← België

ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20251008.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 08 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20251008.1 Rolnummer: 25/403/A Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-04-21 Raadplegingen: 277 - laatst gezien 2026-06-18 06:42 Fiches 1 - 3 Artikel 17 Handvest Sociaal Verzekerde verzet zich tegen een terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen door de uitbetalingsinstelling wanneer de onterechte betaling uitsluitend het gevolg is van een fout van die uitbetalingsinstelling, en ook al bepaalt artikel 166 van het KB Werkloosheid het tegendeel. Artikel 166 van het KB Werkloosheid moet op grond van artikel 159 Gw. buiten toepassing worden gelaten. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Procedure - Terugvordering SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) - Handvest sociaal verzekerde - W. 11 april 1995 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 Tekst van de beslissing In de zaak van: G, RRN, wonende te Eisende partij, op de openbare terechtzitting in persoon verschenen tegen: HULPKAS VOOR WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN (HVW), KBO: 0206.732.536, openbare instelling van sociale zekerheid, met maatschappelijke zetel te 1210 Brussel, Brabantstraat 62, Verwerende partij, op de openbare zitting vertegenwoordigd door Nina Claes, attaché, gemandateerde/gevolmachtigde om op te treden voor de administrateur-generaal Stijn De Wilde I. VOORWERP VAN DE VORDERING

  1. De heer G tekent beroep aan tegen de beslissing van de HVW van 8 april 2025 om de werkloosheidsuitkeringen die hij onrechtmatig ontving voor juli 2024 van hem terug te vorderen en dit voor een totaal bedrag van 168,26 euro.
  2. In besluiten neergelegd ter griffie op 14 augustus 2025 vraagt de HVW bij tegeneis de veroordeling van de heer G tot terugbetaling van 168,26 euro aan onrechtmatig verkregen werkloosheidsuitkeringen. II. PROCEDURE
  3. De rechtbank past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe.
  4. Er werd onder meer kennis genomen van de volgende procedurestukken: - het verzoekschrift dat op 14 april 2025 werd ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 25/403/A – p. 3 - de oproeping voor de openbare zitting van 10 september 2025 (art. 704 Ger.W.1) - de besluiten voor de HVW, neergelegd 14 augustus 2025 - het administratief dossier - de voorgelegde stukken.
  5. Beide partijen waren aanwezig op de zitting van 10 september
  6. Partijen zetten de zaak uiteen. Nadat de debatten werden gesloten, werd het dossier meegedeeld aan het Openbaar Ministerie. De heer K. SALOMEZ, substituut-arbeidsauditeur heeft mondeling advies verleend. Geen van beide partijen gaf hier repliek op. De zaak werd vervolgens in beraad genomen. III. RELEVANTE FEITEN De HVW betaalde de heer G op 19 augustus 2024 een brutobedrag van 2.271,51 euro voor de maand juli
  7. Dit stemde overeen met een nettobedrag van 2.042,32 euro. Met een brief gedateerd op 8 april 2025 liet de HVW aan de heer G weten dat de werkloosheidsuitkeringen die HVW betaalt, nadien worden gecontroleerd door de RVA en dat de RVA in zijn dossier de gedane uitkering niet goed keurde omwille van volgende reden: “U had recht op uitkeringen vanaf 3/7/24 na verbrekingsvergoeding. Dit gaf recht op 25 dagen x 84.13 = 2103.25 euro. Wij betaalden u ten onrechte 27 dagen uit.” De HVW deelde mee dat zij 168,26 euro bruto te veel aan de heer G had betaald. Zij vorderde dit brutobedrag van hem terug. De heer G tekende op 14 april 2025 beroep aan tegen de beslissing van de HVW. Hij schreef op 17 april 2025 het brutobedrag van 168,26 euro wel (onder voorbehoud) over naar de HVW. IV. BEOORDELING Bevoegdheid en toelaatbaarheid
  8. Het geschil behoort tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank (art. 580, 2° Ger.W.). 1 Gerechtelijk Wetboek Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 25/403/A – p. 4
  9. De hoofdvordering werd ingeleid met een verzoekschrift, ontvangen op de griffie van de rechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas op 14 april
  10. Ze is gericht tegen de beslissing van de HVW, gedateerd op 8 april
  11. De vordering werd ingesteld binnen de drie maanden volgend op de kennisgeving van de bestreden beslissing en is dus tijdig (art. 7 §11 Besluitwet2). Daarnaast werd het beroep regelmatig naar vorm ingeleid (art. 704 §2 Ger.W.). De rechtbank stelt veder vast dat de heer G over het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid beschikt (art. 17 en 18 Ger.W.). De hoofdvordering is derhalve toelaatbaar.
  12. De tegeneis werd gesteld in besluiten neergelegd op de griffie op 14 augustus
  13. Ook de tegenvordering werd tijdig (art. 7 §13 Besluitwet en art. 2262bis §1, 1 ste lid Oud B.W.)3 en regelmatig naar vorm (art. 809 Ger.W.) gesteld. De HVW beschikt verder over het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid (art. 17 en 18 Ger.W.). De tegeneis is bijgevolg eveneens toelaatbaar. Beoordeling ten gronde
  14. Uit de stukken van het dossier, de neergelegde besluiten en de toelichtingen ter zitting, blijkt dat er op zich geen betwisting kan bestaan over het feit dat de heer G voor de maand juli 2024 teveel aan werkloosheidsuitkeringen ontving. De HVW betaalde ten onrechte uitkeringen voor 27 dagen uit terwijl de heer G recht had op 25 dagen aan uitkeringen. Concreet leidde dit ertoe dat de heer G voor de maand juli 2024 een brutobedrag van 2.271,51 euro ontving terwijl hij voor die maand slechts recht had op een bruto bedrag van 2.103,25 euro. De HVW betaalde 168,26 euro bruto te veel uit.
  15. 2 Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. 3 Cass. AR S.05.0022.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060327.4, 27 maart
  16. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 25/403/A – p. 5 Overeenkomstig artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit4 moet elke onrechtmatig ontvangen som worden terugbetaald.
  17. De foutieve uitbetaling is in casu evenwel niet aan de heer G te wijten – die geen verkeerde of onvolledige informatie doorgaf – maar louter aan de vergissing die de HVW heeft begaan in de berekening van het bedrag van de uitkeringen. Artikel 167 van het Werkloosheidsbesluit stelt dat de uitbetalingsinstelling aansprakelijk is
  18. voor de vergissing die ze heeft begaan in de berekening van het bedrag van de uitkeringen die de werkloze toekomt;
  19. voor de betalingen die zij heeft verricht zonder geldige uitkeringskaart die het recht op uitkeringen verleent;
  20. voor de betalingen die zij heeft verricht met miskenning van de wettelijke en reglementaire bepalingen;
  21. voor de betalingen die zij heeft verricht en die het werkloosheidsbureau heeft verworpen of uitgeschakeld uitsluitend wegens een fout of nalatigheid die aan de uitbetalingsinstelling is te wijten, inzonderheid wanneer de stukken buiten de reglementaire termijn aan het werkloosheidsbureau zijn overgemaakt;
  22. voor de betalingen van uitkeringen waarop de werkloze geen recht heeft en die zij heeft verricht met miskenning van de verplichtingen bedoeld in artikel 134ter. tenzij de werkloze zelf schuld heeft aan de verkeerde betalingen (behoudens in geval van hoger aangegeven situatie onder 5). Dit belet, nog volgens artikel 167 van het Werkloosheidsbesluit, echter niet dat de uitbetalingsinstelling zich toch op de werkloze verhaalt voor de ten onrechte betaalde sommen, behoudens in het geval bedoeld onder punt
  23. Het Hof van Cassatie geeft een strikte interpretatie aan artikel 167, 1ste lid, 4de van het Werkloosheidsbesluit: de verwerping van een uitgave in de zin van artikel 167, 1ste lid, 4de van het Werkloosheidsbesluit is uitsluitend te wijten aan een fout of een nalatigheid van de uitbetalingsinstelling, wanneer het recht van de werknemer op de werkloosheidsuitkeringen, waarmee die uitgave overeenstemt, bestaat los van die fout of van die nalatigheid.5 Bovenstaande impliceert dat in geval van onterechte uitbetalingen ten gevolge van een fout in hoofde van een uitbetalingsinstelling, deze laatste altijd tot terugvordering kan overgaan bij de werkloze, tenzij de werkloze in beginsel een recht had op het bedrag van de uitkering maar dit recht niet langer kan genieten door een fout van de uitbetalingsinstelling. Op dat ene geval na, kunnen uitbetalingsinstellingen hun fouten steeds afwentelen op de werkloze.
  24. 4 Koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering 5 Cass. AR D.09.0055.F, 27 september 2010 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 25/403/A – p. 6 De conclusie uit randnummer 3 botst evenwel met de algemene regel in het socialezekerheidsrecht – zeker sinds de invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde6 – dat de instelling van sociale zekerheid niet kan terugvorderen wat zij door haar fout teveel heeft betaald, voor zover er geen sprake is van fraude of dergelijke. Deze algemene regel werd expliciet verankerd in artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde. Artikel 17, 2de en 3de lid van het Handvest van de sociaal verzekerde bepaalt immers dat wanneer wordt vastgesteld dat een beslissing is aangetast door een juridische of materiële vergissing, een nieuwe beslissing wordt genomen die, indien de vergissing aan de instelling van sociale zekerheid te wijten is, uitwerking heeft op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan, als het recht op de prestatie kleiner is dan het aanvankelijk recht, en voor zover de sociaal verzekerde niet wist of moest weten dat hij geen recht (meer) heeft op het gehele bedrag van een prestatie. Waar artikel 166 van het Werkloosheidsbesluit de toepassing van artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde uitdrukkelijk uitsluit, door te bepalen dat de beslissingen die de RVA neemt in het kader van de verificatieprocedure niet kunnen worden beschouwd als nieuwe beslissingen voor de toepassing van artikelen 17 en 18 van het Handvest van de sociaal verzekerde, dient dit artikel naar het oordeel van de rechtbank bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten beschouwing te worden gelaten. Artikel 159 van de Grondwet voorziet immers dat de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wet overeenstemmen. De bepalingen van het Werkloosheidsbesluit (besluit) moeten dan ook terzijde worden geschoven ten voordele van artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde (wet) in zoverre ze hiermee in conflict komen. Anders oordelen zou ten andere een niet te rechtvaardigen onderscheid – en dus discriminatie – teweeg brengen tussen een werkloze en de begunstigde van andere sociale uitkeringen, die zich beiden in een zelfde situatie bevinden. Beide categorieën betreffen sociaal verzekerden die zich geconfronteerd zien met de terugvorderingen van een teveel uitbetaald bedrag ten gevolge van de fout van een instelling van sociale zekerheid. Voor beide categorieën worden de rechten beheerd door instellingen van sociale zekerheid en de budgettaire gevolgen van de mogelijkheid tot terugvordering zowel als de complexiteit van de regelgeving en dergelijke meer zijn factoren die aanwezig zijn in elke sector van de sociale zekerheid, voor alle sociaal verzekerden.7 Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het wel toepassen van hoger weergegeven bepalingen inzake werkloosheid daarnaast ook een discriminatie zou inhouden tussen werklozen aan wie teveel werd uitgekeerd ten gevolge een fout van een uitbetalingsinstelling en werklozen die teveel aan uitkeringen ontvingen ten gevolge van een juridische of materiële vergissing in hoofde van de RVA zelf. Deze laatste categorie kan zich immers beroepen op artikel 149 van het Werkloosheidsbesluit dat voorziet dat wanneer wordt vastgesteld dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing in hoofde van het werkloosheidsbureau waardoor uitkeringen geheel of gedeeltelijk ten 6 wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde 7 Arbeidshof Luik (2e kamer) 6 juni 2018, JTT 2019,
  25. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 25/403/A – p. 7 onrechte werden toegekend, een herziening van een beslissing of van het recht op uitkeringen in beginsel pas ingaat vanaf de eerste dag van de maand volgend op de derde werkdag na de afgifte ter post van de brief, waarbij de beslissing ter kennis wordt gebracht van de werkloze, of bij gebreke daaraan, na de verzending van de beslissing aan de uitbetalingsinstelling. Artikel 166 van het Werkloosheidsbesluit bepaalt echter dat de beslissingen die de RVA neemt in het kader van de verificatieprocedure niet worden beheerst door de bepalingen opgenomen in artikel 149 van het Werkloosheidsbesluit. Ook dit valt niet te verantwoorden, te meer daar het Grondwettelijk Hof8 eerder reeds oordeelde dat het in het licht van de doelstellingen van de wetgever niet ter zake dienend is, de sociaal verzekerde rechthebbenden op verschillende wijze te behandelen naargelang de prestaties hun worden toegekend ter uitvoering van een beslissing door een privaatrechtelijke instelling of door een publiekrechtelijke instelling.9 Het zonder meer toepassen van artikel 166 van het Werkloosheidsbesluit zou er met andere woorden toe leiden dat werklozen die zich geconfronteerd zien met een terugvordering ten gevolge van een fout van de uitbetalingsinstelling zich als enige groep niet zouden kunnen beroepen op het voordeel van een niet-retroactiviteitsregel. Dergelijk onderscheid valt naar het oordeel van de rechtbank niet te rechtvaardigen en kan niet worden gehonoreerd.
  26. De rechtbank stelt vast dat het arbeidshof Gent dit “recent” bevestigde in een arrest van 13 mei 2024, waarnaar ook het Openbaar Ministerie in zijn mondeling advies verwees. De rechtbank sluit zich aan bij de overwegingen die het arbeidshof in dit arrest maakt: “De artikelen 166 en 167 van het Werkloosheidsbesluit behandelen werklozen die onterecht, door een vergissing, uitkeringen hebben genoten anders wanneer deze vergissing werd begaan door een uitbetalingsinstelling als meewerkende instelling van sociale zekerheid dan wanneer deze vergissing werd begaan door de RVA als openbare instelling van sociale zekerheid. Dit onderscheid schendt het gelijkheidsbeginsel doordat deze ongelijke behandeling van een gelijke situatie, namelijk een werkloze ontvangt ten onrechte uitkeringen door een vergissing van een instelling van sociale zekerheid, vooreerst al niet kan berusten op de definitie van het begrip ‘instelling van sociale zekerheid’. Deze laatste behelst zowel de openbare instellingen van sociale zekerheid, zoals de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, als de meewerkende instellingen van sociale zekerheid, zoals appellant. Dit onderscheid, gemaakt op grond van artikel 18bis van de HSV-wet, kan de toets met de beginselen zoals neergelegd in de artikel 10 en 11 van de Grondwet al evenmin doorstaan omdat het niet verantwoord is de sociaal verzekerde die nadeel heeft van een vergissing van een meewerkende instelling van sociale zekerheid, verschillend te behandelen ten opzichte van diegene die nadeel heeft van een vergissing van een openbare instelling van sociale zekerheid. De omstandigheid, verantwoording voor de invoering van de artikelen 166 en 167 van het Werkloosheidsbesluit, dat in de sector van de werkloosheidsverzekering er vaak beslissingen worden genomen door meewerkende instellingen van sociale zekerheid, namelijk de uitbetalingsinstellingen, kan evenmin de ongelijke behandeling verantwoorden. Het feit dat de 8 Grondwettelijk Hof 196/2005, 21 december 2005 9 Arbeidshof Gent (6e kamer) 9 april 2018, JTT 2018,
  27. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 25/403/A – p. 8 genomen beslissingen naderhand dienen te worden gecontroleerd door het Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en dat die controle materieel onmogelijk kan geschieden binnen de termijn van drie maanden, de periode waarbinnen beroep kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank en waarbinnen de instelling haar beslissing kan herzien, kan dat verschil in behandeling ook niet verantwoorden. Hetzelfde geldt voor het door de artikelen 166 en 167 van het Werkloosheidsbesluit gemaakte onderscheid tussen werklozen van wie door een uitbetalingsinstelling omwille van zijn fout onterecht betaalde uitkeringen worden teruggevorderd en andere sociaal verzekerden die met een terugvordering onterecht betaalde uitkeringen van een instelling van sociale zekerheid die een vergissing beging, worden geconfronteerd. In die zin zijn de bepalingen van de artikelen 166 en 167 van het Werkloosheidsbesluit in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dienen zij, in toepassing van artikel 159 van de Grondwet, buiten beschouwing te worden gelaten.”
  28. Concreet betekent dit voor het voorliggend geschil dat HVW gelet op artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde hetgeen teveel werd betaald niet kan terugvorderen van de heer G aangezien hij niet wist of moest weten dat hij geen recht had op deze bedragen. De rechtbank besluit bijgevolg dat de heer G niet gehouden is tot terugbetaling van de onterecht uitgekeerde vergoedingen ten bedrage van in totaal 168,26 euro. HVW moet aan de heer G dan ook het bedrag van 168,26 euro terugbetalen dat hij op 17 april 2025 (onder voorbehoud) aan HVW overmaakte. VI. BESLISSING De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas, kamer S
  29. Rechtsprekend op tegenspraak Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gelet op het eensluidend mondeling advies van het Openbaar Ministerie. Alle andere en tegenstrijdige conclusies verwerpend. Verklaart de vordering van de heer G toelaatbaar en gegrond. Zegt voor recht dat de heer G niet gehouden is tot terugbetaling van de ten onterechte uitgekeerde vergoedingen ten bedrage van 168,28 euro. Veroordeelt HVW dienvolgens tot terugbetaling aan de heer G van het bedrag van 168,26 euro dat hij op 17 april 2025 (onder voorbehoud) aan HVW overmaakte. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Sint-Niklaas – 25/403/A – p. 9 Wijst de tegenvordering van de HVW af als ongegrond. Legt de kosten van het geding krachtens artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek ten laste van HVW, inzonderheid - 26,00 euro bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - de kosten aan de zijde van de heer G die evenwel niet worden vereffend bij gebrek aan een kostenopgave. Dit vonnis werd gewezen door: PDF document ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20251008.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060327.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.