id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Beschikking van 21 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2025:ORD.20251021.1 Rolnummer: 25/3/C Zaak: A t. OCMW Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Overige Invoerdatum: 2026-01-30 Raadplegingen: 510 - laatst gezien 2026-06-18 22:48 Fiches 1 - 2 Een gepensioneerde man vroeg bij het OCMW ondersteuning aan omdat de Dienst voor Alimentatievorderingen (DAVO) derdenbeslag had laten leggen op zijn volledig pensioen. Nadat het OCMW initieel weigerde omwille van de agressieve houding van de man, besliste het twee maanden later om hem toch financiële steun toe te kennen en een voedselkaart en medische kaart te bezorgen. Een maand later trok het OCMW deze steun opnieuw in. Het OCMW verwees daarbij naar het niet opdagen op twee gesprekken, het ontbreken van contact met de echtgenote (waardoor niet kon worden nagegaan of zij kon werken), het eisende gedrag van de man en de onduidelijkheid over de openstaande schuld bij DAVO. De man tekende beroep aan tegen alle beslissingen van het OCMW en verzette zich ook tegen het beslag door DAVO. Intussen vroeg de verhuurder van zijn woning bij de vrederechter de ontbinding van de huurovereenkomst omdat de man al twee maanden geen huur had betaald. In afwachting van een beslissing ten gronde vroeg de man aan de voorzitter van de arbeidsrechtbank om het OCMW te veroordelen tot het betalen van voorschotten gelijk aan het leefloon. De voorzitter stelt vast dat de man en zijn echtgenote op dit moment geen enkel inkomen hebben en dat hun financiële situatie acuut en precair is. Hoewel het gedrag van de man heeft bijgedragen aan de situatie, is er volgens de voorzitter sprake van een samenloop van omstandigheden waarop hij niet of slechts beperkt vat had. De voorzitter verwijst onder meer naar het volledige derdenbeslag op het pensioen, de dreigende uithuiszetting wegens huurachterstal en de stopzetting van de OCMW-hulp zonder voorafgaand huisbezoek. Het spoedeisend karakter van de vordering is aangetoond. De voorzitter oordeelt ook dat de man een voldoende schijn van recht aantoont om voorlopige maatregelen te rechtvaardigen. Het OCMW moet aan de man: • een maandelijks voorschot op financiële steun betalen van 876,13 euro (equivalent leefloon samenwonende); • verder steun verlenen via een voedselkaart en een medische kaart. Deze voorlopige maatregelen gelden tot het derdenbeslag op het pensioen wordt opgeheven en tot de arbeidsrechtbank een definitieve beslissing neemt over de beroepen tegen de OCMW-beslissingen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 584 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 580 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Wet - 08-07-1976 - 60 - 37 ELI link Pub nr 1976D70810 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 19 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 584 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 580 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Wet - 08-07-1976 - 60 - 37 ELI link Pub nr 1976D70810 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 19 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer: Uitgereikt aan Uitgereikt aan 26/1512 Datum van uitspraak: op op 21/10/2025 € € Rechtsmiddelen Rolnummer: 25/3/C arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge BESCHIKKING Kamer KG (KORTGEDING) Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/3/C – p. 2 In de zaak van: A , RRN:, wonende te, eisende partij, in persoon verschenen en met als advocaat mr. VANSPEYBROUCK NICOLAS, met kantoor te 8660 DE PANNE, Markt
- tegen: OCMW VAN KOKSIJDE , KBO: 0212.188.785 , met zetel te 8670 KOKSIJDE, Ter Duinenlaan 34, verwerende partij, met als advocaat mr. FEYS LAURA loco mr. FEYS IVES, beiden met kantoor te 8670 KOKSIJDE, Strandlaan
- I. VORDERING 1.
- Eisende partij verzoekt verwerende partij, in afwachting van een beslissing ten gronde van de arbeidsrechtbank, te veroordelen tot het betalen van voorschotten à rato van het leefloon categorie 3 en dit vanaf augustus
- Ondergeschikt verzoekt hij verwerende partij ertoe te veroordelen de volgende zaken ten laste te nemen: - Huur; - Gas en elektriciteit; - Internet/telefonie; - Verzekeringen; - Medische kosten; - Leefgeld a rato van 300 euro per maand. Eisende partij verzoekt verwerende partij ook te veroordelen tot de kosten van het geding, die aan zijn zijde bestaan uit de dagvaardingskosten en een rechtsplegingsvergoeding, die hij becijfert op 1.883,72 euro. Hij verzoekt de rechterlijke beslissing ook bij voorraad uitvoerbaar te verklaren. 1.
- Verwerende partij verzoekt de vordering niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en eisende partij te veroordelen tot de kosten van het geding die zij aan haar zijde begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.883,72 euro. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/3/C – p. 3 II. PROCEDURE Eisende partij dagvaardde verwerende partij om op 14 oktober 2025 te verschijnen voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Veurne, doch zetelende te Brugge. Deze dagvaarding werd op 3 oktober 2025 aan het OCMW van Koksijde betekend. Het OCMW van Koksijde concludeerde op 14 oktober
- Zij legde ook stukken neer. Op de zitting van 14 oktober 2025 hoorde de voorzitter beide partijen in de uiteenzetting van hun middelen en argumenten. Eisende partij legde stukken neer ter zitting. De voorzitter sloot vervolgens de debatten en nam de zaak in beraad. Hij nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de stukken van de partijen. De rechtspleging verliep in het Nederlands. III. FEITEN 3.
- Eisende partij, die sinds 29 april 2024 in Koksijde woont, is verwikkeld in een geschil met de fiscale administratie, in het bijzonder met de Dienst voor Alimentatievorderingen (DAVO). Op 17 april 2025 legde deze administratie beslag onder derden, meer in het bijzonder bij de Federale Pensioendienst, dit voor een bedrag van 8.083,26 euro (onderhoudsgelden periode 2022-2025). Eisende partij geniet immers een pensioen als inkomen. Eisende partij zegt dat zijn volledig pensioen wordt ingehouden, maar legt daarvan geen bewijsstuk voor. In de sociale verslaggeving van het OCMW van Koksijde wordt echter bevestigd dat eisende partij een pensioen van 2.438,34 euro geniet, dat ingevolge het beslag volledig wordt ingehouden. Eisende partij tekende verzet aan tegen het derdenbeslag. Hij leidde op 2 mei 2025 een procedure in bij de beslagrechter van Brussel die, na tussenkomst van de arrondissementsrechtbank Brussel, thans in behandeling is bij de beslagrechter in Veurne. Ter zitting verduidelijkte de raadsman van eisende partij dat de beslagrechter uitspraak zal doen op 27 oktober
- 3.
- Op 9 april 2025, dus ongeveer een week voordat derdenbeslag werd gelegd op zijn pensioen, deed eisende partij een aanvraag bij het OCMW van Koksijde, verwerende partij in deze zaak. Op 29 april 2025 besliste verwerende partij de aanvragen tot maatschappelijke dienstverlening en maatschappelijke integratie te weigeren, met samengevat als motivering dat eisende partij zich verbaal agressief opstelde, dat hij weigerde formulieren in te vullen en deze verscheurde en dat hij op die manier dus geen medewerking verleende en niet de vereiste toestemmingen gaf. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/3/C – p. 4 Op 6 mei 2025 en op 18 juni 2025 kwam eisende partij opnieuw op gesprek bij de diensten van verwerende partij. Hij deed tijdens dat tweede gesprek een nieuwe hulpaanvraag. Op 8 juli 2025 nam verwerende partij een nieuwe beslissing en besliste zij meer bepaald om eisende partij wel (terugvorderbare) financiële steun toe te kennen onder de vorm van het ten laste nemen van huur en nutsvoorzieningen, alsook het ten laste nemen van onderhoudsgeld, dit vanaf 1 juni
- Voorts werd ook beslist om eisende partij een voedselkaart en een medische kaart te bezorgen. Op 28 juli 2025 tekende eisende partij bij de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Veurne, beroep aan tegen de beslissingen van 29 april 2025 en 8 juli
- De inleidingszitting voor deze zaak werd bepaald op 16 oktober
- Het gaat om de zaak met algemeen rolnummer 2025/84/A. Op 12 augustus 2025 besliste verwerende partij om de financiële steun in te trekken. Verwerende partij motiveerde dit door te verwijzen naar het volgende: - Afwezigheid op bureelgesprekken van 1 augustus 2025 en 6 augustus 2025, zowel van eisende partij als van zijn echtgenote; - Gebrek aan enig contact met de echtgenote, ondanks verzoeken daartoe, zodat geen inschatting kan worden gemaakt op vlak van activering; - Onmogelijkheid om een traject aan te gaan omwille van het eisende gedrag van de aanvrager (eisende partij); - Geen duidelijkheid over de openstaande schuld bij DAVO. Eisende partij tekende tegen deze laatste beslissing op 16 september 2025 beroep aan bij de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Veurne. De inleidingszitting voor deze zaak werd bepaald op 18 december
- Het gaat om de zaak met algemeen rolnummer 2025/111/A. 3.
- Op 14 augustus 2025 legde de verhuurder van eisende partij bij de vrederechter van Veurne een verzoekschrift neer teneinde de woninghuurovereenkomst te laten ontbinden. De verhuurder haalt in dat verzoekschrift aan dat er 1.401,18 euro aan achterstallige huur is (maanden april en mei 2025). De vrederechter riep eisende partij op om te verschijnen op de zitting van 9 september 2025, doch de zaak werd uitgesteld naar 14 oktober 2025 en op die zitting behandeld. De vrederechter zal (naar verwachting) uitspraak doen op een termijn van 1 maand, dus halverwege november
- Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/3/C – p. 5 IV. BEOORDELING Vordering in kort geding Algemene regels en beginselen 4.
- De voorzitter van de arbeidsrechtbank kan bij voorraad uitspraak doen in gevallen die hij spoedeisend acht, in de mate dat het gaat om een aangelegenheid die behoort tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank (art. 584, 2de lid Ger.W.). Spoedeisendheid (urgentie) onderstelt dat een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang of ernstige ongemakken te voorkomen (Cass. 17 juni 2019, P&B 2019, 144; Cass. 18 april 2024, RW 2023-24, 1627). De aanwezigheid ervan moet beoordeeld worden op het ogenblik dat de rechter zich uitspreekt. Het is vaststaande rechtspraak dat een partij de toestand van spoedeisendheid niet zelf in het leven mag hebben geroepen. Een toestand kan niet als spoedeisend worden beschouwd indien de eigen daden van de verzoeker de schade of de ongemakken veroorzaken, ongeacht of deze daden rechtmatig zijn of niet (zie o.a. Cass. 17 maart 1995, Arr. Cass. 1995, 320). 4.
- Is er sprake van spoedeisendheid, dan kan de rechter in kort geding maatregelen tot bewaring van recht bevelen, indien er een schijn van recht is die het nemen van een dergelijke beslissing verantwoordt. Hij mag daarbij echter geen verklaring van rechten doen en evenmin de rechtspositie van de partijen definitief regelen. Hij beoordeelt in feite, binnen de grenzen van de redelijkheid, of de schijn van recht voldoende is om een beslissing bij urgentie te verantwoorden (Cass. 23 september 2011, Arr. Cass. 2011, 1905; Cass. 18 april 2024, RW 2023- 24, 1627). De kortgedingrechter kan zijn beslissing steunen op een voorlopige beoordeling van de grond van de zaak en kan nagaan wat de vermoedelijke rechtspositie van de partijen is. De vordering in kort geding is gegrond wanneer de schijn van recht de gevorderde maatregel rechtvaardigt (S. Beernaert, “Algemene principes van het civiele kort geding”, RW 2001-2002, 1348). Toepassing in deze zaak Bevoegdheid 4.
- De voorzitter van de arbeidsrechtbank is in deze zaak materieel en territoriaal bevoegd. Het gaat om een geschil met betrekking tot de toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en hoofdstuk IV van de OCMW-wet van 8 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/3/C – p. 6 juli 1976 betreffende het recht op maatschappelijke dienstverlening. Zodanige geschillen behoren overeenkomstig de artikelen 580, 8°, c en d Ger.W. tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank. Eisende partij is een rechthebbende die zijn woonplaats heeft in Koksijde zodat de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Veurne, territoriaal bevoegd is voor het geschil (art. 628, 14° Ger.W.) Ingevolge het zaakverdelingsreglement van de arbeidsrechtbank Gent is voor de zaken bedoeld in art. 584, 3de en 4de lid Ger.W de afdeling Brugge exclusief bevoegd voor de afdelingen Brugge én Veurne (art. 3 reglement). Spoedeisendheid 4.
- Eisende partij is volgens de stukken die thans voorliggen een gepensioneerde man die samenwoont met zijn echtgenote, en die samen als enige bron van inkomsten beschikken over het pensioen van eisende partij. Dat pensioen wordt sedert april 2025 echter volledig ingehouden ten voordele van DAVO. Het staat vast dat de beslagmaatregel een ernstige negatieve weerslag heeft op de financiële situatie van eisende partij. Dat ook verwerende partij die mening is toegedaan, blijkt uit het feit dat zij op 8 juli 2025 besliste om (terugvorderbare) financiële steun te verlenen. Dat de financiële situatie van eisende partij (en zijn echtgenote) precair blijkt te zijn, blijkt zeker ook het feit dat zij de voorbije maanden niet in staat zijn geweest de huur van hun woning te betalen, behoudens de tussenkomsten die op dat vlak werden verricht door verwerende partij. Eisende partij leeft ingevolge een gerechtelijke procedure ingesteld door de verhuurder thans onder dreiging van uithuiszetting. De vraag in deze zaak is of de (geheel of gedeeltelijk) afwijzende beslissingen van verwerende partij van 29 april 2025, 8 juli 2025 en 12 augustus 2025 thans een toestand teweegbrengen, die de bestaanszekerheid van eisende partij zodanig in gedrang brengen dat bij spoedeisendheid een voorlopige maatregel moet worden overwogen. 4.
- De vaststelling dringt zich zeker op dat de beslissingen van verwerende partij allen reeds meer dan twee maanden geleden werden genomen. Dit wil op zich echter nog niet zeggen dat het verzoek van eisende partij geen spoedeisend karakter meer heeft of kan hebben. De financiële toestand van een persoon is immers een evolutief, fluctuerend gegeven en kan dus mogelijk pas een aantal maanden na een negatieve beslissing van een OCMW een zware impact krijgen, die plots niet meer te overzien is. Er moet in deze zaak enerzijds rekening worden gehouden met omstandigheden die eisende partij toelieten (financieel) stand te houden, zoals de ondersteuning die verwerende partij tot halverwege augustus ook effectief verleende ingevolge de beslissing van 8 juli
- Er moet anderzijds ook rekening worden gehouden met de verwikkelingen die sinds halverwege Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/3/C – p. 7 augustus 2025 hebben plaatsgegrepen en die van aard zijn de (financiële) toestand van eisende partij te verergeren, zoals de procedurele vertraging die werd opgelopen bij de behandeling van het verzet tegen het derdenbeslag, alsook het feit dat de verhuurder van eisende partij op 14 augustus 2025 – en dus kort volgend op de laatste beslissing van verwerende partij een vordering tot huurontbinding instelde bij de vrederechter. Deze procedure kon eenmalig worden uitgesteld, hetgeen eisende partij tijdelijk ‘ademruimte’ gaf zonder dat zijn huisvesting onmiddellijk in gedrang kwam. De vrederechter behandelde die zaak ondertussen echter wel en een vonnis wordt eerstdaags verwacht. Eisende partij toont het acute karakter van zijn precaire financiële toestand voldoende aan. 4.
- Bij de beoordeling van de spoedeisendheid moet en mag ook wel rekening worden gehouden met de eigen redelijke inspanningen die van eisende partij verwacht kunnen worden om een inkomen te verwerven of behouden. De acute, precaire financiële toestand mag niet het gevolg zijn van handelingen die het eigen onvermogen hebben bewerkstelligd of die de financiële toestand nodeloos hebben verzwaard. In sociale zaken en in het bijzonder op gebied van maatschappelijke integratie, mag echter ook het beginsel niet uit het oog worden verloren dat éénieder recht heeft op een menswaardig bestaan (art. 23 Gw.). Het zou in dit soort zaken te hardvochtig zijn elke verkeerde inschatting en elke misrekening, elke financieel ondoordachte beslissing of om de minste nalatigheid in het verleden onmiddellijk aan te wenden als een reden om aan een verzoek zijn spoedeisend karakter te ontnemen. Dit moet in redelijkheid beoordeeld worden, te meer een persoon het recht op maatschappelijke dienstverlening niet kan verbeuren door eigen schuld of toedoen (RvS 15 februari 1990, Arr. RvS. 1990, nr. 34.059). In deze zaak moeten meer bepaald de volgende gedragingen in overweging worden genomen bij de beoordeling van het spoedeisend karakter van het verzoek in kort geding: - Het feit dat de precaire financiële situatie het gevolg is van een derdenbeslag door DAVO, dat op zijn beurt het gevolg is van het niet (volledig) betalen door eisende partij van onderhoudsgelden voor (een aantal van) zijn kinderen. - Het feit dat de echtgenote van eisende partij geen beroeps- of vervangingsinkomen heeft, alsook dat eisende partij verschillende meerderjarige kinderen heeft die mogelijks ten aanzien van hem onderhoudsplichtig zijn op grond van artikel 205 BW (oud). - Het gedrag van eisende partij in zijn contacten met de diensten van verwerende partij, zoals deze worden beschreven in de sociale verslagen van de maatschappelijk assistenten van verwerende partij, waaronder – aldus verwerende partij – het gebrek aan medewerking van de echtgenote of de remmende houding die eisende partij op dat vlak aanneemt. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/3/C – p. 8 Voorts is er ook het feit dat de zaak van eisende partij, minstens wat betreft het beroep tegen de beslissingen van eisende partij van 29 april en 8 juli 2025, werd opgeroepen op de zitting van 16 oktober laatstleden, zodat de procedure voor de bodemrechter parallel loopt met het kort geding. Verwerende partij voert aan dat eisende partij op de zitting van 16 oktober 2025 de zaak gewoon in staat zou kunnen stellen, zonder te moeten teruggrijpen naar een procedure in kortgeding. 4.
- Het is duidelijk dat eisende partij zich niet in de huidige situatie zou hebben bevonden, mocht hij de voorbije jaren spontaan en volledig uitvoering hebben gegeven aan zijn verplichting om onderhoudsgeld te betalen voor (verschillende van) zijn kinderen. De onderhoudsgerechtigde zag zich blijkbaar genoodzaakt een beroep te doen op DAVO om onbetaald onderhoudsgeld te laten innen. Niettemin kan men ook niet om de vaststelling heen dat eisende partij verwikkeld is in een juridische procedure met DAVO, hetgeen ook werd erkend in de sociale verslaggeving van verwerende partij. Er wordt meer bepaald gewag gemaakt van een (hangende) procedure bij het Hof van Cassatie. Tegelijk is het ook zo dat eisende partij verzet aantekende tegen het derdenbeslag door DAVO en dat de beslagrechter daarover nog uitspraak moet doen. Op heden kan niet met zekerheid worden gezegd dat het derdenbeslag zonder meer rechtmatig is. Er kan prima facie ook niet worden gezegd dat het betoog van eisende partij dat dit derdenbeslag daarentegen onrechtmatig is, volstrekt ongeloofwaardig is. Het is ook niet zo dat eisende partij de beslissing over het derdenverzet bewust heeft vertraagd, zoals verwerende partij laat uitschijnen. Het klopt zeker dat eisende partij dat derdenverzet ten onrechte inleidde bij de beslagrechter in Brussel, maar het gaat duidelijk om een vergissing begaan door een persoon die niet-juridisch geschoold is, en die zich bij het instellen van het verzet niet liet bijstaan door een advocaat. Het is niet aan eisende partij te wijten dat het verschillende maanden duurde vooraleer de zaak via de noodzakelijke tussenkomst van de arrondissementsrechtbank werd verzonden naar de bevoegde (beslag)rechter in Veurne, die volgens de verklaring van de huidige raadsman van eisende partij maar uitspraak zal doen op 27 oktober aanstaande. 4.
- Het kan bij de beoordeling van de spoedeisendheid ook niet aan eisende partij worden aangerekend of toegerekend dat zijn echtgenote op dit ogenblik geen inkomsten heeft of dat één van zijn kinderen niet voor zijn levensonderhoud zou instaan. Uiteraard zou het een oplossing betekenen voor eisende partij mocht zijn echtgenote een inkomen hebben, en de financiële noden van het gezin zou kunnen lenigen, maar feit is dat dit op heden niet het geval is. Verwerende partij toont geenszins aan dat het een bewuste strategie van de echtgenote van eisende partij zou zijn, al dan niet in overleg met hem, om geen inkomen te verwerven, laat staan dat het is aangetoond dat zij mogelijk inkomsten achterhoudt. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/3/C – p. 9 Het is ook niet redelijk te verwachten dat de kinderen als eventuele onderhoudsplichtigen een onmiddellijke oplossing zouden moeten verschaffen voor de financieel precaire situatie van eisende partij. Wat van belang is voor de beoordeling van het spoedeisend karakter van de vordering, is dat op heden niet wordt aangetoond dat eisende partij (voldoende) onderhoudsgeld krijgt van (één van) zijn kinderen. Verwerende partij stelt dat een zoon van eisende partij hem onderhoudt, maar toont geenszins aan dat die hulp een volledige oplossing biedt voor de financieel precaire situatie waarin die laatste zich thans bevindt. Er moet trouwens worden opgemerkt dat een OCMW als primaire verplichting heeft in te staan voor ieders menswaardig bestaan. Er kan bij de bepaling van de behoeftigheid rekening worden gehouden met het inkomen van de andere gezinsleden en er kan door het OCMW aangedrongen worden op het doen gelden van alimentatierechten, maar men kan niet van een persoon eisen dat hij eerst hulp inroept bij gezins- of familieleden (RvS, Arr. RvS. 1991, nr. 36.416). Daarin kan dus ook geen argument worden gevonden om het spoedeisend karakter van de vordering te ontzeggen. 4.
- Wat de relatie tussen eisende partij en de diensten van verwerende partij betreft, is het prima facie duidelijk dat de verstandhouding (op korte termijn) sterk verstoord is geraakt. Eisende partij meent dat hij onheus en onrechtvaardig behandeld wordt. Verwerende partij stoort zich aan de dwingende manier waarop eisende partij communiceert en zaken wil bekomen. Verwerende partij is eisende partij tegemoetgekomen en heeft hem met een beslissing van 8 juli 2025 ook effectief steun verleend, steun die prima facie zeker ook adequaat lijkt om de onmiddellijke noden te lenigen. Dat verwerende partij tot een beslissing is gekomen, houdt in dat zij meende te beschikken over voldoende informatie en inlichtingen om tot die beslissing te komen. Uit de voorgelegde sociale verslaggeving blijkt dat ook. Er wordt in die verslaggeving onder andere verwezen naar een rechtstreeks contact van de diensten van verwerende partij met DAVO (stuk 1 verwerende partij, p.3-4). Dat verwerende partij haar hulpverlening heeft stopgezet, houdt prima facie niet zozeer verband met het gebrek aan noodzakelijke informatie of inlichtingen, maar wel met het feit dat eisende partij en zijn echtgenote niet kwamen opdagen voor een bureelgesprek en de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid om de sociale toestand en werkbereidheid van de echtgenote te beoordelen. Er zijn prima facie zeker aanwijzingen dat eisende partij zich onredelijk opstelt door samen met zijn echtgenote niet te willen ingaan op de uitnodigingen van verwerende partij. De argumenten die hij daarvoor aanhaalt, houden weinig tot geen schijn van recht in: Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/3/C – p. 10 - Een tijdelijke arbeidsongeschiktheid geattesteerd door een arts, bevestigt de tijdelijke onmogelijkheid om te werken, doch niet de onmogelijkheid om zich op een gesprek aan te bieden. Een eventueel taalprobleem kan opgevangen worden met inschakeling van een tolk. - Dat de echtgenote een inburgeringstraject volgt of zal volgen, maakt het evenmin onmogelijk voor de echtgenote om zich aan te bieden op een gesprek bij het OCMW en te evalueren in welke mate zij zou kunnen werken en een inkomen zou kunnen verwerven. Daartegenover staat dat er prima facie ook redenen zijn om te stellen dat de diensten van verwerende partij de situatie anders hadden kunnen aanpakken. Immers, zowel bij de toekenning van maatschappelijke integratie als maatschappelijke dienstverlening is het een gangbare praktijk, zelfs zonder meer verplicht ingeval van maatschappelijke integratie, om een sociaal onderzoek te doen. Dit sociaal onderzoek is bedoeld om het bestaan en de omvang van de behoefte aan hulp te bepalen (art. 60, §1 OCMW-wet). In een omzendbrief van 14 maart 2014 van de POD Maatschappelijke Integratie wordt gezegd: “Het huisbezoek maakt integraal deel uit van het sociaal onderzoek. Het huisbezoek is een essentieel element om een inschatting te kunnen maken van de behoeftigheid van de hulpaanvrager. Een huisbezoek moet het OCMW in staat stellen een totaalbeeld te krijgen van de situatie van de hulpaanvrager en diens verklaringen te kunnen toetsen aan de realiteit, teneinde te kunnen beslissen over de meest accurate maatschappelijke dienstverlening. Het huisbezoek kan plaatsvinden na voorafgaandelijke aankondiging van het OCMW aan de hulpaanvrager, maar dit is niet noodzakelijk. Het OCMW kan indien zij dat nodig acht ook een onaangekondigd huisbezoek verrichten. Het huisbezoek wordt uitgevoerd bij opening van het sociaal dossier” Uit de voorliggende stukken blijkt niet dat de diensten van verwerende partij ooit een huisbezoek hebben gebracht of een huisbezoek hebben overwogen. Eisende partij en zijn echtgenote werden uitgenodigd op bureelgesprekken, maar kregen schijnbaar nooit enig aangekondigd of onaangekondigd bezoek thuis. Het is onduidelijk waarom dat niet is gebeurd of overwogen. Uit de sociale verslaggeving blijkt niet dat eisende partij een huisbezoek heeft geweigerd of dat er bijzondere omstandigheden zijn die dat onmogelijk zouden hebben gemaakt. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/3/C – p. 11 4.
- Een procedure in kort geding is niet zonder voorwerp en is ook niet van elk nut ontdaan louter en alleen omdat ervoor of tegelijkertijd hiermee een procedure ten gronde wordt opgestart en gevoerd. Immers: - De zaak die betrekking heeft op de beslissing van verwerende partij van 29 april en 8 juli 2025 werd weliswaar ingeleid op 16 oktober 2025, maar zelfs met korte debatten kon in normale omstandigheden niet eerder dan een maand later een vonnis worden verwacht. - Voornoemde zaak blijkt volgens de gegevens van de rechtbank, ook bekend bij de partijen, uiteindelijk te zijn uitgesteld naar de zitting van 18 december 2025, zodat niet eerder dan in 2026 een rechterlijke beslissing kan worden verwacht. - De zaak die betrekking heeft op de beslissing van verwerende partij van 12 augustus 2025, die op heden de meest ingrijpende beslissing is omdat deze een stopzetting van de hulpverlening inhoudt, wordt sowieso pas ingeleid op 18 december 2025 en zal dus ook niet eerder dan in 2026 leiden tot een vonnis ten gronde van de arbeidsrechtbank. Uiteraard bestaat de mogelijkheid voor eisende partij om bij de bodemrechter op grond van artikel 19, 3de lid Ger.W. een voorlopige maatregel te vragen, maar het bestaan van deze mogelijkheid belet de vordering in kort geding niet (cf. Arbh. Antwerpen 4 juni 1998, Soc. Kron. 1999, 132). 4.
- Alle omstandigheden en overwegingen bij elkaar genomen, kan het spoedeisend karakter van de vordering worden aanvaard en zijn er in alle redelijkheid onvoldoende elementen om te stellen dat eisende partij zich volledig zelf in de toestand heeft geplaatst waarin hij zich nu bevindt. Er is alles bij elkaar genomen een samenloop van omstandigheden, waarbij het eigen gedrag van eisende partij zeker een rol heeft gespeeld, maar waarbij er zich ook omstandigheden hebben voorgedaan waaraan hij vreemd was en waarover hij geen controle had, zoals de beslissing van de fiscale administratie om derdenbeslag te leggen op zijn volledig pensioen, zoals ook de beslissing van de verhuurder om de huurontbinding na te streven doordat eisende partij zonder inkomen zijn huur niet meer kon betalen en zoals ten slotte ook de beslissing van verwerende partij om de hulpverlening stop te zetten, voornamelijk op grond van misgelopen bureelgesprekken, zonder dat echter een huisbezoek werd nagestreefd of gepoogd. Schijn van recht 4.
- Eisende partij getuigt van een voldoende schijn van recht, die het treffen van een voorlopige, bewarende maatregel rechtvaardigt. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/3/C – p. 12 Er kan ter zake worden verwezen naar de overwegingen hierboven met betrekking tot de communicatie en contacten tussen eisende partij en de diensten van verwerende partij, en in het bijzonder de wijze waarop de diensten van verwerende partij zich schijnbaar ertoe hebben beperkt het sociaal onderzoek te voeren via bureelgesprekken, zonder een huisbezoek te hebben nagestreefd of gepoogd. Voorts is er ook de vaststelling dat de diensten van verwerende partij schijnbaar de “activering” van de echtgenote van eisende partij willen aftoetsen, terwijl men op het moment van het nemen van de negatieve beslissing in elk geval al over een document beschikte waaruit blijkt dat de echtgenote in september 2025 een inburgeringstraject zou aanvatten en zou starten met lessen Nederlands, en terwijl er ook een document naar voor werd gebracht waaruit blijkt dat de echtgenote van eisende partij in augustus 2025 elk geval arbeidsongeschikt was en die maand dus geen inkomen uit arbeid kon verwerven. Bewarende maatregel 4.
- Bij het nemen van een bewarende maatregel moet als uitgangspunt genomen worden dat geremedieerd moet worden aan de schade of het ernstig ongemak dat eisende partij op heden lijdt, zonder de toestand definitief te regelen, noch voor het verleden, noch voor de toekomst. De toestand waaraan in deze zaak moet worden geremedieerd is de behoeftigheid van eisende partij, die het gevolg is van het gebrek aan inkomsten en verdere financiële reserves om dit gebrek aan inkomsten op te vangen. Er bestaat geen reden om enige maatregel voor het verleden te nemen. Waar het desgevallend op aankomt is de toestand op heden en in de nabije toekomst voorlopig te regelen, totdat ten gronde is geoordeeld over de wettigheid van de beslissingen van verwerende partij. Dat maatschappelijke integratie of maatschappelijke dienstverlening kan worden toegekend vanaf de hulpaanvraag, en wat maatschappelijke dienstverlening betreft volgens sommige rechtspraak zelfs voor een periode uit het verleden die de aanvraag voorafgaat, houdt niet in dat de kortgedingrechter noodzakelijkerwijs ook een voorlopige maatregel zou moeten nemen die uitwerking heeft vanaf de datum van de hulpaanvraag of een ander tijdstip in het verleden. 4.
- Bij het bepalen van de voorlopige bewarende maatregel moet ook rekening worden gehouden met de hulp die verwerende partij nog steeds aan eisende partij (en zijn echtgenote) verleent, en die bestaat uit het ter beschikking stellen van een voedselkaart en een medische kaart. De advocaat van verwerende partij bevestigde op zitting uitdrukkelijk dat deze ondersteuning niet werd stopgezet en zelfs werd verlengd. In de mate dat verwerende partij zou overwegen deze ondersteuning stop te zetten, kan wel worden bevolen dat deze ondersteuning voorlopig gehandhaafd moet blijven. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/3/C – p. 13 Aan eisende partij kan – in aanvulling daarop – bij wijze van voorlopige bewarende maatregel financiële steun worden verleend, met dien verstande dat het slechts gaat om een voorschot op steun die volgens de latere beslissing ten gronde van de arbeidsrechtbank verschuldigd is door verwerende partij. Blijkt dat laatste niet het geval, dan gaat het zonder meer om een terugvorderbare steun. Het bedrag van het voorschot op financiële steun kan vastgesteld worden op 876,13 euro per maand (equivalent leefloon samenwonende), een eerste maal te betalen binnen een termijn van 48 uren na de betekening van deze beschikking. 4.
- Voorts moet ook rekening worden gehouden met de procedure voor de beslagrechter en de beslissing die deze rechter volgens eisende partij op relatief korte termijn, op 27 oktober 2025, zal nemen. In de mate dat de beslagrechter zou beslissen tot gehele of gedeeltelijke opheffing van het derdenbeslag, bestaat er geen reden meer om de voorlopige maatregel in de vorm van een voorschot op financiële steun te handhaven. Eisende partij zal alsdan immers opnieuw kunnen beschikken over zijn pensioen, of minstens een deel daarvan. Hetzelfde geldt mocht DAVO zelf beslissen het derdenbeslag geheel of gedeeltelijk op te heffen. Er wordt wel bepaald dat bij gedeeltelijke opheffing van het derdenbeslag het wel moet vaststaan dat eisende partij dan minstens opnieuw beschikt over een maandbedrag van 876,13 euro. Zo niet, dan dient verwerende partij – nog steeds bij wijze van voorschot – op te leggen tot dat bedrag. De voorlopige maatregel houdt uiteraard ook uitwerking te hebben van zodra de arbeidsrechtbank ten gronde uitspraak heeft gedaan in de procedures met de algemene rolnummers 2025/84/A en 2025/111/A. Kosten van het geding en uitvoerbaarheid 4.
- In sociale zaken, zoals opgesomd in artikel 1017, 2de lid, 1° wordt – ook in kort geding – de overheid of de instelling belast met het toepassen van wetten en verordeningen steeds in de kosten van het geding verwezen wanneer de vordering wordt ingesteld door een sociaal verzekerde of tegen en sociaal verzekerde, tenzij het geding roekeloos of tergend is. De vordering van eisende partij is niet roekeloos of tergend. Het OCMW van Koksijde moet bijgevolg de gerechtskosten betalen, die bestaan uit de dagvaardingskost en een rechtsplegingsvergoeding voor eisende partij. De dagvaardingskost, die de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de Juridische Tweedelijnsbijstand omvat, bedraagt 363,59 euro. Portkosten zijn niet verschuldigd aangezien de dagvaarding in persoon werd betekend aan een aangestelde van het OCMW van Koksijde. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/3/C – p. 14 In sociale zaken zoals bedoeld in artikel 1017, 2de lid Ger.W., geldt voor de rechtsplegingsvergoeding een bijzonder verlaagd tarief voor procedures bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank. Voor vorderingen die niet in geld kunnen worden gewaardeerd, of die minder dan 2.500 euro bedragen, geldt actueel als basistarief 57,23 euro, met een minimum van 41,54 euro en een maximum van 72,93 euro. De rechtsplegingsvergoeding wordt vastgesteld op het basisbedrag. Geen enkele partij vordert de afwijking van het basisbedrag en er is ook geen reden om hiervan af te wijken. 4.
- Artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de beschikkingen in kort geding bij voorraad uitvoerbaar zijn niettegenstaande verzet of hoger beroep en, zonder borgtocht indien de rechter niet heeft bevolen dat er een wordt gesteld. Geen enkele partij vordert dat een borgtocht bevolen zou worden en er is ook geen reden om dit te doen. V. BESLISSING De vordering in kort geding van A is ontvankelijk en in de volgende mate gegrond. Zegt dat het OCMW van Koksijde aan hem:
- een maandelijks voorschot op financiële steun moet verlenen van 876,13 euro per maand, een eerste maal te betalen binnen de 48 uren na de betekening van deze beschikking;
- verder steun moet verlenen in de vorm van het ter beschikking stellen van een voedselkaart (Koksifood) en een medische kaart. Zegt dat deze voorlopige maatregelen ophouden uitwerking te hebben bij opheffing van het derdenbeslag op het pensioeninkomen van A, doch dat bij gedeeltelijke opheffing van het derdenbeslag het beschikbare inkomen van verwerende partij zo nodig wel nog moet aangevuld worden tot het bedrag van 876,13 euro per maand. Zegt dat deze voorlopige maatregelen ophouden uitwerking te hebben van zodra de arbeidsrechtbank een definitieve beslissing heeft genomen in de zaken met algemene rolnummers 2025/84/A en 25/111/A. Zegt dat elk maandelijks voorschot op financiële steun en elke andere steunverlening die op grond van deze beschikking wordt verleend, terugvorderbaar is in de mate dat de arbeidsrechtbank later ten gronde zou oordelen dat deze steun niet verschuldigd is op grond van de wet van 26 mei 2022 betreffende het recht op maatschappelijke integratie of de OCMW- wet van 8 juli
- Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge – 25/3/C – p. 15 Veroordeelt het OCMW van Koksijde tot de kosten van het geding, die als volgt kunnen worden vastgesteld: - dagvaardingskosten, met inbegrip van de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de Juridische Tweedelijnsbijstand: 363,59 euro; - rechtsplegingsvergoeding voor A: 57,23 euro. Zegt dat deze beschikking overeenkomstig art. 1039 Ger.W. bij voorraad uitvoerbaar is, niettegenstaande verzet of hoger beroep, en zonder borgtocht. Deze beschikking werd ondertekend door de ondervoorzitter van de arbeidsrechtbank Gent, zetelend in de afdeling Brugge als voorzitter in kort geding, die ze heeft gewezen en door de griffier. VERFAILLIE KOENRAAD NEVENS KOEN griffier ondervoorzitter Uitgesproken in de buitengewone openbare zitting van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge, kamer Kort Geding, op dinsdag 21 oktober
- PDF document ECLI:BE:ARGNT:2025:ORD.20251021.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div