← België

ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20251015.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 15 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20251015.1 Rolnummer: 24/470/A, 24/471/A en 24/472/A Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-06-18 06:43 Fiche Schending zorgvuldigheidsplicht door laattijdig toekennen van een invaliditeitsuitkeringen: onredelijk lang aanslepen van behandeling dossier. Toekenning van moratoire interest als compensatie voor laattijdig toegekende uitkeringen en bijkomende veroordeling tot schadevergoeding. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) - Handvest sociaal verzekerde - W. 11 april 1995 Tekst van de beslissing In de zaak van: MR. VANDENBERGHE CORINE QQ D, RRN:, met kantoor te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147, eisende partij, waar meester Vandenberghe Corine verschijnt ter zitting tegen: RIZIV, KBO: 0206.653.946, gevestigd te 1210 BRUSSEL, Galileelaan 5/01, eerste verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door mr. DE SCHEPPER LUC, advocaat met kantoor te 8000 BRUGGE, Korte Ridderstraat 1. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, KBO: 0411.702.543, gevestigd te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579 - bus 40, tweede verwerende partij, niet verschenen, noch vertegenwoordigd ter zitting 1. PROCEDURE 24/470/A (voorheen AR: 17/378/A) Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 24 februari 2017 heeft de eisende partij qq. beroep ingesteld tegen de beslissing van het RIZIV van 1 december 2016. De rechtbank deelde de zaak mee aan het openbaar ministerie, dat besliste niet tussen te komen in deze zaak. De partijen werden behoorlijk opgeroepen om te verschijnen op de openbare zitting van 7 juni 2017. Op voornoemde zitting werd de zaak, met akkoord van de partijen, in dezelfde staat verdaagd naar de openbare zitting van 25 oktober 2017, alwaar zij opnieuw werd verdaagd naar de openbare zitting van 22 november 2017. Bij beschikking van 6 december 2017 werden de tussen partijen overeengekomen conclusietermijnen bekrachtigd en werd een rechtsdag bepaald. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 3 De eisende partij legde een conclusie neer ter griffie op 21 februari 2018. Partijen zijn verschenen op de openbare zitting van 28 maart 2018. De zaak werd met akkoord van de partijen verzonden naar de bijzondere rol. Op de zitting van 6 december 2021 werd de zaak ambtshave weggelaten van de rol. Op 16 juli 2024 legde het RIZIV een verzoek tot herschrijving en tot het vaststellen van een conclusiekalender neer ter griffie. Bij beschikking van 4 september 2024 werden conclusietermijnen en een rechtsdag bepaald. De eisende partij legde een syntheseconclusie neer ter griffie op 14 oktober 2024. De verwerende partij legde een conclusie neer ter griffie op 18 november 2024. De partijen zijn verschenen op de openbare zitting van 18 december 2024 alwaar de zaak met akkoord van de partijen, werd verdaagd naar de zitting van 19 maart 2025, teneinde het openbaar ministerie toe te laten de LCM als procespartij in het geding te betrekken. De eisende partij en het RIZIV zijn verschenen op de openbare zitting van 19 maart 2025. Voor de LCM verscheen niemand. De zaak werd verdaagd naar de openbare zitting van 17 september 2025 om de LCM toe te laten het administratief dossier over te maken. Op 17 september 2025 bezorgde de LCM, na herhaaldelijk aandringen van het openbaar ministerie, haar administratief dossier. De eisende partij en het RIZIV zijn verschenen op de openbare zitting van 17 september 2025 en werden gehoord. Voor de LCM verscheen niemand. De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging, het administratief dossier en de stukken van partijen. De rechtspleging verliep in het Nederlands overeenkomstig artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 4 24/471/A (voorheen AR: 17/723/A) Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 17 mei 2017 heeft de eisende partij qq. beroep ingesteld tegen de beslissing van het RIZIV van 8 maart 2017. De rechtbank deelde de zaak mee aan het openbaar ministerie, dat besliste niet tussen te komen in deze zaak. De partijen werden behoorlijk opgeroepen om te verschijnen op de openbare zitting van 25 oktober 2017, alwaar de zaak werd verdaagd naar de openbare zitting van 22 november 2017. Bij beschikking van 6 december 2017 werden de tussen partijen overeengekomen conclusietermijnen bekrachtigd en werd een rechtsdag bepaald. De eisende partij legde een conclusie neer ter griffie op 21 februari 2018. Partijen zijn verschenen op de openbare zitting van 28 maart 2018. De zaak werd met akkoord van de partijen verzonden naar de bijzondere rol. Op de zitting van 6 december 2021 werd de zaak ambtshave weggelaten van de rol. Op 16 juli 2024 legde het RIZIV een verzoek tot herschrijving en tot het vaststellen van een conclusiekalender neer ter griffie. Bij beschikking van 4 september 2024 werden conclusietermijnen en een rechtsdag bepaald. De eisende partij legde een syntheseconclusie neer ter griffie op 14 oktober 2024. De verwerende partij legde een conclusie neer ter griffie op 18 november 2024. De partijen zijn verschenen op de openbare zitting van 18 december 2024 alwaar de zaak met akkoord van de partijen, werd verdaagd naar de zitting van 19 maart 2025, teneinde het openbaar ministerie toe te laten de LCM als procespartij in het geding te betrekken. De eisende partij en het RIZIV zijn verschenen op de openbare zitting van 19 maart 2025. Voor de LCM verscheen niemand. De zaak werd verdaagd naar de openbare zitting van 17 september 2025 om de LCM toe te laten het administratief dossier over te maken. Op 17 september 2025 bezorgde de LCM, na herhaaldelijk aandringen van het openbaar ministerie, haar administratief dossier. De eisende partij en het RIZIV zijn verschenen op de openbare zitting van 17 september 2025 en werden gehoord. Voor de LCM verscheen niemand. De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 5 De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging, het administratief dossier en de stukken van partijen. De rechtspleging verliep in het Nederlands overeenkomstig artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. 24/472/A (voorheen AR: 17/874/A) Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 13 juli 2017 heeft de eisende partij qq. beroep ingesteld tegen de beslissing van het RIZIV van 1 juni 2017. De rechtbank deelde de zaak mee aan het openbaar ministerie, dat besliste niet tussen te komen in deze zaak. De partijen werden behoorlijk opgeroepen om te verschijnen op de openbare zitting van 25 oktober 2017, alwaar de zaak werd verdaagd naar de openbare zitting van 22 november 2017. Bij beschikking van 6 december 2017 werden de tussen partijen overeengekomen conclusietermijnen bekrachtigd en werd een rechtsdag bepaald. De eisende partij legde een conclusie neer ter griffie op 21 februari 2018. Partijen zijn verschenen op de openbare zitting van 28 maart 2018. De zaak werd met akkoord van de partijen verzonden naar de bijzondere rol. Op de zitting van 6 december 2021 werd de zaak ambtshave weggelaten van de rol. Op 16 juli 2024 legde het RIZIV een verzoek tot herschrijving en tot het vaststellen van een conclusiekalender neer ter griffie. Bij beschikking van 4 september 2024 werden conclusie termijnen en een rechtsdag bepaald. De eisende partij legde een syntheseconclusie neer ter griffie op 14 oktober 2024. De verwerende partij legde een conclusie neer ter griffie op 18 november 2024. De partijen zijn verschenen op de openbare zitting van 18 december 2024 alwaar de zaak met akkoord van de partijen, werd verdaagd naar de zitting van 19 maart 2025, teneinde het openbaar ministerie toe te laten de LCM als procespartij in het geding te betrekken. De eisende partij en het RIZIV zijn verschenen op de openbare zitting van 19 maart 2025. Voor de LCM verscheen niemand. De zaak werd verdaagd naar de openbare zitting van 17 september 2025 om de LCM toe te laten het administratief dossier over te maken. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 6 Op 17 september 2025 bezorgde de LCM, na herhaaldelijk aandringen van het openbaar ministerie, haar administratief dossier. De eisende partij en het RIZIV zijn verschenen op de openbare zitting van 17 september 2025 en werden gehoord. Voor de LCM verscheen niemand. De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging, het administratief dossier en de stukken van partijen. De rechtspleging verliep in het Nederlands overeenkomstig artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. 2. VOORWERP VAN DE VORDERING 24/470/A De eisende partij qq. vordert dat de zaken gekend onder de rolnummers 24/470/A - 24/471/A en 24/472/A gelet op de samenhang, zouden worden samengevoegd. Het beroep van de eisende partij qq. is gericht tegen de beslissing van het RIZIV van 1 december 2016 waarbij haar, naar aanleiding van een aanvraag ingediend op 30 november 2012, een invaliditeitsuitkering naar Belgisch recht werd toegekend vanaf 23 februari 2013. De eisende partij qq. vordert dat het RIZIV zou worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan 2.459,51 euro en wenst tevens dat zou worden gezegd voor recht dat zij in toepassing van artikel 20 van het Handvest van de Sociaal verzekerde gerechtigd is op intresten op de achterstallige bedragen. De eisende partij qq vordert tenslotte dat haar een rechtsplegingsvergoeding zou worden toegekend die zij begroot op 131,18 euro. Tegen de LCM wordt door de eisende partij qq. geen vordering ingesteld. Het RIZIV vordert dat de vordering van de eisende partij qq. zou worden afgewezen als ongegrond en wat betreft de intresten zou worden aangehouden in afwachting van een duidelijk zicht op de definitief berekende uitkering betaald door het UWV. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 7 24/471/A De eisende partij qq. vordert dat de zaken gekend onder de rolnummers 24/470/A - 24/471/A en 24/472/A gelet op de samenhang, zouden worden samengevoegd. Het beroep van de eisende partij qq. is gericht tegen de beslissing van het RIZIV van 8 maart 2017 waarbij haar, naar aanleiding van een aanvraag ingediend op 30 november 2012, een invaliditeitsuitkering naar Belgisch recht werd toegekend vanaf 23 februari 2013. De eisende partij qq. vordert dat het RIZIV zou worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan 2.459,51 euro en wenst tevens dat zou worden gezegd voor recht dat zij in toepassing van artikel 20 van het Handvest van de Sociaal verzekerde gerechtigd is op intresten op de achterstallige bedragen. De eisende partij qq vordert tenslotte dat haar een rechtsplegingsvergoeding zou worden toegekend die zij begroot op 131,18 euro. Tegen de LCM wordt door de eisende partj qq. geen vordering ingesteld. Het RIZIV vordert dat de vordering van de eisende partij qq. zou worden afgewezen als ongegrond en wat betreft de intresten zou worden aangehouden in afwachting van een duidelijk zicht op de definitief berekende uitkering betaald door het UWV. 24/472/A De eisende partij qq. vordert dat de zaken gekend onder de rolnummers 24/470/A - 24/471/A en 24/472/A gelet op de samenhang, zouden worden samengevoegd. Het beroep van de eisende partij qq. is gericht tegen de beslissing van het RIZIV van 1 juni 2017 waarbij hethaar eerder toegekende recht op een invaliditeitsuitkering naar Belgisch recht wordt herzien vanaf 7 april 2016. De eisende partij qq. vordert dat het RIZIV zou worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan 2.459,51 euro en wenst tevens dat zou worden gezegd voor recht dat zij in toepassing van artikel 20 van het Handvest van de Sociaal verzekerde gerechtigd is op intresten op de achterstallige bedragen. De eisende partij qq vordert tenslotte dat haar een rechtsplegingsvergoeding zou worden toegekend die zij begroot op 131,18 euro. Tegen de LCM wordt door de eisende partj qq. geen vordering ingesteld. Het RIZIV vordert dat de vordering van de eisende partij qq. zou worden afgewezen als ongegrond en wat betreft de intresten zou worden aangehouden in afwachting van een duidelijk zicht op de definitief berekende uitkering betaald door het UWV. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 8 3. FEITEN 3.1. Mevrouw D heeft de Belgische nationaliteit. Zij was deels tewerkgesteld in België en deels in Nederland. Zij werd arbeidsongeschikt op 17 januari 2011. Zij ontving, conform de Nederlandse wetgeving, gedurende 2 jaar gewaarborgd loon van haar Nederlandse werkgever. Naar aanleiding van een aanvraag daterend van 30 november 2012, werd aan mevrouw D door de bevoegde Nederlandse instelling, het Uitkeringsinstituut voor Werknemersverzekeringen (hierna genoemd UWV), een invaliditeitsuitkering betaald met ingang van 23 februari 2013. 3.2. Aangezien mevrouw D ook deels een Belgische beroepsloopbaan had, gaf haar intrede tot de invaliditeit in Nederland verplicht aanleiding tot een coördinatie van haar recht op invaliditeitsprestaties conform de Europese Verordeningen (EG) 883/2004 en 987/2009. Concreet gaf dit aanleiding tot een onderzoek van het recht op de invaliditeitsprestaties door de bevoegde organen van alle betrokken lidstaten, waarvan de wetgeving op de sociaal verzekerde van toepassing is geweest en waar sociale bijdragen voor dekking van het risico invaliditeit werden betaald. De UWV maakte met het oog op die coördinatie, op 9 oktober 2013, conform de bepalingen in de verordeningen, een aanvraag invaliditeitsuitkering over aan het RIZIV. Het RIZIV ontving die aanvraag op 11 oktober 2013. Op 7 november 2013 stuurde het RIZIV die aanvraag door aan de LCM met de vraag te onderzoeken of mevrouw D overeenkomstig de Belgische wetgeving, voldeed aan de administratieve en medische toekenningsvoorwaarden voor een Belgische invaliditeitsuitkering. De LCM erkent die aanvraag van het RIZIV te hebben ontvangen op 19 november 2013. Zij vroegen diezelfde dag een loopbaanoverzicht aan bij de Federale Pensioendienst, hetgeen zij ontvingen op 17 december 2013. 3.3. Bij beslissing van het Vredegerecht te Tielt van 5 december 2013 werd Mr. Freddy Landuyt aangesteld als bewindvoerder over de goederen van mevrouw D. Bij beschikking van 27 december 2018 van het Vredegerecht van het vierde kanton Brugge werd hij vervangen door Mr. Corine Vandenberghe. 3.4. Klaarblijkelijk had de LCM ook nog inlichtingen nodig van mevrouw D zelf. Op 29 juni 2015, dus anderhalf jaar later, richtten zij voor het eerst een brief aan mevrouw D. Hoewel mevrouw D intussen onder bewind werd geplaatst, richtte de LCM deze brief aan mevrouw D zelf en niet aan haar bewindvoerder. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat aan deze brief geen gevolg werd gegeven. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 9 Opnieuw wacht de LCM een half jaar vooraleer een rappel wordt gestuurd. Die rappel wordt opnieuw gericht aan het adres van mevrouw D zelf en niet aan haar bewindvoerder. Opnieuw komt geen reactie. Op 15 april 2016 wordt nogmaals een rappel gestuurd. Ditmaal wordt deze gericht aan het adres …. Ook de vertrouwenspersoon, aangesteld bij beschikking van het Vredegerecht, is op dat adres gedomicilieerd. Er zijn intussen reeds 2,5 jaar verstreken sinds de aanvraag van de UWV en het RIZIV. Klaarblijkelijk komt de brief ditmaal dan toch in handen van de bewindvoerder van mevrouw D terecht. Deze beantwoordt de brief op 25 mei 2016, waarna er nog een brief volgt op 8 juni 2016 en een antwoord op 20 september 2016. Er werd namens het RIZIV nog geen enkele rappel gestuurd naar de LCM. Pas op 20 oktober 2016 maakt de LCM de gevraagde informatie over aan het RIZIV. 3.5. Op 1 december 2016 volgt er dan een beslissing van het RIZIV waarin aan de bewindvoerder van mevrouw D wordt gemeld dat haar met ingang van 23 februari 2013 (datum waarop haar uitkeringsaanvraag in Nederland werd goedgekeurd en vanaf wanneer zij in Nederland ook effectief invaliditeitsuitkeringen ontving) een invaliditeitsuitkering lastens de Belgische overheid zou worden toegekend ten belope van 947,71 euro per maand. Voor de totale periode van april 2013 tot eind januari 2017 zou zij recht hebben op een bedrag van 4.310,83 euro. Op 8 maart 2017 volgt een verbeterende beslissing aangezien de initiële beslissing verkeerdelijk 23 april 2013 als ingangsdatum vermeldde terwijl het 23 februari 2013 moest zijn. Vanaf 1 mei 2017 zou door de LCM rechtstreeks aan de bewindvoerder van mevrouw D worden betaald. Voor de reeds verstreken periode zou de LCM betalen in handen van UWV. 3.6. Ingevolge de uiteindelijk doorgevoerde coördinatieprocedure, ontving mevrouw D vanaf 1 mei 2017 nog slechts 455,13 euro van UWV. Het restant zou zij ontvangen van de LCM, haar Belgische mutualiteit. De LCM betaalde wel deels achterstallen aan de UWV (voor de periode van 23 februari 2013 tot 5 april 2016), doch betaalde nog niets aan mevrouw D. Er zou immers een herberekening moeten doorgevoerd worden aangezien de gezinssituatie van mevrouw D intussen (sedert 7 april 2016) zou gewijzigd zijn. Een en ander liet opnieuw op zich wachten. Pas in juli ontving mevrouw D een invaliditeitsuitkering van de LCM en dit met terugwerkende kracht voor de maanden mei en juni. Op 1 juni 2017 volgde de derde bestreden beslissing van het RIZIV waarbij de beslissing van 8 maart 2017 wordt herzien voor de periode na 7 april 2017 (ingevolge de gewijzigde gezinssamenstelling en de impact daarvan op de verschuldigde uitkering). 3.7. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 10 De bewindvoerder van mevrouw D tekende tegen alledrie de beslissingen van het RIZIV beroep aan. Zij meent dat die beslissingen onvoldoende zijn gemotiveerd en hekelt de lange periode die is verstreken tussen de aanvraag en de bestreden beslissingen. Dat lange tijdsverloop heeft in hoofde van mevrouw D schade veroorzaakt waarvoor zij thans vergoed wenst te worden. De verzoekschriften van mevrouw D zijn enkel gericht tegen het RIZIV. Op initiatief van het openbaar ministerie werd ook de LCM als partij in het proces betrokken. 4 BEOORDELING 4.1. Bevoegdheid De rechtbank stelt ambtshalve vast dat zij materieel (artikel 580,2° van het Gerechtelijk Wetboek) bevoegd is uitspraak te doen over de vorderingen die de eisende partij qq. instelt. Dit geldt ook voor de vordering op grond van de foutaansprakelijkheid tegen de eerste verwerende partij. Het voor deze rechtbank aanhangige geschil heeft immers in hoofdorde de vernietiging van de bestreden beslissingen en het bekomen van moratoire intresten op laattijdig uitbetaalde sociale uitkeringen tot voorwerp. De eisende partij qq. beroept zich bijkomend ook op de fout van de eerste verwerende partij. De rechtbank acht zich bovendien ook territoriaal (628,14° van het Gerechtelijk Wetboek) bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen. De territoriale bevoegdheid wordt door de verwerende partijen overigens niet betwist. 4.2. Samenhang Gelet op de samenhang tussen de zaken gekend onder de rolnummers 24/470/A - 24/471/A en 24/472/A acht de rechtbank het noodzakelijk ze te voegen teneinde onverenigbare uitspraken te vermijden. 4.3. Ontvankelijkheid Overeenkomstig artikel 23 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde, bedraagt de termijn om beroep aan te tekenen tegen beslissingen van de instellingen van sociale zekerheid die bevoegd zijn voor de toekenning, betaling of de terugvordering van prestaties, op straffe van verval, drie maanden na de kennisgeving, of bij gebreke aan kennisgeving, drie maanden vanaf de dag waarop de betrokkene er kennis van heeft gehad. In het voorliggende geval dateren de bestreden beslissing van resp. 1 december 2016, 8 maart 2017 en 1 juni 2017. De bewijzen van aangetekende zending liggen niet voor. Er kan derhalve niet worden nagegaan wanneer de kennisgeving gebeurde, zodat moet worden aangenomen dat het beroep in ieder geval tijdig werd ingesteld. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 11 De verzoekschriften zijn verder regelmatig naar de vorm en de ontvankelijkheid van de vorderingen wordt niet betwist. De vorderingen zijn ontvankelijk. 4.4. Ten gronde 4.4.1. Europees wettelijk kader Aangezien mevrouw D haar beroepsloopbaan deels uitoefende in Nederland en deels in België, wordt haar recht op invaliditeitsuitkeringen gecoördineerd door de Europese Verordening (EG) 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna: de Basisverordening) en de Europese Verordening (EG) 987/2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) 883/2004 (hierna: de Toepassingsverordening). Uit artikel 46 §1 van de Verordening (EG) 883/2004 volgt dat het recht op invaliditeitsuitkeringen in voorkomende gevallen wordt geregeld conform de coördinatiebeginselen die van toepassing zijn voor ouderdomspensioenen, zoals geregeld in hoofdstuk 5 van de Verordening (zijnde artikel 50 en verder). Overeenkomstig artikel 50 §1 van de Verordening (EG) 883/2004 stellen alle bevoegde organen het recht op uitkering vast op grond van alle wetgevingen van de lidstaten die op de betrokkene van toepassing zijn geweest, indien een daartoe strekkend verzoek is ingediend. Concreet dient de sociaal verzekerde een aanvraag in bij het bevoegde orgaan van het land van zijn woonplaats, of bij het bevoegde orgaan van het land van de wetgeving waaraan hij het laatst onderworpen is geweest (artikel 45 §4 van de Toepassingsverordening), in casu dus Nederland. De bevoegde instelling van dat land zendt op zijn beurt de aanvraag door aan de organen van de overige betrokken landen, met de door de aanvrager verstrekte documenten (artikel 46 §4 van de Toepassingsverordening). Wanneer het orgaan dat de aanvraag ontving vaststelt dat de sociaalverzekerde op grond van de door dat orgaan toegepaste wetgeving recht heeft op een autonome uitkering, wordt deze uitkering onverwijld betaald. De betaling wordt als voorlopig beschouwd als het resultaat nog kan wijzigen in functie van het resultaat van de behandeling van de aanvraag (artikel 52 lid 1, onder

  1. a)Basisverordening en artikel 50 lid 1 Toepassingsverordening). Hierna berekenen de organen van de overige betrokken landen de uitkeringen die zij verschuldigd zijn rekening houdende met de tijdvakken van verzekering van de sociaalverzekerde in het betrokken land (artikel 52, lid 1, onder
  2. b)Basisverordening). Vervolgens kan het orgaan dat de voorschotten heeft betaald – hier het UWV - aan het orgaan van deze andere lidstaat – hier het RIZIV - vragen om de overeenkomstige voorschotten te verrekenen met de uiteindelijke verschuldigde achterstallige bedragen, of met andere woorden het bedrag van de voorschotten in te houden op het bedrag van de achterstallen (artikel 72 Toepassingsverordening). Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 12 4.4.2. Handvest van de sociaal verzekerde Artikel 10 van de Wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde (hierna genoemd: sociaal handvest) bepaalt: “ Onverminderd de in specifieke wettelijke of reglementaire bepalingen vastgestelde kortere termijnen en onverminderd de wet van 25 juli 1994 tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten met het oog op een snellere afwerking van de dossiers, beslist de instelling van sociale zekerheid binnen vier maanden na de ontvangst van het verzoek of na het feit dat aanleiding geeft tot het ambtshalve onderzoek die in artikel 8 zijn beoogd. Indien de termijn vier maanden is en de instelling binnen die termijn geen beslissing kan nemen deelt ze dit aan de verzoeker mede, met vermelding van de redenen. Indien het verzoek de tussenkomst van een andere instelling van sociale zekerheid vereist, wordt deze laatste daarom verzocht door de instelling aan wie het verzoek gericht is. De verzoeker wordt daarvan op de hoogte gebracht. De Koning kan de termijn tijdelijk tot ten hoogste acht maanden verlengen, in de gevallen die Hij bepaalt. De termijnen van vier of acht maanden worden geschorst zolang de betrokkene of een buitenlandse instelling geen volledig gevolg hebben gegeven aan door de instelling van sociale zekerheid gevraagde inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het nemen van een beslissing. De bepalingen van het tweede en derde lid verlengen de bovenvermelde termijn van vier of acht maanden niet. De Koning bepaalt voor welke regelingen van sociale zekerheid of gedeelten daarvan, een beslissing over dezelfde rechten genomen ingevolge een onderzoek op de wettelijkheid van de uitbetaalde prestaties niet als een beslissing wordt beschouwd voor de toepassing van het eerste lid.” Overeenkomstig artikel 13 van het Sociaal Handvest moeten de beslissingen tot toekenning van een recht, van een aanvullend recht, van de regularisatie van een recht of tot weigering van sociale prestaties met redenen worden omkleed. Artikel 14 voegt daaraan toe dat de beslissingen tot toekenning of weigering van de prestaties de volgende vermeldingen moete bevatten: 1° de mogelijkheid om voor de bevoegde rechtbank een voorziening in te stellen; 2° het adres van de bevoegde rechtscolleges; 3° de termijn om een voorziening in te stellen en de wijze waarop dit moet gebeuren; 4°de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek; 5° de refertes van het dossier en van de dienst die het beheert; 6° de mogelijkheid om opheldering te verkrijgen omtrent de beslissing bij de dienst die het dossier beheert of bij een aangewezen voorlichtingsdienst. Artikel 20 van het Sociaal Handvest luidt als volgt: Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 13 “ Onverminderd gunstiger wettelijke of reglementaire bepalingen en de bepalingen van de wet van 25 juli 1994 tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten met het oog op een snellere afwerking van de dossiers, brengen de prestaties, enkel voor de rechthebbenden-sociaal verzekerden, van rechtswege interest op vanaf hun opeisbaarheid en ten vroegste vanaf de datum voortvloeiend uit artikel 12. Indien de beslissing tot toekenning genomen werd met een vertraging die te wijten is aan een instelling van sociale zekerheid is de interest evenwel verschuldigd vanaf het verstrijken van de in artikel 10 bedoelde termijn en ten vroegste vanaf de datum waarop de prestatie ingaat. Indien de Koning, in toepassing van artikel 11bis een bijzondere procedure erkent, bepaalt Hij de voorwaarden waaronder de interesten worden toegekend, de schuldenaar van de interesten en het tijdstip waarop de interest ingaat. De interesten van rechtswege bedoeld in het eerste lid, zijn niet verschuldigd op het verschil tussen enerzijds het bedrag van de voorschotten betaald omdat de instelling niet over de noodzakelijke informatie beschikt om een definitieve beslissing te nemen en anderzijds het bedrag dat voortvloeit uit de definitieve beslissing, indien deze voorschotten negentig procent of meer bedragen van het bedrag dat verschuldigd is op basis van de definitieve beslissing. De interesten bedoeld in het eerste lid, zijn in ieder geval niet verschuldigd indien er voorschotten worden uitbetaald en indien: – de definitieve beslissing afhankelijk is van inlichtingen die door de aanvrager zelf of door een niet in artikel 2 van deze wet bedoelde instelling moeten worden verstrekt; – de definitieve beslissing afhangt van de beslissing van twee of meer pensioeninstellingen en voor zover de pensioenaanvragen werden ingediend binnen de acht maanden die voorafgaan aan de ingangsdatum van het pensioen; – slechts bij de definitieve beslissing kan worden vastgesteld dat de sociaal verzekerde voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op een minimumuitkering.” 4.4.3. Beginselen van behoorlijk bestuur De algemene beginselen van behoorlijk bestuur sluiten het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel in. Dit houdt onder meer in dat de burger inderdaad moet kunnen vertrouwen op de openbare diensten en erop moet kunnen rekenen dat zij regels in acht nemen die zij voor zichzelf uitschrijven en dat zij een transparant, duidelijk voorzienbaar en standvastig beleid volgen dat de burger niet anders kan opvatten. De openbare diensten moeten de burger duidelijk informeren over hun rechtspositie en de gevolgen van de door hun te maken keuzes (A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme, J. Vandelanotte, Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, Kluwer, 1996, 50). De algemene beginselen van behoorlijk bestuur houden immers ook in dat openbare diensten overeenkomstig het dienstbaarheidsbeginsel (dat in het EU recht expliciet is erkend, zie onder meer de Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het bestuursprocesrecht van de Europese Unie (2012/2024(INL)) moeten proberen de burger (pro-actief) te begeleiden, te helpen en van dienst te zijn, te ondersteunen en informeren, en dus in ieder geval langdurige en omslachtige procedures moeten vermijden, waardoor zowel de burger als de openbare dienst tijd, kosten en moeite kan worden bespaard. Hoewel de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet tegen een dwingende bepaling kunnen worden aangevoerd, kan de miskenning van de beginselen van behoorlijk bestuur wel een fout Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 14 uitmaken in de zin van artikel 1382 of 1383 BW, en derhalve toch gevolgen hebben op burgerrechtelijk vlak. Deze beginselen vormen immers de jurisprudentiële concretisering van de algemene zorgvuldigheidsnorm met betrekking tot het optreden van bestuursorganen. Volgens vaste cassatierechtspraak mag de rechter onderzoeken of een bestuurlijk orgaan zich heeft gedragen als een normaal zorgvuldige overheid, geplaatst in dezelfde omstandigheden, daarbij onder meer rekening houdend met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (Cass. 4 januari 1973, Arr. Cass. 1972-73, 452, R.W. 1972-73, 1279; Cass. 20 juni 1974, Arr. Cass. 1974, 1162; W. VAN GERVEN, Hoe blauw is het bloed van de prins? De overheid en het verbintenissenrecht, Antwerpen, Kluwer, 1984, 22-57). De rechter dient daarbij na te gaan of het bewijs wordt geleverd dat de betrokken instelling(
  3. en)van sociale zekerheid niet is tewerk gegaan zoals een ‘normaal voorzichtige overheidsinstelling geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden’ zich zou moeten gedragen. Er dient evenwel niet alleen nagegaan te worden of het bewijs van de fout voorligt, doch ook het causaal verband tussen de fout en de potentieel geleden schade dient vast te staan. 4.4.4. Concrete toepassing 4.4.4.1. De eisende partij qq. vordert vooreerst de nietigverklaring van de bestreden beslissingen omdat zij niet afdoende zouden gemotiveerd zijn en artikel 13 van het Sociaal Handvest derhalve zou geschonden zijn. Dit omdat de beslissingen niet zouden vermelden, hoeveel uitkeringen zij uiteindelijk in Nederland zou ontvangen, welk bedrag aan achterstallige uitkeringen aan de UWV zal worden betaald, noch wat de mogelijke fiscale implicaties zouden zijn. Het RIZIV meent daarentegen dat haar beslissingen inhoudelijk wel voldoen aan de motiveringsvereisten en de verplichte vermeldingen vooropgesteld in het Sociaal Handvest. De rechtbank treedt het RIZIV in deze bij. Haar beslissingen zijn met redenen omkleed en bevatten alle in het Sociaal Handvest opgesomde vermeldingen. Het kan niet van het RIZIV worden verwacht dat het de betrokkene informeert over de wijze waarop haar dossier in Nederland zal geregulariseerd worden. Hetzelfde geldt voor wat de mogelijke (binnenlandse en buitenlandse) fiscale implicaties betreft. De rechtbank stelt overigens vast dat ook aan de bepalingen van de toepasselijke Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen is voldaan. De bestreden beslissingen zijn afdoende gemotiveerd en dienen niet te worden vernietigd. 4.4.4.2. Vervolgens meent de eisende partij qq. dat artikel 10 van het Sociaal Handvest is geschonden nu het RIZIV meer dan 3 jaar heeft gewacht om een beslissing te nemen, zodat de vooropgestelde termijn van 4 maanden ruimschoots overschreden is. In die zin meent de eisende partij dat zij, in toepassing van artikel 20 van het Sociaal Handvest, van rechtswege gerechtigd is op moratoire intresten vanaf de dag dat de beslissing had moeten genomen geweest zijn. Het RIZIV erkent dat de behandeltermijn, die in casu inging op 11 oktober 2013 (datum waarop het RIZIV de vraag van het UWV ontving) in deze is overschreden, doch stelt in conclusies dat dit niet Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 15 aan haar maar aan de LCM te wijten is. Bovendien stelt het RIZIV dat in ieder geval geen intresten verschuldigd kunnen zijn voor de periode dat de vertraging te wijten zou zijn aan de eisende partij zelf. Het RIZIV werpt bovendien op dat in ieder geval rekening moet worden gehouden met het feit dat mevrouw D in tussentijd minstens gedeeltelijk uitkeringen heeft ontvangen van het UWV zodat enkel aanspraak kan worden gemaakt op intresten op het verschil tussen de reeds genoten uitkering en de uiteindelijk verschuldigde uitkering. De thans door de LCM bijgebrachte stukken bevestigen de chronologie zoals hierboven uiteengezet in het feitenrelaas. Die stukken wijzen er volgens de rechtbank op dat de eisende partij qq. in deze niets te verwijten valt. De brieven die de LCM heeft gericht aan mevrouw D zelf kunnen immers niet in rekening worden gebracht, nu zij reeds onder bewind stond op het ogenblik dat de brieven werden verstuurd. Mevrouw D verbleef in die periode ook niet op haar thuisadres, zodat zij geen kennis nam of geacht werd te moeten nemen van de briefwisseling. De LCM had zich derhalve tot de bewindvoerder moeten richten. Nog los daarvan heeft de LCM hoe dan ook lang getalmd vooraleer zij de nodige inlichtingen bij betrokkene heeft ingewonnen. Dat ze kampte met een personeelstekort, kan uiteraard geen excuus zijn. Niet alleen de LCM heeft evenwel boter op het hoofd. Ook het RIZIV is in deze medeverantwoordelijk voor het schromelijk overschrijden van de redelijke beslissingstermijn. Zij heeft éénmalig een brief gericht aan de LCM om de zaak naderhand niet meer op te volgen. Hoewel enige reactie maar liefst 3 jaar uitbleef, werd geen enkele rappel gestuurd! In die omstandigheden heeft de eisende partij qq. van rechtswege recht op moratoire intresten. Gelet op de verantwoordelijkheid van beide instellingen van sociale zekerheid zijn de LCM en het RIZIV hoofdelijk gehouden tot het betalen van die intresten. In tegenstelling tot hetgeen het RIZIV voorhoudt, meent de rechtbank dat artikel 20, derde lid van het Sociaal Handvest in deze niet van toepassing is, aangezien dit geen situatie is waarin de noodzakelijke informatie niet voorhanden was. De informatie was immers wel beschikbaar, doch de instellingen hebben nagelaten deze te verzamelen. De rechtbank treedt het RIZIV wel bij waar zij stelt dat enkel intresten verschuldigd zijn op dat deel van de prestaties dat na verrekening met de reeds van het UWV ontvangen voorschotten, nog aan mevrouw D toekwam. Moratoire intresten zijn bedoeld om de sociaal verzekerde te compenseren voor de schade die voortvloeit uit de vertraging waarmee de sociale uitkeringen worden uitbetaald. Zij kunnen evident enkel van toepassing zijn op die prestaties die uiteindelijk aan de sociaal verzekerde verschuldigd zijn en die slechts met vertraging werden ontvangen. Dat deel van de achterstallige prestaties dat met het UWV moet worden verrekend en die mevrouw D reeds heeft ontvangen in de vorm van voorschotten van het UWV kan voor haar geen recht openen op intresten. 4.4.4.3. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 16 De rechtbank is van mening dat uit de voorliggende stukken weldegelijk blijkt dat de bevoegde instellingen van sociale zekerheid zich in deze niet hebben gedragen zoals dat van een zorgvuldige overheidsinstelling kon verwacht worden. De LCM en het RIZIV schoten beiden tekort in hun zorgvuldigheidsplicht. Wanneer de schade is veroorzaakt door de gezamenlijke fouten van verscheidene personen, is in beginsel ieder van hen jegens de getroffene die geen fout heeft begaan, gehouden tot volledige vergoeding van de schade (artikel 1382 en 1383 oud B.W.). De eisende partij qq. bewijst dat zij ingevolge dat foutief handelen, schade heeft geleden. Uit de beschikkingen van het Vredegerecht van het vierde kanton te Brugge van resp. 30 januari 2018 en 7 december 2018 blijkt genoegzaam dat mevrouw D ingevolge de buitengewone ambtsverrichtingen die haar bewindvoerder diende te stellen in het kader van deze procedures, een extra uitgave heeft moeten dragen van 2.459,51 euro. Deze schade is op basis van de voorliggende stukken afdoende bewezen en staat duidelijk in causaal verband met de door de instellingen van sociale zekerheid gepleegde fout. Nu de eisende partij zich enkel richt tot het RIZIV, kan de rechtbank enkel de eerste verwerende partij als mede-veroorzaker van de schade veroordelen. Het RIZIV vordert bovendien geen vrijwaring van de LCM. Het RIZIV is als hoofdelijk aansprakelijke mede-veroorzaker van de schade, aan de eisende partij qq. de gevorderde schadevergoeding ten belope van 2.459,51 euro verschuldigd. 4.4.4.4. De eisende partij qq. maakt tenslotte aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding ten belope van 131,18 euro. Het is niet mogelijk op grond van art. 1022, lid 1 Ger.W. een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen aan een advocaat in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder die in het gelijk wordt gesteld in een gerechtelijke procedure (Grondwettelijk Hof nr. 43/2014, 13 maart 2014, http://www.const- court.be, 25/9/2025). De vordering tot het bekomen van een rechtsplegingsvergoeding is ongegrond. 5. BESLISSING Gelet op de bovenstaande overwegingen en rechtsprekend op tegenspraak ten aanzien van de eerste verwerende partij en op verstek ten aanzien van de tweede verwerende partij, beslist de rechtbank na beraadslaging, als volgt: Voegt de zaken gekend onder de algemene rolnummers 24/470/A - 24/471/A en 24/472/A. Verklaart de vordering van de eisende partij qq. ontvankelijk en in de volgende mate gegrond: Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/470/A – 24/471/A – 24/472/A p. 17 - Veroordeelt het RIZIV en de LCM hoofdelijk tot betaling van de van rechtswege verschuldigde intresten in toepassing van artikel 20 van het Sociaal Handvest op de prestaties waarop de eisende partij qq, voor de periode vanaf 23 februari 2013 tot 30 juni 2017 gerechtigd was, onder aftrek van de op die periode betrekking hebbende reeds door de UWV betaalde voorschotten, en dit vanaf 12 februari 2014. - Veroordeelt het RIZIV tot betaling van een schadevergoeding aan de eisende partij qq. ten belope van 2.459,51 euro, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 24 februari 2017 tot op datum van algehele betaling. Verklaart de vordering inzake het niet naleven van de motiveringsplicht ongegrond en bevestigt dienvolgens de bestreden beslissingen. Verwijst het RIZIV in toepassing van artikel 1017, tweede lid Ger. W. tot de gerechtskosten, op heden vereffend als volgt: - aan zijde van eisende partij: nihil; - aan zijde van de eerste verwerende partij: 163,98 euro; - aan zijde van de tweede verwerende partij: niet vereffend wegens niet begroot; - de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand: 2 x 20 euro (2 verzoekschriften neergelegd na 1 mei 2017). Dit vonnis werd gewezen door: PDF document ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20251015.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.