id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 17 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20251117.1 Rolnummer: 24/620/A Rechtsgebied: Bestuursrecht - Burgerlijk recht - Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2026-03-24 Raadplegingen: 410 - laatst gezien 2026-06-18 06:33 Fiche 1 De RVA geeft een omschrijving van het begrip tijdelijke overmacht en geeft ook een algemeen voorbeeld van een voorval dat niet als tijdelijke overmacht kan worden beschouwd, met name het faillissement of het kennelijk onvermogen van de werkgever, maar legt op geen enkele manier uit waarom zij van oordeel is dat de concrete feiten die de werkgever naar voor had gebracht door haar niet werden gekwalificeerd en aanvaard als tijdelijke overmacht. Dit is geen afdoende motivering. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Fiche 2 Een werkgever die zich op grond van artikel 26 van de Arbeidsovereenkomstenwet op overmacht beroept, moet niet enkel aantonen dat er een onvoorzienbare en onvermijdbare gebeurtenis plaatsvond, maar ook dat hij door deze gebeurtenis zijn verbintenissen, waaronder bijvoorbeeld de verbintenis om arbeid te verschaffen, onmogelijk kon nakomen. Dat de uitvoering van de verbintenis bemoeilijkt werd, volstaat niet. De werkgever die er effectief in slaagt aan te tonen dat het hem onmogelijk was zijn verbintenis om arbeid te verschaffen aan te voeren, moet daarenboven ook aantonen dat hij daaraan geen schuld heeft en dat hem dit dus ontoerekenbaar is. De voorlopige hechtenis van de zaakvoerder vormt voor een onderneming die verschillende werknemers tewerkstelt, geen geval van tijdelijke overmacht. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Overmacht Fiche 3 De voorlopige hechtenis van de zaakvoerder vormt voor een onderneming die verschillende werknemers tewerkstelt, geen geval van tijdelijke overmacht. Bijgevolg kunnen die werknemers geen aanspraak maken op vergoedingen tijdelijke werkloosheid. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Werkloosheidsvergoeding Fiche 4 Een werkgever die zich op grond van artikel 26 van de Arbeidsovereenkomstenwet op overmacht beroept, moet niet enkel aantonen dat er een onvoorzienbare en onvermijdbare gebeurtenis plaatsvond, maar ook dat hij door deze gebeurtenis zijn verbintenissen, waaronder bijvoorbeeld de verbintenis om arbeid te verschaffen, onmogelijk kon nakomen. Dat de uitvoering van de verbintenis bemoeilijkt werd, volstaat niet. De werkgever die er effectief in slaagt aan te tonen dat het hem onmogelijk was zijn verbintenis om arbeid te verschaffen aan te voeren, moet daarenboven ook aantonen dat hij daaraan geen schuld heeft en dat hem dit dus ontoerekenbaar is. De voorlopige hechtenis van de zaakvoerder vormt voor een onderneming die verschillende werknemers tewerkstelt, geen geval van tijdelijke overmacht, dat aanleiding geeft tot schorsing van de arbeidsovereenkomst. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Schorsing (arbeidsovereenkoms) Tekst van de beslissing In de zaak van: BV A , KBO:, met zetel te, , eisende partij, met als advocaat mr. ELYN BRAM, advocaat met kantoor te 8792 WAREGEM, Gentseweg
- tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING , KBO: 0206.737.484 , met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 7, verwerende partij, met als advocaat mr. VANPARYS FREDERIK, advocaat met kantoor te 8820 TORHOUT, Oostendestraat 306A. I. FEITEN & VOORWERP VAN HET GESCHIL 1.
- Eisende partij is een onderneming die internationaal actief is in de handel van elektronische chips. Eisende partij heeft (naar eigen zeggen) drie werknemers in dienst, aan wie zij sinds 5 december 2023 door overmacht geen werk meer kon verschaffen. Immers, op 5 december 2023 werd haar zaakvoerder in het kader van een strafonderzoek van zijn vrijheid beroofd, waarna hij van 6 december 2023 tot 13 juni 2024 in voorlopige hechtenis werd genomen. Op 16 augustus 2024 besliste de Kamer van Inbeschuldigingstelling om de voorlopige hechtenis van de zaakvoerder om te zetten in elektronisch toezicht. Er werd ook een verbod opgelegd om contact te hebben met de werknemers van eisende partij. Eisende partij geeft aan dat haar zaakvoerder ondertussen is vrijgelaten onder voorwaarden, echter zonder de concrete datum hiervan op te geven. 1.
- Eén van de werknemers, A, beriep zich volgens de stukken van het administratief dossier op 9 januari 2024 op de rechtsfiguur van het impliciet ontslag. Zij beschouwde de arbeidsovereenkomst als beëindigd door de wil van de werkgever, omdat eisende partij zich volgens haar niet kweet van haar verplichting werk te verschaffen. Zij deed diezelfde dag een aanvraag voor werkloosheidsuitkeringen, waarbij ze aangaf dat haar tewerkstelling eindigde op 8 januari
- Zij vroeg ook de tussenkomst van de controledienst van verwerende partij om een C4-werkloosheidsbewijs te bekomen. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/620/A – p. 3 Op 5 juni 2024 stelde de sociaal inspecteur van verwerende partij tegen eisende partij een PV tot vaststelling van inbreuken op de sociale wetgeving op, omdat die laatste geen C4-werkloosheidsbewijs had afgeleverd aan A en deze werkneemster ook niet via dimona uit dienst had gemeld. 1.
- De zaakvoerder van eisende partij richtte zich tot verwerende partij om aan de werknemers van de onderneming tijdelijke werkloosheidsuitkeringen toe te kennen vanaf 5 december
- Op 24 juni 2024 wees verwerende partij die aanvraag af. Eisende partij is het daar niet mee eens en vordert de vernietiging van die beslissing. Zij verzoekt de rechtbank meer bepaald om de werknemers A, B en C alsnog op technische werkloosheid te plaatsen met bijhorende vergoedingen, dit voor de periode van 5 december 2023 tot heden. 1.
- Eisende partij vordert ook een provisionele schadevergoeding voor materiële en morele schade van 100.000 euro, en verzoekt de zaak naar de rol te verzenden in afwachting van de definitieve schadebegroting. Uiterst ondergeschikt verzoekt eisende partij de zaak naar de bijzondere rol te verzenden in afwachting van een rechterlijke uitspraak met kracht van gewijsde in de strafzaak tegen haar zaakvoerder. Zij verzoekt de beslissing over de gerechtskosten aan te houden in afwachting van een definitieve schadebegroting. 1.
- Verwerende partij vraagt om de vorderingen van eisende partij af te wijzen als ongegrond en die partij ook te verwijzen in de kosten van het geding, die zij aan haar zijde begroot op een geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van 1.883,72 euro. II. PROCEDURE VOOR DEZE RECHTBANK Eisende partij stelde de (initiële) vordering in met een verzoekschrift dat hij op 20 september 2024 aangetekend naar de rechtbank verstuurde. De rechtbank riep de partijen op om te verschijnen op de openbare terechtzitting van de kamer B6 van 28 januari
- Verwerende partij concludeerde op 14 januari
- Op de zitting van 28 januari 2025 verwees de kamer B6 van de rechtbank de zaak naar de zitting van de kamer B1 op 18 februari
- Op die zitting verwees deze kamer de zaak naar de zitting van de kamer B2 van 17 maart
- Op 17 maart 2025 bekrachtigde de rechtbank de conclusietermijnen die de partijen waren overeengekomen en stelde zij een rechtsdag voor pleidooien vast op 20 oktober
- Eisende partij concludeerde op 15 mei
- Verwerende partij concludeerde op 11 juni
- Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/620/A – p. 4 Op de zitting van 20 oktober 2025 konden de partijen niet worden verzoend. De rechtbank hoorde hen bijgevolg in hun middelen en argumenten, en sloot daarna de debatten. De rechtbank nam de zaak in beraad en nam kennis van de stukken van de rechtspleging, met inbegrip van de stukken die de partijen neerlegden. De rechtspleging verliep in het Nederlands. III. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK Inleiding van het geding bij verzoekschrift 3.
- Het geschil tussen een werkgever en de RVA inzake het weigeren van tijdelijke werkloosheid, betreft een geschil inzake de arbeidsovereenkomst, aangezien het voorwerp van het geschil betrekking heeft op de erkenning van het feit of er al dan niet sprake is van een tijdelijk geval van overmacht in de zin van artikel 26, 1ste lid Arbeidsovereenkomstenwet. De arbeidsrechtbank is op grond van artikel 578, 1° Ger.W. bevoegd voor geschillen inzake arbeidsovereenkomsten. De bevoegdheid van de arbeidsovereenkomst steunt in dit soort geschil niet op artikel 580, 1° of 2° Ger.W. dat betrekking heeft op geschillen omtrent verplichtingen van werkgevers of rechten en verplichtingen van werknemers die voortvloeien uit de werkloosheidsreglementering. 3.
- Eisende partij heeft zijn vordering ingesteld met een verzoekschrift. In een zaak zoals bedoeld in artikel 578 Ger.W. moet de hoofdvordering ingeleid worden bij dagvaarding of met een verzoekschrift op tegenspraak, dat moet voldoen aan de artikelen 1034bis tot 1034sexies van dat wetboek (zie art. 700 en 704, §1 Ger.W.). Een vereenvoudigd verzoekschrift, dat vrij is van vormvoorschriften, kan enkel worden gebruikt in de zaken opgesomd in artikel 704, §2 Ger.W. en is als gevolg daarvan voorbehouden aan werknemers en sociaal verzekerden. 3.
- Een verzoekschrift op tegenspraak moet op straffe van nietigheid het volgende vermelden: 1) de dag, de maand en het jaar; 2) de naam, de voornaam, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid zijn rijksregisternummer, identificatienummer in het bis of ondernemingsnummer; 3) de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen; 4) het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering; 5) de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt; 6) de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/620/A – p. 5 Het verzoekschrift dat eisende partij naar de rechtbank verzond voldoet niet aan al deze vormvoorschriften. Zo verwijst het verzoekschrift wel naar de beslissing van de RVA die wordt betwist, maar worden niet alle noodzakelijke persoons- en adresgegevens van die partij in het verzoekschrift vermeld. Evenmin bevat het verzoekschrift een korte samenvatting van de middelen van de vordering, maar wordt slechts verwezen naar de stukken ter onderbouwing ervan. Het verzoekschrift kan dus hoogstens worden opgevat als een verzoekschrift in de zin van artikel 704, §2 Ger.W. dat door eisende partij in beginsel echter niet gebruikt kon worden om het geschil aanhangig te maken. De bestreden beslissing bepaalt trouwens ook dat de werkgever die er beroep tegen wenst aan te tekenen, dit moet doen door dagvaarding bij de arbeidsrechtbank en maakt ook zeer duidelijk dat enkel een werknemer gebruik kan maken van een verzoekschrift om beroep aan te tekenen tegen de beslissing. 3.
- Niettemin, wanneer een partij per vergissing kiest voor een verkeerde wijze van instellen van de vordering, moet rekening worden gehouden met artikel 861 Ger.W. dat bepaalt dat de rechter een proceshandeling alleen dan nietig kan verklaren of het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven sanctioneren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt (cf. Cass. 23 mei 2013, Arr. Cass. 2013, 1266). De nietigheid die tegen een proceshandeling kan worden ingeroepen of het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven, zijn gedekt indien zij niet tegelijk en vóór enig ander middel worden voorgedragen (art. 864 Ger.W.). 3.
- De rechtbank stelt vast dat verwerende partij een eerste maal concludeerde op 14 januari 2025 en op dat ogenblik de exceptie van nietigheid met betrekking de wijze van gedinginleiding niet opwierp. Verwerende partij concludeerde op dat ogenblik reeds over de grond van de zaak. Pas in haar conclusie van 11 juni 2025 formuleert verwerende partij een opmerking over de wijze waarop het geding werd ingeleid, echter zonder uitdrukkelijk de nietigheidssanctie in te roepen, en ook zonder de rechtbank te verzoeken de vordering bijgevolg niet ontvankelijk te verklaren. Verwerende legt ook niet uit op welke manier haar belangen zouden zijn geschaad door het feit dat eisende partij gebruik maakte van een vereenvoudigd verzoekschrift. Kortom, verwerende partij riep de nietigheid van de proceshandeling niet in, deed dat in elk geval ook niet tegelijk en vóór enig ander middel, en bewijst ook geen belangenschade. De nietigheid is gedekt, minstens is er geen reden om de nietigheid vast te stellen. De vordering is ontvankelijk. Formele motivering van de bestreden beslissing 3.
- Wanneer een bestuur, zoals verwerende partij, een beslissing neemt ten aanzien van een werkgever, die ook rechtsgevolgen heeft voor deze werkgever, dan moet deze beslissing uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Dit houdt in dat de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/620/A – p. 6 vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet afdoende zijn (artt. 2 en 3 Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen). 3.
- De rechtbank stelt vast dat verwerende partij in haar beslissing van 24 juni 2024 een omschrijving geeft van het begrip tijdelijke overmacht en ook een algemeen voorbeeld geeft van een voorval dat niet als tijdelijke overmacht kan worden beschouwd, met name het faillissement of het kennelijk onvermogen van de werkgever, maar dat er op geen enkele manier wordt uitgelegd waarom verwerende partij van oordeel is dat de concrete feiten die eisende partij naar voor had gebracht door haar niet werden gekwalificeerd en aanvaard als tijdelijke overmacht. De beslissing is niet afdoende gemotiveerd en moet bijgevolg om die reden worden vernietigd. 3.
- Evenwel, dit doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de rechtbank om te oordelen over de grond van de zaak, en in het bijzonder over de subjectieve rechten die al dan niet voortvloeien uit de sociale wetgeving en die het voorwerp vormen van het geschil (zie en vgl. Cass. 27 juni 2005, Arr. Cass. 2005, 1456; Cass. 7 oktober 2024, AR S.22.0024.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241007.3F.4). De rechtbank stelt zich bijgevolg in de plaats om te oordelen over de vraag of de feiten die eisende partij aanvoert, gekwalificeerd kunnen worden als tijdelijke overmacht in de zin van artikel 26 Arbeidsovereenkomstenwet en of verwerende partij bijgevolg de tijdelijke werkloosheid van de werknemers van eisende partij al dan niet moet erkennen. Tijdelijke werkloosheid 3.
- Voor de werkloosheidsreglementering is een werknemer een tijdelijk werkloze wanneer de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, geschorst is (art. 27, 2°, a KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). Een voltijdse werknemer en een deeltijdse werknemer met behoud van rechten die geen inkomensgarantieuitkering geniet, kunnen in geval van tijdelijke werkloosheid uitkeringen genieten voor de uren van tijdelijke werkloosheid (art. 106 voornoemd KB). De schorsing van de arbeidsovereenkomst kan het gevolg zijn van een tijdelijk geval van overmacht, zoals bedoeld in artikel 26 van de Arbeidsovereenkomstenwet. In dat geval heeft de tijdelijk werkloze werknemer recht op een dagbedrag dat gelijk is aan 65% van het gemiddeld dagloon. Het is aan de werkgever die overmacht inroept, om het bestaan daarvan te bewijzen (zie en vgl. Arbh. Antwerpen 23 november 2011, NJW 2012, 550; Arbh. Brussel 17 november 2011, Soc. Kron. 2012, 37; Arbh. Luik 3 september 2021, JTT 2022, 81). Eisende partij voert aan dat de voorlopige hechtenis van haar zaakvoerder, gevolgd door zijn vrijlating onder de voorwaarde dat hij geen contact mocht onderhouden met de werknemers, een geval van overmacht is, zodat de betrokken werknemers vanaf 5 december 2023 tijdelijk werkloos waren en vanaf dan in de hoedanigheid van tijdelijk werkloze recht hebben op werkloosheidsuitkeringen. Begrip overmacht – Invloed van de strafrechtelijke schuld op de beoordeling van het bestaan van overmacht 3.
- Artikel 26 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt het volgende: Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/620/A – p. 7 “De door overmacht ontstane gebeurtenissen hebben de beëindiging van de overeenkomst niet tot gevolg wanneer zij slechts tijdelijk de uitvoering van de overeenkomst schorsen. Het faillissement of het kennelijk onvermogen van de werkgever, evenals de tijdelijke of definitieve sluiting van een onderneming die voortvloeit uit de maatregelen getroffen bij toepassing van de wetgeving op de reglementering betreffende de vrijwaring van het leefmilieu of met toepassing van het Sociaal Strafwetboek, zijn op zichzelf geen gevallen van overmacht die een einde maken aan de verplichtingen der partijen.” De Arbeidsovereenkomstenwet definieert het begrip overmacht niet. Dat was ook niet het geval in het oude Burgerlijk Wetboek. Artikel 5.226, §1 van het nieuwe BW, dat in werking trad op 1 januari 2023, bepaalt thans dat er sprake is van overmacht in geval van ontoerekenbare onmogelijkheid voor de schuldenaar om zijn verbintenis na te komen. Hierbij wordt rekening gehouden met het onvoorzienbaar en het onvermijdbaar karakter van het beletsel tot nakoming. De schuldenaar is bevrijd indien de nakoming van de verbintenis blijvend onmogelijk is geworden door de overmacht. De nakoming van de verbintenis is opgeschort voor de duur van de tijdelijke onmogelijkheid. Volgens deze bepaling is er dus slechts sprake van overmacht wanneer er een onmogelijkheid is voor de schuldenaar, die hem niet kan worden toegerekend, om zijn verbintenis na te komen. Bij de beoordeling van die onmogelijkheid moet dan rekening worden gehouden met het onvoorzienbaar en onvermijdbaar karakter van de hindernis voor nakoming (Parl. St. Kamer 2020-2021, nr. 55-1806/1, 263). De rechtbank herinnert eraan dat de bepalingen van het nieuwe BW van toepassing zijn op rechtshandelingen én rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden na de inwerkingtreding van de wet en evenzeer op rechtshandelingen en rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden na de inwerkingtreding van deze wet die betrekking hebben op een verbintenis ontstaan uit een rechtshandeling of rechtsfeit dat heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van deze wet (art. 64 wet 28 april 2022 houdende boek 5 “verbintenissen” van het Burgerlijk Wetboek). In deze zaak vonden de gebeurtenissen (rechtsfeiten) die worden ingeroepen als overmacht plaats na de inwerkingtreding van artikel 5.226 nieuw BW, zelfs al hielden zij verband met arbeidsovereenkomsten die werden aangegaan voor de inwerkingtreding ervan. 3.
- Het aangehaalde artikel 5.226, §1 sluit aan bij de tot dan heersende rechtspraak en rechtsleer, die overmacht ook al opvatte als een ontoerekenbare onmogelijkheid. Het begrip overmacht omvat dus twee elementen: enerzijds de onmogelijkheid om de verbintenis uit te voeren en anderzijds de ontoerekenbaarheid van die onmogelijkheid. Dit laatste houdt in dat de onmogelijkheid niet te wijten mag zijn aan de schuld van de schuldenaar zelf. De schuldenaar mag zelf geen fout hebben begaan die leidt tot de onmogelijkheid de verbintenis uit te voeren (zie over het begrip overmacht en de twee kenmerken ervan: W. Rauws, Civielrechtelijke beëindigingswijzen van de arbeidsovereenkomst, Kluwer, 1987, 608-631; B. Weyts, “Het klassieke leerstuk van overmacht in het verbintenissenrecht, actueler dan ooit”, TBBR 2020, 444-446). Het Hof van Cassatie definieerde overmacht in het verleden als een gebeurtenis die een onoverkomelijk beletsel uitmaakt tot de nakoming van verbintenissen, en die, wat haar Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/620/A – p. 8 totstandkoming betreft, aan geen fout van de schuldenaar te wijten is (Cass. 9 december 1976, Arr. Cass. 1977, 404). Overmacht veronderstelt een gebeurtenis buiten de menselijke wil die door de persoon die overmacht inroept, niet kan worden voorzien en ook niet kan worden vermeden (Cass. 16 maart 1998, Arr. Cass. 1998, 320; Cass. 18 september 2000, Arr. Cass. 2000, 1385; Cass. 7 maart 2008, Arr. Cass. 2008, 651). Een werkgever die zich op grond van artikel 26 van de Arbeidsovereenkomstenwet op overmacht beroept, moet niet enkel aantonen dat er een onvoorzienbare en onvermijdbare gebeurtenis plaatsvond, maar ook dat hij door deze gebeurtenis zijn verbintenissen, waaronder bijvoorbeeld de verbintenis om arbeid te verschaffen, onmogelijk kon nakomen (Cass. 14 september 2015, Arr. Cass. 2015, 1994). Dat de uitvoering van de verbintenis bemoeilijkt werd, volstaat niet. De werkgever die er effectief in slaagt aan te tonen dat het hem onmogelijk was zijn verbintenis om arbeid te verschaffen aan te voeren, moet daarenboven ook aantonen dat hij daaraan geen schuld heeft en dat hem dit dus ontoerekenbaar is. 3.
- Eisende partij verwijst naar artikel 4 VT.Sv. en meent dat er reden is om de procedure voor deze rechtbank te schorsen in afwachting van een definitieve uitspraak van de strafrechter over de schuld van haar zaakvoerder. Het betoog komt erop neer dat zij uit de eventuele vrijspraak een argument wil kunnen putten om de ontoerekenbaarheid van de overmachtssituatie aan te tonen. Eisende partij wil meer bepaald kunnen aantonen dat haar zaakvoerder geheel ten onrechte in verdenking werd gesteld en dat ook de voorlopige hechtenis een onterechte maatregel betrof. De burgerlijke vordering moet inderdaad worden geschorst zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld, maar dit is slechts zo in zoverre er gevaar bestaat voor onverenigbaarheid tussen de beslissing van de strafrechter en die van de burgerlijke rechter (art. 4 VT.Sv.). Er is sprake van een ingestelde strafvordering wanneer de strafzaak met een rechtstreekse dagvaarding aanhangig is gemaakt bij de strafrechter, of wanneer een onderzoeksrechter werd gevat om een gerechtelijk onderzoek te voeren (Cass. 16 mei 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 301). Het staat in deze zaak vast dat er sprake is van een ingestelde strafvordering. De zaakvoerder van eisende partij is het voorwerp van een gerechtelijk onderzoek. Hij werd door de onderzoeksrechter in verdenking gesteld. Niettemin vormen deze feiten geen reden om de burgerlijke procedure te schorsen. Immers, de rechtsvraag die in deze zaak aan de orde is of er in hoofde van eisende partij (en dus niet zozeer in hoofde van haar zaakvoerder) in de eerste plaats een onmogelijkheid bestond om haar verbintenis tot het verschaffen van arbeid ten aanzien van de werknemers uit te voeren. De rechtbank benadrukt dat eisende partij als vennootschap een onderscheiden rechtspersoon is, die niet zomaar vereenzelvigd kan worden met haar zaakvoerder, een natuurlijke persoon op wie de vrijheidsberoving en vrijheidsbeperkende maatregelen betrekking hadden. De vraag of het voor eisende partij als rechtspersoon onmogelijk was haar verbintenissen uit te voeren op het ogenblik dat haar zaakvoerder in voorlopige hechtenis werd gehouden, hangt niet af van de strafrechtelijke schuld of onschuld van de zaakvoerder, die later nog zal komen vast te staan. Mocht Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/620/A – p. 9 de rechtbank vaststellen dat er geen onmogelijkheid bestond om de verbintenis uit te voeren, dan stelt het vraagstuk van de toerekenbaarheid zich zelfs niet. Daarenboven moet ook de toerekenbaarheid van een eventuele onmogelijkheid beoordeeld worden in hoofde van eisende partij, en niet in hoofde van haar zaakvoerder als dusdanig. Het antwoord op de vraag of de zaakvoerder al dan niet terecht in voorlopige hechtenis werd genomen, hangt trouwens ook niet af van zijn schuld, maar van de vraag of er volgens de onderzoeksrechter en de onderzoeksgerechten op het ogenblik dat tot voorlopige hechtenis werd beslist, voldoende aanwijzingen van schuld waren. Voorts kan een voorlopige hechtenis achteraf slechts als onwerkzaam worden beschouwd wanneer niet alleen vrijspraak is verleend, maar ook is aangetoond dat de hechtenis niet het gevolg was van een eigen gedraging van de betrokkene, en dus niet door zijn of haar eigen gedrag is uitgelokt (zie art. 28 wet 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis).De beoordeling van deze laatste voorwaarde – die desgevallend ook vereist is om te bepalen of sprake is van een ontoerekenbare onmogelijkheid – vormt dus een toetsing die onderscheiden is van de schuldvraag, en wordt dan ook niet beïnvloed door het antwoord op die vraag. Toepassing in deze zaak 3.
- De zaakvoerder van eisende partij werd in het kader van een gerechtelijk onderzoek op 5 december 2023 gearresteerd en vervolgens in voorlopige hechtenis geplaatst tot 13 juni
- De vraag die bijgevolg voor deze periode beantwoord moet worden, is of deze voorlopige hechtenis voor eisende partij een geval van overmacht uitmaakte, die het haar onmogelijk maakte arbeid te verschaffen aan haar werknemers. De rechtbank merkt wel op dat uit de voorliggende stukken onomstotelijk blijkt dat minstens één werkneemster, A, op 9 januari 2024 formeel inriep dat eisende partij haar impliciet heeft ontslagen. Zelfs al zou het zo zijn dat zij dit ten onrechte deed, dan nog geldt dat de arbeidsovereenkomst die dag eindigde. De werknemer die ten onrechte het impliciet ontslag inroept, beëindigt immers zelf op onrechtmatige wijze de arbeidsovereenkomst (Cass. 15 juni 1981, Arr.Cass. 1980-81, 1182). De vaststelling dringt zich met andere woorden op dat A vanaf 9 januari 2024 niet meer in dienst was van eisende partij. Na die datum kan zij dus onmogelijk nog als een tijdelijk werkloze werknemer van eisende partij worden beschouwd. Met andere woorden, zelfs indien er sprake zou zijn geweest van overmacht, dan nog kan dit voor werkneemster A slechts gelden tot 9 januari
- 3.
- De rechtbank wijst erop dat artikel 28, 5° van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de overeenkomst wordt geschorst gedurende de tijd dat de werknemer afwezig is wegens maatregelen van voorlopige vrijheidsberoving waarvan hij het voorwerp is. Deze wetsbepaling werd ingevoerd in
- De wetgever was van oordeel dat dit noodzakelijk was omdat voorlopige hechtenis doorgaans niet als een geval van overmacht werd beschouwd (Parl. St. Senaat 1979-1980, nr. 378, 1), al was het maar omdat de voorlopige hechtenis het gevolg is van eigen gedragingen. Uit het aangehaalde artikel 28, 5° kan dus zeker niet worden afgeleid dat voorlopige hechtenis in alle gevallen gelijkstaat met overmacht, laat staan dat dit ook zo is bij voorlopige hechtenis van de werkgever. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/620/A – p. 10 Immers, dat voorlopige hechtenis voor een werknemer kan worden opgevat als een geval van overmacht, minstens als een situatie die een wettelijke schorsing van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, houdt verband met het feit dat op de werknemer een persoonlijke verbintenis rust om arbeid te verrichten. De werknemer kan zich niet laten vervangen door een andere persoon om de bedongen arbeid te laten uitvoeren, tenzij zeer uitzonderlijk en met toestemming van zijn werkgever. Daartegenover staat dat de werkgever niet noodzakelijk persoonlijk, of via een welbepaalde persoon, uitvoering moet geven aan de verbintenis arbeid te verschaffen. Een werkgever is bij machte om op organisatorisch vlak de nodige maatregelen te nemen, die hij door gebruik te maken van zijn werkgeversgezag ook eenzijdig kan opleggen aan de werknemer. Van een werkgever kan ook worden verwacht dat hij zodanige maatregelen neemt wanneer blijkt dat hijzelf, of de lasthebber of aangestelde die hij daarvoor aanduidde, door omstandigheden persoonlijk niet meer in staat is dat te doen. Ter vergelijking, het is precies omdat de onderneming van de werkgever na zijn dood kan voortbestaan, al was het na reorganisatie, of omdat de werkgever in die hoedanigheid door een andere persoon kan worden opgevolgd, dat het overlijden van de werkgever geen einde maakt aan de arbeidsovereenkomst, terwijl dat wel het geval is bij het overlijden van de werknemer. Enkel indien het overlijden van de werkgever effectief leidt tot het einde van de bedrijfsactiviteit waarvoor de werknemer in dienst is genomen of wanneer de arbeidsovereenkomst is gesloten met het oog op persoonlijke medewerking, kan dit leiden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst (art. 32, 4° en art. 33 Arbeidsovereenkomstenwet). 3.
- De rechtbank is van oordeel dat de vrijheidsberoving van de zaakvoerder van eisende partij op zich niet leidde tot de onmogelijkheid voor eisende partij om zich te kwijten van haar verbintenis om arbeid te verschaffen aan de werknemers. Zoals de raadsman van eisende partij ter terechtzitting bevestigde, werd eisende partij als onderscheiden rechtspersoon als dusdanig niet in verdenking gesteld. Er ligt ook geen bewijs voor dat er – naast de voorlopige hechtenis van de zaakvoerder – door de onderzoeksrechter maatregelen werden genomen die het eisende partij als vennootschap onmogelijk maakten om in de ruime periode van 5 december 2023 tot augustus 2024 bedrijfsactiviteiten te ontplooien of die activiteiten onmiddellijk na de huiszoeking op 5 december 2023 opnieuw op te starten, en die het haar dus onmogelijk maakten om de werknemers verder – of opnieuw – tewerk te stellen. Ook de inbeslagname van administratieve documenten en bescheiden, maakte dit trouwens niet volledig onmogelijk. Deze omstandigheid geldt hoogstens als een bemoeilijking van de bedrijfsvoering. Eisende partij kon trouwens de vrijgave van deze documenten verzoeken. Dit gebeurde volgens de voorliggende stukken echter pas voor het eerst op 5 juli
- De onderzoeksrechter wees dit verzoek op 18 juli 2024 trouwens af omdat het verzoek te algemeen was geformuleerd, en dus omdat bij het formuleren van het verzoek tot vrijgave niet de nodige inspanning werd gedaan om te preciseren welke documenten nodig waren voor de (normale) bedrijfsvoering of voor andere doeleinden. Het komt de rechtbank voor dat eisende partij, geconfronteerd met de vrijheidsberoving van haar zaakvoerder, de nodige maatregelen had moeten nemen om hem (tijdelijk) te vervangen. Zij had zich als onderneming moeten (re)organiseren opdat de arbeidsovereenkomsten toch verder uitgevoerd konden worden en dat de werknemers dus verder konden worden tewerkgesteld. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/620/A – p. 11 In de rechtspraak werd reeds aanvaard dat wanneer een persoon ziek is en daardoor persoonlijk in de onmogelijkheid verkeert welbepaalde rechtshandelingen te stellen, dat dit daarom nog géén onmogelijkheid inhoudt om die rechtshandelingen uit te voeren, meer bepaald omdat men zich kan laten vervangen. Wie in de onmogelijkheid wordt geplaatst zijn onderneming of handelszaak uit te baten, kan een gerant aanstellen (zie Gent 19 juni 2003, NjW 2003, 1044; zie Vred. Doornik 25 september 2001, JLMB 2002, 516). Dit geldt ook wanneer een werkgever, of de persoon die namens de werkgever instaat voor het verschaffen van arbeid en het uitoefenen van werkgeversgezag, in voorlopige hechtenis wordt genomen. Het valt niet in te zien waarom eisende partij niet had kunnen overgaan tot vervanging, hetzij tijdelijk, hetzij definitief, van haar zaakvoerder. Het is niet aangetoond dat de functie van de werknemers er enkel en alleen in bestond of bestaat persoonlijk medewerking te verlenen aan de zaakvoerder die van zijn vrijheid werd beroofd, of dat de verbintenis om arbeid te verschaffen enkel en alleen kan of kon worden uitgevoerd door inschakeling van D, de zaakvoerder die in voorlopige hechtenis werd genomen. De zaakvoerder van eisende partij volgde in de gevangenis de zaken van de onderneming naar eigen zeggen trouwens op. Zijn raadsman erkent in syntheseconclusie: “Dit weerhield dhr. D [de zaakvoerder] er evenwel niet van om zelfs vanuit de gevangenis te proberen de vennootschap draaiende te houden. Het was evenwel slechts wanneer hij onder elektronisch toezicht werd geplaatst door de rechtbank, met uitdrukkelijk contactverbod t.a.v. zijn werknemers (in augustus 2024, maanden na aanhouding en maanden nadat hij zelf nog had geprobeerd vanuit de gevangenis de zaken te blijven regelen), dat hij de force majeure wenste in te roepen.” Wel nu, die opvolging en zaakwaarneming had er evenzeer in kunnen bestaan te voorzien in zijn eigen vervanging, hetgeen hij heeft nagelaten. Zodoende kan er voor de periode van vrijheidsberoving geen sprake zijn van overmacht in hoofde van eisende partij. Er was geen sprake van een onmogelijkheid om arbeid te verschaffen aan de werknemers. Minstens is dit toerekenbaar aan eisende partij zelf, of haar zaakvoerder, die niet de vereiste maatregelen hebben genomen om tijdens de voorlopige hechtenis van de zaakvoerder verder uitvoering te kunnen geven aan de lopende arbeidsovereenkomsten.. Het is trouwens inherent tegenstrijdig enerzijds voor te houden dat er pas een situatie van overmacht ontstond op het ogenblik dat de voorlopige hechtenis werd omgezet in elektronisch toezicht of een voorwaardelijke invrijheidstelling met een contactverbod, en tegelijk een retroactieve erkenning van de overmacht te verzoeken vanaf 5 december
- Dit is nochtans de strekking van hetgeen men verzoekt en hetgeen men in syntheseconclusie ook aanvoert. 3.
- Ook het verbod om contacten te onderhouden met de werknemers van eisende partij, dat na het beëindigen van de voorlopige hechtenis aan de zaakvoerder werd opgelegd, hield en houdt voor eisende partij niet de onmogelijkheid in om enerzijds haar bedrijfsactiviteiten verder te ontplooien en anderzijds arbeid te verschaffen aan haar werknemers. Opnieuw dringt de vaststelling zich op dat eisende partij zich eenvoudigweg van haar verbintenis kan kwijten, of had kunnen kwijten, door haar zaakvoerder tijdelijk of definitief te vervangen. Het is niet Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/620/A – p. 12 aangetoond dat de functie van de betrokken werknemers er enkel en alleen in bestaat persoonlijk medewerking te verlenen aan de zaakvoerder aan wie een contactverbod werd opgelegd. Het is ook niet aangetoond dat de verbintenis om arbeid te verschaffen de noodzakelijke inschakeling van de huidige zaakvoerder vereist en dat eisende partij daarvoor niemand anders zou kunnen zoeken en vinden. Bijgevolg kan er ook na het beëindigen van de voorlopige hechtenis geen sprake zijn van overmacht. Er was ook na die datum geen sprake van een onmogelijkheid om arbeid te verschaffen aan de werknemers. Minstens is het toerekenbaar aan eisende partij zelf, of haar zaakvoerder, dat niet de vereiste maatregelen werden genomen om in die periode verder uitvoering te geven aan de lopende arbeidsovereenkomsten. 3.
- Ten overvloede merkt de rechtbank trouwens op dat artikel 5.226, §1 van het nieuwe BW voorschrijft dat de schuldenaar die kennis heeft of behoort te hebben van de overmacht, zijn schuldeiser binnen een redelijke termijn op de hoogte moet brengen. Zo niet, dan moet de schuldenaar de schade herstellen die hiervan het gevolg is. Deze kennisgevingsverplichting vloeit voort uit het beginsel van uitvoering te goeder trouw van de overeenkomst (Parl. St. Kamer 2020-2021, nr. 55- 1806/1, 262). Eisende partij toont geenszins aan dat de werknemers binnen een redelijke termijn zodanige kennisgeving ontvingen. Wel integendeel, werkneemster A schreef haar werkgever meermaals aan met verzoek haar arbeid te verschaffen, zonder echter enige reactie te ontvangen. Daarop riep ze het impliciet ontslag in en wendde ze zich tot de RVA om uitkeringen als volledig werkloze te bekomen. Het is pas nadien, nadat eisende partij in de loop van 2024 ook werd benaderd door de controledienst van de RVA, dat de zaakvoerder van eisende partij bij die Rijksdienst erop aandrong dat de tijdelijke werkloosheid van de werknemers wegens overmacht (retroactief) zou worden erkend, om op die manier elke verantwoordelijkheid inzake de verdere tewerkstelling van de werknemers van zichzelf en van eisende partij af te wentelen. 3.
- De rechtbank wijst de vordering van eisende partij tot erkenning van de tijdelijke werkloosheid van haar werknemers op grond van overmacht voor de periode vanaf 5 december 2023 af als ongegrond. (Provisionele) schadevergoeding 3.
- Eenieder is aansprakelijk voor de schade die hij door zijn fout aan een ander veroorzaakt (art. 1382 oud BW. Inzake buitencontactuele aansprakelijkheid zijn de bepalingen van het oud BW van toepassing op feiten die zich voordeden vóór 1 januari 2025 (art. 44 wet 7 februari 2024 houdende boek 6 "Buitencontractuele aansprakelijkheid" van het Burgerlijk Wetboek). Een overheidsdienst die een fout begaat, die leidt tot schade bij een bestuurde, is daarvoor aansprakelijk en moet de schade die uit die fout voortvloeit, vergoeden. Hierboven werd reeds geoordeeld dat verwerende partij op 24 juni 2024 een beslissing nam, die onvoldoende formeel was gemotiveerd. Dit is een fout. Evenwel, in de mate dat verwerende partij met die beslissing weigerde om de tijdelijke werkloosheid van de werknemers van eisende partij wegens overmacht te erkennen, beging verwerende partij géén Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/620/A – p. 13 fout. Op materieel-inhoudelijk vlak was die beslissing juist. Dat in die zin werd beslist, kan dus in elk geval géén aanleiding geven tot schadevergoeding. 3.
- Eisende partij vordert een provisionele vergoeding voor materiële en morele schade, zonder te concretiseren waaruit die schade dan precies zou bestaan, en wat het oorzakelijk verband zou zijn met de bestreden beslissing. Het is niet omdat men een provisionele schadevergoeding vordert, dat men wordt vrijgesteld van de verplichting het bewijs te leveren van de schade die door een (vermeende) fout werd veroorzaakt. Ofwel vordert men een provisionele schadevergoeding omdat de schade is aangetoond, maar de begroting ervan nog onzeker is. Ofwel vordert men een provisionele schadevergoeding, omdat er bewijselementen voorliggen die schade redelijkerwijs kunnen doen vermoeden, maar die een onderzoeksmaatregel of de voorlegging of vergaring van ander bijkomend bewijs vereisen opdat de (omvang van de) schade definitief en met zekerheid zou kunnen worden vastgesteld.. De vaststelling dringt zich op dat eisende partij geen enkel element aanreikt dat bewijst of redelijkerwijs zou kunnen doen vermoeden dat de gebrekkige formele motivering van de bestreden beslissing – enige fout die verwerende partij kan worden verweten – haar ook materiële of morele schade heeft berokkend. 3.
- De vordering om een (provisionele) schadevergoeding te bekomen, is ongegrond. De rechtbank ziet bijgevolg ook geen reden om de zaak naar de bijzondere rol te verwijzen teneinde de omvang van de veroorzaakte schade, die niet is bewezen en ook niet aannemelijk wordt gemaakt, te laten begroten. Gerechtskosten en uitvoerbaarheid van het vonnis 3.
- De rechtbank stelt eisende partij in het ongelijk. De in het ongelijk gestelde partij moet in de kosten van het geding worden verwezen (cf. art. 1017, 1ste lid Ger.W.) 3.
- De bijdrage van 24 euro aan het Begrotingsfonds voor de Juridische Tweedelijnsbijstand, is een gerechtskost (art. 1018, 8° Ger.W.). Deze bijdrage valt definitief ten laste van eisende partij. De rechtsplegingsvergoeding is eveneens een gerechtskost (cf. art. 1018, 7° Ger.W.). Verwerende partij doet opgave van een rechtsplegingsvergoeding, die eisende partij als in het ongelijk gestelde partij moet dragen. Verwerende partij begroot haar rechtsplegingsvergoeding op het basistarief voor een niet in geld waardeerbare vordering, met name op 1.883,72 euro. Evenwel, eisende partij stelde wel degelijk een vordering in tot het bekomen van een schadevergoeding van 100.000 euro, weliswaar provisioneel. Het provisionele karakter van de vordering doet echter geen afbreuk aan het feit dat de eis ten belope van dat bedrag ook effectief werd geformuleerd, zodat er voor de bepaling van de rechtsplegingsvergoeding rekening mee kan worden gehouden. In de zaken bedoeld in artikel 780, 1° Ger.W. is het basistarief van de rechtsplegingsvergoeding voor een in geld waardeerbare vordering van 100.000 euro thans 4.709,30 euro. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 24/620/A – p. 14 De rechtbank is er, behoudens procedureakkoord tussen de partijen dan wel wanneer er een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag bestaat of werd gedaan, ambtshalve toe gehouden het correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen (Cass. 13 januari 2023, RW 2022- 2023, 1180). De rechtbank kent verwerende partij dan ook een rechtsplegingsvergoeding van 4.709,30 euro toe. 4.
- De rechtbank verwijst wat betreft de uitvoerbaarheid van het vonnis en de mogelijkheid tot kantonnement naar de artikelen 1397, 1ste lid en 1404 Ger. W. en zegt dat er geen reden is om af te wijken van de daarin vervatte beginselen. IV. BESLISSING VAN DE RECHTBANK De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge, KAMER B2, doet uitspraak op tegenspraak, hierbij rekening houdende met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De Rechtbank verklaart de vorderingen van eisende partij ontvankelijk. De Rechtbank vernietigt de bestreden beslissing, en stelt zich in de plaats van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. De Rechtbank zegt voor recht dat de werknemers van eisende partij (A, B en C) in de periode vanaf 5 december 2023 niet tijdelijk werkloos zijn door overmacht in de zin van artikel 26 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, zodat zij in die periode geen recht hebben op werkloosheidsuitkeringen als tijdelijk werkloze. De Rechtbank wijst de andersluidende vordering van eisende partij alsook haar vordering tot het bekomen van een (provisionele) schadevergoeding af als ongegrond. De Rechtbank verwijst eisende partij in de kosten van het geding (art. 1017, 1ste lid Ger.W.) en begroot deze als volgt: een rechtsplegingsvergoeding voor verwerende partij: 4.709,30 euro; de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de Juridische Tweedelijnsbijstand: 24 euro. De rechtbank verwijst wat betreft de uitvoerbaarheid van dit vonnis naar de regels en beginselen vervat in de artikelen 1397, 1ste lid en 1404 van het Gerechtelijk Wetboek, waarop met dit vonnis geen uitzondering wordt gemaakt. PDF document ECLI:BE:ARGNT:2025:JUG.20251117.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241007.3F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div