id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 18 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ARGNT:2026:JUG.20260218.1 Rolnummer: 25/774/A Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2026-06-12 Raadplegingen: 318 - laatst gezien 2026-06-18 20:11 Fiches 1 - 2 Een teamleader in een distributiecentrum genoot als niet-verkozen kandidaat bij de sociale verkiezingen van de bijzondere ontslagbescherming van de wet van 19 maart
- Binnen de onderneming gold een fietsbeleid waarbij werknemers een fietsvergoeding ontvingen indien zij op jaarbasis minstens 50% van hun woon-werkverplaatsingen met de fiets aflegden. De werknemer had als leidinggevende toegang tot het Excel-bestand waarin deze verplaatsingen werden geregistreerd. Zijn eigen fietsverplaatsingen moesten echter door zijn leidinggevende worden ingevoerd. Na een intern onderzoek stelde de werkgever vast dat de werknemer meerdere registraties van zijn eigen verplaatsingen had aangepast van "niet met de fiets gekomen" naar "wel met de fiets gekomen". Uit badgegegevens van de fietsenstalling en camerabeelden van de parking bleek dat hij op verschillende van die dagen in werkelijkheid met de wagen naar het werk was gekomen. De werkgever startte daarop de bijzondere ontslagprocedure en verzocht de arbeidsrechtbank de dringende reden te erkennen, zodat hij de werknemer kon ontslaan. De arbeidsrechtbank oordeelt dat de werkgever de aangevoerde feiten voldoende heeft bewezen. De combinatie van Excel-wijzigingslogs, badgegegevens, camerabeelden en de chronologie van de aanpassingen toont volgens de rechtbank aan dat er sprake was van herhaalde en intentionele manipulatie van registraties ten voordele van de werknemer. De verklaring van de werknemer dat de aanpassingen het gevolg waren van vergissingen, werkdruk of technische problemen met het registratiesysteem acht de rechtbank niet geloofwaardig. De rechtbank gaat ook in op de Wet Private Opsporing van 18 mei
- Hoewel de werknemer de bewijswaarde van het interne compliance-onderzoek betwistte, oordeelt de rechtbank dat de interne dienst beschikte over de vereiste voorlopige vergunning en dat het onderzoek op een gerichte en proportionele wijze werd uitgevoerd. Er is dan ook geen reden om de verzamelde bewijzen uit te sluiten. Hoewel het financiële voordeel beperkt was, acht de rechtbank de vertrouwensbreuk voldoende ernstig. Daarbij weegt mee dat de werknemer een leidinggevende functie uitoefende en de manipulaties betrekking hadden op een persoonlijk financieel voordeel. De rechtbank besluit dat de feiten een dringende reden uitmaken en verleent de werkgever toestemming om de beschermde werknemer te ontslaan. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Tekst van de beslissing 1 PROCEDURE De vordering werd ingesteld bij exploot van dagvaarding betekend op 1 december 2025 ten aanzien van de heer C, en op dezelfde dag ten aanzien van de Algemene Centrale Der Liberale Vakbonden van België (ACLVB) met administratieve zetel te 9000 Gent, Koning Albertlaan 95, en ten aanzien van de Algemene Centrale Der Liberale Vakbonden van België (ACLVB) met sociale zetel te 1000 Brussel, Boudewijnlaan
- De zaak werd gedagvaard voor de zitting van de voorzitter van deze rechtbank, zoals in kort geding, op 8 januari
- Gelet op de niet-verzoening tussen de partijen op deze zitting, werd met een beschikking van 8 januari 2026 van deze rechtbank de zaak verwezen naar de openbare zitting van de kamer K2 van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 3 Partijen werden op 8 januari 2026, overeenkomstig artikel 8, 2e tot en met 5e lid van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, in kennis gesteld van de beschikking van dezelfde dag waarbij de conclusietermijnen werden bepaald alsook rechtsdag, op de openbare zitting van 10 februari 2026 voor de kamer K2 van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk. Alle partijen verschenen op de zitting van 10 februari 2026 en werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen. Een verzoening tussen partijen op grond van artikel 734 Gerechtelijk Wetboek kon niet worden bereikt. De debatten werden gesloten, de zaak werd in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op de zitting van heden. De stukken van het geding, onder meer deze gevoegd bij het dossier van rechtspleging, werden ingezien. De rechtbank houdt bij de beoordeling van de zaak rekening met de laatste conclusies van partijen als syntheseconclusies (artikel 748bis Gerechtelijk Wetboek), dat is de conclusie van A nv neergelegd op 29 januari 2026 en de gezamenlijke conclusie van de heer C en de Algemene Centrale Der Liberale Vakbonden van België (ACLVB) neergelegd op 5 februari
- De rechtspleging verliep in het Nederlands zoals bepaald bij artikel 2 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. 2 VOORWERP VAN DE VORDERINGEN A nv, vordert in haar syntheseconclusies: “ - De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; - Bij toepassing van de wet van 19 maart 1991 houdende de bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, de dringende aard van de redenen tot verbreking, zoals hierboven uiteengezet, te erkennen, zodanig dat de arbeidsovereenkomst met C kan beëindigd worden zonder opzeggingstermijn of opzeggingsvergoeding; - C en het ACLVB te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van A NV begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding (1.883,72 EUR) en de dagvaardingskosten (1.456,74 EUR).” De heer C en het ACLVB, vorderen in hun syntheseconclusies: Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 4 “- de vordering van eiseres ongegrond te verklaren; - eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding (langs de zijde van concluanten begroot op: nihil).” 3 FEITEN 3.1 A NV te Wevelgem (hierna genoemd: A NV) fungeert als één van de logistieke distributiecentra binnen de L groep. C is sinds 1 maart 2021 in dienst bij A NV als ‘teamleader warehouse goederenontvangst’ (ploegleider). Hij stuurt een team van circa dertig medewerkers aan. Als leidinggevende verricht hij de dagelijkse opvolging van de inkomende goederen in het distributiecentrum, stuurt en motiveert hij zijn team, optimaliseert hij de werkprocessen en ziet hij toe op de correcte opvolging van stockrapporten. Hij staat in voor de algemene planning, stelt de dagelijkse werkplanning op, volgt de prestaties van de medewerkers op en verzekert de controle over de operationele activiteiten. 3.2 C heeft zich kandidaat gesteld tijdens de sociale verkiezingen van 2024, waarbij hij door het ACLVB werd voorgedragen, voor het comité voor preventie en bescherming op het werk, alsook de ondernemingsraad. Hij werd echter niet verkozen. In toepassing van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden geniet de heer C ontslagbescherming. 3.3 Sinds 1 maart 2025 geldt in de onderneming een vernieuwde interne policy (vrij vertaald: intern beleid) omtrent de controle op het fietsbeleid. Werknemers moeten op boekjaarbasis minstens 50% van hun woon-werkverplaatsingen met de fiets uitvoeren om een fietsvergoeding te ontvangen. In de policy staat onder meer: “Om te genieten van de fietsvergoeding moet de medewerker zich op boekjaarbasis 50% van de tijd met de fiets naar het werk verplaatsen. Hiervoor tekent de medewerker een verklaring op eer.” “Iedere medewerker die met de fiets naar het werk komt, dient zich dagelijks te melden bij een leidinggevende. Deze leidinggevende zal vervolgens de volgende gegevens registreren in een Excel- bestand: naam, voornaam en datum. Deze meldingsplicht geldt voor alle medewerkers die met de fiets komen, ook voor degenen die geen fietsvergoeding ontvangen en uitzonderlijk met de fiets zijn.” Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 5 Uit de fietspolicy volgt dat elke werknemer die met de fiets komt, dit dagelijks dient te melden aan zijn leidinggevende (meldingsplicht); deze registreert de gegevens vervolgens in een centraal Excel bestand. In zijn hoedanigheid van ploegleider heeft de heer C toegang tot het Excel‑bestand waarin de fietsdagen van zijn team worden geregistreerd. De registratie van de fietsdagen van C zelf dient, overeenkomstig de interne policy, te gebeuren door zijn directe leidinggevende, D. Dit wordt in hetzelfde Excel-bestand gedaan. C stelt al jaren een aanzienlijk deel van zijn woon-werkverplaatsingen per fiets uit te voeren en hij kocht hiertoe in oktober 2025 een speed pedelec. Voor het boekjaar vanaf 1 maart 2025, ondertekende hij een verklaring op eer waarin hij bevestigde dat hij de vereiste drempel van 50% fietstrajecten op jaarbasis zou naleven. Op 19 juni 2025 en 12 september 2025 vonden 2 formele gesprekken plaats met zijn directe leidinggevende, D, waarin hem werd meegedeeld dat zijn geregistreerde percentage fietsdagen - respectievelijk 24% en 33% - ontoereikend was en waarin de meldingsplicht en de consequenties van het niet behalen van de drempel werden herhaald. De schriftelijke neerslag van deze beide gesprekken werd door de heer C ook mede ondertekend. 3.4 C is sinds 3 november 2025 arbeidsongeschikt ten gevolge van een arbeidsongeval dat hem op 24 oktober 2025 is overkomen, waarna hij op 22 januari 2026 een operatieve ingreep heeft ondergaan. Het laatst voorgelegde medisch attest bevestigt deze arbeidsongeschiktheid tot en met 22 maart
- 3.5 Op 29 oktober 2025 werd de dienst Recht & Compliance van L Belgium, de overkoepelende entiteit die ondersteunende diensten levert aan A NV, door bestuurder E formeel belast met een onderzoek naar mogelijke manipulatie van de fietsregistraties door C . De aanleiding was de interne vaststelling dat hij op meerdere dagen wijzigingen had aangebracht in het Excel‑bestand betreffende zijn eigen woon‑werkverplaatsingen, ondanks het verbod om eigen gegevens te wijzigen. De onderzoekers vergeleken de gegevens in het Excel‑bestand met de badge‑log van de fietsenstalling en met de tijdsregistratie. Deze vergelijking leverde in een tussentijds rapport van 17 november 2025 indicaties van fraude op. Zo bleek dat hij de registratie “niet met de fiets gekomen” nadien herhaaldelijk had omgezet naar “wel met de fiets gekomen”, in het bijzonder voor 2, 3 en 9 oktober
- Op al deze dagen toonden zowel badge‑log als camerabeelden onomstotelijk aan dat hij die dagen met de wagen was toegekomen. Ook viel op dat sommige correcties pas weken na de desbetreffende werkdag gebeurden, onder meer op 17 en 24 oktober
- Op 19 november 2025 werd C geconfronteerd met deze bevindingen tijdens een interview, in aanwezigheid van twee bestuurders van A NV. Hij erkende de interne regels en het belang van correcte registratie, maar ontkende fraude en verklaarde dat hij zich simpelweg had vergist, mogelijk door hoge werkdruk op piekmomenten, met name op vrijdagen wanneer zijn eigen leidinggevende afwezig was, en door technische kenmerken van het Excel‑bestand. Hij weigerde het interviewverslag te Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 6 ondertekenen. Diezelfde dag werd ook het eindrapport van het onderzoek voltooid, waarin dezelfde conclusies werden bevestigd en uitgebreid met observaties rond bijkomende correcties uit eerdere maanden, waarbij telkens 0‑registraties (of zelfs “/” bij niet‑gewerkte dagen) door C werden omgezet in 1‑registraties. Op 20 november 2025 heeft A NV, overeenkomstig de wet van 19 maart 1991, de procedure gestart om een dringende reden tot ontslag te doen erkennen door de arbeidsrechtbank. A NV verwijt aan C dat hij in strijd met de interne procedures en met het oog op het bekomen en behouden van een financieel voordeel, namelijk de fietsvergoeding, herhaaldelijk en bewust onjuiste registraties heeft ingevoerd in het Excel bestand dat dient voor de opvolging van de woon-werkverplaatsingen per fiets (fraude). Deze feiten zijn hem en de betrokken werknemersorganisatie ACLVB diezelfde dag bij aangetekende brief ter kennis gebracht en worden door de werkgever als volgt omschreven: “ Geachte heer C Voornemen tot ontslag om dringende reden – wet van 19 maart 1991 Hierbij stellen wij u in kennis van ons voornemen u om dringende reden te ontslaan. Gelet op uw hoedanigheid van niet-verkozen kandidaat voor zowel de ondernemingsraad (OR) als voor het comité voor preventie en bescherming op het werk (CPBW) tijdens de sociale verkiezingen van 2024, richten wij daartoe een verzoekschrift aan de voorzitter van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk, en dit in het kader van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, alsmede voor de kandidaat- personeelsafgevaardigden. De zware tekortkomingen die u heeft begaan en die iedere toekomstige samenwerking definitief onmogelijk maken, kunnen als volgt worden samengevat. 1- Vanaf 1 maart 2025 is binnen onze organisatie een vernieuwde interne policy omtrent de controle op het fietsbeleid van toepassing. Deze policy voorziet onder meer het volgende: “Om te genieten van de fietsvergoeding moet de medewerker zich op boekjaarbasis 50% van de tijd met de fiets naar het werk verplaatsen. Hiervoor tekent de medewerker een verklaring op eer.” Alsook: Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 7 “Iedere medewerker die met de fiets naar het werk komt, dient zich dagelijks te melden bij een leidinggevende. Deze leidinggevende zal vervolgens de volgende gegevens registreren in een Excel- bestand: naam, voornaam en datum. Deze meldingsplicht geldt voor alle medewerkers die met de fiets komen, ook voor degenen die geen fietsvergoeding ontvangen en uitzonderlijk met de fiets zijn.” U heeft voor het lopende boekjaar een dergelijke verklaring op eer ingevuld waarin u bevestigt dat u de drempel van 50% zult nakomen. 2- Op 19 juni 2025 heeft u een gesprek met uw directe leidinggevende, D, naar aanleiding van de vaststelling dat u tussen 1 maart 2025 (aanvang boekjaar) en 18 juni 2025 voor slechts 24% van de gewerkte dagen met de fiets naar het werk bent gekomen. De heer D brengt u in herinnering dat u, teneinde de fietsvergoeding te blijven ontvangen, op jaarbasis minstens 50% van de werkdagen met de fiets naar het werk dient te komen. U geeft aan dat deze drempel van 50% voor u nog steeds haalbaar is. U ondertekent diezelfde dag de bevestiging van het gesprek, waarin nogmaals uitdrukkelijk wordt vermeld dat u de fietsdagen aan uw leidinggevende dient te melden, die de nodige gegevens zal registreren in een Excel-bestand. 3- Op 12 september 2025 vindt een tweede, quasi identiek gesprek plaats, opnieuw met de heer D. In de periode tussen 1 maart 2025 en 31 augustus 2025 bent u gemiddeld 33% van de werkdagen met de fiets naar het werk gekomen. De interne richtlijnen worden tijdens dit gesprek nogmaals herhaald, met inbegrip van het feit dat de fietsvergoedingen van boekjaar 2025 van u teruggevorderd kunnen worden als zou blijken dat u de 50% op jaarbasis niet haalt. U ondertekent diezelfde dag de bevestiging van het gesprek. 4- Aangezien u zelf ook leidinggevende bent, heeft u rechtstreeks toegang tot het Excel-bestand in kwestie. U bent immers verondersteld de juiste data in te geven voor de leden van uw team. Voor dagen waarop de medewerker met de fiets naar het werk is gekomen, wordt “1” geregistreerd. Voor andere werkdagen “0”. Voor dagen waarop niet gewerkt wordt “/”. 5- Op 29 oktober 2025 belast de heer E, bestuurder, de afdeling Recht & Compliance van L Belgium met een compliance onderzoek naar aanleiding van de vaststelling dat u, op meerdere data, zelf wijzigingen heeft aangebracht in het hoger genoemd Excel-bestand met betrekking tot uw eigen data. 6- Op 17 november 2025 ontvangen de heer E en mevrouw B, tevens bestuurder, een tussentijds rapport van de afdeling Recht & Compliance. Dit rapport maakt melding van volgende onderzoekshandelingen en bevindingen. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 8 • Omschrijving eerste onderzoekshandeling “Er is een vergelijking gebeurd tussen de ingegeven fietsvergoeding gegevens, waarbij de aanpassingen werden opgelijst die door de betrokkene werden uitgevoerd. Dit werd vergeleken met de badgegevens van de betrokkene aan de fietsenstalling. Ook de data van tijdsregistratie werden opgenomen in het onderzoek.” • Beoordeling na eerste onderzoekshandeling “De betrokkene past gegevens aan in de Excel. De aanpassingen gaan steeds over het in het verleden gewerkte dagen. Hierbij wordt de invoering ‘niet met de fiets gekomen’ aangepast naar ‘wel met de fiets gekomen’. Opvallend is dat er 8 aanpassingen zijn waarbij de betrokkene aanpassingen maakt op dagen dat er geen badgegevens terug te vinden zijn en dat er een relatief lange periode zit tussen de aangepaste werkdag en de bewerkingsdag. Een tweede opvallendheid is dat op dagen dat er badgegevens zijn, de betrokkene vaak de dag zelf aanduidt ‘met de fiets gekomen’. Een derde opvallendheid is dat de betrokkene de excel vaak voor zichzelf invult, terwijl dit de taak van de leidinggevende is.” • Resultaten van de eerste onderzoekshandeling “De gegevens van oktober 2025 bevatten verscheidene indicaties op fraude. - 2 oktober 2025: Betrokkene vult zelf in op 3 oktober 2025 dat hij met de auto komt werken. Er zijn ook geen badgegevens van de fietsenstalling ter beschikking. Op 24 oktober 2025 past de betrokkene de excel file aan dat hij met de fiets komen werken.” - 3 oktober 2025: Betrokkene vult zelf in op 3 oktober 2025 dat hij met de auto komt werken. Er zijn ook geen badgegevens van de fietsenstalling ter beschikking. Op 24 oktober 2025 past de betrokkene de excel file aan dat hij met de fiets komen werken. - 9 oktober 2025: Betrokkene vult zelf in op 10 oktober 2025 dat hij met de auto komt werken. Er zijn ook geen badgegevens van de fietsenstalling ter beschikking. Op 17 oktober 2025 past de betrokkene de excel file aan dat hij met de fiets komen werken.” • Omschrijving tweede onderzoekshandeling “Vergelijking camerabeelden van 2, 3 & 9 oktober met de data opgenomen in de excel fietsvergoeding onder begeleiding van de afdeling privacy.” • Beoordeling na tweede onderzoekshandeling “De betrokkene wordt gesignaleerd met zijn personenwagen op de parking” Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 9 • Resultaten van de tweede onderzoekshandeling “De gegevens van oktober 2025 bevatten verscheidene indicaties op fraude. - 2 oktober 2025: Betrokkene gaf aan met de fiets te komen. Op de beelden zien we de betrokkene met zijn personenwagen toekomen. - 3 oktober 2025: Betrokkene gaf aan met de fiets te komen. Op de beelden zien we de betrokkene met zijn personenwagen toekomen. - 9 oktober 2025: Betrokkene gaf aan met de fiets te komen. Op de beelden zien we de betrokkene met zijn personenwagen toekomen.” In het tussentijds rapport wordt een interview met u voorgesteld, teneinde u met de bovenstaande vaststellingen te confronteren. Nog diezelfde maandag 17 november 2025 beslissen wij om in te gaan op het voorstel van de compliance officer tot het organiseren van een interview. Wij versturen u diezelfde dag nog een uitnodiging voor een gesprek op dinsdag 18 november 2025 of woensdag 19 november
- 7- Op 19 november 2025 confronteert de compliance officer u met de bevindingen uit het tussentijds rapport, in aanwezigheid van E en Caroline B. Tijdens dit gesprek bevestigt u de interne afspraken in verband met de fietsvergoeding en de registratie van fietsdagen te kennen. U stelt geen fraude te hebben gepleegd, maar u meermaals te hebben vergist. Aan het einde van het gesprek weigert u het verslag te ondertekenen. Diezelfde dag ontvangt u van de compliance officer per e-mail een kopie van het verslag, samen met de kennisgeving omtrent de verwerking van uw persoonsgegevens. Nog diezelfde dag ontvangen wij het eindrapport van de afdeling Recht & Compliance. Dit rapport heeft dezelfde inhoud als het tussentijds rapport, weliswaar met de toevoeging van de onderzoekshandeling van het interview op 19 november
- 8- Uit het compliance onderzoek blijkt ontegensprekelijk dat: - u de interne procedure herhaaldelijk heeft geschonden door het Excel-bestand in te vullen met betrekking tot de data die op uzelf van toepassing zijn. - u herhaaldelijk fraude heeft gepleegd – zonder de minste twijfel voor de dagen 2, 3 en 9 oktober 2025 - door in het Excel-bestand leugenachtig te registreren dat u op die dagen met de fiets naar het Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 10 werk bent gekomen, terwijl uit de stukken ontegensprekelijk blijkt dat u zich die dagen met de wagen naar het werk heeft verplaatst. - er geen sprake kan zijn van menselijke fouten of vergissingen, zoals u beweert tijdens het interview op 19 november
- Dit blijkt immers uit de precieze chronologie: ▪ Op 3 oktober 2025 om 9u08 registreert u zelf dat u daags voordien, op 2 oktober 2025, niet met de fiets naar het werk bent gekomen. Het is volstrekt ongeloofwaardig dat u zich op 3 oktober 2025 niet meer precies zou herinneren of u daags voordien wel of niet met de fiets naar het werk bent gekomen. Evenmin is het plausibel dat u op dat ogenblik per vergissing “0” registreert, terwijl u eigenlijk “1” had willen registreren, te meer gelet op de registratie die u om 9u09 - één minuut later - doet (zie hierna). ▪ Diezelfde 3de oktober 2025 om 9u09 – dus nog kort nadat u uw woon-werkverplaatsing had afgelegd – registreert u zelf dat u die dag, op 3 oktober 2025, niet met de fiets naar het werk bent gekomen. Het is volstrekt ongeloofwaardig dat u zich op 3 oktober 2025 niet meer precies zou herinneren of u die dag - hetzij ongeveer twee uur eerder (u klokte die dag in om 7u00) - wel of niet met de fiets naar het werk bent gekomen. Evenmin is het plausibel dat u op dat ogenblik per vergissing “0” registreert, terwijl u eigenlijk “1” had willen registreren, te meer gelet op de registratie die u om 9u08 uitvoerde (zie hierboven). ▪ Op 10 oktober 2025 om 14u34 registreert u zelf dat u daags voordien, op 9 oktober 2025, niet met de fiets naar het werk bent gekomen. Het is volstrekt ongeloofwaardig dat u zich op 10 oktober 2025 niet meer precies zou herinneren of u daags voordien wel of niet met de fiets naar het werk bent gekomen. Evenmin is het plausibel dat u op dat ogenblik per vergissing “0” registreert, terwijl u eigenlijk “1” had willen registreren, te meer gelet op de voorgaande voorbeelden. ▪ Op 17 oktober 2025 corrigeert u om 7u25 de registratie voor 9 oktober
- U schrapt “0” en vermeldt “1”. Het valt niet in te zien waarom u op 17 oktober 2025 plots de registratie voor 9 oktober 2025 zou moeten aanpassen, te meer omdat u op 10 oktober 2025 reeds een registratie voor 9 oktober 2025 had ingegeven. Verder is het volstrekt ongeloofwaardig dat u zich bij deze aanpassing (“0” wordt “1”) vergist. ▪ Op 24 oktober 2025 corrigeert u om 15u49 de registratie voor 3 oktober
- U schrapt “0” en vermeldt “1”. Diezelfde dag om 15u50 corrigeert u de registratie voor 2 oktober
- U schrapt opnieuw “0” en vermeldt opnieuw “1”. Het valt niet in te zien waarom u op 24 oktober 2025 plots de registratie voor 2 en 3 oktober 2025 zou moeten aanpassen, te meer omdat u op 3 oktober 2025 reeds een registratie voor beide dagen had ingegeven. Verder is het volstrekt ongeloofwaardig dat u zich bij deze aanpassing (“0” wordt “1”) tweemaal vergist. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 11 Voor de volledigheid vermelden wij dat u ook op volgende data heeft geregistreerd dat u met de fiets naar het werk kwam, terwijl de badgegevens van de fietsenstalling niet bevestigen dat u de op de dagen in kwestie effectief met de fiets bent gekomen: - Op 19 september 2025 corrigeert u om 9u14 de registratie voor 9 september 2025 (“0” wordt “1”); - Op 18 september 2025 registreert u om 13u13 voor 19 september 2025 – de dag nadien - een “1”. Klaarblijkelijk merkt u die fout op 19 september 2025 om 9u14 niet op. - Op 30 september 2025 corrigeert u om 7u30 de registratie voor 23 september 2025 (“/” (= geen werkdag) wordt “1”). - Op 24 juli 2025 corrigeert u om 08u39 de registratie voor 15 juli 2025 (“0” wordt “1”). Nochtans had u op 15 juli 2025 om 7u41 - dus kort na aankomst op het werk - zelf de “0” voor die dag geregistreerd. - Op 30 september 2025 corrigeert u om 7u33 de “0” die u zelf op 27 juni 2025 om 11u07 voor 26 juni 2025 had geregistreerd. Het is volstrekt onbegrijpelijk waarom u drie maanden later (!) per vergissing een correctie zou doorvoeren. - Op 15 mei 2025 corrigeert u om 8u30 de “0” die u zelf op 5 mei 2025 om 12u48 voor 2 mei 2025 had geregistreerd. Het staat voor ons vast dat u geprobeerd heeft om het aantal woon-werkverplaatsingen met de fiets op leugenachtige wijze op te krikken, teneinde uzelf ervan te verzekeren dat u de in het lopende boekjaar reeds ontvangen fietsvergoedingen niet zou moeten terugbetalen en ook voor de resterende maanden van het boekjaar een fietsvergoeding zou blijven ontvangen. U heeft getoond dat u bereid en in staat bent om uw werkgever te bedriegen. Bij confrontatie met de vaststellingen, bent u niet eerlijk geweest en heeft u duidelijk getracht om uw vel te redden door de kaart van de menselijke vergissing te trekken, een excuus dat wij niet kunnen geloven of aanvaarden. Als leidinggevende heeft u een voorbeeldfunctie. Dit maakt het bedrog des te meer onaanvaardbaar. De hogervermelde feiten maken voor ons elk verder vertrouwen in u onmogelijk en rechtvaardigen bijgevolg een ontslag om dringende reden. Gelet op de bijzondere bescherming die u geniet, zullen wij vandaag een verzoekschrift richten aan de voorzitter van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk, met de vraag om de dringende reden te erkennen en toestemming te geven over te gaan tot ontslag om dringende reden. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 12 Een kopie van deze brief sturen wij tevens naar de vakbond die uw kandidatuur heeft voorgedragen. Ten slotte behouden wij ons het recht voor om het bedrag van de fietsvergoedingen die u ten onrechte heeft ontvangen, terug te vorderen. Met beleefde groeten Namens A NV F B Bestuurder Bestuurder Bijlage: Franse vertaling van de aangetekende brief aan de heer C van 20 november 2025, vervaardigd met behulp van een vertalingstool” 3.6 Tegelijk werd een verzoekschrift op de griffie neergelegd, gericht aan de voorzitter van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk. Dit verzoekschrift werd met een aangetekende zending van 20 november 2025 verstuurd. De zaak werd ingeschreven onder rolnummer 2025/679/A. Op de zitting van 26 november 2025 bij de voorzitter van de Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk verschenen alle partijen om ingelicht te worden over de draagwijdte van de te volgen procedure volgens artikel 5 §2 van de wet van 19 maart
- Op de verzoeningszitting van 1 december 2025 waren alle partijen eveneens aanwezig. Tijdens de onderhandelingsperiode en tijdens deze verzoeningszitting van 1 december 2025 behoorde een verzoening echter niet tot de mogelijkheden. A NV is dan ook overgegaan tot betekening van een dagvaarding op 1 december
- Deze dagvaarding werd ingeschreven onder rolnummer 2025/774/A. Met een beschikking van 8 januari 2026 van de voorzitter zoals in kort geding van deze rechtbank werd de niet-verzoening vastgesteld en werd de zaak verwezen naar de kamer K2 van de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk. 4 STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 4.1 Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 13 Eisende partij A NV stelt dat zij zich geconfronteerd zag met een ernstige tekortkoming vanwege C die elke verdere professionele samenwerking onmogelijk maakt. Het standpunt van de onderneming vertrekt vanuit de interne policy over de fietsvergoeding. Volgens A NV was het voor C duidelijk dat hij zelf niet bevoegd was om zijn eigen registraties uit te voeren, ook al had hij als teamleader wel toegang tot het bestand ter controle van de gegevens van teamleden. Het feit dat hij deze eigen data tóch heeft ingevoerd en nadien heeft aangepast, vormt voor A NV reeds een schending van de interne procedure. Volgens A NV was het precies in die context dat op 29 oktober 2025 door bestuurder E de interne dienst Recht & Compliance werd gelast een onderzoek te openen, nadat merkwaardige en onverklaarbare wijzigingen in het Excel‑bestand waren opgemerkt — wijzigingen die telkens betrekking hadden op de persoonlijke registraties van C en nooit op gegevens van medewerkers van zijn team. In het uitvoerige compliance‑onderzoek werden alle gegevens naast elkaar gelegd: de oorspronkelijke Excel‑invoer, de latere “correcties”, de badge‑logs van de fietsenstalling en de camerabeelden van 2, 3 en 9 oktober
- Dat onderzoek, waarover tussentijds werd gerapporteerd op 17 november 2025 en definitief op 19 november 2025, leidde tot de vaststelling dat hij op de genoemde dagen wel degelijk met de wagen was toegekomen op het werk, maar dat hij nadien de bestaande “0”‑invoer omzette naar “1”‑invoer, waarbij hij dus achteraf noteerde dat hij per fiets was gekomen. Voor A NV is precies deze chronologie van doorslaggevende betekenis: op 2 en 3 oktober 2025 registreerde C op het moment zelf dat hij met de auto kwam; weken later, op 24 oktober 2025, wijzigde hij die registraties naar “met de fiets”. Hetzelfde geldt voor 9 oktober 2025, waarbij hij eerst op 10 oktober een “0” registreerde en op 17 oktober deze omzetting naar “1” doorvoerde. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat gelijkaardige correcties zich voordeden in mei, juli, september en andere maanden, telkens met de constante dat een eerdere “0” of “/” werd herschreven tot “1”, en telkens ten gunste van hemzelf. Volgens A NV gaat het dus niet om incidentele fouten, maar om een patroon van manipulatie van persoonsgegevens. A NV stelt dat zijn uitleg – dat het Excel‑bestand technisch onhandig was opgebouwd of dat hij zich door werkdruk vergist zou hebben – volledig ongeloofwaardig is. De onderneming verwijst naar verklaringen van de HR‑medewerker die het Excel‑bestand heeft ontwikkeld, en zijn directe leidinggevende, waaruit blijkt dat de bovenste rijen én de kolommen van het bestand steeds vast stonden. Hierdoor is het volgens A NV praktisch uitgesloten dat C ‘per ongeluk’ in zijn eigen kolom terecht zou komen bij het uitvoeren van een correctie voor een ander. Bovendien werd door A NV aangetoond dat de medewerkers voor wie hij op 17 oktober en 24 oktober naar eigen zeggen een correctie zou hebben uitgevoerd, op de betreffende dagen afwezig waren of zelfs niet tot zijn afdeling behoorden. Voor A NV is duidelijk dat deze verklaringen niet overeenstemmen met de objectieve realiteit. A NV hecht grote waarde aan het feit dat C als leidinggevende een voorbeeldfunctie heeft. Dat uitgerekend hij het Excel‑bestand manipuleerde waarvoor hij mee verantwoordelijk was, en dat bovendien om persoonlijke redenen met financieel voordeel, maakt de feiten volgens de onderneming nog zwaarder. Zijn volgehouden stelling dat het om vergissingen ging, zelfs na confrontatie met Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 14 camerabeelden en gedetailleerde tijdsregistraties, sterkt A NV in haar overtuiging dat het vertrouwen fundamenteel en onherroepelijk is aangetast. Volgens A NV zijn ook de bezwaren van C met betrekking tot de Wet Private Opsporing ongegrond, aangezien de interne dienst Recht & Compliance over een voorlopige vergunning beschikte en binnen de wettelijke overgangsregeling viel. Aangezien bovendien de materiële vaststellingen (camerabeelden, badge‑log, Excel‑log) volledig onafhankelijk van de vergunningskwestie bestaan, doet dit bezwaar geen afbreuk aan de bewijswaarde. Voor A NV staat het vast dat C doelbewust en met bedrieglijk opzet zijn fietsdagen heeft opgekrikt om te vermijden dat de reeds ontvangen fietsvergoedingen moesten worden terugbetaald en om verdere vergoedingen te blijven ontvangen. De onderneming besluit dat deze feiten een dringende reden vormen in de zin van artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet, gelezen in samenhang met artikel 2 van de wet van 19 maart 1991, waardoor de arbeidsovereenkomst rechtmatig zonder opzegging kan worden beëindigd. 4.2 Verwerende partijen stellen dat de beschuldigingen van A NV ongegrond zijn en dat de werkgever er niet in slaagt de dringende reden te bewijzen, noch de bedrieglijke intentie die nodig is om een dergelijke sanctie te rechtvaardigen. Zij beginnen hun verweer met de situering dat C sedert 2021 in dienst is en gedurende meer dan vier jaar een vlekkeloze staat van dienst heeft opgebouwd. Nooit eerder ontving hij een waarschuwing, en de samenwerking met de onderneming verliep steeds positief. Hij beklemtoont dat hij in zijn functie een goed team had opgebouwd, dat hij aanzien genoot bij zijn medewerkers en dat hij zichzelf altijd heeft ingezet voor de onderneming. Hij wijst erop dat hij regelmatig met de fiets naar het werk kwam en dat hij zijn deelname aan de fietsvergoeding te goeder trouw heeft ingevuld. Hij verwijst daarbij naar het feit dat hij in oktober 2025 nog een speed‑pedelec heeft aangeschaft, wat volgens hem moeilijk te rijmen valt met het vermoeden dat hij ‘bewust zou frauderen’ om een fietsvergoeding te behouden. Verder legt hij verklaringen voor van collega’s die bevestigen dat hij zijn fiets vaak naast zijn bureau of in een technische ruimte plaatste, niet altijd in de fietsenstalling waar badge‑gegevens worden geregistreerd. Dat verklaart volgens hem waarom badge‑logbestanden niet steeds een volledig beeld geven van zijn werkelijke fietsdagen. Verwerende partijen benadrukken dat de bewijslast volledig bij de werkgever ligt en dat, wanneer twijfel blijft bestaan, deze in het voordeel van de werknemer moet spelen. Zij benadrukken daarbij dat er geen enkel bewijs is dat hij opzettelijk heeft getracht zijn fietsdagen te verhogen. De correcties die hij uitvoerde in het Excel‑bestand zouden volgens hem geen manifest bedrog vormen, maar eerder het gevolg zijn van de manier waarop het werk georganiseerd was. Op vrijdagen, wanneer zijn leidinggevende steevast afwezig was, droeg hij een zware taaklast, en kwamen teamleden geregeld naar hem met vragen om hun gegevens te controleren of te verbeteren. In die omstandigheden, zegt hij, kwam het vaak voor dat hij snel handelingen moest uitvoeren in een technisch onhandig Excel‑bestand waarvan de bovenste rijen en de kolomkoppen volgens zijn waarneming niet waren vastgezet. Daardoor kon het gebeuren dat hij zonder het te beseffen in de verkeerde kolom belandde. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 15 Zijn ploegmedewerkers bevestigen volgens hem deze gebrekkige lay‑out en foutgevoeligheid van het programma. Verder wijst C erop dat het Excel-bestand soms niet correct was ingevuld wanneer hij terugkwam van afwezigheden. Het zou regelmatig zijn voorgevallen dat hij correcties moest uitvoeren op vraag van medewerkers, waaronder ook correcties van dagen die al even verstreken waren — wat volgens hem verklaart waarom sommige invoerdata en wijzigingsdata ver uit elkaar liggen. Hij houdt vol dat dit deel uitmaakt van de normale werking van zijn afdeling en niets met bedrog te maken heeft. Dat hij sommige dagen niet meer exact herinnerde, vindt hij menselijk en niet uitzonderlijk, zeker bij hoge werkdruk en lange werkdagen. Hij verzet zich tegen de stelling dat de camerabeelden doorslaggevend zouden zijn. Hij benadrukt dat de beelden slechts betrekking hebben op drie specifieke dagen, dat ze bovendien geen enkel bewijs leveren over de situatie op zijn andere fietsdagen, en dat de werkgever niet kan aantonen dat hij op álle betwiste dagen niet met de fiets zou zijn gekomen. Hij wijst op de GPS‑gegevens die hij heeft voorgelegd als bewijs van enkele ritten en merkt op dat deze ritten duidelijk aantonen dat hij wél degelijk fietste. Volgens verwerende partijen heeft de werkgever de interne procedure rond de private opsporing niet volledig correct gevolgd. Zij voeren aan dat de interne compliance‑dienst van A NV op het ogenblik van het onderzoek niet volledig voldeed aan de vergunnings‑ en identificatievereisten van de Wet Private Opsporing. Hoewel de werkgever dit minimaliseert als een loutere formaliteit, stellen zij dat deze wetgeving strikte regels oplegt, waardoor een onregelmatige private opsporing niet zonder meer aanvaard mag worden als bewijs. Voorts argumenteren zij dat zelfs wanneer er fouten zijn geweest in de Excel‑registraties, deze niet van die aard zijn dat ze de samenwerking definitief onmogelijk maken. C stelt dat hij nooit te kwader trouw heeft gehandeld en dat A NV hem nooit eerder heeft verwittigd of aangesproken op zijn invoeringsfouten. Indien de werkgever vond dat hij onzorgvuldig met het bestand omging, had volgens hem een waarschuwing volstaan. Het onmiddellijke grijpen naar een beschuldiging van fraude en naar een ontslag om dringende reden vindt hij dan ook buiten proportie. Tot slot benadrukken verwerende partijen dat een werkgever het bedrieglijk opzet moet bewijzen en dat de aangehaalde feiten dit opzet niet aantonen. Dat hij fouten heeft gemaakt in het Excel‑bestand, aanvaardt hij; dat deze fouten het gevolg waren van werkdruk en onduidelijke bestandstructuur, blijft volgens hem plausibel. Maar dat hij bewust en doelgericht fraude zou hebben gepleegd, wordt door geen enkel sluitend bewijs gestaafd. Om deze redenen vragen zij de arbeidsrechtbank de vordering van A NV ongegrond te verklaren. 5 ONTVANKELIJKHEID Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 16 De zaak betreft een toepassing van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. De procedure start met een onderhandelingsfase. Als de partijen niet verzoend kunnen worden en indien de werkgever bij zijn voornemen blijft om de werknemer te ontslaan, moet de werkgever de zaak aanhangig maken bij de voorzitter volgens de vormen van het kort geding (nl. dagvaarding) binnen de drie werkdagen na verloop van de onderhandelingsperiode. Artikel 4 van de wet van 19 maart 1991 bepaalt: “§
- De werkgever die het voornemen heeft een personeelsafgevaardigde of een kandidaat- personeelsafgevaardigde om een dringende reden te ontslaan, moet hem en de organisatie die hem heeft voorgedragen hierover inlichten bij een ter post aangetekende brief, die verstuurd wordt binnen drie werkdagen volgend op de dag gedurende welke hij kennis heeft gekregen van het feit dat het ontslag zou rechtvaardigen. Hij moet eveneens, binnen dezelfde termijn, bij verzoekschrift zijn zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank. §
- Het verzoekschrift wordt gericht naar de griffie bij een ter post aangetekende brief en vermeldt: 1° de aanduiding van de dag, maand en jaar; 2° de naam, voornaam, beroep, woonplaats van de verzoeker evenals, in voorkomend geval, zijn hoedanigheden en inschrijving in het handelsregister of in het ambachtsregister of, indien het een rechtspersoon betreft, de aanduiding van zijn benaming, van zijn juridische aard en van zijn maatschappelijke zetel; 3° de naam, voornaam, woonplaats en hoedanigheid van de op te roepen personen; 4° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat. De werkgever voegt bij zijn verzoek een afschrift van de brieven, bedoeld in §
- §
- In de bij § 1 bedoelde brieven moet de werkgever alle feiten vermelden die naar zijn oordeel elke professionele samenwerking definitief onmogelijk maken vanaf het ogenblik waarop zij door de arbeidsgerechten als juist en voldoende zwaarwichtig zouden beoordeeld worden. In geen geval mogen deze feiten verband houden met de uitoefening van het mandaat van de personeelsafgevaardigde. §
- De modaliteiten, de termijnen van kennisgeving en de vermeldingen die dit artikel oplegt, zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.” De rechtbank stelt vast dat de vordering van de werkgever op 1 december 2025 aanhangig werd gemaakt bij de arbeidsrechtbank met een dagvaarding, dezelfde dag als het einde van de onderhandelingsfase. De vordering zoals ingeleid bij dagvaarding werd dan ook tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld en is ontvankelijk. 6 TEN GRONDE Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 17 6.1 Ontslag dringende reden, in principe Artikel 2, §1 van de wet van 19 maart 1991 bepaalt dat de personeelsafgevaardigden en de kandidaat- personeelsafgevaardigden slechts ontslagen kunnen worden om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend. De dringende reden waarnaar wordt verwezen in deze bijzondere regeling betreft hetzelfde begrip “dringende reden” zoals voorzien in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Artikel 35, lid 2 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt: “Onder dringende reden wordt verstaan de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.” De wet van 19 maart 1991 hanteert specifiek de termen: “feiten die naar het oordeel (van de werkgever) elke professionele samenwerking definitief onmogelijk maken vanaf het ogenblik waarop zij door de arbeidsgerechten als juist en voldoende zwaarwichtig zouden beoordeeld worden.” Vooreerst dient de tekortkoming ernstig te zijn. Niet elke tekortkoming kan als een dringende reden worden weerhouden. De tekortkoming dient bovendien aan de werknemer verwijtbaar te zijn en het moet gaan over een fout. Het ontslag om dringende reden is een uitzonderlijke ontslagmodaliteit van de arbeidsovereenkomst. Dit volgt enerzijds uit haar strenge begripsafbakening en anderzijds uit de ernstige gevolgen van een dergelijke beslissing voor de ontslagen partij. Het begrip fout in artikel 35 tweede lid van de Arbeidsovereenkomstenwet is niet beperkt tot de tekortkomingen aan een wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting, maar omvat ook iedere vergissing in het gedrag die een normaal voorzichtig en gewaarschuwde werkgever of werknemer niet zou begaan (zie Cass. 26 juni 2006, JTT 2006, afl. 959, 404). Het feit dat het ontslag wegens dringende reden verantwoordt, is het feit vergezeld van alle omstandigheden die het de aard van een dringende reden kunnen geven. Er dient aldus rekening te worden gehouden met alle omstandigheden eigen aan de zaak zoals begeleidende omstandigheden, bedrijfscultuur en arbeidsorganisatie, eventueel voorgaanden, verzachtende maar ook verzwarende omstandigheden. De dagvaarding vermeldt de dringende reden die het verzoek rechtvaardigt. De ingeroepen feiten mogen niet verschillen van die welke in de aangetekende brief aan de werknemer en aan de Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 18 organisatie die hem heeft voorgedragen, werden vermeld. Tijdens de procedure mag geen enkele andere reden aan het arbeidsgerecht worden voorgelegd (artikel 7 van de wet van 19 maart 1991). Het is aldus in deze aangetekende brieven dat de werkgever alle feiten vermeldt die naar zijn oordeel elke professionele samenwerking onmogelijk maken vanaf het ogenblik waarop zij door de arbeidsgerechten als juist en voldoende zwaarwichtig zouden beoordeeld worden (zie ook Cass. 8 december 2003, JTT 2004, 194). Artikel 35, achtste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet schrijft voor dat de partij die een dringende reden inroept, hiervan het bewijs moet leveren. De wet van 19 maart 1991 wijkt hierbij niet af van de regels inzake de verdeling van de bewijsvoering zoals voorzien in de artikelen 8.4 e.v. van het nieuw Burgerlijk Wetboek. 6.2 Tijdigheid Artikel 4 §1 van de wet van 19 maart 1991 bepaalt dat de werkgever die het voornemen heeft een (kandidaat) personeelsafgevaardigde om een dringende reden te ontslaan, hem en de organisatie die hem heeft voorgedragen hierover moet inlichten bij een ter post aangetekende brief die verstuurd wordt binnen drie werkdagen volgend op de dag gedurende welke hij kennis heeft gekregen van het feit dat het ontslag zou rechtvaardigen. Deze termijn werd gerespecteerd. A NV kreeg kennis van de indiciën van fraude met een rapport van 17 november 2025, C werd hierover gehoord op 19 november 2025 en de procedure werd opgestart met een aangetekende brief van 20 november
- 6.3 De 50%-regel De door A NV ingeroepen dringende reden heeft (uitsluitend) te maken met de fietsvergoeding en de registratie van de verplaatsingen van C met de fiets voor het woon-werkverkeer. De rechtbank heeft partijen ter zitting geconfronteerd met de vraag of de 50%-regel om een fietsvergoeding te ontvangen wettelijk of reglementair is. Sinds 1 mei 2023 verplicht de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) nr. 164 de werkgevers om de fietsvergoeding te betalen. Die cao is een aanvullende collectieve arbeidsovereenkomst. Zij is enkel van toepassing op werkgevers bij ontstentenis van een collectieve overeenkomst op sector- of ondernemingsniveau die hen verplicht om een vergoeding te betalen aan de werknemers voor verplaatsingen per fiets tussen de woonplaats en de arbeidsplaats. De paritaire comités hebben dus de mogelijkheid om sectorale collectieve overeenkomsten te sluiten om het bedrag van de vergoeding voor de verplaatsingen per fiets vast te stellen, alsook de ermee gepaard gaande modaliteiten zoals de maximumafstand, de combinatie met andere vervoermiddelen en de frequentie van het gebruik van de fiets. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 19 Voor C die bediende is bij een onderneming die valt onder het paritair comité 226 voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de logistiek, kan verwezen worden naar een sectorale cao van 8 januari 2024 inzake de werkgeverstussenkomst in de vervoerskosten (KB 1 september 2024, BS 1 oktober 2024, geldig tot 31 december 2025). De fietsvergoeding wordt geregeld in artikel 5 van deze cao. Er bestaat geen bepaling over de frequentie van het gebruik van de fiets, er wordt enkel verwezen naar een “regelmatig gebruik”. Ook in de cao nr. 164 wordt in artikel 4 §1 (enkel) het woord “regelmatig” gebruikt. In de commentaar daarbij is het volgende geschreven: “Uit de eerste paragraaf van deze bepaling vloeit voort dat deze collectieve arbeidsovereenkomst betrekking heeft op regelmatige verplaatsingen met de fiets tussen de woonplaats van de werknemer en zijn plaats van tewerkstelling, en niet op occasionele verplaatsingen. Een voorbeeld: wanneer de werknemer zich ten minste één keer per week met de fiets van zijn woonplaats naar het werk begeeft, wordt dit beschouwd als een regelmatige verplaatsing. Hetzelfde geldt voor de werknemer die in de zomer met de fiets naar het werk komt. Bovendien mag het woord "regelmatig" geen belemmering vormen voor de werknemer om bij wijze van test in het systeem voor de toekenning van een fietsvergoeding te stappen.” Binnen de onderneming A NV werd geen bedrijfs-cao afgesloten die betrekking heeft op de fietsvergoeding. Er werd wel een “policy” toegepast door de werkgever en A NV wijst erop dat deze aan de ondernemingsraad werd voorgelegd. In deze policy geldt het volgende basisprincipe: “Om te genieten van de fietsvergoeding moet de medewerker zich op de boekjaarbasis 50% van de tijd met de fiets naar het werk verplaatsen. Hiervoor tekent de medewerker een verklaring op eer.” C was op de hoogte van deze regel, had de verklaring op eer getekend en werd in de loop van 2025 tweemaal op de hoogte gebracht van het feit dat het er naar uit zag dat hij tijdens het lopende boekjaar (tot 28 februari 2026) de 50% niet zou halen. C noch het ACLVB betwisten de geldigheid van de 50%-regel in principe. Het is een gangbare opinie dat het aanvullend karakter van de cao nr. 164 tot gevolg kan hebben dat op sectoraal- en bedrijfsniveau (voor de werknemer) minder gunstige bepalingen kunnen worden overeengekomen, zeker wat betreft het bedrag van de fietsvergoeding (Rouls, V., Enkele alternatieve verloningen onder de loep, uitg. Wolters Kluwer, p. 98, digitaal weergegeven in Jura). In die omstandigheden kan niet overwogen worden dat de 50%-regel afwijkt van de regel van de voorwaarden van “regelmatig gebruik” opgenomen in artikel 5 van de cao van 8 januari 2024 (PC 226). De commentaar bij artikel 4 §1 van cao nr. 164 over het begrip “regelmatig” is niet van toepassing. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 20 6.4 De policy en de registratie Naast de 50%-regel bepaalt de policy dat iedere medewerker die met de fiets naar het werk komt zich dagelijks dient te melden bij een leidinggevende, die vervolgens de nodige gegevens registreert in een Excel-bestand. Tevens zal de leidinggevende op regelmatige basis controleren of het aantal meldingen over alle afdelingen heen overeenkomt met het aantal fietsen dat in de stalling staat. Maandelijks zal er een evaluatie gebeuren. Indien blijkt dat de betreffende medewerker niet de helft van de tijd met de fiets komt, volgt er een gesprek. Indien de medewerker wenst het systeem van de fietsvergoeding stop te zetten, dient hij dit te registeren in zijn digitaal personeelsdossier. Indien de medewerker toch doorzet maar de 50% regel niet haalt zal het verschil tussen de fietsvergoeding en de vergoeding voor het woon-werkverkeer met de auto worden teruggevorderd. Ter zitting heeft A NV de registratie van de verplaatsingen met de fiets gepresenteerd. De door C voorgehouden bezwaren over de moeilijkheden om met het Excel-bestand te werken zodat fouten onvermijdelijk waren, kunnen niet door de rechtbank worden bijgetreden. Het beroep op “verkeerde kolom” door niet‑vastgezette hoofding wordt ontkracht door interne getuigenissen (HR en leidinggevende) dat de hoofding/kolommen vast stonden. Verder is gedetailleerd uiteengezet dat de naastliggende kolommen op de correctiedata bemand waren door personeelsleden die afwezig waren of niet tot zijn afdeling behoorden. Dit maakt de hypothese van een “correctie voor een collega” zeer onwaarschijnlijk. Aan de andere kant zijn de door verwerende partijen neergelegde schriftelijke getuigenissen op dit vlak weinig duidelijk. C was gehouden in het Excel-bestand de fietsverplaatsingen van de werknemers van zijn eigen afdeling te registreren. Deze medewerkers hadden geen toegang tot het Excel-bestand. Ter zitting werd verduidelijkt dat slechts een kleine minderheid van de werknemers een beroep doet op fietsvergoeding, zodat het aantal kolommen beperkt is. De registratie van de fietsverplaatsingen van betrokkene gebeurde in hetzelfde bestand, zodat hij toegang had tot zijn eigen registratie en deze zelf kon invullen of achteraf wijzigen. De registratie is zeer eenvoudig en het is moeilijk te begrijpen hoe men zich (herhaaldelijk) zou kunnen vergissen. Zelfs werkdruk kan niet verklaren waarom men dagen of weken later precies die entries zou aanpassen van 0 naar 1 voor zichzelf. 6.5 Valse of vervalste registraties De Excel‑wijzigingslog toont meerdere correcties van 0 (of “/”) naar 1 voor 2, 6 en 9 oktober 2025, ingegeven op 17 en 24 oktober
- Camerabeelden tonen aan dat C op die drie dagen met de auto naar het werk was gekomen. Deze foute registraties worden door hem niet betwist. Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 21 De cumul met andere Excel‑correcties over meerdere maanden (mei–september 2025) versterkt het patroon van corrigerende ingrepen in zijn voordeel en het vermoeden van valse correcties voor die andere dagen. Hoe dan ook had C niet het recht om deze correcties zelf te maken en diende dat in voorkomend geval via zijn directe leidinggevende te gebeuren. Hoewel voor die eerdere data geen camerabeelden meer beschikbaar zijn, blijven ze relevant in de globale beoordeling. 6.6 Wet private opsporing De wet van 18 mei 2024 tot regeling van de private opsporing (WPO) vervangt de detectivewet van 1991 en beoogt een modernisering van het wettelijk kader voor privaat onderzoek, onder meer door de uitbreiding naar nieuwe vormen zoals forensic accounting en IT-forensics. De wet heeft tot doel privaat speurwerk mogelijk te maken ter bescherming van eigen belangen, met waarborg van fundamentele rechten en naleving van de GDPR. Verwerende partijen voeren aan dat het door A NV ingeschakelde interne compliance‑team werkzaamheden van private opsporing verrichtte en daarom aan de vergunningsplicht en identificatiekaartplicht onderworpen is. Zij stellen dat op het relevante tijdstip geen volledige conformiteit was aangetoond: zij betwisten of er wel degelijk een geldige vergunning bestond voor de interne dienst en of de natuurlijke personen die het onderzoek uitvoerden effectief over de vereiste identificatiekaarten beschikten. Volgens hen zijn dit geen formaliteiten maar substantiële voorwaarden, waarvan de niet‑naleving de rechtsgeldigheid en bewijswaarde van het onderzoek aantast. Zij koppelen hieraan het verweer dat bij gebreke aan regelmatigheid het onderzoek (en de daaruit voortvloeiende vaststellingen) niet of slechts met grote omzichtigheid mochten worden aangewend. Zij stellen dat de onderzoeksopdracht zeer ruim was en leidde tot een verregaande dataverwerking: vergelijking van Excel‑invoer, badge‑logs van de fietsenstalling, tijdsregistraties en zelfs camerabeelden. Zij stellen dat deze combinatie van sporen intrusief is en slechts kan indien strikte voorwaarden naar noodzakelijkheid en proportionaliteit zijn nageleefd. A NV antwoordt om te beginnen dat de interne dienst Recht & Compliance onder de L‑groep opereert en dat er een (voorlopige) vergunning conform artikel 177 WPO werd afgeleverd, waarbij het laatste lid van die bepaling een tijdelijke vrijstelling voorziet voor de identificatiekaart van de betrokken medewerkers. Zij leggen een e‑mailbevestiging en verwijzen naar de toepasselijke overgangsregeling, zodat het onderzoek regelmatig was en de verzamelde gegevens rechtmatig konden worden verwerkt. Volgens A NV is er dus geen grond om de resultaten van rechtswege uit te sluiten. Voorts benadrukt A NV dat het onderzoek stapsgewijs en proportioneel verliep. Het begon met interne signalen van onregelmatigheden in één bestand (Excel‑registraties), waarna men gericht de Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 22 Excel‑wijzigingen kruiste met badge‑logs en tijdsregistraties. Slechts voor drie dichtbije data waarover nog camerabeelden beschikbaar waren, is die extra bron geconsulteerd. De focus is dus beperkt gehouden tot objectief verifieerbare aanknopingspunten, wat in hun ogen precies het omgekeerde is van datamining zonder richting. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaren van verwerende partijen niet gegrond zijn, minstens niet van aard zijn dat er tot bewijsuitsluiting dient te worden geconcludeerd. Het dossier bevat concrete stukken waaruit blijkt dat de interne compliance‑dienst beschikte over een voorlopige vergunning in de zin van artikel 177 WPO, met uitdrukkelijke verwijzing naar een tijdelijke vrijstelling voor de identificatiekaartplicht. Voor deze zaak is van belang dat verwerende partijen geen bewijs aanleveren van een materiële onregelmatigheid die rechtstreeks raakt aan de totstandkoming van de kernbewijzen (Excel‑log, badge‑exports, camerabeelden) of die een bewijsuitsluiting zou vergen. Bij deze stand van zaken is er geen wettelijke hinderpaal om de resultaten van het onderzoek in waardering te nemen, waarbij uiteraard de gebruikelijke toetsing aan noodzakelijkheid en proportionaliteit behouden blijft. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek stapsgewijze is opgebouwd: eerst werden Excel‑wijzigingen gedetecteerd, daarna badge‑ en tijdsregistraties vergeleken, en pas voor drie nabije data waarover camerabeelden nog beschikbaar waren, werd die extra bron betrokken. Dit wijst niet op “fishing expedition”, maar op gerichte verificatie van reeds gesignaleerde inconsistenties. Verwerende partijen wijzen op hypothetische manipulatiekansen, maar brengen geen concreet tegenbewijs of interne inconsistenties aan. De rechtbank acht de materiële integriteit van de bevindingen voldoende aangetoond. 6.7 Erkenning dringende reden Op grond van de verzamelde, samenhangende en betrouwbare feitelijke gegevens is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van bewezen, herhaalde en intentionele manipulatie van registraties door C , gericht op het kunstmatig verhogen van zijn aantal fietsdagen en overeenstemmende vergoeding. De objectieve vaststellingen — met name de camerabeelden, de badge‑logs, de Excel‑correctielogs en de chronologische discrepanties tussen realiteit en latere registratie — weerleggen zijn uitleg van toevallige vergissingen of technische fouten. De rechtbank stelt vast dat het hier eerder gaat over “klein geritsel” dat bovendien eenvoudig had kunnen vermeden worden (aparte registratie voor betrokkene en enkel toegankelijk voor de rechtstreekse overste, verbod op het plaatsen van een fiets anders dan in de voorziene stalling toegankelijk met badge). Dit belet niet dat toch kan aangenomen worden dat er sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk ten aanzien van een werknemer met een bepaalde leidinggevende functie. Iemand die niet te vertrouwen is bij de omgang met kleine aspecten van een arbeidsrelatie kan evenmin vertrouwd Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk – 25/774/A – p. 23 worden wanneer hem verantwoordelijkheid wordt toevertrouwd in het kader van belangrijker zaken. Dit geldt des te meer wanneer financiële malversaties worden vastgesteld. De aard en ernst van de vastgestelde gedragingen maken iedere verdere professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk, zoals vereist door artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet en artikel 2 van de wet van 19 maart
- De rechtbank besluit derhalve dat de dringende reden is aangetoond en dat de arbeidsovereenkomst rechtmatig zonder opzeggingstermijn of -vergoeding door A NV kan worden beëindigd. De vordering is gegrond. C wordt, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding, begroot aan de zijde van A NV op de rechtsplegingsvergoeding en de dagvaardingskosten, zoals aangetoond in het dossier. De dagvaarding van het ACLVB te Brussel was echter overbodig, zodat die dagvaardingskosten ten laste van A NV blijven. Er zijn geen redenen om het ACLVB ook tot de kosten te veroordelen, er is geen rechtsverhouding tussen de werkgever en de vakbond en er wordt van de vakbond ook niets gevorderd. Ze kan dan ook niet als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. De vakbond wordt enkel mee in de procedure betrokken omdat de wetgever dit heeft vereist in de wet van 19 maart
- Tussen A NV en ACLVB bestaat geen rechtsband. 7 BESLISSING De rechtbank verklaart de vordering van A nv ontvankelijk en gegrond. De rechtbank zegt voor recht dat toelating wordt verleend aan A nv om over te gaan tot het ontslag om dringende reden van C overeenkomstig de bepalingen van de wet van 19 maart
- De rechtbank legt de gerechtskosten in de processuele relatie tussen A nv en C krachtens artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek ten laste van C. De rechtbank vereffent deze gerechtskosten op 898,02 euro aan dagvaardingskosten (met betrekking tot de dagvaarding ten aanzien van de heer C en ACLVB Gent, daarin begrepen 26,00 euro aan bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand) en 1.883,72 euro aan rechtsplegingsvergoeding. Dit vonnis werd gewezen door: PDF document ECLI:BE:ARGNT:2026:JUG.20260218.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.