← België

ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250618.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 18 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250618.1 Rolnummer: 24/239/A Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2026-03-15 Raadplegingen: 257 - laatst gezien 2026-06-18 06:29 Fiche Artikel 67 Werkloosheidsbesluit bepaalt dat een werkloze geen uitkeringen kan ontvangen tijdens militieverplichtingen, voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving, omdat hij dan niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Elektronisch toezicht, opgelegd in uitvoering van een aanhoudingsbevel van de onderzoeksrechter, geldt als een maatregel van vrijheidsberoving. Het komt neer op huisarrest, waardoor de betrokkene niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Beschikbaarheid arbeidsmarkt Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 67 Tekst van de beslissing In de zaak van: A, RRN:, wonende te, eisende partij op hoofdeis, verwerende partij op tegeneis, vertegenwoordigd door mr. VANTOMME DIMITRI, advocaat met kantoor te 8500 KORTRIJK, Beheerstraat 44, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, KBO: 0206.737.484, met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 7, verwerende partij op hoofdeis, eisende partij op tegeneis, vertegenwoordigd door mr. LAMBRECHT STEFAAN, advocaat met kantoor te 8790 WAREGEM, Stationsstraat

  1. 1 PROCEDURE Eisende partij A heeft een vordering ingesteld tegen de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening (RVA) met een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank op 13 mei
  2. De rechtbank heeft bij beschikking van 16 oktober 2024 in toepassing van artikel 747 §1 Gerechtelijk Wetboek de door partijen overeengekomen conclusietermijnen bekrachtigd en een rechtsdag bepaald op 16 april
  3. Beide partijen verschenen op deze zitting en werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen. De debatten werden vervolgens gesloten. Er werd een termijn bepaald voor het Openbaar Ministerie om een schriftelijk advies neer let leggen uiterlijk op 30 april 2025 en voor partijen een repliektermijn tot uiterlijk 14 mei
  4. Er werd op 30 april 2025 een schriftelijk advies neergelegd van de hand van Substituut-arbeidsauditeur Lisbet Phang. Hierop hebben partijen niet gerepliceerd. Vervolgens werd de zaak in beraad genomen. De stukken van het geding, onder meer deze gevoegd bij het dossier van rechtspleging, werden ingezien. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/239/A – p. 3 De rechtspleging verliep in het Nederlands zoals bepaald bij artikel 2 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. 2 VOORWERP VAN DE VORDERINGEN Eisende partij vordert om de beslissing van de RVA d.d. 14 februari 2024 die ten aanzien van hem werd genomen te vernietigen. Hij vordert ondergeschikt tevens de verjaring van een deel van de terugvordering te horen uitspreken en minstens te horen zeggen dat de terugvordering wordt beperkt tot de laatste 150 dagen uitkeringen wegens goede trouw. Verwerende partij heeft bij conclusie een tegeneis ingesteld ten einde eisende partij te horen veroordelen tot terugbetaling van een som van 14.177,05 EUR aan onverschuldigde uitkeringen. 3 SAMENVATTING VAN DE FEITEN EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN Eisende partij ontving werkloosheidsuitkeringen. Naar aanleiding van gegevens ontvangen van de Federale Overheidsdienst Justitie en een intern onderzoek door de RVA, stelde deze vast dat eisende partij tijdens periodes waarin hij uitkeringen ontving van zijn vrijheid was beroofd en hij niettemin uitkeringen bleef ontvangen gezien hij dit niet meldde op zijn controlekaarten. De periodes van vrijheidsberoving zijn de volgende: - Van 27 september 2020 tot en met 2 maart 2021 verblijf in een detentie-instelling in een gewoon regime; - Van 10 maart 2023 tot en met 9 mei 2023 bevond hij zich opnieuw in detentie onder gewoon regime; - Van 9 mei 2023 tot en met 25 augustus 2023 stond hij onder elektronisch toezicht thuis, in uitvoering van een bevel tot aanhouding onder gerechtelijke voorwaarden. Op 28 november 2023 stelde de RVA een proces-verbaal van inbreuk op, waarin werd vastgesteld dat eisende partij wetens en willens had nagelaten een verplichte verklaring af te leggen of inlichtingen te verstrekken, met als doel ten onrechte een sociaal voordeel – namelijk werkloosheidsuitkeringen – te bekomen. Deze vaststellingen hadden betrekking op het niet-correct invullen van de controlekaart: eisende partij had op geen enkele dag waarop hij van zijn vrijheid was beroofd het voorgeschreven symbool 'A' ingevuld, zoals bepaald in artikel 71 van het Werkloosheidsbesluit. Eisende partij werd op 11 januari 2024 gehoord door de RVA en verklaarde dat hij niet wist dat het verboden was om uitkeringen te ontvangen tijdens detentie. Hij stelde dat hij hierover advies had ingewonnen bij onder meer de VDAB en Justitie, en dat hij op basis daarvan ervan uitging dat hij als gezinshoofd uitkeringen mocht ontvangen, ook tijdens zijn detentie of elektronisch toezicht. Hij voegde toe dat zijn schuldbemiddelaar en justitie-assistent op de hoogte waren van zijn situatie, maar dat zij hem hier nooit op hadden gewezen. Volgens eisende partij verkeerde hij tijdens de eerste detentieperiode in een collectieve schuldenregeling, wat zijn administratieve betrokkenheid zou hebben bemoeilijkt. De schuldbemiddelaar zou maandelijks de bedragen hebben ontvangen zonder daarover opmerkingen te maken. Eisende partij stelt dat dit zijn goede trouw aantoont. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/239/A – p. 4 Op 14 februari 2024 nam de RVA de bestreden beslissing (formulier C29), waarbij: - Eisende partij werd uitgesloten van het recht op uitkeringen voor de periodes van 27 september 2020 t.e.m. 2 maart 2021 en van 10 maart 2023 t.e.m. 25 augustus 2023; - Een terugvordering werd bevolen voor de uitkeringen die betaald werden met betrekking tot de periode vanaf 12 november 2020; - het dossier werd overgemaakt aan het arbeidsauditoraat, dat op 4 december 2023 besliste geen strafrechtelijke vervolging in te stellen; er werd geen administratieve sanctie opgelegd. Eisende partij betwist de wettigheid van de uitsluiting en terugvordering. In het bijzonder voert hij aan: - dat de terugvordering m.b.t. de uitkeringen voor de periode van 27 september 2020 tot 11 november 2020 verjaard is, vermits de uitkeringen voor deze periode ten laatste op 22 december 2020 werden uitbetaald, zodat de driejarige verjaringstermijn op 31 december 2023 verstreek; - dat hij handelde te goeder trouw, onder meer door advies in te winnen bij zijn uitbetalingsinstelling en justitie-assistent; - dat het verblijf onder elektronisch toezicht niet gelijkgesteld kan worden aan een detentie of vrijheidsberoving in de zin van artikel 67 Werkloosheidsbesluit werkloosheid. De RVA stelt daartegenover dat: - de opmaak van het proces-verbaal van 28 november 2023 de verjaring heeft gestuit en dat in voorkomend geval de vijfjarige termijn geldt wegens vermoedelijke fraude; - het elektronisch toezicht een vorm van vrijheidsberoving is en dus valt onder het verbod op het ontvangen van uitkeringen; - eisende partij zijn controleverplichtingen bewust niet is nagekomen en dus geen beroep kan doen op goede trouw. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/239/A – p. 5 4 ONTVANKELIJKHEID De vordering behoort tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank (artikel 7 §11 besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en artikel 580, 2° gerechtelijk wetboek). De vordering werd formeel regelmatig ingesteld bij eenvoudig verzoekschrift (artikel 704 §2 gerechtelijk wetboek). Het beroep diende te worden ingesteld binnen de drie maanden volgend op de kennisgeving van de bestreden beslissing (artikel 7 §11 besluitwet van 28 december 1944, artikel 23 Handvest van de sociaal verzekerde), wat het geval is. Ook de tegenvordering van de RVA tot terugvordering, ingesteld bij conclusie, is ontvankelijk. Het bevel tot terugbetaling werd genomen binnen de driejarige vervaltermijn van artikel 7 §13 van de Besluitwet van 28 december 1944, en de rechtsvordering tot uitvoering hiervan is onderworpen aan een verjaringstermijn van tien jaar (artikel 2262bis oud BW). 5 BEOORDELING TEN GRONDE 5.1 Artikel 67 Werkloosheidsbesluit 25 november 1991 Overeenkomstig artikel 67 kan de werkloze geen uitkeringen genieten gedurende een periode van vervullen van militieverplichtingen, van voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving. Op basis van de tekst van artikel 67 kan niet worden uitgemaakt of het moet gaan om een volledige dan wel een gedeeltelijke vrijheidsberoving. Het is bijgevolg de ratio legis die het mogelijk maakt om die vraag op te lossen. De drie gevallen opgesomd in artikel 67, nl. vervullen van militieverplichtingen, voorlopige hechtenis en vrijheidsberoving, hebben allen met elkaar gemeen dat zij de betrokken persoon onbeschikbaar maken op de arbeidsmarkt, en hem beletten een activiteit uit te oefenen of een opleiding te volgen. Dit is evenwel niet het geval voor de beperkte detentie en het elektronisch toezicht als maatregel van strafuitvoering, die meestal strekken tot het aanmoedigen en bevorderen van de maatschappelijke re- integratie van de gedetineerde, en die hem toelaten de woning te verlaten om te werken of een erkende professionele opleiding te volgen. Om uitkeringen te genieten moet de volledig werkloze beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt (cfr . artikel 56, §1 Werkloosheidsbesluit). Uit het dossier blijkt dat eisende partij werd opgesloten in de gevangenis van 27 september 2020 tot 2 maart 2021 en van 10 maart 2023 tot 9 mei 2023, en daaropvolgend onder elektronisch toezicht stond tot 25 augustus
  5. Het elektronisch toezicht als uitvoering van een aanhoudingsbevel onder gerechtelijke controle van een onderzoeksrechter betreft een zodanig beperkende maatregel dat de betrokken persoon niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Het is in feite een vorm van huisarrest en dus een vorm van vrijheidsberoving dat in toepassing van artikel 67 van het Werkloosheidsbesluit de toekenning van Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/239/A – p. 6 werkloosheidsuitkeringen onmogelijk maakt, wat ook de normale gezinstoestand van de betrokkene is. Aangezien eisende partij zijn controlekaarten niet correct invulde (geen melding van de afwezigheid door het gebruik van de letter “A”), handelde hij in strijd met artikel 71 Werkloosheidsbesluit KB werkloosheid. De uitsluiting is gegrond. 5.2 Verjaring van de terugvordering Elke onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald (artikel 169, eerste lid, Werkloosheidsbesluit) Dat is geen sanctie maar een rechtzetting van een onverschuldigde betaling. Artikel 7 §13 Van de Besluitwet van 28 december 1944 luidt als volgt: “ De rechtsvorderingen tot uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Deze termijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarop de uitkeringen betrekkingen hebben. Het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, alsmede de rechtsvorderingen van de uitbetalingsinstellingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Die termijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog van de werkloze. De verjaringstermijnen bepaald in het tweede lid gaan in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd. Wanneer de uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen onverschuldigd worden omwille van de toekenning of de vermeerdering van een voordeel dat, geheel of gedeeltelijk, niet samen kan genoten worden met de werkloosheidsuitkeringen, gaat de verjaringstermijn in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarin dat voordeel of die vermeerdering werd betaald. Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kunnen deze verjaringstermijnen gestuit worden door een ter post aangetekende brief. De daden die de verjaring stuiten blijven geldig ook indien ze gericht zijn aan een onbevoegde instelling of bestuur op voorwaarde dat die instelling of dat bestuur belast is met de toekenning of de betaling van werkloosheidsuitkeringen. ” De opmaak van een proces-verbaal wegens vermeende strafrechtelijke inbreuken heeft niet zonder meer als gevolg dat de verjaringstermijn op vijf jaar wordt gebracht. Om een terugvordering met toepassing van de vijfjarige verjaringstermijn te verantwoorden, dient verwerende partij weldegelijk bedrieglijk inzicht te bewijzen. Een dergelijk bewijs ligt niet voor. Bijgevolg is de verjaringstermijn drie jaar. In tegenstelling tot wat de RVA stelt stuit de aangetekende kennisgeving van een proces-verbaal de loop van de verjaringstermijn binnen dewelke tot terugvordering dient te worden bevolen niet. Zoals de Arbeidsauditeur in haar advies schrijft heeft de aangetekende kennisgeving van een proces-verbaal enkel als doel om de bewijskracht van dat PV te regelen (artikelen 66 en 67 Sociaal strafwetboek) en dat is iets anders dan het doel om een burgerrechtelijke stuiting van de loop van de verjaringstermijn te bekomen. De verjaring is bijgevolg niet gestuit. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/239/A – p. 7 De RVA kon op 14 februari 2024 enkel terugvorderen wat betaald werd na 1 januari
  6. De betalingen voor september tot en met november 2020 gebeurden uiterlijk in december
  7. De terugvordering ervan was bijgevolg verjaard op 31 december
  8. De RVA vordert trouwens maar uitkeringen terug die betaald werden vanaf 12 november
  9. Voor 2020 wordt een deelsom teruggevorderd van 2.219,66 euro, wat staat voor 43 werkloosheidsuitkeringen. De rechtbank herleidt deze deelsom wegens verjaring tot 2.219,66 euro x 26/43 = 1.342,12 euro. Het totaal terug te betalen bedrag is bijgevolg 13.299,51 euro. 5.3 Beperking terugvordering tot 150 dagen. Wanneer de werkloze bewijst dat hij te goeder trouw uitkeringen ontvangen heeft waarop hij geen recht had, wordt de terugvordering beperkt tot de laatste honderdvijftig dagen van onverschuldigde toekenning. (artikel 169, tweede lid, Werkloosheidsbesluit) Zoals de Arbeidsauditeur aanhaalt ontkent eisende partij niet dat hij de op de controlekaart vermelde verplichting tot het plaatsen van een letter “A” niet heeft nageleefd, maar stelt dat hij zich in 2020 in collectieve schuldenregeling bevond waardoor hij geen kennis had van zijn inkomsten. Deze collectieve schuldenregeling had echter niet als gevolg dat iemand anders voor eisende partij de controlekaarten invulde en indiende. Bovendien beperkte de collectieve schuldenregeling zich naar eigen zeggen tot 2020, zodat de collectieve schuldenregeling in die periode niet relevant is voor de beoordeling van de goede trouw in hoofde van eisende partij in de periode 2021 –
  10. De door eisende partij voorgelegde e-mail (stuk 2) betreft enkel een ongedateerde vraagstelling, maar geen antwoord, zodat hierin ook geen enkel element van goede trouw kan worden teruggevonden. De rechtbank is ervan overtuigd dat het principe dat een persoon die in hechtenis verblijft geen recht kan hebben op werkloosheidsuitkeringen breed gekend is bij gevangen en in het gevangeniswezen. Goede trouw vereist dat eisende partij redelijkerwijze onkundig was van de onwettigheid van de ontvangen uitkeringen. Hij ontkent niet dat hij zijn controlekaart niet correct invulde. De loutere verwijzing naar schuldbemiddelaars of justitieassistenten, zonder formele bevestiging of bewijs van misleiding, volstaat niet. De rechtbank sluit zich aan bij het advies van het arbeidsauditoraat dat de goede trouw niet bewezen is zodat de terugvordering niet kan worden beperkt tot de laatste 150 dagen. 6 BESLISSING Gelet op voorgaande overwegingen beslist de rechtbank als volgt: Rechtdoende op tegenspraak, Alle andere en strijdige conclusies worden verworpen, Gelet op het advies van het openbaar ministerie, Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 24/239/A – p. 8 Verklaart de vordering van A ontvankelijk en in beperkte mate gerond. Zegt voor recht dat de bestreden beslissingen van de RVA van 14 februari 2014 gedeeltelijk wordt vernietigd in die zin dat de terugvordering wordt beperkt tot een som van 13.299,51 euro. Bevestigt voor het overige de bestreden beslissing. Verklaart de tegeneis van de RVA ontvankelijk en in overwegende mate gegrond en veroordeelt A om een bedrag van 13.229,51 euro terug te betalen aan de RVA. De kosten van het geding worden in toepassing van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek ten laste gelegd van de RVA, meer bepaald 24,00 euro bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstande en een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan A van 171,61 euro. Dit vonnis werd gewezen door: MEIRSSCHAUT DANNY, rechter-voorzitter van de kamer, DE WEERT DIETER, rechter in sociale zaken, werkgever, DEVOLDER BIRGITTE, rechter in sociale zaken, werknemer-arbeider, bijgestaan door: HANSSENS KATIA, griffier, HANSSENS KATIA DEVOLDER BIRGITTE DE WEERT DIETER MEIRSSCHAUT DANNY en uitgesproken op ACHTTIEN JUNI TWEEDUIZEND VIJFENTWINTIG in openbare zitting van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk, kamer K6, door MEIRSSCHAUT DANNY, rechter-voorzitter van de kamer en bijgestaan door HANSSENS KATIA, griffier. HANSSENS KATIA MEIRSSCHAUT DANNY PDF document ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250618.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.