id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 19 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250619.1 Rolnummer: 25/226/A Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2025-10-08 Raadplegingen: 385 - laatst gezien 2026-06-17 13:59 Fiche 1 De termijn om derdenverzet in te stellen tegen een beschikking van toelaatbaarheid is ingevolge een wetswijziging van 5 mei 2019, die in werking trad op 2 november 2023, drie maanden. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Inleiding procedure Fiche 2 Het niet kennelijk hebben bewerkstelligd van zijn onvermogen, is een toelaatbaarheidsvereiste voor een procedure van collectieve schuldenregeling. Heeft kennelijk zijn onvermogen bewerkstelligd, de persoon die kort voor zijn verzoekschrift tot het bekomen van een collectieve schuldenregeling een voertuig verkoopt, waarop een schuldeiser beslag had gelegd, terwijl hij bij het indienen van zijn verzoekschrift geen melding had gemaakt van dit beslag en ook had verklaard dat hij in de voorbije 6 maanden geen goederen had vervreemd. Thesaurus CAS: COLLECTIEVE SCHULDENREGELING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Hoedanigheid verzoeker Tekst van de beslissing In de zaak van: V nv, KBO: , gevestigd te , eisende partij, ter zitting vertegenwoordigd door mr. VROMBAUT ALEX, advocaat met kantoor te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46 bus
- tegen: H, RRN: , wonende te , eerste verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door mr. CATRYSSE STIJN, advocaat met kantoor te 8420 DE HAAN, Dorpsstraat
- C, KBO: , met kantoor te , tweede verwerende partij, schuldbemiddelaar en in persoon verschenen ter zitting I. VOORWERP VAN DE ZAAK De rechtbank liet H op 16 januari 2025 toe tot de procedure van collectieve schuldenregeling. Dit dossier werd ingeschreven onder het rolnummer 25/2/B. De rechtbank stelde mr. C aan als schuldbemiddelaar. V NV is een schuldeiser van H. Zij verzoekt dat de beschikking van 16 januari 2025 van de arbeidsrechtbank teniet zou worden gedaan en dat voor recht zou worden gezegd dat H niet toegelaten kan worden tot een collectieve schuldenregeling omdat hij zijn eigen onvermogen heeft bewerkstelligd. V NV verzoekt het uit te spreken vonnis ook bij voorraad uitvoerbaar te verklaren, dit niettegenstaande elke voorziening en met uitsluiting van borgstelling en kantonnement. Zij verzoekt H ook te veroordelen tot de kosten van het geding, die zij aan haar zijde begroot op 519,50 euro aan dagvaardingskosten, en 1.883,72 euro aan rechtsplegingsvergoeding, zo nodig verder te indexeren. II. PROCEDURE VOOR DEZE RECHTBANK V NV ging op 26 maart 2025 over tot dagvaarding in derdenverzet. Deze dagvaarding werd betekend aan de woonplaats van H en aan het kantoor van de schuldbemiddelaar. Zij werden gedagvaard om te verschijnen op de openbare terechtzitting van de arbeidsrechtbank (kamer B7) van maandag 7 april 2025 om 14u. De kamer B2, die zetelt op die dag en op dat uur, verwees de zaak met akkoord van de partijen naar de zitting van 15 mei 2025 van de kamer B7, die volgens het zaakverdelingsreglement van de rechtbank bevoegd is voor geschillen inzake collectieve schuldenregeling. Op de zitting van de kamer B7 van 15 mei 2025 verschenen de volgende personen: - Mr. Vrombaut Alex, raadsman van eisende partij; - Mr. Catrysse Stijn, raadsman van eerste verwerende partij; - Mr. C, schuldbemiddelaar en tevens tweede verwerende partij. De rechtbank hoorde de vertegenwoordigde en aanwezige partijen, sloot vervolgens de debatten en nam de zaak in beraad. De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging. De rechtspleging verliep in het Nederlands, overeenkomstig de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. III. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK Ontvankelijkheid 3.
- De vordering tot collectieve schuldenregeling wordt ingeleid met een verzoekschrift bij de rechter. Het wordt neergelegd ter griffie en behandeld overeenkomstig de bepalingen van titel IV van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1675/4 Ger.W.). De rechter onderzoekt deze vordering op stukken, al kan hij de verzoeker in raadkamer oproepen. De schuldeisers worden echter niet betrokken bij het onderzoek van de vordering (art. 1675/6, §1 Ger.W.). De beschikking van toelaatbaarheid is vatbaar voor derdenverzet, echter zonder dat artikel 1122, 2de lid, 3° Ger.W. kan worden ingeroepen (art. 1675/16ter Ger.W.). Artikel 1122, 2de lid, 3° Ger.W. bepaalt dat een schuldeiser in beginsel géén derdenverzet kan aantekenen, tenzij de schuldenaar bedrog heeft gepleegd of wanneer de schuldeiser zich kan beroepen op een hypotheek, een voorrecht of enig ander recht dat buiten hun schuldvordering ligt. Kortom, een schuldeiser kan tegen een beschikking van toelaatbaarheid tot een procedure van collectieve schuldenregeling derdenverzet aantekenen, zonder dat de beperkende voorwaarden die voortvloeien uit artikel 1122, 2de lid, 3° Ger.W. van toepassing zijn. 3.
- Vroeger, en tot 31 december 2022, bepaalde artikel 1675/4, §1 Ger.W. dat een vordering tot collectieve schuldenregeling werd behandeld overeenkomstig de artikelen 1027 tot 1034 Ger.W., en dus niet louter overeenkomstig de bepalingen van titel IV van het Gerechtelijk Wetboek inzake collectieve schuldenregeling. De kruisverwijzing naar artikel 1034 Ger.W. hield in dat het verzet tegen de beschikking van toelaatbaarheid moest gebeuren binnen een maand nadat de beslissing aan de eiser in verzet was betekend (zie in die zin: Arbrb. Gent, afd. Dendermonde, 5 mei 2021, TGR-TWVR 2021, 245; E. Van Acker, e.a., Praktische gids voor schuldbemiddelaars, Kluwer, 2013,28). De wijziging bij wet van 5 mei 2019, die in werking trad op 2 november 2023 (zie KB van 11 oktober 2023), heeft ertoe geleid dat er geen kruisverwijzing meer is naar artikel 1034 Ger.W., zodat wat de verzetstermijn betreft teruggevallen moet worden op artikel 1129 Ger.W. Deze wetsbepaling luidt als volgt: “Wanneer het vonnis betekend is aan de derde, moet deze het derdenverzet instellen binnen drie maanden, te rekenen van die betekening.” 3.
- De raadsman van H voert ten onrechte aan dat het derdenverzet niet ontvankelijk zou zijn, omdat het niet gebeurde binnen een maand na betekening van de beschikking van toelaatbaarheid. V NV beschikte vanaf dan immers over een termijn van 3 maanden, die inging op 21 januari 2025 (datum betekening). Dit staat ook zo correct vermeld in het informatieblad dat overeenkomstig artikel 780/1 Ger.W. aan V NV werd bezorgd. Het derdenverzet van V NV, gedaan op 26 maart 2025, is tijdig en ontvankelijk. Gegrondheid 3.
- Elke natuurlijke persoon, die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel kan, indien hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, bij de rechter een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen (art. 1675/2, 1 ste lid Ger.W.). Indien de in het eerste lid bedoelde persoon vroeger koopman is geweest, kan hij dat verzoek slechts indienen ten minste zes maanden na het stopzetten van zijn handel of, zo hij failliet werd verklaard, na de sluiting van het faillissement (art. 1675/2, 2de lid Ger.W.). Het niet kennelijk hebben bewerkstelligd van zijn onvermogen, is met andere woorden een toelaatbaarheidsvereiste, evenzeer als het feit niet langer koopman (ondernemer) te zijn. 3.
- V NV voert aan dat H kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd. Zij wijst op het volgende: - H was zaakvoerder van J BV en huurde een handelspand van V NV. Er kwam in de loop der jaren, en vooral vanaf 2024, een grote huurachterstal tot stand. Op 28 augustus 2024 dagvaardde V NV de vennootschap voor de vrederechter, teneinde de handelshuurovereenkomst te laten ontbinden. Ook H werd gedagvaard, omdat hij zich borg had gesteld. - Bij vonnis van 7 oktober 2024 veroordeelde de vrederechter H om de achterstallige huurlasten en onroerende voorheffing, alsook een wederverhuringsvergoeding te betalen aan V NV. Het gaat om een hoofdelijke veroordeling, samen met J BV en nog een andere borgsteller. - Op 12 november 2024 legde V NV uitvoerend beslag op een voertuig Audi Q8 dat op dat ogenblik stond ingeschreven op naam van H. - Op 18 december 2024 lichtte de gerechtsdeurwaarder V NV in dat de vennootschap J BV haar maatschappelijke zetel op 31 maart 2024 had verplaatst, en dat er geen vestiging van de vennootschap meer is in B. Hij verwees naar een publicatie in het Belgisch Staatsblad van 6 december
- - Op 19 december 2024 mailde H naar de gerechtsdeurwaarder met de mededeling dat het voertuig niet meer zijn eigendom was en dat hij dat voertuig al had verkocht aan een derde, hetgeen hij zou kunnen aantonen. Op datum van 19 december 2024 stond het voertuig bij DIV echter wel nog steeds ingeschreven op naam van H. - Op 23 december 2024 stelde de beslagrechter een sekwester aan voor het in beslag genomen voertuig, maar deze kon het voertuig niet terugvinden, ook niet na bijstand te hebben gevraagd aan de politie. - Op 3 januari 2025 liet de sekwester aan V NV weten dat het voertuig op naam van H op 28 december 2024 was geschrapt bij DIV. De rechtbank vult aan dat H met een verzoekschrift van 2 januari 2025 een vordering tot collectieve schuldenregeling instelde, dus daags voordat het voertuig bij DIV werd geschrapt. 3.
- De rechtbank komt op basis van de hierboven aangehaalde elementen tot het besluit dat H wel degelijk kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd. De vaststelling dringt zich op dat hij – geconfronteerd met een aanzienlijke schuld en ook geconfronteerd met een uitvoerende beslagmaatregel op het voertuig dat zijn eigendom was – zijn toevlucht zocht tot de collectieve schuldenregeling. De rechtbank verwijst naar de registratiegegevens bij DIV, waaruit blijkt dat H minstens tot 28 december 2024 een voertuig Audi Q8 op zijn naam had ingeschreven. De rechtbank merkt op dat H bij het indienen van zijn verzoekschrift tot het bekomen van een collectieve schuldvordering heeft verklaard dat hij in de voorbije 6 maanden geen goederen had vervreemd. De inhoud van die verklaring strookt niet met de gegevens die geregistreerd staan bij DIV. Hij legde daarover dus een valse verklaring af. Het verweer van H dat hij het desbetreffende voertuig zou hebben verkocht nog vóór er uitvoerend beslag werd gelegd, overtuigt niet. H brengt geen enkel stuk naar voor dat zijn bewering staaft. De vaststelling dringt zich daarenboven op dat H de rechtbank bij het indienen van zijn verzoekschrift heeft misleid door te stellen dat er bij zijn schuldeisers geen bereidheid was om te komen tot een afbetalingsregeling en door op geen enkele wijze melding te maken van de uitvoerende beslagen die waren gelegd. V NV legt thans briefwisseling voor, met inbegrip van e-mailberichten, waaruit blijkt dat er wel degelijk een zekere bereidheid bestond om genoegen te nemen met redelijke afbetalingen. Zo werd er uiteindelijk ook afgezien van de uitvoering van het roerend beslag op handelsgoederen, net omdat een afbetaling in het vooruitzicht werd gesteld. Uit de stukken die voorliggen blijkt dat H zijn belangrijkste schuldeiser aan het lijntje heeft gehouden om in die periode zijn onvermogen verder te kunnen organiseren. De rechtbank onderstreept dat het voertuig Q8
(2020)een waardevol luxevoertuig betreft. H had er zijn schulden mee kunnen betalen, of minstens een groot deel ervan. Hij verkoos er daarentegen voor dit onderpand aan zijn belangrijkste schuldeiser te onttrekken. Uitvoerbaarheid van het vonnis en kosten van het geding 3.
- Inzake collectieve schuldenregeling zijn de uitspraken van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling (art. 1675/16ter Ger.W.). 3.
- De in het ongelijke gestelde partij moet de kosten van het geding dragen (art. 1017, 1 ste lid Ger.W.). Dit is in deze zaak H. V NV heeft recht op een rechtsplegingsvergoeding. Het gaat in deze zaak om een niet in geld waardeerbare vordering. Het huidige basistarief daarvoor is 1.883,72 euro. De vordering van V NV om H te horen veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding van die omvang is dan ook gegrond. IV. BESLISSING VAN DE RECHTBANK De arbeidsrechtbank stelt vast dat de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken nageleefd zijn en doet uitspraak op tegenspraak. De rechtbank het derdenverzet ontvankelijk en gegrond. De rechtbank vernietigt de beschikking van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge van 16 januari 2025 uitgesproken in de zaak met algemeen rolnummer 2025/00002/B, waarbij het verzoek van H om een collectieve schuldenregeling te verkrijgen toelaatbaar werd verklaard. De rechtbank zegt voor recht dat H niet toegelaten wordt tot de procedure van collectieve schuldenregeling. De rechtbank draagt de schuldbemiddelaar op: - overeenkomstig artikel 1675/14 §3 van het Gerechtelijk Wetboek op het bericht van collectieve schuldenregeling de datum van vernietiging van de beschikking van toelaatbaarheid te vermelden; - een afsluitende staat van erelonen, kosten en emolumenten te bezorgen aan de rechtbank; Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/226/A – p. 7 - de rubriekrekening van de collectieve schuldenregeling te vereffenen en af te sluiten; - alle andere noodzakelijke verrichtingen uit te voeren die voortvloeien uit de vernietiging van de hierboven vermelde beschikking, waarna zijn mandaat als beëindigd mag worden beschouwd. De rechtbank verwijst H in de kosten van het geding en begroot deze als volgt: - de dagvaardingskosten, met inbegrip van de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de Juridische Tweedelijnsbijstand: 519,40 euro; - een rechtsplegingsvergoeding voor V NV: 1.883,72 euro. Verzoeken de griffie om kennis te geven aan alle in het derdenverzet betrokken partijen van onderhavig vonnis. Verklaren onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling. Dit vonnis werd gewezen door: PDF document ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20250619.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div