← België

ECLI:BE:CABRL:2004:ARR.20040511.23

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 11 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2004:ARR.20040511.23 Rolnummer: 1998AR604 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2004-09-10 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-07-01 00:15 Fiche I. Met toepassing van de artikelen 25 en 31 van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962 mag de rechter, bij het bepalen van de waarde van de percelen die onteigend worden voor de uitvoering van de voorschriften van een gewestplan, geen rekening houden met de waardevermeerdering of vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van dit gewestplan. Hieraan wordt niets afgedaan door de omstandigheid dat sommige of zelfs alle te onteigenen gronden reeds voordien een in aanmerking te nemen toekomstwaarde hadden als economisch interessante industriegrond, dat zij in de toekomst een dergelijke toekomstwaarde zouden kunnen verwerven, of dat zij, als feitelijk te kwalificeren industriegronden ook in aanmerking kwamen voor privé-initiatieven in verband met de aanleg van industrieterreinen. II. Voor de berekening van de wederbeleggingsvergoeding past het Hof het nationaal degressief barema gebruikt door het Comité tot Aankoop bij openbare verkopingen toe. III. Omtrent de rechtsplegingsvergoeding in de procedure voor de vrederechter moet worden vastgesteld dat de voorlopige vergoedingen die de vrederechter heeft toegekend, naar luid van artikel 16 van de wet van 26 juli 1962, onherroepelijk worden indien binnen twee maanden na de verzending van de in artikel 15, lid twee van dezelfde wet bedoelde stukken, geen van de partijen de herziening ervan heeft voor de rechtbank van eerste aanleg. De herziening heeft bijgevolg alleen maar betrekking op de voorlopige vergoedingen, behoudens de onregelmatigheid van de onteigening, waarvoor een uitzonderzing wordt gemaakt in het tweede lid van het besproken artikel

  1. De herzieningsrechter is bijgevolg onbevoegd om te oordelen over de gerechtskosten zoals daarover werd beslist door de vrederechter. IV. Artikel 1 van het eerste aanvullend protocol E.V.R.M. stemt in hoge mate overeen met artikel 16 van de Grondwet en de waarborgen die dit biedt. Enerzijds heeft het begrip eigendom in het bsproken artikel 1 een ruimere inhoud en anderzijds is de bescherming er niet enkel beperkt tot de onteigening. Uit de beginselen van het internationaal recht kan niet worden afgeleid dat de schadevergoeding bij een onteigening voorafgaandelijk moet zijn aan de inbezitname door de overheid. Artikel 16 van de Grondwet voorziet wel in een voorafgaande schadeloosstelling, wat betekent dat deze schadeloosstelling moet voorafgaan aan de inbezitstelling, maar niet dat zij definitief en onherroepelijk moet zijn. De onteigenden mogen uit het vereiste van een voorafgaande schadeloosstelling niet het voordeel putten van een onredelijk hoge voorlopige onteigeningsvergoeding, mogelijk verkeerdelijk tot stand gekomen door de spoedeisende omstandigheden bedoeld in de Wet van 26 juli
  2. De bevolen terugggave (van het teveel geconsigneerde) schendt bijgevolg noch artikel 1 van het Eerste aanvullend Protocol E.V.R.M., noch artikel 16 van de Grondwet. Thesaurus CAS: DADING Tekst van de beslissing Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.