id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 15 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2006:ARR.20061115.1 Rolnummer: 2005RK47 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-03-02 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-02 14:40 Fiche De urgentie dient door de appelrechter ook beoordeeld te worden op het ogenblik waarop hij uitspraak doet, alleszins voor zover een partij in die beroepsprocedure nog aanspraak maakt op een op dat ogenblik nog geldende maatregel. Een behoud of bestendiging van de door de eerste rechter opgelegde maatregelen op het ogenblik van de uitspraak van de beroepsrechter is slechts mogelijk in zoverre die maatregelen nog urgent zijn, d.w.z. nog onmiddellijk wenselijk zijn om schade van een bepaalde omvang of ernstige ongemakken te voorkomen. Wanneer de appelrechter van oordeel is dat de zaak niet langer een spoedeisend karakter vertoont, brengt zulks mee dat de door de eerste rechter bevolen maatregelen vervallen vanaf de uitspraak in hoger beroep
(1). Een onderzoek naar de gevorderde en toegekende maatregel op grond van de ogenschijnlijke rechten van partijen is daarmee overbodig
(2). Vrije woorden: Kort geding - urgentievereiste in graad van hoger beroep Nota:
(1)zie ook Cass., 19.1.2006, www.cass.be
(2)zie ook Cass., 9.6.2000, www.cass.be Tekst van de beslissing Het Hof; Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd waaronder de bestreden beschikking, volgens verklaring van partijen niet betekend, en het verzoekschrift ingediend op 11.2.2005, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig hoger be-roep werd ingesteld.
- De vzw Vlaamse Federatie van Persverkopers (hierna afgekort als VFP) is een beroepsvereniging van dagbladverkopers. De nv Vlaamse Uitgeversmaatschappij (hierna afgekort als VUM) is de uitgever van de dagbladen Het Nieuwsblad, De Gentenaar, Het Volk en De Standaard. Nadat VUM in juni 2004 uit de vzw Investeringsfonds voor de Persverspreiders trad, ontstond een conflict met VFP over de zaterdagvergoeding en de winkelrondevergoeding voor de dagbladverkopers. Op 7.10.2004 riep VFP haar leden per e-mail op om de zaterdagbijlagen en de commerciële folders van de VUM-kranten niet langer ter beschikking van de klanten te stellen, en kondigde zij een ophaling in de krantenwinkels van de "overbodige bijlagen" aan. Tegelijk bezorgde zij haar leden een enquête om bij de kopers van de VUM-kranten te polsen naar hun waardering voor de bijlage Job@ en de commerciële folders. Deze actie viel samen met het voornemen van de andere dagbladuitgevers om Vacature vanaf 16.10.2004 los van de krant te gaan bedelen. VUM vreesde dat de boycotactie van VFP zou leiden tot een derving van 700 000,00 EUR per week aan advertentie-inkomsten en zij zag zich genoodzaakt om een stakingsvordering in te stellen bij de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.
- Bij eenzijdig verzoekschrift van 14.10.2004 vorderde VUM dat VFP het verbod zou worden opgelegd om - welk onderdeel ook van de kranten De Standaard, Het Nieuwsblad/De Gentenaar of Het Volk op te halen of op welke manier ook te vergaren bij de dagbladverkopers; - dagbladverkopers aan te zetten tot het niet encarteren van de weekendbijlagen van voornoemde kranten; - hen ertoe aan te zetten om commerciële folders uit deze kranten te verwijderen; - hen ertoe aan te zetten om hun klanten te doen deelnemen aan een enquête, onder welke vorm ook, omtrent de wenselijkheid van de weekendbijlagen of folders in de VUM-kranten; - op gelijk welke manier mee te werken aan de organisatie of verwerking van zulke enquêtes of aan de publicatie van de resultaten ervan; - op te roepen tot boycot, onder welke vorm dan ook, van de kranten De Standaard, Het Nieuwsblad/De Gentenaar of Het Volk, dit alles onder verbeurte van een dwangsom van 10 000,00 EUR per inbreuk op deze verbodsbepalingen, te rekenen binnen de 2 uur na betekening van de beschikking.
- Bij beschikking van 14.10.2004 werden de gevorderde verbodsbepalingen opgelegd onder verbeurte van een dwangsom van 5 000,00 EUR per vastgestelde inbreuk, met een maximum van 100 000,00 EUR, waarbij de dwangsom eisbaar werd verklaard twee uur na voorafgaande betekening. Deze beschikking werd diezelfde dag betekend aan VFP.
- Bij dagvaarding betekend op 8.11.2004 stelde VFP derdenverzet in. Zij vorderde de vernietiging van de beschikking van 14.10.2004, de ongegrondverklaring van de oorspronkelijke vordering op eenzijdig verzoekschrift en de veroordeling van VUM tot de gerechtskosten.
- Bij beschikking van 11.1.2005 werd het derdenverzet ongegrond verklaard en de beschikking van 14.10.2004 bevestigd met die wijziging dat bij de oproep tot boycot van de kranten De Standaard, Het Nieuwsblad/De Gentenaar of Het Volk toegevoegd wordt: "inzoverre het de bedoeling is schade te veroorzaken". VFP werd veroordeeld tot de gerechtskosten.
- Bij verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 11.2.2005, stelde VFP hoger beroep in tegen de beschikking van 11.1.
- Haar hoger beroep strekt tot gegrondverklaring van haar derdenverzet, tot afwijzing van de oorspronkelijke vordering van VUM (bij gebrek aan urgentie of belang, en minstens als ontoelaatbaar of ongegrond) en tot veroordeling van VUM tot de gerechtskosten. In conclusie vraagt zij bovendien dat akte zou worden verleend aan partijen dat zij ervan uitgaan dat de beschikking van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 27.9.1984 geen algemene draagwijdte heeft en VUM niet in staat stelt collectieve acties te bestrijden zoals de op 7.10.2004 aangekondigde actie.
- VUM concludeert tot ongegrondheid van het hoger beroep, tot bevestiging van de bestreden beschikking en tot veroordeling van VFP tot een schadevergoeding van 1,00 EUR wegens tergend en roekeloos hoger beroep, te vermeerderen met de vergoedende intresten. Verder beoogt zij de veroordeling van VFP tot de gerechtskosten.
- Het derdenverzet geeft aanleiding tot een volledig nieuwe behandeling van het geschil in zoverre de rechtstoestand van de derde, in casu VFP, in het geding is. De kort geding rechter dient bij de nieuwe behandeling van het geschil evenwel opnieuw rekening te houden met de urgentievereiste. Dat er ten tijde van de inleiding van de vordering op eenzijdig verzoekschrift sprake was van urgentie wordt niet met ernstige argumenten betwist. VFP werpt echter terecht op dat de urgentie door de appelrechter ook beoordeeld dient te worden op het ogenblik waarop hij uitspraak doet (alleszins voor zover een partij in die beroepsprocedure nog aanspraak maakt op een op dat ogenblik nog geldende maatregel). In de huidige procedure gaat VUM ervan uit dat de bij de bestreden beschikking opgelegde verbodsmaatregelen zonder meer van toepassing blijven op mogelijke toekomstige acties van VFP, zelfs naar aanleiding van andere mogelijke conflicten met VUM. Minstens meent zij dat ze van toepassing zouden moeten blijven om mogelijke toekomstige acties te bestrijden. Een behoud of bestendiging van de maatregelen op het ogenblik van de uitspraak van de beroepsrechter is slechts mogelijk in zoverre die maatregelen nog urgent zijn, d.w.z. nog onmiddellijk wenselijk zijn om schade van een bepaalde omvang of ernstige ongemakken te voorkomen. Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat het conflict dat aanleiding gaf tot de oproep van 7.10.2004 intussen weggeëbd en zelfs volledig voorbijgestreefd is door het tijdsverloop: VFP blijkt op dit ogenblik geen enkel concreet voornemen te hebben om acties te voeren tegen VUM in het kader van het toenmalige conflict, laat staan in het kader van een ander actueel conflict. Bijgevolg is een bestendiging van de verbodsmaatregelen naar de toekomst toe thans niet verantwoord in het licht van de urgentievereiste. Tegen de mogelijke toekomstige dreiging getroffen te worden door schade veroorzakende acties, zal VUM zich alsdan opnieuw tot de rechter dienen te wenden.
- Wanneer de appelrechter van oordeel is dat de zaak niet langer een spoedeisend karakter vertoont, brengt zulks mee dat de door de eerste rechter bevolen voorlopige maatregelen vervallen vanaf de uitspraak in hoger beroep (zie ook Cass. 19 januari 2006, www.cass.be). Een onderzoek naar de gevorderde en toegekende maatregel op grond van de ogenschijnlijke rechten van partijen wordt met voornoemde vaststelling overbodig (zie ook Cass. 9 juni 2000, www.cass.be). O M D I E R E D E N E N H E T H O F Na beraad, rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en in de navolgende mate gegrond; Verklaart de door de eerste rechter bevolen maatregelen vervallen vanaf heden ingevolge het verlies van hun spoedeisend karakter; Verklaart de tegeneis wegens tergend en roekeloos geding toelaatbaar doch ongegrond; Veroordeelt partijen tot de door henzelf gemaakte kosten in hoger beroep. PDF document ECLI:BE:CABRL:2006:ARR.20061115.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div