id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 15 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20251015.1 Rolnummer: 24/470/A, 24/471/A en 24/472/A Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-06-18 06:43 Fiche Schending zorgvuldigheidsplicht door laattijdig toekennen van een invaliditeitsuitkeringen: onredelijk lang aanslepen van behandeling dossier. Toekenning van moratoire interest als compensatie voor laattijdig toegekende uitkeringen en bijkomende veroordeling tot schadevergoeding. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) - Handvest sociaal verzekerde - W. 11 april 1995 Tekst van de beslissing In de zaak van: MR. VANDENBERGHE CORINE QQ D, RRN:, met kantoor te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147, eisende partij, waar meester Vandenberghe Corine verschijnt ter zitting tegen: RIZIV, KBO: 0206.653.946, gevestigd te 1210 BRUSSEL, Galileelaan 5/01, eerste verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door mr. DE SCHEPPER LUC, advocaat met kantoor te 8000 BRUGGE, Korte Ridderstraat 1. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, KBO: 0411.702.543, gevestigd te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579 - bus 40, tweede verwerende partij, niet verschenen, noch vertegenwoordigd ter zitting 1. PROCEDURE 24/470/A (voorheen AR: 17/378/A) Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 24 februari 2017 heeft de eisende partij qq. beroep ingesteld tegen de beslissing van het RIZIV van 1 december 2016. De rechtbank deelde de zaak mee aan het openbaar ministerie, dat besliste niet tussen te komen in deze zaak. De partijen werden behoorlijk opgeroepen om te verschijnen op de openbare zitting van 7 juni 2017. Op voornoemde zitting werd de zaak, met akkoord van de partijen, in dezelfde staat verdaagd naar de openbare zitting van 25 oktober 2017, alwaar zij opnieuw werd verdaagd naar de openbare zitting van 22 november 2017. Bij beschikking van 6 december 2017 werden de tussen partijen overeengekomen conclusietermijnen bekrachtigd en werd een rechtsdag bepaald. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 3 De eisende partij legde een conclusie neer ter griffie op 21 februari 2018. Partijen zijn verschenen op de openbare zitting van 28 maart 2018. De zaak werd met akkoord van de partijen verzonden naar de bijzondere rol. Op de zitting van 6 december 2021 werd de zaak ambtshave weggelaten van de rol. Op 16 juli 2024 legde het RIZIV een verzoek tot herschrijving en tot het vaststellen van een conclusiekalender neer ter griffie. Bij beschikking van 4 september 2024 werden conclusietermijnen en een rechtsdag bepaald. De eisende partij legde een syntheseconclusie neer ter griffie op 14 oktober 2024. De verwerende partij legde een conclusie neer ter griffie op 18 november 2024. De partijen zijn verschenen op de openbare zitting van 18 december 2024 alwaar de zaak met akkoord van de partijen, werd verdaagd naar de zitting van 19 maart 2025, teneinde het openbaar ministerie toe te laten de LCM als procespartij in het geding te betrekken. De eisende partij en het RIZIV zijn verschenen op de openbare zitting van 19 maart 2025. Voor de LCM verscheen niemand. De zaak werd verdaagd naar de openbare zitting van 17 september 2025 om de LCM toe te laten het administratief dossier over te maken. Op 17 september 2025 bezorgde de LCM, na herhaaldelijk aandringen van het openbaar ministerie, haar administratief dossier. De eisende partij en het RIZIV zijn verschenen op de openbare zitting van 17 september 2025 en werden gehoord. Voor de LCM verscheen niemand. De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging, het administratief dossier en de stukken van partijen. De rechtspleging verliep in het Nederlands overeenkomstig artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 4 24/471/A (voorheen AR: 17/723/A) Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 17 mei 2017 heeft de eisende partij qq. beroep ingesteld tegen de beslissing van het RIZIV van 8 maart 2017. De rechtbank deelde de zaak mee aan het openbaar ministerie, dat besliste niet tussen te komen in deze zaak. De partijen werden behoorlijk opgeroepen om te verschijnen op de openbare zitting van 25 oktober 2017, alwaar de zaak werd verdaagd naar de openbare zitting van 22 november 2017. Bij beschikking van 6 december 2017 werden de tussen partijen overeengekomen conclusietermijnen bekrachtigd en werd een rechtsdag bepaald. De eisende partij legde een conclusie neer ter griffie op 21 februari 2018. Partijen zijn verschenen op de openbare zitting van 28 maart 2018. De zaak werd met akkoord van de partijen verzonden naar de bijzondere rol. Op de zitting van 6 december 2021 werd de zaak ambtshave weggelaten van de rol. Op 16 juli 2024 legde het RIZIV een verzoek tot herschrijving en tot het vaststellen van een conclusiekalender neer ter griffie. Bij beschikking van 4 september 2024 werden conclusietermijnen en een rechtsdag bepaald. De eisende partij legde een syntheseconclusie neer ter griffie op 14 oktober 2024. De verwerende partij legde een conclusie neer ter griffie op 18 november 2024. De partijen zijn verschenen op de openbare zitting van 18 december 2024 alwaar de zaak met akkoord van de partijen, werd verdaagd naar de zitting van 19 maart 2025, teneinde het openbaar ministerie toe te laten de LCM als procespartij in het geding te betrekken. De eisende partij en het RIZIV zijn verschenen op de openbare zitting van 19 maart 2025. Voor de LCM verscheen niemand. De zaak werd verdaagd naar de openbare zitting van 17 september 2025 om de LCM toe te laten het administratief dossier over te maken. Op 17 september 2025 bezorgde de LCM, na herhaaldelijk aandringen van het openbaar ministerie, haar administratief dossier. De eisende partij en het RIZIV zijn verschenen op de openbare zitting van 17 september 2025 en werden gehoord. Voor de LCM verscheen niemand. De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 5 De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging, het administratief dossier en de stukken van partijen. De rechtspleging verliep in het Nederlands overeenkomstig artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. 24/472/A (voorheen AR: 17/874/A) Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 13 juli 2017 heeft de eisende partij qq. beroep ingesteld tegen de beslissing van het RIZIV van 1 juni 2017. De rechtbank deelde de zaak mee aan het openbaar ministerie, dat besliste niet tussen te komen in deze zaak. De partijen werden behoorlijk opgeroepen om te verschijnen op de openbare zitting van 25 oktober 2017, alwaar de zaak werd verdaagd naar de openbare zitting van 22 november 2017. Bij beschikking van 6 december 2017 werden de tussen partijen overeengekomen conclusietermijnen bekrachtigd en werd een rechtsdag bepaald. De eisende partij legde een conclusie neer ter griffie op 21 februari 2018. Partijen zijn verschenen op de openbare zitting van 28 maart 2018. De zaak werd met akkoord van de partijen verzonden naar de bijzondere rol. Op de zitting van 6 december 2021 werd de zaak ambtshave weggelaten van de rol. Op 16 juli 2024 legde het RIZIV een verzoek tot herschrijving en tot het vaststellen van een conclusiekalender neer ter griffie. Bij beschikking van 4 september 2024 werden conclusie termijnen en een rechtsdag bepaald. De eisende partij legde een syntheseconclusie neer ter griffie op 14 oktober 2024. De verwerende partij legde een conclusie neer ter griffie op 18 november 2024. De partijen zijn verschenen op de openbare zitting van 18 december 2024 alwaar de zaak met akkoord van de partijen, werd verdaagd naar de zitting van 19 maart 2025, teneinde het openbaar ministerie toe te laten de LCM als procespartij in het geding te betrekken. De eisende partij en het RIZIV zijn verschenen op de openbare zitting van 19 maart 2025. Voor de LCM verscheen niemand. De zaak werd verdaagd naar de openbare zitting van 17 september 2025 om de LCM toe te laten het administratief dossier over te maken. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 6 Op 17 september 2025 bezorgde de LCM, na herhaaldelijk aandringen van het openbaar ministerie, haar administratief dossier. De eisende partij en het RIZIV zijn verschenen op de openbare zitting van 17 september 2025 en werden gehoord. Voor de LCM verscheen niemand. De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging, het administratief dossier en de stukken van partijen. De rechtspleging verliep in het Nederlands overeenkomstig artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. 2. VOORWERP VAN DE VORDERING 24/470/A De eisende partij qq. vordert dat de zaken gekend onder de rolnummers 24/470/A - 24/471/A en 24/472/A gelet op de samenhang, zouden worden samengevoegd. Het beroep van de eisende partij qq. is gericht tegen de beslissing van het RIZIV van 1 december 2016 waarbij haar, naar aanleiding van een aanvraag ingediend op 30 november 2012, een invaliditeitsuitkering naar Belgisch recht werd toegekend vanaf 23 februari 2013. De eisende partij qq. vordert dat het RIZIV zou worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan 2.459,51 euro en wenst tevens dat zou worden gezegd voor recht dat zij in toepassing van artikel 20 van het Handvest van de Sociaal verzekerde gerechtigd is op intresten op de achterstallige bedragen. De eisende partij qq vordert tenslotte dat haar een rechtsplegingsvergoeding zou worden toegekend die zij begroot op 131,18 euro. Tegen de LCM wordt door de eisende partij qq. geen vordering ingesteld. Het RIZIV vordert dat de vordering van de eisende partij qq. zou worden afgewezen als ongegrond en wat betreft de intresten zou worden aangehouden in afwachting van een duidelijk zicht op de definitief berekende uitkering betaald door het UWV. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 7 24/471/A De eisende partij qq. vordert dat de zaken gekend onder de rolnummers 24/470/A - 24/471/A en 24/472/A gelet op de samenhang, zouden worden samengevoegd. Het beroep van de eisende partij qq. is gericht tegen de beslissing van het RIZIV van 8 maart 2017 waarbij haar, naar aanleiding van een aanvraag ingediend op 30 november 2012, een invaliditeitsuitkering naar Belgisch recht werd toegekend vanaf 23 februari 2013. De eisende partij qq. vordert dat het RIZIV zou worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan 2.459,51 euro en wenst tevens dat zou worden gezegd voor recht dat zij in toepassing van artikel 20 van het Handvest van de Sociaal verzekerde gerechtigd is op intresten op de achterstallige bedragen. De eisende partij qq vordert tenslotte dat haar een rechtsplegingsvergoeding zou worden toegekend die zij begroot op 131,18 euro. Tegen de LCM wordt door de eisende partj qq. geen vordering ingesteld. Het RIZIV vordert dat de vordering van de eisende partij qq. zou worden afgewezen als ongegrond en wat betreft de intresten zou worden aangehouden in afwachting van een duidelijk zicht op de definitief berekende uitkering betaald door het UWV. 24/472/A De eisende partij qq. vordert dat de zaken gekend onder de rolnummers 24/470/A - 24/471/A en 24/472/A gelet op de samenhang, zouden worden samengevoegd. Het beroep van de eisende partij qq. is gericht tegen de beslissing van het RIZIV van 1 juni 2017 waarbij hethaar eerder toegekende recht op een invaliditeitsuitkering naar Belgisch recht wordt herzien vanaf 7 april 2016. De eisende partij qq. vordert dat het RIZIV zou worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan 2.459,51 euro en wenst tevens dat zou worden gezegd voor recht dat zij in toepassing van artikel 20 van het Handvest van de Sociaal verzekerde gerechtigd is op intresten op de achterstallige bedragen. De eisende partij qq vordert tenslotte dat haar een rechtsplegingsvergoeding zou worden toegekend die zij begroot op 131,18 euro. Tegen de LCM wordt door de eisende partj qq. geen vordering ingesteld. Het RIZIV vordert dat de vordering van de eisende partij qq. zou worden afgewezen als ongegrond en wat betreft de intresten zou worden aangehouden in afwachting van een duidelijk zicht op de definitief berekende uitkering betaald door het UWV. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 8 3. FEITEN 3.1. Mevrouw D heeft de Belgische nationaliteit. Zij was deels tewerkgesteld in België en deels in Nederland. Zij werd arbeidsongeschikt op 17 januari 2011. Zij ontving, conform de Nederlandse wetgeving, gedurende 2 jaar gewaarborgd loon van haar Nederlandse werkgever. Naar aanleiding van een aanvraag daterend van 30 november 2012, werd aan mevrouw D door de bevoegde Nederlandse instelling, het Uitkeringsinstituut voor Werknemersverzekeringen (hierna genoemd UWV), een invaliditeitsuitkering betaald met ingang van 23 februari 2013. 3.2. Aangezien mevrouw D ook deels een Belgische beroepsloopbaan had, gaf haar intrede tot de invaliditeit in Nederland verplicht aanleiding tot een coördinatie van haar recht op invaliditeitsprestaties conform de Europese Verordeningen (EG) 883/2004 en 987/2009. Concreet gaf dit aanleiding tot een onderzoek van het recht op de invaliditeitsprestaties door de bevoegde organen van alle betrokken lidstaten, waarvan de wetgeving op de sociaal verzekerde van toepassing is geweest en waar sociale bijdragen voor dekking van het risico invaliditeit werden betaald. De UWV maakte met het oog op die coördinatie, op 9 oktober 2013, conform de bepalingen in de verordeningen, een aanvraag invaliditeitsuitkering over aan het RIZIV. Het RIZIV ontving die aanvraag op 11 oktober 2013. Op 7 november 2013 stuurde het RIZIV die aanvraag door aan de LCM met de vraag te onderzoeken of mevrouw D overeenkomstig de Belgische wetgeving, voldeed aan de administratieve en medische toekenningsvoorwaarden voor een Belgische invaliditeitsuitkering. De LCM erkent die aanvraag van het RIZIV te hebben ontvangen op 19 november 2013. Zij vroegen diezelfde dag een loopbaanoverzicht aan bij de Federale Pensioendienst, hetgeen zij ontvingen op 17 december 2013. 3.3. Bij beslissing van het Vredegerecht te Tielt van 5 december 2013 werd Mr. Freddy Landuyt aangesteld als bewindvoerder over de goederen van mevrouw D. Bij beschikking van 27 december 2018 van het Vredegerecht van het vierde kanton Brugge werd hij vervangen door Mr. Corine Vandenberghe. 3.4. Klaarblijkelijk had de LCM ook nog inlichtingen nodig van mevrouw D zelf. Op 29 juni 2015, dus anderhalf jaar later, richtten zij voor het eerst een brief aan mevrouw D. Hoewel mevrouw D intussen onder bewind werd geplaatst, richtte de LCM deze brief aan mevrouw D zelf en niet aan haar bewindvoerder. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat aan deze brief geen gevolg werd gegeven. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 9 Opnieuw wacht de LCM een half jaar vooraleer een rappel wordt gestuurd. Die rappel wordt opnieuw gericht aan het adres van mevrouw D zelf en niet aan haar bewindvoerder. Opnieuw komt geen reactie. Op 15 april 2016 wordt nogmaals een rappel gestuurd. Ditmaal wordt deze gericht aan het adres …. Ook de vertrouwenspersoon, aangesteld bij beschikking van het Vredegerecht, is op dat adres gedomicilieerd. Er zijn intussen reeds 2,5 jaar verstreken sinds de aanvraag van de UWV en het RIZIV. Klaarblijkelijk komt de brief ditmaal dan toch in handen van de bewindvoerder van mevrouw D terecht. Deze beantwoordt de brief op 25 mei 2016, waarna er nog een brief volgt op 8 juni 2016 en een antwoord op 20 september 2016. Er werd namens het RIZIV nog geen enkele rappel gestuurd naar de LCM. Pas op 20 oktober 2016 maakt de LCM de gevraagde informatie over aan het RIZIV. 3.5. Op 1 december 2016 volgt er dan een beslissing van het RIZIV waarin aan de bewindvoerder van mevrouw D wordt gemeld dat haar met ingang van 23 februari 2013 (datum waarop haar uitkeringsaanvraag in Nederland werd goedgekeurd en vanaf wanneer zij in Nederland ook effectief invaliditeitsuitkeringen ontving) een invaliditeitsuitkering lastens de Belgische overheid zou worden toegekend ten belope van 947,71 euro per maand. Voor de totale periode van april 2013 tot eind januari 2017 zou zij recht hebben op een bedrag van 4.310,83 euro. Op 8 maart 2017 volgt een verbeterende beslissing aangezien de initiële beslissing verkeerdelijk 23 april 2013 als ingangsdatum vermeldde terwijl het 23 februari 2013 moest zijn. Vanaf 1 mei 2017 zou door de LCM rechtstreeks aan de bewindvoerder van mevrouw D worden betaald. Voor de reeds verstreken periode zou de LCM betalen in handen van UWV. 3.6. Ingevolge de uiteindelijk doorgevoerde coördinatieprocedure, ontving mevrouw D vanaf 1 mei 2017 nog slechts 455,13 euro van UWV. Het restant zou zij ontvangen van de LCM, haar Belgische mutualiteit. De LCM betaalde wel deels achterstallen aan de UWV (voor de periode van 23 februari 2013 tot 5 april 2016), doch betaalde nog niets aan mevrouw D. Er zou immers een herberekening moeten doorgevoerd worden aangezien de gezinssituatie van mevrouw D intussen (sedert 7 april 2016) zou gewijzigd zijn. Een en ander liet opnieuw op zich wachten. Pas in juli ontving mevrouw D een invaliditeitsuitkering van de LCM en dit met terugwerkende kracht voor de maanden mei en juni. Op 1 juni 2017 volgde de derde bestreden beslissing van het RIZIV waarbij de beslissing van 8 maart 2017 wordt herzien voor de periode na 7 april 2017 (ingevolge de gewijzigde gezinssamenstelling en de impact daarvan op de verschuldigde uitkering). 3.7. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 10 De bewindvoerder van mevrouw D tekende tegen alledrie de beslissingen van het RIZIV beroep aan. Zij meent dat die beslissingen onvoldoende zijn gemotiveerd en hekelt de lange periode die is verstreken tussen de aanvraag en de bestreden beslissingen. Dat lange tijdsverloop heeft in hoofde van mevrouw D schade veroorzaakt waarvoor zij thans vergoed wenst te worden. De verzoekschriften van mevrouw D zijn enkel gericht tegen het RIZIV. Op initiatief van het openbaar ministerie werd ook de LCM als partij in het proces betrokken. 4 BEOORDELING 4.1. Bevoegdheid De rechtbank stelt ambtshalve vast dat zij materieel (artikel 580,2° van het Gerechtelijk Wetboek) bevoegd is uitspraak te doen over de vorderingen die de eisende partij qq. instelt. Dit geldt ook voor de vordering op grond van de foutaansprakelijkheid tegen de eerste verwerende partij. Het voor deze rechtbank aanhangige geschil heeft immers in hoofdorde de vernietiging van de bestreden beslissingen en het bekomen van moratoire intresten op laattijdig uitbetaalde sociale uitkeringen tot voorwerp. De eisende partij qq. beroept zich bijkomend ook op de fout van de eerste verwerende partij. De rechtbank acht zich bovendien ook territoriaal (628,14° van het Gerechtelijk Wetboek) bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen. De territoriale bevoegdheid wordt door de verwerende partijen overigens niet betwist. 4.2. Samenhang Gelet op de samenhang tussen de zaken gekend onder de rolnummers 24/470/A - 24/471/A en 24/472/A acht de rechtbank het noodzakelijk ze te voegen teneinde onverenigbare uitspraken te vermijden. 4.3. Ontvankelijkheid Overeenkomstig artikel 23 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde, bedraagt de termijn om beroep aan te tekenen tegen beslissingen van de instellingen van sociale zekerheid die bevoegd zijn voor de toekenning, betaling of de terugvordering van prestaties, op straffe van verval, drie maanden na de kennisgeving, of bij gebreke aan kennisgeving, drie maanden vanaf de dag waarop de betrokkene er kennis van heeft gehad. In het voorliggende geval dateren de bestreden beslissing van resp. 1 december 2016, 8 maart 2017 en 1 juni 2017. De bewijzen van aangetekende zending liggen niet voor. Er kan derhalve niet worden nagegaan wanneer de kennisgeving gebeurde, zodat moet worden aangenomen dat het beroep in ieder geval tijdig werd ingesteld. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 11 De verzoekschriften zijn verder regelmatig naar de vorm en de ontvankelijkheid van de vorderingen wordt niet betwist. De vorderingen zijn ontvankelijk. 4.4. Ten gronde 4.4.1. Europees wettelijk kader Aangezien mevrouw D haar beroepsloopbaan deels uitoefende in Nederland en deels in België, wordt haar recht op invaliditeitsuitkeringen gecoördineerd door de Europese Verordening (EG) 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna: de Basisverordening) en de Europese Verordening (EG) 987/2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) 883/2004 (hierna: de Toepassingsverordening). Uit artikel 46 §1 van de Verordening (EG) 883/2004 volgt dat het recht op invaliditeitsuitkeringen in voorkomende gevallen wordt geregeld conform de coördinatiebeginselen die van toepassing zijn voor ouderdomspensioenen, zoals geregeld in hoofdstuk 5 van de Verordening (zijnde artikel 50 en verder). Overeenkomstig artikel 50 §1 van de Verordening (EG) 883/2004 stellen alle bevoegde organen het recht op uitkering vast op grond van alle wetgevingen van de lidstaten die op de betrokkene van toepassing zijn geweest, indien een daartoe strekkend verzoek is ingediend. Concreet dient de sociaal verzekerde een aanvraag in bij het bevoegde orgaan van het land van zijn woonplaats, of bij het bevoegde orgaan van het land van de wetgeving waaraan hij het laatst onderworpen is geweest (artikel 45 §4 van de Toepassingsverordening), in casu dus Nederland. De bevoegde instelling van dat land zendt op zijn beurt de aanvraag door aan de organen van de overige betrokken landen, met de door de aanvrager verstrekte documenten (artikel 46 §4 van de Toepassingsverordening). Wanneer het orgaan dat de aanvraag ontving vaststelt dat de sociaalverzekerde op grond van de door dat orgaan toegepaste wetgeving recht heeft op een autonome uitkering, wordt deze uitkering onverwijld betaald. De betaling wordt als voorlopig beschouwd als het resultaat nog kan wijzigen in functie van het resultaat van de behandeling van de aanvraag (artikel 52 lid 1, onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.