstand door de niet-aangifte van de activiteit, waardoor er niet effectief kan worden vastgesteld wanneer deze activiteit concreet werd uitgeoefend en wanneer niet. In die zin wordt vermoed dat de activiteit tijdens de volledige door RVA weerhouden periode van werkloosheid werd verricht, tot het bewijs van tegendeel. Om te slagen in dit bewijs van tegendeel zal de werkloze een zeer concreet, controleerbaar en vaststaand bewijs moeten leveren van de effectief gepresteerde arbeidsdagen. De werkloze die actief was als traiteur levert aan de hand van bestelbonnen voor gerechten een concreet, controleerbaar en vaststaand bewijs waaruit blijkt dat zij slechts op 16 dagen effectieve activiteiten heeft verricht. De terugvordering wordt tot die dagen beperkt. Thesaurus CAS: TERUGVORDERING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Procedure - Terugvordering Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer: Uitgereikt aan Uitgereikt aan 25 / Datum van uitspraak: op op 23/04/2025 € € Rechtsmiddelen Rolnummer: 24/932/A Materie: werkloosheid werknemers Type vonnis: Eindvonnis arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent Vonnis KAMER G6 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/932/A – p. 2 VON : EVT In de zaak van: M, RRN:, wonende te, eisende partij op hoofdeis, verwerende partij op tegeneis, op de openbare zitting vertegenwoordigd door advocaat Tom HEMELAER, met kantoor te 9000 GENT, De Pintelaan

  1. tegen: DE RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING (RVA), (KBO: 0206.737.484), openbare instelling met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, verwerende partij op hoofdeis, eisende partij op tegeneis, op de openbare zitting vertegenwoordigd door advocaat Nadine RIJCKAERT, met kantoor te 9700 OUDENAARDE, Jezuïetenplein
  2. Procedure De vordering werd ingeleid met een verzoekschrift van 18.10.2024, ontvangen op de griffie op 21.10.
  3. De partijen werden in toepassing van artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek behoorlijk opgeroepen op de openbare zitting van 22.1.
  4. RVA heeft een conclusie neergelegd op de griffie op 10.1.
  5. De zaak werd verdaagd naar de openbare zitting van 26.3.
  6. Mevrouw M heeft een conclusie neergelegd op de griffie op 5.3.
  7. RVA heeft een tweede conclusie neergelegd op de griffie op 25.3.
  8. De partijen zijn verschenen en werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies. De debatten werden gesloten en het dossier werd meegedeeld aan het Openbaar Ministerie. De heer BOGAERT J.P., eerste substituut-arbeidsauditeur, heeft een mondeling advies geformuleerd op de openbare zitting van 26.3.
  9. Mevrouw M en RVA repliceerden niet op dit advies. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/932/A – p. 3 De stukken van het geding, onder meer deze gevoegd bij het dossier van de rechtspleging, werden ingezien. Hierna werd de zaak in beraad genomen. De wet van 15.6.1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken werd nageleefd.
  10. Feiten 2.
  11. Mevrouw M ontving vanaf 8.8.2022 tot en met 11.3.2023 en vanaf 24.7.2023 werkloosheidsuitkeringen. Mevrouw M veranderde vanaf 24.7.2023 van uitbetalingsinstelling. Om die reden diende zij op 27.7.2023 een nieuw formulier C1 in waarin zij werkloosheidsuitkeringen aanvroeg (extra stuk gevoegd door RVA aan het rechtsplegingsdossier). Zij antwoordde hierbij positief op de vraag of zij was ingeschreven als zelfstandige in bijberoep of hoofdberoep. Tezamen met dit formulier vulde zij tevens een formulier C1A in (extra stuk gevoegd door RVA aan het rechtsplegingsdossier). Zij duidde hierop aan dat zij als natuurlijke persoon een bijkomstige activiteit uitoefende en dat zij over een ondernemingsnummer beschikte. Zij omschreef haar activiteit als volgt: “eetgelegenheden met beperkte bediening/Afhaal maaltijd”. Zij stelde echter dat zij deze activiteit niet zou uitoefenen tijdens haar werkloosheid. 2.
  12. Uit een onderzoek door de controledienst van RVA is gebleken dat mevrouw M vanaf 3.4.2023 stond ingeschreven als zelfstandige in bijberoep (stuk 11 e.v. administratief dossier). Zij zou tijdens haar werkloosheid haar zelfstandige activiteit in bijberoep hebben uitgeoefend. In het onderzoeksverslag werd hierover het volgende genoteerd (stuk 6 administratief dossier): “Foutieve + laattijdige aangifte C1A. Voerde een bijberoep uit sinds 03/
  13. Aangifte via C1A pas in 07/
  14. Verklaart bijberoep NIET uit te oefenen tijdens werkloosheid. Heeft gedurende verschillende maanden volledige wlh ontvangen, ook vóór aanvraag bijberoep via C1A. => ‘Zie doc ‘Facebook, Instagrampost + A27’ voor volledige uiteenzetting.” De controledienst van RVA stelde op basis van posts op Instagram en Facebook vast dat mevrouw M onder de naam ‘T’ vanaf eind februari 2023 reclame maakte voor door haar gemaakte gerechten en dat zij deze ook verkocht op bestelling (stukken 10 administratief dossier). 2.
  15. Mevrouw M werd met een brief van 9.7.2024 (stuk 5 administratief dossier) uitgenodigd voor een verhoor op 24.7.
  16. Zij heeft zich toen niet aangeboden. Mevrouw M legde wel reeds op 15.5.2024 een verklaring af bij de sociaal inspecteur van RVA (stuk 7 administratief dossier): Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/932/A – p. 4 “Ik neem kennis van uw functie als sociaal inspecteur bij de RVA. U heeft mij op de hoogte gebracht over de reden van verhoor. U vraagt mij waarom ik op het vakje 17 op de C1A “nee” aangekruist heb. Ik ben in die periode veranderd van vakbond. Ik was niet tevreden van het ACV en ging naar de ACLVB. Zij hebben de C1A ingevuld en ik heb dit gehandtekend via mijn telefoon. Ik had dit niet nagelezen maar ik heb wel mondeling meegedeeld dat ik een zelfstandige activiteit uitoefende in bijberoep. Ik heb deze pas op 27.07.2023 ondertekend omdat ik daarvoor aan het werk was. De posts op Facebook en Instagram waren ter voorbereiding. Mijn KBO nr. heb ik aangevraagd op 03.04.
  17. Ik ben op 24.07.2023 terug volledig werkloos geworden (uitkering). Ik eet wekelijks deze gerechten voor mezelf en trek hiervan foto’s en post deze op sociale media. Dit als reclame voor mijn bijberoep. Het was de bedoeling om een zaak uit de grond te stampen, een indicatie te geven naar potentiële klanten. Ik bezorg u alle data waarbij ik via Takeaway verkocht heb. Ik bezorg u tevens de data waarbij ik buiten Takeaway verkocht heb (Bestelbon mail groter feest). Op 04.06.2023 post ik “3 orders in a row”. Dit is niet terug te vinden bij de bestellingen. Dit gaat over reclame die ik maakte. De bestelling is effectief niet geplaatst. Dit is een marketingstrategie. Ondertussen ben ik gestopt met de activiteit. Het KBO- nummer is niet stopgezet maar ik durf de activiteit niet meer uitoefenen. Ik heb tevens geen geld om de activiteit verder uit te oefenen. Ik heb goede intenties en wist helemaal niet dat ik de wet overtrad. Ik wil enkel dat de mensen lekker eten krijgen.” Mevrouw M bezorgde de controledienst van RVA een overzicht van de bestellingen die zij ontving via Takeaway.com (stukken 8 administratief dossier) en een kopie van de bestelbonnen die zij zelf opstelde (stukken 9 administratief dossier). Uit deze documenten blijkt dat zij in de periode 2023-2024 op de volgende dagen bestellingen ontving: - 24 en 30 maart 2023 (2 dagen) - 1 april 2023 (1 dag) - 22, 23, 24, 25 en 26 augustus 2023 (5 dagen) - 12 en 18 september 2023 (2 dagen) - 7, 8 en 9 november 2023 (3 dagen) - 4 en 14 december 2023 (2 dagen) - 5, 10 en 15 februari 2024 (3 dagen) - 10 april 2024 (1 dag) 2.
  18. Met een beslissing van 22.8.2024 oordeelde RVA als volgt (stuk 1 administratief dossier): - Mevrouw M werd uitgesloten van het recht op uitkeringen van 28.2.2023 tot en met 11.3.2023 en vanaf 24.7.2023 op basis van de artikelen 44, 45 en 71 van het Werkloosheidsbesluit - De onrechtmatig ontvangen uitkeringen van 28.2.2023 tot en met 11.3.2023 en vanaf 24.7.2023 tot en met 31.7.2024 werden teruggevorderd op basis van artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit - Mevrouw M werd uitgesloten van het recht op uitkeringen vanaf 26.8.2024 gedurende een periode van 13 weken op basis van artikel 154 van het Werkloosheidsbesluit. Met een terugvorderingsbeslissing C31 van 22.8.2024 en een terugvorderingsblad C32 van dezelfde datum werd een totaal bedrag van € 14.361,27 teruggevorderd van mevrouw M (stukken 3 en 4 administratief dossier). 2.
  19. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/932/A – p. 5 Mevrouw M kon zich niet akkoord verklaren met deze beslissing, reden waarom zij beroep aantekende bij deze rechtbank.
  20. Voorwerp van de vorderingen Met een conclusie neergelegd op de griffie van 5.3.2025 luidt de actuele vordering van mevrouw M als volgt: - De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren - Dienvolgens de bestreden beslissing van 22.8.20241 integraal te vernietigen - Mevrouw M uit te sluiten van het recht op werkloosheidsuitkeringen voor de volgende dagen: o 23-24-25-26.8.2023 (5 dagen) o 12 en 18.9.2023 (2 dagen) o 7-8-9.11.2023 (3 dagen) o 4 en 14.12.2023 (2 dagen) o 5 en 15.2.2024 (2 dagen) o 10.4.2024 (1 dag) en te zeggen voor recht dat de terugvordering dient beperkt te worden tot deze periodes. - De uitsluitingssanctie van 13 weken om te zetten in de verwittiging dan wel in een uitstel - RVA te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op € 8,50 aan kosten aangetekende zending en € 171,61 aan rechtsplegingsvergoeding. Met een conclusie neergelegd op de griffie van 25.3.2025 luidt de actuele vordering van RVA als volgt: - Het beroep ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren - De tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en mevrouw M te veroordelen om aan RVA de ten onrechte genoten werkloosheidsuitkeringen voor de periode 28.2.2023 tot en met 31.7.2024 ten bedrage van € 14.361,27 terug te betalen - Aldus de beslissing van RVA van 22.8.2024 te bevestigen in zijn geheel.
  21. Bespreking 4.
  22. Toelaatbaarheid 4.1.
  23. Hoofdvordering De vordering behoort tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank (artikel 580, 2° van het Gerechtelijk Wetboek) en is regelmatig naar de vorm (artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek) ingesteld. Artikel 7 §11 van de Besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders stelt bovendien dat de beslissingen genomen over rechten ontstaan uit de werkloosheidsregeling op straffe van verval, binnen drie maanden na de kennisgeving, of, bij gebrek 1 Mevrouw M vermeldt in haar beschikkend gedeelte van haar besluiten een beslissing van 18.10.2024, waar dit duidelijk een materiële vergissing betreft. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/932/A – p. 6 aan kennisgeving, binnen de drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de betrokkene er kennis van gehad heeft, aan de bevoegde arbeidsrechtbank moeten voorgelegd worden. Om te kunnen weten of het verzoekschrift tijdig werd neergelegd is het nodig te weten wanneer de kennisgeving van de beslissing is gebeurd. Een bewijs van deze kennisgeving ligt niet voor, vermits de beslissing van RVA van 22.8.2024 niet aangetekend werd verzonden. Het verzoekschrift werd neergelegd op de griffie op 21.10.
  24. De vordering is in die zin dan ook ontvankelijk. 4.1.
  25. Tegenvordering Artikel 7, §13, lid 2 en 3 van de Besluitwet van 28.12.1944 bepaalt dat de RVA voor de terugvordering van onverschuldigde betalingen over een verjaringstermijn van drie jaar beschikt die ingaat de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling werd gedaan. Deze termijn van 3 jaar voorzien in de Besluitwet van 28.12.1944 dient beschouwd te worden als de termijn waarbinnen RVA een beslissing tot terugvordering dient te nemen, waardoor de sociaal verzekerde weet dat er een bedrag dient terugbetaald te worden. Dit betekent niet dat deze beslissing tot terugvordering ook binnen de 3 jaar moet worden voorgelegd aan de rechtbank teneinde een uitvoerbare titel te bekomen (zie ook Arbh. Antwerpen 28 april 2010, Soc. Kron. 2011, 147). De rechtsvorderingen van RVA tot het uitvoeren van de beslissing tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde zijn immers niet onderworpen aan een specifieke verjaringstermijn, waardoor toepassing gemaakt moet worden van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn. Artikel 2262bis §1, lid 1 van het oud Burgerlijk Wetboek stelt dat alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren na 10 jaar. Het Grondwettelijk Hof stelt dat er een korte verjaringstermijn is om ten onrechte toegekende uitkeringen terug te vorderen, terwijl de tienjarige verjaringstermijn, toegepast op de terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen, betrekking heeft op de uitvoering van de door de instelling van sociale zekerheid verleende uitvoerbare titel (zie Grondwettelijk Hof 20 oktober 2009, nr. 162/2009, overweging B.10.2). Met een conclusie neergelegd op de griffie op 10.1.2025 stelde RVA voor de eerste maal een tegenvordering in. De bestreden beslissing en de terugvorderingsbeslissing van RVA dateren van 22.8.
  26. Er stelt zich dan ook geen probleem wat betreft de ontvankelijkheid van de tegenvordering van RVA. 4.
  27. Ten gronde 4.2.
  28. Inbreuk op artikelen 44 en 45 van het Werkloosheidsbesluit: verboden cumulatie van werkloosheidsuitkeringen en arbeid 4.2.1.
  29. Artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit bepaalt dat, om uitkeringen te kunnen genieten, de werkloze wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon moet zijn. Artikel 45, lid 1 van het Werkloosheidsbesluit stelt: “Wordt voor de toepassing van artikel 44 als arbeid beschouwd: Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/932/A – p. 7 1° de activiteit verricht voor zichzelf die ingeschakeld kan worden in het economische ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit; 2° de activiteit verricht voor een derde, waarvoor de werknemer enig loon of materieel voordeel ontvangt dat tot zijn levensonderhoud of dat van zijn gezin kan bijdragen.” (eigen onderlijning) 4.2.1.
  30. Wanneer bovenstaande principes worden toegepast op onderhavige zaak, besluit de rechtbank dat de zelfstandige activiteit van mevrouw M, als arbeid in de zin van artikel 45, lid 1, 1° van het Werkloosheidsbesluit kan worden beschouwd, m.n. een activiteit die mevrouw M voor zichzelf heeft uitgeoefend en die kon worden ingeschakeld in het economische ruilverkeer van goederen en diensten, niet beperkt tot het gewone beheer van het eigen bezit. RVA draagt conform artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek de bewijslast om aan te tonen dat de mevrouw M voor de periodes van 28.2.2023 t/m 11.3.2023 en vanaf 24.7.2023 een zelfstandige activiteit heeft uitgevoerd gedurende de periode dat zij werkloosheidsuitkeringen genoot en dat dit dan als arbeid in de zin van artikel 45 van het Werkloosheidsbesluit dient te worden beschouwd. Mevrouw M dient op haar beurt het tegenbewijs te leveren van het feit dat zij geen enkele zelfstandige activiteit effectief zou hebben uitgeoefend in deze kwestieuze periodes. 4.2.1.
  31. In casu betwist mevrouw M niet dat zij in de periode vanaf 24.7.2023 op bepaalde dagen haar zelfstandige activiteit in bijberoep heeft uitgeoefend, niettegenstaande zij pas bij het veranderen van uitbetalingsinstelling een formulier C1A indiende en zij daarop had aangeduid dat zij haar zelfstandige activiteit in bijberoep niet zou uitoefenen tijdens haar werkloosheid. Pas na een controle door RVA is gebleken dat mevrouw M wel daadwerkelijk activiteiten heeft verricht tijdens de periode van werkloosheid vanaf 24.7.
  32. Hierdoor diende te worden vastgesteld dat mevrouw M haar controlekaarten niet correct had ingevuld. Mevrouw M stelt in dit verband dat zij toen zij overstapte naar uitbetalingsinstelling ACLVB mondeling aan deze uitbetalingsinstelling heeft meegedeeld dat zij een zelfstandige activiteit in bijberoep uitoefende. Zij geeft aan dat zij het door haar uitbetalingsinstelling ingevulde formulier heeft getekend zonder het na te lezen. Ongeacht welk advies de uitbetalingsinstelling over het invullen en ondertekenen van het formulier aan mevrouw M heeft gegeven, neemt dit uiteraard de verantwoordelijkheid van mevrouw M als werkloze niet weg. Het is nog steeds aan mevrouw M om, via een formulier C1 en C1A, deze zelfstandige activiteit effectief zelf aan te geven bij RVA en uitdrukkelijk aan te duiden dat zij de intentie had om deze zelfstandige activiteit effectief uit te oefenen tijdens haar werkloosheid, wat uitdrukkelijk niet is gebeurd. De vraag die werd gesteld op het formulier C1A is hierbij ondubbelzinnig. Mevrouw M diende louter te antwoorden of zij haar zelfstandige activiteit in bijberoep zou uitoefenen tijdens een periode van werkloosheid. Mevrouw M heeft het formulier C1A ondertekend, waarbij er toch op mag worden vertrouwd dat men de formulieren die men ondertekent, eerst aandachtig leest. 4.2.1.
  33. Het is duidelijk dat mevrouw M er alleszins niet in slaagt voor de periode vanaf 24.7.2023 om aan te tonen dat er van een daadwerkelijke, effectieve uitoefening van een zelfstandige activiteit absoluut Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/932/A – p. 8 geen sprake was. Immers, in dat geval zou dit betekenen dat er dan ook geen sprake kon zijn van enige arbeid in de zin van artikelen 44 en 45 Werkloosheidsbesluit. In dat geval diende er evenmin een aangifte te gebeuren van de uitoefening van enige zelfstandige nevenactiviteit, wanneer aldus zou blijken dat er daadwerkelijk geen sprake was van dergelijke uitoefening. Mevrouw M geeft immers zelf toe dat zij effectief werkzaamheden heeft uitgevoerd in de kwestieuze maanden vanaf 24.7.
  34. Zij heeft een overzicht van alle bestellingen die zij tijdens deze periode heeft ontvangen, overgemaakt aan de sociale controleurs van RVA. Deze werkzaamheden werden uitgevoerd in het kader van haar activiteit als zelfstandige in bijberoep. Dit betekent aldus dat er wel degelijk inkomsten (hoe beperkt ook) werden gegenereerd in de kwestieuze periodes. 4.2.1.
  35. Er is in dit geval wel degelijk sprake van arbeid in de zin van artikel 45, lid 1, 1° Werkloosheidsbesluit, m.n. een activiteit die mevrouw M voor zichzelf heeft uitgeoefend en die kan worden ingeschakeld in het economische ruilverkeer van goederen en diensten, niet beperkt tot het gewone beheer van het eigen bezit. De rechtbank stelt vast dat mevrouw M voor de periode vanaf 24.7.2023 aldus niet slaagt in haar bewijslast om het vermoeden van een zelfstandige activiteit te weerleggen en aldus niet aantoont dat zij geen daadwerkelijke activiteiten in het kader van zijn zelfstandige activiteit heeft verricht. Alleszins liet zij na om enige aangifte te doen wat betreft de uitoefening van deze zelfstandige activiteit tijdens haar werkloosheid, waardoor RVA evenmin enige controle hierop kon uitoefenen. 4.2.1.
  36. Wat betreft de periode vanaf 28.2.2023 t/m 11.3.2023 stelt de rechtbank echter vast dat RVA er niet in slaagt om aan te tonen dat mevrouw M voor deze bepaalde periode effectief een zelfstandige activiteit heeft uitgeoefend gedurende haar werkloosheidsperiode. De rechtbank stelt vast dat RVA zich op enkele posts op Instagram steunt (stukken 10.19 t/m 10.21 administratief dossier), waarbij mevrouw M foto’s heeft gemaakt van door haar klaargemaakte gerechten. Deze posts situeren zich effectief in de periode tussen 28.2.2023 en 11.3.2023, doch zijn voor de rechtbank onvoldoende om te besluiten dat mevrouw M in die periode effectief arbeid zou hebben verricht. Een loutere foto van een gerecht met de vermelding dat mevrouw M dit elke dag zou kunnen eten, toont naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aan dat zij deze gerechten heeft klaargemaakt voor potentiële klanten op die bepaalde dag. Mede gelet op de vaststelling dat mevrouw M pas vanaf 3.4.2023 effectief stond ingeschreven als zelfstandige in bijberoep, is de rechtbank van oordeel dat mevrouw M in de periode van 28.2.2023 t/m 11.3.2023 geen arbeid heeft verricht, waardoor zij hiervan ook evenmin aangifte diende te doen. 4.2.1.
  37. De vordering van mevrouw M is wat betreft dit aspect gedeeltelijk gegrond. RVA nam terecht haar beslissing om mevrouw M uit te sluiten van het recht op uitkeringen voor de periodes vanaf 24.7.
  38. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/932/A – p. 9 Mevrouw M kon echter niet worden uitgesloten van het recht op uitkeringen voor de periode van 28.2.2023 t/m 11.3.
  39. De bestreden beslissing van 22.8.2024 dient dan ook wat betreft dit aspect hervormd te worden. 4.2.
  40. Terugvordering van de ten onrechte genoten werkloosheidsuitkeringen 4.2.2.
  41. RVA vordert de onrechtmatig ontvangen uitkeringen voor de periodes van 28.2.2023 t/m 11.3.2023 en vanaf 24.7.2023 t/m 31.7.2024, in toepassing van artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit. Artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit bepaalt inderdaad dat elke onrechtmatig ontvangen werkloosheidsuitkering dient te worden terugbetaald. De onbeperkte terugbetaling is de regel (Cass. 10 september 1984, Arr. Cass. 1984-85, nr. 23; Cass. 12 januari 1987, J.T.T 1987, 183). Uitzonderingen hierop zijn mogelijk en worden verder bepaald in artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit. Mevrouw M beroept zich op één van deze mogelijke uitzonderingen om de terugvordering te beperken. 4.2.2.
  42. Mevrouw M verzoekt om haar terugvordering te beperken tot de dagen waarop zij effectief heeft gewerkt. Zij verzoekt om de uitzondering zoals voorzien in artikel 169, lid 3 van het Werkloosheidsbesluit toe te passen. Deze bepaling luidt als volgt: “Wanneer de werkloze die de artikelen 44 of 48 overtreden heeft, bewijst dat hij alleen arbeid heeft verricht of een zelfstandige heeft geholpen op bepaalde dagen of gedurende bepaalde periodes, wordt de terugvordering tot deze dagen of periodes beperkt.” De bewijslast voor de beperking van de terugvordering tot welbepaalde dagen ligt bij de werkloze (Arbrb. Gent 6 oktober 2010, AR 09/1682/A, onuitgegeven; Arbrb. Antwerpen 25 mei 2010, AR 08/6965/A, onuitgegeven; Arbrb. Gent afdeling Gent 21 maart 2018, A.R. 17/945/A, onuitgegeven). RVA vertrekt immers met een achterstand door de niet-aangifte van de activiteit, waardoor er niet effectief kan worden vastgesteld wanneer deze activiteit concreet werd uitgeoefend en wanneer niet. In die zin wordt vermoed dat de activiteit tijdens de volledige door RVA weerhouden periode van werkloosheid werd verricht, tot het bewijs van tegendeel. Om te slagen in dit bewijs van tegendeel zal de werkloze een zeer concreet, controleerbaar en vaststaand bewijs moeten leveren van de effectief gepresteerde arbeidsdagen. 4.2.2.
  43. Mevrouw M verwijst hierbij naar een opsomming van dagen waarop zij volgens het door de controledienst van RVA gevoerde onderzoek heeft gewerkt (stukken 8 t/m 10 administratief dossier). Mevrouw M maakte op bestelling gerechten. De rechtbank stelt vast dat mevrouw M een overzicht van de bestellingen die zij tijdens de kwestieuze periode heeft ontvangen, heeft overgemaakt aan de sociale controleurs van RVA (stukken 8 en 9 administratief dossier). Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/932/A – p. 10 RVA vermeldt hierover in haar beslissing van 22.8.2024 het volgende (stuk 1 administratief dossier): “Er waren op 22, 23, 24, 25 en 26.08.2023, 12 en 18.09.2023, 07, 08 en 09.11.2023, 04 en 14.12.2023, 05 en 15.02.2024 en op 10.04.2024 bestellingen via take away.” Mevrouw M stelt dat zij volgens RVA enkel op deze 15 dagen effectief heeft gewerkt en dat de terugvordering dan ook beperkt dient te worden tot deze 15 dagen. Mevrouw M bezorgde aan de sociale controleurs echter niet alleen een overzicht van de bestellingen via takeaway.com maar ook bestelbonnen die ze zelf heeft uitgeschreven. Uit die bestelbonnen blijkt dat zij ook op de volgende dagen bestellingen heeft ontvangen: - 24 en 30 maart 2023 (2 dagen) - 1 april 2023 (1 dag) - 10 februari 2024 (1 dag) Het overzicht van de bestellingen via takeway.com én de zelf opgestelde bestelbonnen tonen aan dat mevrouw M in de periodes van 28.2.2023 t/m 11.3.2023 en vanaf 24.7.2023 t/m 31.7.2024 op de volgende 19 dagen bestellingen heeft ontvangen: - 24 en 30 maart 2023 (2 dagen) - 1 april 2023 (1 dag) - 22, 23, 24, 25 en 26 augustus 2023 (5 dagen) - 12 en 18 september 2023 (2 dagen) - 7, 8 en 9 november 2023 (3 dagen) - 4 en 14 december 2023 (2 dagen) - 5, 10 en 15 februari 2024 (3 dagen) - 10 april 2024 (1 dag) De rechtbank merkt onmiddellijk op dat de dagen 24.3.2023, 30.3.2023 en 1.4.2023 niet mee in aanmerking kunnen worden genomen in de beoordeling van de beperking van de terugvordering, vermits deze uitkeringen niet werden teruggevorderd. De uitsluiting en de terugvordering van de onrechtmatig genoten werkloosheidsuitkeringen handelden slechts over de periode van 28.2.2023 t/m 11.3.2023 en vanaf 24.7.
  44. Mevrouw M maakt het volgens de rechtbank aannemelijk dat zij inderdaad slechts op de resterende dagen effectief werkzaam is geweest. De zelfstandige activiteit van mevrouw M bestond uit het klaarmaken van gerechten voor klanten. Het is logisch dat zij deze activiteit enkel uitvoerde op de dagen waarop zij bestellingen ontving. 4.2.2.
  45. Mevrouw M levert een concreet, controleerbaar en vaststaand bewijs waaruit blijkt dat zij slechts op de hierboven vermelde 16 dagen effectieve activiteiten heeft verricht. Mevrouw M slaagt aldus in haar bewijslast in de zin van artikel 169, lid 3 van het Werkloosheidsbesluit. 4.2.2.
  46. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/932/A – p. 11 Mede gelet op de voorgaande vaststelling dat mevrouw M niet kon worden uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen voor de periode van 28.2.2023 t/m 11.3.2023 (zie boven) en gelet op bovenstaande vaststellingen met betrekking tot de beperking van de terugvordering, komt de terugvordering van de ontvangen werkloosheidsuitkeringen uitkeringen enkel voor de periode van 24.7.2023 t/m 31.7.2024 gedeeltelijk gegrond voor, in die zin dat de terugvordering van de onrechtmatig ontvangen werkloosheidsuitkeringen dient te worden beperkt tot de 16 effectief gewerkte dagen overeenkomstig de overgemaakte en niet betwiste bestelbonnen. De vordering van mevrouw M is wat betreft dit aspect gedeeltelijk gegrond. De tegenvordering van RVA is in die zin dan eveneens gedeeltelijk gegrond. RVA is in die zin gehouden tot het maken van een herberekening van de terugvordering van de onrechtmatig genoten werkloosheidsuitkeringen rekening houdende met de ongegrondheid van de terugvordering van de uitkeringen voor de periode van 28.2.2023 t/m 11.3.2023 en met de beperking van artikel 169, lid 3 van het Werkloosheidsbesluit. 4.2.
  47. Sanctie op grond van artikel 154 van het Werkloosheidsbesluit 4.2.3.
  48. Gelet op bovenstaande vaststellingen diende mevrouw M haar controlekaarten correct zwart te maken. Dit heeft zij nagelaten. De werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft of kan ontvangen omdat hij nagelaten heeft om vóór het beging van een activiteit die niet verenigbaar is met het recht op uitkeringen, het overeenstemmende vakje van zijn controlekaart zwart te maken, kan worden uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 4 weken en ten hoogste 26 weken (artikel 154, lid 1 van het Werkloosheidsbesluit). RVA meende een uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkeringen voor een periode van 13 weken op te leggen op basis van volgende motivering: “In uw geval werd de duur van de uitsluiting bepaald op 13 weken aangezien u uw bijberoep wel degelijk heeft uitgeoefend tijdens uw werkloosheid, ook al deed u aangifte dat u uw bijberoep niet zou uitoefenen. Bovendien bracht u ook geen schrappingen aan op uw controlekaarten voor de dagen dat u gewerkt heeft in uw bijberoep. U bent zelf verantwoordelijk voor het correct invullen van uw controlekaart. De regels daartoe staan duidelijk vermeld op uw controlekaart. Verder werd rekening gehouden met de ernst van de inbreuk.” 4.2.3.
  49. De arbeidsrechtbank kan een controlerecht uitoefenen van alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de directeur valt met inbegrip van de keuze van de administratieve sanctie behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing in welk geval de rechter de directeur zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (Cass. 2 februari 1998, Soc. Kron. 1998, 172, noot J. PUT en A. UYTTENHOVE; Cass. 28 juni 1999, J.T.T. 1999, 410; Cass. 14 december 1998, Arr. Cass. 1998, 1129; Cass., 10 mei 2004, N.J.W., 2004, 1055). Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/932/A – p. 12 Vermits geen wetsbepaling aan deze bevoegdheidsregeling afbreuk doet door zulke discretionaire beoordelingsbevoegdheid aan de directeur toe te kennen met betrekking tot artikel 153 van het Werkloosheidsbesluit op te leggen sanctie kan de rechter ofwel de sanctie bevestigen, ofwel de sanctie verminderen zonder evenwel te milderen tot beneden de wettelijke minimumgrenzen (Cass. 19 juni 1995, J.T.T. 1996, 79; Cass. 15 maart 1999, J.T.T. 1999, 412) ofwel zich beperken tot het geven van een verwittiging of vroeger de uitsluitingsbeslissing voorzien van een geheel of gedeeltelijk uitstel. De arbeidsrechtbank dient hierbij rekening te houden met alle elementen van de zaak zoals die voorligt op het ogenblik dat het vonnis moet worden geveld (Arbrb. Gent 18 januari 2012, TGR 2012, afl. 5, 365). 4.2.3.
  50. Mevrouw M is van oordeel dat de uitsluiting van het recht op uitkeringen voor een periode van 13 weken ten onrechte werd opgelegd en verzoekt om over te gaan tot een herleiding naar een verwittiging of een uitstel. De rechtbank is van oordeel dat de inbreuk op grond van artikel 71 van het Werkloosheidsbesluit bewezen voorkomt, waardoor de sanctie terecht werd opgelegd. De rechtbank stelt vast dat RVA de duur van de uitsluiting heeft bepaald op grond van elementen die eveneens reeds mee in aanmerking werden genomen bij de beoordeling van de terugvordering. Door de herleiding van de periode van terugvordering tot de periode vanaf 24.7.2023 en ook nog tot de effectief gewerkte dagen, is de ernst van de inbreuk echter ook verminderd. Met deze elementen houdt de rechtbank rekening, waardoor de rechtbank in die zin van oordeel is dat de sanctie opgelegd door RVA kan herleid worden tot de uitsluiting van het recht op uitkeringen voor een periode van 4 weken. Deze sanctie is naar het oordeel van de rechtbank wettelijk en evenrediger in het licht van de ernst van de inbreuk. De vordering van mevrouw M is dan ook wat betreft dit aspect gedeeltelijk gegrond.
  51. Gerechtskosten Mevrouw M vordert om RVA te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding en begroot haar rechtsplegingsvergoeding op € 171,
  52. Naar het oordeel van de rechtbank is het duidelijk dat het in casu een in geld waardeerbare vordering betreft. In een arrest van het Hof van Cassatie van 11.4.2016 wordt gesteld dat de vordering van een werkloze die strekt tot de vernietiging van de beslissing van RVA waarbij hij wordt uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen en waarbij het bedrag van de onrechtmatig ontvangen werkloosheidsuitkeringen die worden teruggevorderd in de administratieve beslissing is vastgesteld, een in geld waardeerbare vordering is. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/932/A – p. 13 De tarieven onder artikel 4 van het koninklijk besluit van 26.10.2007 zijn van toepassing, waar de tarieven (minimum-, maximum-, basisbedrag) voor de in geld waardeerbare vorderingen voor de arbeidsrechtbank in socialezekerheidsgeschillen effectief werden bepaald. De rechtbank dient te oordelen over de toepassing van de correcte forfaitair vastgelegde tarieven zoals vermeld in het koninklijk besluit van 26.10.
  53. De rechtbank is van oordeel dat, wanneer vaststaat dat voor welke rechtbank de vordering wordt gesteld, het eveneens vaststaat welke materie het betreft én de rechtbank heeft beslist of het een al dan niet in geld waardeerbare vordering betreft, dit alles louter een kwestie betreft van het correct toepassen van het koninklijk besluit van 26.10.2007, meer bepaald het juiste artikel van het koninklijk besluit toepassen met het (op het moment van de uitspraak) daaraan verbonden juiste bedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Deze reeds lang bestaande rechtspraak van deze kamer wordt eveneens bevestigd in een arrest van het Hof van Cassatie van 13.1.2023 (A.R. C.22.0158.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4) dat stelt: “Behoudens wanneer een procedureakkoord omtrent de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen. De rechter die zodoende met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding het correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepaalt, miskent niet het algemeen rechtsbeginsel houdende de autonomie van de procespartijen in het civiele geding.” Artikel 8 van dit koninklijk besluit voorziet in de mogelijkheid tot indexering. De basis-, minimum- en maximumbedragen zijn immers gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen dat overeenstemt met 105,78 punten (basis 2004). Het aanvangsindexcijfer is dat van de maand maart 2007 (basis 2004). De geïndexeerde bedragen blijven ongewijzigd tot en met de maand waarin een nieuw indexcijfer van minstens 10 punten naar boven of naar beneden sinds de laatste indexering is bereikt. Op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin een nieuw indexcijfer, zoals hierboven vermeld, is bereikt, worden de bedragen geïndexeerd overeenkomst de formule: (het nieuwe geïndexeerde bedrag) = (het bedrag vermeld in de artikelen 2 t/m 4) x (het nieuwe indexcijfer) / (het aanvangsindexcijfer). Telkens als het indexcijfer met 10 punten stijgt of daalt, worden de sommen bedoeld in de artikelen 2 t/m 4 van dit besluit aldus met 10 procent vermeerderd of verminderd. Dit is wel degelijk het geval vanaf 1.3.
  54. De rechtsplegingsvergoeding zoals voorzien voor een (zoals in casu) in geld waardeerbare vordering voor de arbeidsrechtbanken (voor meer dan € 2.500,01) bedraagt in die zin vanaf 1.3.2025 € 343,
  55. De rechtbank brengt deze rechtsplegingsvergoeding dan ook op € 343,
  56. De rechtbank ziet in casu evenmin enige reden om af te wijken van het basisbedrag.
  57. Beslissing De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent, kamer G6, spreekt het vonnis uit op tegenspraak. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/932/A – p. 14 De rechtbank heeft de Taalwet van 15 juni 1935 gerespecteerd. De rechtbank heeft akte genomen van het mondeling advies van het Openbaar Ministerie. De rechtbank verklaart de vordering van mevrouw M ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond in de volgende mate. De rechtbank bevestigt de bestreden beslissing van 22.8.2024 van RVA, wat betreft de uitsluiting van het recht op uitkeringen voor de periode vanaf 24.7.
  58. De rechtbank zegt voor recht dat mevrouw M niet kon worden uitgesloten van het recht op uitkeringen voor de periode van 28.2.2023 t/m 11.3.
  59. De rechtbank hervormt de bestreden beslissing van 22.8.2024 van RVA wat betreft de terugvordering van de onrechtmatig ontvangen uitkeringen, in die zin dat de uitkeringen voor de periode van 28.2.2023 t/m 11.3.2023 niet kunnen worden teruggevorderd en dat in toepassing van artikel 169, lid 3 van het Werkloosheidsbesluit, de terugvordering van de onrechtmatig ontvangen werkloosheidsuitkeringen vanaf 24.7.2023 dient te worden beperkt tot de 16 effectief gewerkte dagen overeenkomstig de overgemaakte en niet betwiste bestelbonnen. De rechtbank hervormt de bestreden beslissing van 22.8.2024 van RVA in die mate dat de sanctie van uitsluiting van het recht op uitkeringen voor een periode van 13 weken wordt herleid naar een uitsluiting van het recht op uitkeringen voor een periode van 4 weken. De rechtbank veroordeelt RVA tot de ingevolge dit vonnis eventueel verschuldigde achterstallige werkloosheidsuitkeringen in zoverre er voldaan wordt aan de toelaatbaarheids –en toekenningsvoorwaarden. De rechtbank verklaart de tegenvordering van RVA ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond gelet op hetgeen voorafgaat. De rechtbank veroordeelt mevrouw M tot betaling aan RVA van de onrechtmatig ontvangen werkloosheidsuitkeringen, rekening houdende met de ongegrondheid van de terugvordering van de uitkeringen voor de periode van 28.2.2023 t/m 11.3.2023 en met de beperking van artikel 169, lid 3 van het Werkloosheidsbesluit. De rechtbank zegt voor recht dat RVA in die zin gehouden is tot het maken van een herberekening van de terugvordering van de onrechtmatig genoten werkloosheidsuitkeringen rekening houdende met de ongegrondheid van de terugvordering van de uitkeringen voor de periode van 28.2.2023 t/m 11.3.2023 en met de beperking van artikel 169, lid 3 van het Werkloosheidsbesluit. De rechtbank legt bij toepassing van artikel 1017, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek de kosten van mevrouw M ten laste van RVA. Deze kosten werden: Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent – 24/932/A – p. 15 - aan de zijde van mevrouw M begroot op € 8,50 aan kosten aangetekende zending en € 171,61 aan rechtsplegingsvergoeding, doch deze laatste door de rechtbank gebracht op € 343,21 aan rechtsplegingsvergoeding - aan de zijde van RVA niet begroot. De rechtbank verwijst RVA tevens in de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, begroot op € 24,
  60. Dit vonnis werd gewezen en ondertekend door: Kristof VAN CAMP afdelingsvoorzitter David MUYLAERT rechter in sociale zaken, benoemd als werkgever Jan NEIRYNCK rechter in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider bijgestaan door: Isabelle PROVOST griffier Isabelle PROVOST Jan NEIRYNCK David MUYLAERT Kristof VAN CAMP en uitgesproken op DRIEËNTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND VIJFENTWINTIG in openbare zitting van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent, KAMER G6 door Kristof VAN CAMP, afdelingsvoorzitter en bijgestaan door Naomi DE VOS, griffier. Naomi DE VOS Kristof VAN CAMP PDF document ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250423.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.