← België

RSZ t K VOF ea

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 10 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250610.1 Rolnummer: 24/413/A Zaak: RSZ t K VOF ea Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-11-19 Raadplegingen: 518 - laatst gezien 2026-06-19 03:17 Fiche Op een werf raakte een persoon, ingeschreven als werkend vennoot van een VOF, betrokken bij een arbeidsongeval. Uit het daaropvolgende onderzoek bleek dat hij in werkelijkheid voltijds uitvoerend werk verrichtte, zonder ondernemersrisico, beslissingsmacht of eigen materiaal. De RSZ kwalificeerde de arbeidsrelatie daarom ambtshalve als een arbeidsovereenkomst en vorderde bijdragen voor de periode van tewerkstelling. De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas, bevestigt deze beslissing. In de bouwsector geldt een specifiek wettelijk (weerlegbaar) vermoeden: wanneer meer dan de helft van de criteria uit het KB van 7 juni 2013 vervuld is, wordt de arbeidsrelatie vermoed een arbeidsovereenkomst te zijn. De rechtbank oordeelde dat dit hier het geval was en dat de VOF dit vermoeden niet weerlegde. Ze nam daarbij in aanmerking dat de ‘werkend vennoot': • niet betaalde voor de aan hem overgedragen aandelen; • een vaste verloning per gewerkt uur ontving en geen winstaandelen kreeg; • geen toegang had tot de rekeningen van de VOF en niet betrokken was bij de administratie of boekhouding; • uitsluitend uitvoerend werk verrichtte als ploegbaas en geen klanten zocht of aankopen deed; • geen personeel kon aanwerven of zich laten vervangen; • zich tegenover derden en medecontractanten niet voordeed als een zelfstandige of afzonderlijke onderneming; • werkte met materiaal, voertuigen en gereedschappen van de VOF; • dezelfde werkkledij droeg als de werknemers van een gelieerde vennootschap • volgens vaste werkuren werkte die door de bestuurder van de VOF werden bepaald; • uitsluitend voor de VOF werkte. Ook op basis van de vier algemene criteria uit de Arbeidsrelatiewet concludeerde de rechtbank dat er sprake was van schijnzelfstandigheid. De RSZ mocht dus terecht overgaan tot ambtshalve onderwerping aan het werknemersstelsel. De vennoten van de VOF zijn hoofdelijk aansprakelijk: iedere vennoot kan persoonlijk (met zijn privévermogen) worden aangesproken voor de gehele schuld van de vennootschap. De tegenvordering tot terugbetaling van de onder voorbehoud betaalde bijdragen werd afgewezen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 07-06-2013 - 2 - 06 ELI link Pub nr 2013203501 Wet - 27-12-2006 - 333 - 30 ELI link Pub nr 2006021362 Wet - 27-12-2006 - 337/1 - 30 ELI link Pub nr 2006021362 Wet - 27-12-2006 - 332 - 30 ELI link Pub nr 2006021362 Wet - 27-12-2006 - 337/2 - 30 ELI link Pub nr 2006021362 Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer: Uitgereikt aan Uitgereikt aan 25/ Datum van uitspraak: op op 10/06/2025 € € Rechtsmiddelen Rolnummer: 24/413/A Materie: Bijdragen voor werknemers Type vonnis: Eindvonnis arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas Vonnis Kamer S8 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 2 VON : EVT In de zaak van: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID (RSZ), KBO: 0206.731.645, met zetel te 1060 SINT-GILLIS, Victor Hortaplein 11. Eisende partij, op de openbare terechtzitting vertegenwoordigd door mr. HEYMANS FILIP, advocaat met kantoor te 9000 GENT, Molenaarsstraat 109. tegen: 1° K VOF, KBO: …, met zetel te …. Eerste verwerende partij, op de openbare terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VAN KEIRSBILCK VEERLE in persoon en loco mr. ADRIAENS BART, advocaten met kantoor te 8500 KORTRIJK, Brugsesteenweg 255/101. 2° G COMM.V., KBO: …, met zetel te …. Tweede verwerende partij, op de openbare terechtzitting vertegenwoordigd door G, RRN: …en bijgestaan door mr. VAN KEIRSBILCK VEERLE in persoon en loco mr. ADRIAENS BART, advocaat met kantoor te 8500 KORTRIJK, Brugsesteenweg 255/101. 3° G, RRN:, laatst wonende te, overleden te … op 27/01/2025. Derde verwerende partij, op de openbare terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VAN KEIRSBILCK VEERLE in persoon en loco mr. ADRIAENS BART, advocaten met kantoor te 8500 KORTRIJK, Brugsesteenweg 255/101. 4° HE, RRN: …, voorheen wonende te …, thans wonende te …. Vierde verwerende partij, op de openbare terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VAN KEIRSBILCK VEERLE in persoon en loco mr. ADRIAENS BART, advocaten met kantoor te 8500 KORTRIJK, Brugsesteenweg 255/101. 1. PROCEDURE Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 3 De RSZ dagvaardde de verwerende partijen om te verschijnen op de openbare zitting van 13 mei 2024. De dagvaarding werd betekend op 2 mei 2024. Via een beschikking van 10 juni 2024 legde de rechtbank het akkoord van partijen over de conclusietermijnen vast, waarbij de zaak werd vastgesteld voor behandeling op de openbare zitting van 12 mei 2025. Met toepassing van het artikel 764 van het Gerechtelijk Wetboek werd de zaak meegedeeld aan het openbaar ministerie, dat meedeelde dat het het niet dienstig achtte om advies te verlenen. Op de openbare zitting van 12 mei 2025 werden de partijen in hun middelen en argumenten gehoord. De rechtbank nam kennis van de stukken van het geding, gevoegd bij het dossier van de rechtspleging en vermeld op de inventaris ervan. De rechtspleging verliep in het Nederlands, en de wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken werd nageleefd. 2. FEITEN 2.1 KM BV is actief in de bouwsector en meer bepaald in rioleringswerken (huisaansluitingen). Eerste verweerster, K VOF (hierna ook eenvoudig genoemd: ‘de VOF’) is ook actief in de bouwsector, en werkte als onderaannemer voor KM BV. Zowel KM BV als K VOF hebben als enige bestuurder G GCV (tweede verweerster), met als vaste vertegenwoordiger MG (met rijksregisternummer …). Derde verwerende partij, die ook G heet en de vader van de voornoemde MG, is gestorven op 27 januari 2025. Hij had op het ogenblik van dagvaarding geen mandaat (meer) in één van de betrokken vennootschappen. Wanneer onder de titel ‘feiten’ en de titel ‘beoordeling’ in dit vonnis de naam ‘MG’ wordt gebruikt, wordt hiermee MG met rijksregisternummer … bedoeld, als vaste vertegenwoordiger van G GCV. In de oprichtingsakte van K VOF van 17 december 2018 werden G GCV (managementvennootschap van MG) en HE (vierde verweerder) vermeld als de hoofdelijk aansprakelijke vennoten. Door de VOF werden 10 aandelen uitgegeven: 8 toebehorend aan G GCV en 2 toebehorend aan HE. Verwerende partijen leggen een overeenkomst tot overdracht van 2 aandelen van K VOF van G GCV aan SK neer, met als datum van ondertekening 11 oktober 2021. In deze overeenkomst werd een prijs van 3.200,00 euro vermeld. Deze prijs werd echter nooit betaald door SK. In tegenstelling tot KM BV, had K VOF geen werknemers in dienst. 2.2 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 4 Op 5 juli 2022 werden SK en zijn broer, HK, slachtoffer van een arbeidsongeval (gasontploffing) op een werf te Oudenburg, waarbij SK brandwonden opliep aan de armen en benen. De werken betroffen wegenis- en rioleringswerken in opdracht van A. SK was op deze werf graafwerken aan het uitvoeren. Het was een werf van aannemer V, waarop KM BV als onderaannemer aan de slag was. Na het ongeval, op 7 juli 2022, werd K VOF als onderaannemer van KM BV toegevoegd aan de betrokken werfmelding (checkin@work). Op de dag van het ongeval werden op deze werf 3 werknemers en een projectleider van hoofdaannemer V nv, en een werknemer van KM BV als getuigen verhoord. Ook MG werd verhoord. Gelet op hun verwondingen, werden SK en HK op de dag van het ongeval nog niet verhoord. De lokale politie Kouter te Jabbeke stelde op 5 juli 2022 (afgesloten op 7 juli 2022) een proces-verbaal met nr. BG…. op betreffende het ongeval, met als bijlage de processen-verbaal van verhoor. 2.3 Na nazicht door de inspectie, bleek dat SK op het ogenblik van het ongeval het statuut van ‘werkend vennoot’ bij de VOF had. Hij was van 11 oktober 2021 tot en met 31 december 2022 als zelfstandige in hoofdberoep aangesloten bij het sociaal verzekeringsfonds Xerius. Na deze periode werd hij vanaf 18 januari 2023 (Dimona IN) ingeschreven als werknemer bij KM BV. De broer van SK, HK, was al sinds 14 oktober 2021 ingeschreven als werknemer bij KM BV. 2.4 De inspectie Toezicht Welzijn op het Werk nam, na overleg met de arbeidsauditeur, contact op met de inspectie van de RSZ om duidelijkheid te scheppen over het sociaal statuut van SK. Op 31 augustus 2022 gaf het arbeidsauditoraat aan de inspectie van de RSZ de opdracht om een onderzoek te voeren naar het statuut van SK als werkend vennoot bij de vennootschap. In het kader van dit onderzoek vonden volgende verhoren plaats: - op 31 januari 2023 werd SK verhoord (met bijstand van een beëdigd tolk Turks); - op 3 maart 2023 werd MG verhoord (met bijstand van zijn raadsman). Op 29 juni 2023 stelde de sociale inspectie een onderzoeksverslag op met de vaststellingen en bevindingen van de inspecteurs en de processen-verbaal van verhoor als bijlage. Op basis van de verklaringen over de manier van samenwerken tussen SK en de VOF, komt de sociale inspectie tot het besluit dat SK een werknemer is en onderworpen moet worden aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. 2.5 Via aangetekende brief van 12 februari 2024 liet de RSZ aan de VOF weten dat SK voor zijn tewerkstelling voor de VOF in de periode van 1 oktober 2021 tot 31 december 2022 onderworpen diende te worden aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. De RSZ kondigde aan over te gaan tot ambtshalve inschrijving van de VOF en ambtshalve aangifte van de prestaties en lonen van SK (voltijdse tewerkstelling) voor de voormelde periode, steunend op artikelen 22 en 22bis van de RSZ- wet van 27 juni 1969. De RSZ gaf daarbij de volgende motivering: Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 5 “Uit de verzamelde gegevens is het duidelijk dat SK geen enkele substantiële investering deed in de onderneming. Hij bezat op een gegeven ogenblik weliswaar aandelen in K VOF maar hij verklaarde hiervoor niets te hebben betaald. Er is gebleken dat hij niet geïnvesteerd heeft in materiaal of werktuigen en dat hij enkel zijn loon, geen deelname in winsten, ontving. SK had geen toegang tot de rekening van K VOF en heeft nooit enige boekhouding gezien. SK had geen beslissingsmacht over het aankoop- en prijsbeleid. Hij stelde nooit offertes en facturen op en had nooit contact met de klanten. SK geen personeel kon aanwerven. Hij werkte enkel voor K VOF en had daar een voltijds uurrooster, werkte met materiaal en reed met een voertuig waarvan hij geen eigenaar of huurder was. SK werkte samen met de werknemers van KM BV (KBO-nr. …), waarvan MG eveneens bestuurder is, en droeg dezelfde werkkledij. Ook de gewerkte uren en pauzes waren gelijklopend. Bestuurder MG gaf hem instructies en bepaalde op welke werf hij moest werken. Met uitzondering van het loon was er geen verschil in de manier van werken als werknemer en als aandeelhouder.” Op 13 maart 2024 stelde de RSZ de vennootschap in gebreke voor gedwongen uitvoering en bezorgde een overzicht van de gevorderde bijdragen, opslagen en interesten voor de hierboven vermelde periode (naar aanleiding van het rekeninguittreksel dat werd afgesloten op 11 maart 2024). Het gaat om een bedrag van 37.238,72 euro in totaal. 2.6 Omdat betaling uitbleef, heeft de RSZ op 2 mei 2024 de VOF gedagvaard om over te gaan tot betaling. 2.7 Op 6 mei 2024 heeft K VOF het bovenstaande bedrag en de interesten hierop betaald. Via brief van diezelfde dag liet de VOF aan de RSZ weten dat zij deze betaling gedaan heeft onder voorbehoud, enkel en alleen om geen schuldenaar te worden bij de RSZ, en om interesten en bijdrageopslagen te vermijden. Hierbij benadrukte de VOF dat zij de doorgevoerde ambtshalve regularisaties betwist. De RSZ werd in gebreke gesteld om over te gaan tot terugbetaling van deze onder voorbehoud betaalde bedragen (stukken 6 en 7 van de VOF). 3. VOORWERP VAN DE VORDERING 3.1 De actuele vordering van de RSZ, zoals geformuleerd in de ‘derde en tevens syntheseconclusie’, neergelegd via e-deposit op 10 april 2025, luidt als volgt: 1. “de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond te verklaren; 2. Dienvolgens, - akte te nemen van de door eerste verweerster uitgevoerde betalingen, meer in het bijzonder een bedrag van 37.238,72 euro (RU van 11 maart 2024) op 6 mei 2024 en een bedrag van 309,24 euro (uit hoofde van aanvullende interesten) op 4 juni 2024; - akte te nemen dat de volledige vordering van de eiseres door eerste verweerster werd voldaan, zodat de vordering kan worden herleid tot nul (0,00) euro; Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 6 3. de tegenvordering van eerste verweerster ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren; 4. de verwerende partijen zich te horen veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten, momenteel begroot op: - dagvaardingskosten: 556,67 euro - rechtsplegingsvergoeding (index maart 2025): 3.139,54 euro.” 3.2 De actuele vordering van de verwerende partijen, zoals geformuleerd in de ‘syntheseconclusie’ neergelegd via e-deposit op 27 februari 2025, luidt als volgt: “In hoofdorde - de beslissing van de RSZ van 12 februari 2024 te vernietigen. Derhalve de vordering van de RSZ ontvankelijk, doch gegrond te verklaren; - De tegenvordering van K ontvankelijk en gegrond te verklaren. Derhalve de RSZ te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde sociale zekerheidsbijdragen ten bedrage van in totaal 37.547,96 EUR, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf de dagvaarding tot aan de datum van betaling; - De RSZ te veroordelen tot de kosten van de procedure, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van K begroot op 3.000,00 EUR. In ondergeschikte orde, en alvorens recht te doen en voor zover de rechtbank dit nodig zou achten wordt verzocht de persoonlijke verschijning te bevelen van de heer K en de heer G teneinde toelichting te geven inzake hun samenwerking.” 4. BEOORDELING 4.1. ONTVANKELIJKHEID Over de ontvankelijkheid van de vorderingen bestaat tussen partijen geen betwisting. De rechtbank ziet geen gronden van onontvankelijkheid die zij ambtshalve moet inroepen. Zowel de hoofdvordering van de RSZ, als de tegenvordering van de verwerende partijen zijn bijgevolg ontvankelijk. 4.2. GEGRONDHEID Het voorwerp van het geschil vormt de geldigheid van de beslissing van de RSZ om de arbeidsrelatie tussen K VOF enerzijds en SK anderzijds te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst (relatie Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 7 werkgever – werknemer in plaats van werkend vennoot van de VOF), en om bijgevolg over te gaan tot ambtshalve aangifte van de prestaties van SK voor de periode van het 4de kwartaal 2021 tot en met het 4de kwartaal 2022. Juridische beginselen Artikel 1, §1 van de RSZ-wet bepaalt dat zij van toepassing is op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Een arbeidsovereenkomst is een overeenkomst waarbij de werknemer zich ertoe verbindt tegen loon arbeid te verrichten onder het gezag van de werkgever (artikelen 2, 3, 4 en 5 van de Arbeidsovereenkomstenwet en artikel 328, 5°,

  1. a)van de Arbeidsrelatiewet). Uit deze definitie blijkt dat het element ‘gezag’ een essentieel bestanddeel is van deze overeenkomst (zie Cass. 5 oktober 1998, Soc. Kron. 1999, 231; Cass. 14 november 2001, Arr. Cass. 2001, 1925; Cass. 3 mei 2004, RW 2004-05, 1220; Cass. 4 februari 2013, S.11.0051.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130204.3 en S.11.0154.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130204.3). Volgens het Hof van Cassatie is er sprake van gezag wanneer een persoon in feite gezag kan uitoefenen over andermans handelingen (Cass. 11 januari 1978, Arr. Cass. 1978, I, 558; Cass. 14 maart 1978, Arr. Cass. 1978, II, 825; Cass. 18 mei 1981, Arr. Cass. 1981, II, 1080; Cass. 15 februari 1982, Arr. Cass. 1981- 82, I, 741; Cass. 14 november 1994, Arr. Cass. 1994, II, 954; Cass. 27 april 1998, Arr. Cass. 1998, 213; Cass. 10 september 2001, Arr. Cass. 2001, 1416; Cass. 14 januari 2002, Arr. Cass. 2002, 127; Cass. 4 februari 2013, S.11.0051.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130204.3 en S.11.0154.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130204.3). Het komt er bij de beoordeling van het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor de rechter dus op aan te beoordelen of de gegevens waarvan het bewijs wordt verstrekt, een toepassing of een mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen (Cass. 29 september 2006, RW 2007-08, 781). De Arbeidsrelatiewet (Titel XIII van de Programmawet van 27 december 2006 – ‘Aard van de arbeidsrelaties’) bepaalt in artikel 333, §1 de volgende algemene criteria die het mogelijk maken het bestaan of de afwezigheid van een gezagsverhouding te beoordelen: - de wil van de partijen, zoals die in hun overeenkomst wordt uitgedrukt, maar waarbij de realiteit primeert (zie ook artikel 331 van de Arbeidsrelatiewet op basis waarvan voorrang moet worden gegeven aan de kwalificatie die uit de feitelijke uitoefening blijkt indien deze de door de partijen gekozen juridische kwalificatie uitsluit); - de vrijheid van organisatie van de werktijd; - de vrijheid van organisatie van het werk; - de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen. M.a.w.: de mogelijkheid om instructies te geven en de naleving hiervan te kunnen controleren. Indien de uitoefening van de arbeidsrelatie voldoende elementen naar voor brengt die onverenigbaar zijn met de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie wordt gegeven, dan moet er een herkwalificatie van de arbeidsrelatie gebeuren (artikel 332 Arbeidsrelatiewet). Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 8 Specifieke criteria voor bouwsector Specifiek voor werken in onroerende staat (bouwsector), zoals hier het geval is, moet rekening worden gehouden met een weerlegbaar vermoeden van een arbeidsovereenkomst indien uit de analyse van de arbeidsrelatie blijkt dat meer dan de helft van een lijst specifieke criteria vervuld zijn. Deze specifieke criteria, opgenomen in een Koninklijk besluit van 7 juni 2013 tot uitvoering van artikel 337/2, §3 van de Arbeidsrelatiewet, zijn de volgende:
  2. a)ontstentenis, in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, van enig financieel of economisch risico, zoals dit onder meer het geval is: 1) bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen, of, 2) bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en de verliezen van de onderneming, of, 3) bij ontstentenis van persoonlijke aansprakelijkheid, die geen betrekking heeft op bedrog, een zware fout of een lichte gewoonlijke fout, in voorkomend geval met name beoordeeld in functie van het bestek of van iedere andere verbintenis ten aanzien van de gerealiseerde werken;
  3. b)ontstentenis, in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming, zoals dit onder meer het geval is inzake de uitgaven, ontvangsten, investeringen of aanwending van de al dan niet eigen middelen van de onderneming;
  4. c)ontstentenis, in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, van beslissingsmacht over het aankoop- en prijsbeleid van de onderneming of van vrijheid in het identificeren van mogelijke klanten, het onderhandelen of het afsluiten van contracten;
  5. d)de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties geleverd door diegene die de werkzaamheden uitvoert. Voor de toepassing van dit criterium mag geen rekening gehouden worden met vaste voorschotten om materiaal en grondstoffen aan te kopen;
  6. e)het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen;
  7. f)het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen of van zijn medecontractant, zoals met name het geval is wanneer geen gebruik wordt gemaakt van bepaalde zichtbare elementen die kenmerkend zijn voor de onderneming, zoals logo's, belettering op voertuigen, uithangborden of publicitaire slogans;
  8. g)werken hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één medecontractant;
  9. h)werken in ruimtes die zich buiten de werf bevinden of met materiaal waarvan men geen eigenaar of huurder is, zoals met name het geval is wanneer gewerkt wordt in ruimtes die Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 9 aangewend worden als opslag- of werkplaats, of met voertuigen, materieel of gereedschap waarvan de uitvoerder van de werken geen eigenaar is, die hij niet heeft geleased of die hem door de medecontractant werden ter beschikking gesteld;
  10. i)niet onafhankelijk werken ten overstaan van de werkploegen van de medecontractant of van de onderneming waarin de uitvoerder van de werken de hoedanigheid van werkende vennoot heeft. Artikel 337/2, §2 van de Arbeidsrelatiewet bepaalt echter ook dat wanneer blijkt dat meer dan de helft van de criteria, vermeld in de eerste paragraaf, niet zijn vervuld, de arbeidsrelatie weerlegbaar wordt vermoed een zelfstandigenovereenkomst te zijn. In beide gevallen is het tegenbewijs mogelijk, onder meer aan de hand van de algemene criteria uit artikel 333, §1 van de Arbeidsrelatiewet. Vermoeden van arbeidsovereenkomst De rechtbank stelt vast dat de VOF actief is in de sector van het bouwbedrijf en dat het gaat om werken in onroerende staat, zoals bedoeld in artikel 337/1, 1° van de Arbeidsrelatiewet. Bijgevolg moet bij de beoordeling van de arbeidsrelatie, en in het bijzonder de verdeling van de bewijslast tussen de partijen, rekening worden gehouden met het vermoeden van arbeidsrelatie, zoals dat steunt op de specifieke criteria voor de bouwsector uit het voormelde Koninklijk besluit van 7 juni 2013. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsrelatie tussen de VOF en SK op grond van artikel 337/2, §1 van de Arbeidsrelatiewet, in samenlezing met artikel 2 van het voormelde Koninklijk besluit van 7 juni 2013 voor de bouwsector, vermoed wordt een arbeidsovereenkomst te zijn. De rechtbank is immers van oordeel dat meer dan de helft van de zogenaamde specifieke criteria wijzen op een arbeidsovereenkomst:
  11. a)SK droeg geen financieel en economisch risico in de onderneming, hij deed met eigen middelen geen substantiële investering in de onderneming, en nam niet substantieel deel in de winsten (of verliezen) van de onderneming. De verwerende partijen leggen een ‘overeenkomst tot overdracht van aandelen’ van 11 oktober 2021 neer (stuk 2), waarin de overdracht van twee aandelen van G GCV aan SK werd overeengekomen. Hiervoor werd een prijs van 3.200,00 euro bepaald in de overeenkomst. MG verklaarde echter zelf tijdens zijn verhoor dat SK de prijs voor deze aandelen nooit betaald heeft, en op dat moment ook niet kon betalen. SK beschikte dus niet over een (bescheiden) kapitaal om te investeren. Verder verklaarde MG dat SK 250,00 euro bruto per dag kreeg en dat dit een forfait was, en ook: “Naast zijn loon ontving SK geen bijkomende vergoedingen. De firma maakte een beetje winst. Hij heeft nooit Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 10 een winstaandeel ontvangen. SK heeft voor de instap in de vennootschap nooit een boekhouding of een balans gezien. De intentie was er om winst te maken in de toekomst.” Ook SK verklaarde: “Ik kreeg niets meer dan mijn loon, geen winstaandeel.” Verder verklaarde SK: “Moest K failliet gegaan zijn, was ik enkel mijn werk kwijt. Dit was de zorg voor M, niet de mijne. Ik was geen kapitaal kwijt.”
  12. b)SK had geen verantwoordelijkheid en ook geen beslissingsmacht over de financiële middelen van de onderneming. SK verklaarde het volgende: “Ik had geen toegang tot de rekening van K. Ik weet niet hoeveel er op de rekening staat. Ik heb nooit balansen of de boekhouding gezien”. MG verklaarde dat er slechts één bankkaart van de VOF was. MG zorgde voor de administratie, en SK werd hierin niet betrokken. De aansluiting van SK bij de sociale verzekeringskas voor zelfstandigen (Xerius) gebeurde door de boekhouder van de VOF.
  13. c)SK kon niet mee beslissen over de aankoop- en het prijsbeleid van de onderneming en had geen vrijheid inzake klantenbeleid en -beheer. MG verklaarde het volgende: “Ik alleen zocht actief naar klanten. SK niet”. Verder verklaarde hij: “Zowel SK en H deden enkel uitvoerend werk”. Inzake beslissingsmacht over aankoop- en prijsbeleid, verklaart MG: “Die stap is er nooit geweest. Er is nooit werk binnengekomen om aankopen, investeringen te doen met K. De intenties hebben we nooit kunnen uitvoeren”. SK verklaarde het volgende: “Voor K heb ik enkel uitvoerend werk verricht. Ik zocht geen klanten, dit deed M. Ik was ploegbaas. Ik heb nooit offertes gemaakt. Ik had geen contact met klanten”, en ook: “ik had geen beslissingsmacht over aankoop- of prijsbeleid. Ik wist niet welke bedragen K factureerde aan klanten. Ik sloot zelf geen contracten af met klanten. (…) Dit was mijn taak niet. Ik kocht zelf geen grondstoffen aan. M deed de bestellingen.”
  14. d)Er was garantie op een vaste vergoeding. MG verklaarde dat SK 250,00 euro bruto per dag kreeg en dat dit een forfait was. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 11 SK verklaarde dat hij 30,00 euro per uur betaald kreeg. Het loon werd dus uitbetaald rekening houdend met de gepresteerde uren / dagen. Dit systeem wijst op een vaste verloning.
  15. e)SK had niet de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen. SK heeft dit bevestigd tijdens zijn verhoor.
  16. f)SK deed zich ten aanzien van derden en medecontractanten niet voor als een eigen, afzonderlijke onderneming. De verwerende partijen voeren aan dat indien de zelfstandige actief is als vennoot binnen een VOF, zoals hier het geval is, dit criterium beoordeeld moet worden in hoofde van deze VOF. Dit komt er dan op neer dat de zelfstandige actieve vennoot de VOF waarvoor hij actief is, uitdrukkelijk naar voor moet schuiven. Zelfs in die interpretatie moet worden vastgesteld dat de VOF niet gekend was bij de getuigen op de werf die op de dag van het arbeidsongeval aanwezig waren en verhoord werden (drie werknemers en de projectleider van aannemer V, en een werknemer van KM BV). Zij gingen er allen vanuit dat SK als werknemer deel uitmaakte van de ploeg van KM BV. Zij spraken immers enkel over werknemers / werkmannen van KM BV, en naar SK werd verwezen als “de machinist van KM” (zie processen-verbaal van verhoor als bijlage bij het proces-verbaal van 5 juli 2022 van de politie – stuk 1d van het administratief dossier van de RSZ). In dit verband wijst de rechtbank er ook op dat de VOF pas op 7 juli 2022, na het arbeidsongeval (op 5 juli 2022), aan de betrokken werfmelding (checkin@work) werd toegevoegd. Ook uit de verhoren van MG en SK blijkt dat SK geïntegreerd werd in een werkploeg van KM BV, en dat hij gewoon zijn arbeidskracht ter beschikking stelde. Hij verrichte louter uitvoerend werk binnen een bestaande organisatie, een bouwonderneming, waaromtrent hij geen inspraak had. MG verklaarde in dat verband: “Als er problemen waren, ging ik naar de werven om de problemen met de werfleider van de hoofdaannemer te bespreken. Ik besprak dit dan verder met H of SK of het personeel van KM”. SK verklaarde tijdens zijn verhoor ook dat hij zelf geen reclame maakte voor K VOF. Verder verklaarden zowel MG als SK dat deze laatste geen contacten had met (potentiële) klanten. Wat betreft de werkkledij, verklaarde MG: “In de werkkledij is er geen verschil tussen H, SK en de werknemers van KM. Iedereen draagt hetzelfde zonder vermelding van enig logo”. Het is duidelijk dat SK geen eigen onderneming dreef, en zich naar buiten toe ook niet presenteerde als een (afzonderlijke) onderneming of als vennoot van de VOF. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 12
  17. g)SK werkte hoofdzakelijk of gewoonlijk voor 1 medecontractant. SK werkte uitsluitend voor de VOF, die op haar beurt uitsluitend werkte voor KM BV. MG bevestigde dit tijdens zijn verhoor: “Er waren op dit moment geen andere klanten dan KM. Er was geen interesse van andere klanten. Vandaar dat er geen offertes moesten opgemaakt worden.” De arbeidsregeling van SK die blijkt uit de verhoren (voltijds) liet overigens ook niet veel ruimte om als zelfstandige nog voor anderen te werken.
  18. h)SK werkte met materiaal, voertuigen en gereedschappen waarvan hij geen eigenaar was. SK verklaarde hierover: “Het werkmateriaal is van K, ik heb niets”, “ik had zelf geen werkmateriaal, ook geen klein materiaal” en “M heeft mij werkkledij gegeven: broek, jas, schoenen, helm, handschoenen. Mijn broer had exact dezelfde werkkledij. Nu is dit ook zo.” MG verklaarde hierover: “Er is geen werkmateriaal in K VOF. Bij de uitbouw in de toekomst zou er wel materiaal aangekocht worden. K VOF gebruikte het materiaal van KM. Er werd voor dit gebruik niet afzonderlijk gerekend. Dit zit in het forfait van 32 euro per uur.”
  19. i)SK werkte niet onafhankelijk ten overstaan van de werkploegen van de onderneming. Integendeel, uit de verklaringen blijkt dat SK deel uitmaakte van de werkploegen met werknemers van KM BV en op hetzelfde ritme als deze laatsten werkte. De gewerkte uren en pauzes waren gelijklopend. Bovendien droeg hij dezelfde werkkledij. SK verklaarde hierover: “Toen ik aandeelhouder was, zei M me via SMS naar welke werven ik moest. Ik werkte van 7 uur tot 15u / 15.30u. Zo werkte iedereen. Ik had pauzes zoals de werknemers. (…) M heeft mij werkkledij gegeven: broek, jas, schoenen, helm, handschoenen. Mijn broer had exact dezelfde werkkledij. Nu is dit ook zo.” MG verklaarde hierover: - “Ik meldde uiteraard aan H en SK naar welke werven ze moesten rijden. Ik deed dit vanuit mijn positie als zaakvoerder van KM. Uiteraard moet ik de werkplaatsen meedelen aan mijn onderaannemer. Hij en H waren ploegbazen voor werknemers van KM BV. Ik deelde mee aan SK en H wie er in hun ploegen zaten. De broer van SK, HK, zat meestal in de ploeg van SK.” - “In de werkkledij is er geen verschil tussen H, SK en de werknemers van KM. Iedereen draagt hetzelfde zonder vermelding van enig logo”. - “Ik hield controle op de werven om de werken te controleren. H en SK stuurden dagelijks foto’s van de vooruitgang van de werken naar mij door.” Geen weerlegging van het vermoeden Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 13 Gelet op het vermoeden van een arbeidsovereenkomst, rust op de verwerende partijen de bewijslast van een zelfstandige samenwerking. Het vermoeden van een arbeidsovereenkomst kan worden weerlegd door alle middelen van recht, onder andere op basis van de in de Arbeidsrelatiewet bepaalde vier algemene criteria. De rechtbank is van oordeel dat de verwerende partijen falen in deze bewijslast. De verwerende partijen leveren vooreerst geen bewijs die de verklaringen – van zowel SK als MG – en zoals hierboven weergegeven bij het overlopen van de verschillende criteria, tegenspreken. Er is geen reden om te twijfelen aan de verklaring van SK, zoals opgenomen in een proces-verbaal van verhoor dat geniet van een bijzondere bewijskracht (artikel 66 Sociaal Strafwetboek). Bovendien stelt de rechtbank vast dat de verklaring van MG op heel wat punten in lijn is met de verklaring van SK, en ook elementen bevat die wijzen op (een vermoeden van) een arbeidsovereenkomst, zoals hierboven weergegeven. Volgens verwerende partijen was het de bedoeling om met SK aan boord de activiteit van hoofdriolering uit te bouwen via de vennootschap K VOF. Op zijn voorstel en omwille van zijn ervaring in die sector, werd SK aandeelhouder van de VOF, zo stellen verwerende partijen. De VOF zou louter in een ‘tussenperiode’ als onderaannemer van KM BV hebben gefungeerd tot de activiteiten effectief van de grond geraakten. Uiteindelijk werd de voorziene activiteit (hoofdriolering) echter nooit gerealiseerd, en verrichte SK in de betwiste periode enkel uitvoerend werk als bestuurder van een graafmachine (machinist) en ploegbaas van werknemers van KM BV. Volgens de verwerende partijen is het niettemin belangrijk om de eigenlijke doelstelling van beide heren (nl. het samen uitbouwen van een nieuwe onderneming) voor ogen te houden. MG sprak tijdens zijn verhoor inderdaad veel in de voorwaardelijke wijs (hadden ze met K VOF de activiteit aanleg van hoofdriolering kunnen uitbouwen, dan …). Loutere intenties en plannen over hoe men de samenwerking en de arbeidsrelatie had willen organiseren, zijn echter weinig relevant. Er moet daarentegen gekeken worden hoe de samenwerking in de feiten daadwerkelijk gebeurde tijdens de relevante periode. Verder wijzen de verwerende partijen erop dat SK in het verleden (voor de samenwerking met de VOF en KM BV) ook al als zelfstandige heeft gewerkt, en dat hij op 17 april 2024 terug een onderneming heeft opgericht (P BV, onder meer actief in wegenbouw en het bouwrijp maken van terreinen). Voor de beoordeling van huidig geschil is de enige relevante periode echter deze van 11 oktober 2021 tot en met 31 december 2022. Ook op basis van de vier algemene criteria uit de Arbeidsrelatiewet besluit de rechtbank dat er – op basis van de daadwerkelijke feitelijke samenwerking tijdens de betwiste periode – sprake was van schijnzelfstandigheid: ➢ Wil van de partijen De verwerende partijen stellen dat SK zelf vragende partij was voor een samenwerking op zelfstandige basis. Ook SK verklaarde tijdens zijn verhoor dat hij op zelfstandige basis voor MG wilde werken omdat hij op die manier meer kon verdienen. Volgens SK zou MG hem deze manier van werken hebben voorgesteld. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 14 Het feit dat het zelfstandigenstatuut niet zou zijn opgedrongen of dat SK hiervoor zelfs vragende partij was, levert op zich echter geen bewijs op van het ontbreken van enige gezagsverhouding. De loutere gemeenschappelijke juridische kwalificatie als zelfstandige samenwerking volstaat niet. Het is belangrijk dat de uitgedrukte wil door de daadwerkelijke uitvoering van de overeenkomst bevestigd wordt. Er moet immers voorrang worden gegeven aan de kwalificatie die uit de feitelijke uitoefening blijkt, indien deze de door de partijen gekozen juridische kwalificatie uitsluit (cf. artikel 331 Arbeidsrelatiewet, en ook artikel 333, §3 Arbeidsrelatiewet). Bovendien kan een aandeelhouder die werkzaam is voor de eigen vennootschap wel degelijk een werknemer van die vennootschap zijn, indien uit de elementen eigen aan de zaak blijkt dat er sprake is van arbeid onder gezag. Dit is hier het geval. De verwerende partijen tonen niet aan dat SK als werkend vennoot vrij van enig gezag arbeidsprestaties leverde. SK verklaarde dat hij na zijn arbeidsongeval is beginnen nadenken over zijn statuut en niet meer als zelfstandige wilde werken. Door zijn arbeidsongeval had hij de financiële verschillen tussen werknemer en zelfstandige gemerkt. Vanaf 18 januari 2023 werd hij ingeschreven als werknemer bij KM BV. SK verklaarde dat hij als werknemer bij KM BV hetzelfde werk deed als in zijn periode als aandeelhouder van K VOF, en ook: “Buiten het loon is er geen verschil in manier van werken als aandeelhouder en werknemer”. ➢ Vrijheid van organisatie van het werk en werktijd SK verklaarde tijdens zijn verhoor: - “Ik werkte van 7 uur tot 15u / 15.30u. Zo werkte iedereen. Ik had pauzes zoals de werknemers.” - “Toen ik aandeelhouder was, zei M me via SMS naar welke werven ik moest. (…) U vraagt mij wie er in mijn ploeg zat. Dat waren werknemers van KM. (…) M stuurde mij via SMS wie er in mijn ploeg zat.” - “M bepaalde mijn verlof, dit was het bouwverlof zoals de werknemers. Bijkomend verlof diende ik aan M te vragen.” MG verklaarde het volgende: “Ik meldde uiteraard aan H en SK naar welke werven ze moesten rijden. Ik deed dit vanuit mijn positie als zaakvoerder van KM. Uiteraard moet ik de werkplaatsen meedelen aan mijn onderaannemer. Hij en H waren ploegbazen voor werknemers van KM BV. Ik deelde mee aan SK en H wie er in hun ploegen zaten. De broer van SK, HK, zat meestal in de ploeg van SK.” Het is duidelijk dat MG de werkplanning maakte, en dat SK – die geïntegreerd werd in de werkploegen van KM BV – niet de vereiste vrijheid had wat betreft zijn werktijd en organisatie van zijn werk. ➢ Mogelijkheid van hiërarchische controle SK verklaarde: “Om de 2 weken kwam M eens naar de werven om te kijken. Hij keek wat we allemaal hadden gedaan. Hij kwam controleren. Hij kwam kijken hoe de werken vooruit gingen. M vroeg wel om foto’s van de werken door te sturen. Dit was elke dag of om de 2 dagen. Ik gaf opmerkingen van niet Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 15 goed uitgevoerde werken door aan M. Dan kwam hij zelf kijken naar de werven om oplossingen te zoeken met ons (de groep van K en KM)”. MG bevestigde dit tijdens zijn verhoor als volgt: - “Ik hield controle op de werven om de werken te controleren. H en SK stuurden dagelijks foto’s van de vooruitgang van de werken naar mij door.” - “Als er problemen waren, ging ik naar de werven om de problemen met de werfleider van de hoofdaannemer te bespreken. Ik besprak dit dan verder met H of SK of het personeel van KM”. Op basis van deze verklaringen is het duidelijk dat MG de mogelijkheid had om instructies te geven aan SK, en ook om de naleving hiervan te controleren. Geen verder bewijs nodig Verwerende partijen bieden in ondergeschikte orde aan om bewijs van een zelfstandige samenwerking te leveren via een persoonlijke verschijning van SK en MG (de vaste vertegenwoordiger van G GCV).Deze personen zijn echter geen partij in dit geding, zodat een persoonlijke verschijning niet mogelijk is. Een getuigenverhoor is echter ook niet nuttig. Zoals hierboven uiteengezet, blijkt de manier waarop de samenwerking tussen K VOF en SK in de praktijk vorm werd gegeven – en dus de aard van hun arbeidsrelatie – immers afdoende uit het administratief dossier van de RSZ en de stukken die neerliggen. De rechtbank gaat dan ook niet in op dit bewijsaanbod. Vordering van de RSZ is gegrond Uit de verhoren en de andere stukken blijkt dat SK in de periode van het 4de kwartaal 2021 tot en met het 4de kwartaal 2022 arbeidsprestaties heeft geleverd voor K VOF tegen betaling van een loon, en dit onder het gezag van MG. De RSZ is dan ook terecht overgegaan tot ambtshalve onderwerping van deze prestaties aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. Hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten Binnen een vennootschap onder firma zijn alle vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap. Dit betekent dat elke vennoot persoonlijk (met zijn privévermogen) aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap, en dat een schuldeiser elk van de vennoten afzonderlijk kan aanspreken voor de gehele schuld (artikel 4:22 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen). Bijgevolg zijn tweede verwerende partij en vierde verwerende partij hoofdelijk aansprakelijk voor de betrokken sociale zekerheidsbijdragen en de interesten hierop. Op de zitting van 12 mei 2025 bleek dat derde verwerende partij (MG met rijksregisternummer …, die intussen overleden
  20. is)verkeerdelijk gedagvaard werd door de RSZ, nl. per vergissing in plaats van MG, de vaste vertegenwoordiger van G GCV). Derde verwerende partij had geen enkel mandaat in de VOF. Ten aanzien van derde verwerende partij moet de vordering dan ook ongegrond worden verklaard. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 16 K VOF ging al over tot betaling van de gevorderde bijdragen en de interesten hierop (onder voorbehoud), en cijfermatig wordt er geen betwisting gevoerd. De rechtbank kan zich bijgevolg beperken tot een eenvoudige bevestiging van de beslissing van de RSZ, en akteneming van de uitgevoerde betaling, zoals gevorderd door de RSZ. Tegenvordering van de verwerende partijen is ongegrond De tegenvordering van verwerende partijen om de RSZ te veroordelen deze bedragen terug te betalen, moet ongegrond worden verklaard. 5. BESLISSING De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas, kamer S8: - spreekt dit vonnis uit op tegenspraak; - rekening houdend met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; - verklaart de vordering van de RSZ ontvankelijk, en in de volgende mate gegrond; - bevestigt de beslissing van de RSZ van 12 februari 2024 dat SK voor zijn tewerkstelling voor K VOF in de periode van 1 oktober 2021 tot 31 december 2022 onderworpen diende te worden aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers; - neemt akte van de door K VOF uitgevoerde betalingen, meer in het bijzonder een bedrag van 37.238,72 euro (RU van 1 maart 2024) op 6 mei 2024, en een bedrag van 309,24 euro (uit hoofde van aanvullende interesten) op 4 juni 2024, en neemt bijgevolg akte dat de volledige vordering van de RSZ door K VOF werd voldaan, zodat de vordering van de RSZ herleid kan worden tot 0,00 euro; - verklaart de tegenvordering van de verwerende partijen ontvankelijk, maar ongegrond; - Verwijst met toepassing van artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek de verwerende partijen in de kosten van het geding, vereffend als volgt: o aan de zijde van de RSZ: ▪ dagvaardingskosten: 556,67 euro; Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 24/413/A p. 17 ▪ rechtsplegingsvergoeding: 3.139,53 euro (basisbedrag voor in geld waardeerbare bedragen tussen 20.000,00 en 40.000,00 euro); o aan de zijde van de verwerende partijen: ▪ rechtsplegingsvergoeding: 3.139,53 euro (basisbedrag). Dit vonnis werd gewezen door: PEETERS LEEN, rechter, VERSTRAETE LUC, rechter in sociale zaken benoemd als werkgever, DESMET BJORN, rechter in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider, bijgestaan door YDENS ANN, griffier. YDENS ANN DESMET BJORN VERSTRAETE LUC PEETERS LEEN en uitgesproken op TIEN JUNI TWEEDUIZEND VIJFENTWINTIG in de buitengewone openbare zitting van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas, kamer S8, door PEETERS LEEN, rechter en bijgestaan door YDENS ANN, griffier. YDENS ANN PEETERS LEEN PDF document ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250610.1 Gerelateerde publicatie(
  21. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130204.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.