id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 22 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2007:ARR.20070122.17 Rolnummer: 2006QR42 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2011-04-19 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 15:12 Fiche 1. De vordering tot vervallenverklaring van het wettelijk erfrechtelijk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot is niet onderworpen aan een inschrijving op het hypotheekkantoor in de zin van artikel 3, eerste lid Hyp. W. 2. Het verzoekschrift in de zin van artikel 745sexies, § 2, eerste alinea, BW tot omzetting van het erfrechtelijk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, is geen eenzijdig verzoekschrift maar wel een verzoekschrift op tegenspraak in de zin van artikelen 1034bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Het verzoekschrift leidt aldus, in tegenstelling tot een eenzijdig verzoekschrift, een tegensprekelijke procedure in. Omdat de procedure tegensprekelijk is, kan de aangesproken partij een tegenvordering instellen bij conclusie. 3. Wanneer uit de feiten blijkt dat de herstellingen die nodig waren, grove herstellingen waren en dat zij niet veroorzaakt zijn door een verzuim van de vruchtgebruiker aan onderhoudsherstellingen sedert de aanvang van het vruchtgebruik, is er is geen gegronde reden voorhanden om vast te stellen dat het vruchtgebruik beëindigd is of dat het vruchtgebruik 'vervallen' is. 4. De rechtbank beschikt over de mogelijkheid om de partijen voor de verrichtingen van de gerechtelijke omzetting van het vruchtgebruik van de mlangstlevende echtgeoot, te verijwzen naar notarissen opp grond van artikel 745sexies, § 2, tweede alinea, BW. Deze beslissing leidt ertoe (
- i)dat de aangestelde notaris de partijen zal inlichten over hun rechten en plichten, inzonderheid over de mogelijkheden tot omzetting van het vruchtgebruik en van de voordelen ervan zowel voor de langstlevende echtgenoot als voor het kind van de overledene, (
- ii)dat de aangestelde notaris verzoenend kan proberen alsnog een minnelijke regeling te bereiken en (iii) dat de notaris uiteindelijk een ontwerp met advies zal kunnen opstellen, in voorkomend geval na het noteren van de beweringen en zwarigheden van partijen, met eventuele verzending naar de rechter voor beslissing nopens bijvoorbeeld een openbare verkoping van de woning. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Vruchtgebruik - Verplichtingen BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Vruchtgebruik - Einde BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Onderscheiden orden - Langstlevende echtgenoot BURGERLIJK RECHT - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - Onroerende publiciteit - Inschrijving Vrije woorden: Langstlevende echtgenoot. Wettelijk erfrechtelijk vruchtgebruik. Omzetting. Gerechtelijke omzetting. Verwijzing naar notarissen. Vruchtgebruik. Verplichtingen van de vruchtgebruik. Grove herstellingen. Vervallenverklaring van het vruchtgebruik. Branden. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2007/ A.R. nr. 2006/QR/42 INZAKE VAN : Mevrouw P. D., wonende te... appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 4 april 2006, vertegenwoordigd door Meester Edwin KAT loco Meester Michel GODHAIRD, advocaat te 1060 BRUSSEL, Sint-Bernardusstraat 76, 1ste kamer TEGEN : Mevrouw M. B., wonende te 1 geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Sofie HOOGERS loco Meester Patrick HOFSTRÖSSLER, advocaat te 1000 BRUSSEL, Goedheidstraat 5-7, Samenvatting: 1. Artikel 3, eerste lid Hyp. W. Geen inschrijving van een vordering tot vervallenverkjlaring van een wettelijk vruchtgebruik. 2. Mogelijkheid van een tegenvordering bij een vordering tot gerechtelijke omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot. 3. Verplichtingen van de vruchtgebruiker. Voorwaarden voor een vervallenverklaring van het vruchtgebruik. 4. Mogelijkheid voor de rechter om de partijen meteen te verwijzen naar een notaris voor de verrichtingen van de gerechtelijke omzetting van het vruchtgebruik. 1. De vordering tot vervallenverklaring van het wettelijk erfrechtelijk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot is niet onderworpen aan een inschrijving op het hypotheekkantoor in de zin van artikel 3, eerste lid Hyp. W. 2. Het verzoekschrift in de zin van artikel 745sexies, § 2, eerste alinea, BW tot omzetting van het erfrechtelijk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, is geen eenzijdig verzoekschrift maar wel een verzoekschrift op tegenspraak in de zin van artikelen 1034bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Het verzoekschrift leidt aldus, in tegenstelling tot een eenzijdig verzoekschrift, een tegensprekelijke procedure in. Omdat de procedure tegensprekelijk is, kan de aangesproken partij een tegenvordering instellen bij conclusie. 3. Wanneer uit de feiten blijkt dat de herstellingen die nodig waren, grove herstellingen waren en dat zij niet veroorzaakt zijn door een verzuim van de vruchtgebruiker aan onderhoudsherstellingen sedert de aanvang van het vruchtgebruik, is er is geen gegronde reden voorhanden om vast te stellen dat het vruchtgebruik beëindigd is of dat het vruchtgebruik "vervallen" is. 4. De rechtbank beschikt over de mogelijkheid om de partijen voor de verrichtingen van de gerechtelijke omzetting van het vruchtgebruik van de mlangstlevende echtgeoot, te verijwzen naar notarissen opp grond van artikel 745sexies, § 2, tweede alinea, BW. Deze beslissing leidt ertoe (
- i)dat de aangestelde notaris de partijen zal inlichten over hun rechten en plichten, inzonderheid over de mogelijkheden tot omzetting van het vruchtgebruik en van de voordelen ervan zowel voor de langstlevende echtgenoot als voor het kind van de overledene, (
- ii)dat de aangestelde notaris verzoenend kan proberen alsnog een minnelijke regeling te bereiken en (iii) dat de notaris uiteindelijk een ontwerp met advies zal kunnen opstellen, in voorkomend geval na het noteren van de beweringen en zwarigheden van partijen, met eventuele verzending naar de rechter voor beslissing nopens bijvoorbeeld een openbare verkoping van de woning. De rechtspleging in eerste aanleg 1. P. D. heeft op 10 juni 2003 een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, waarin zij verzocht M. B. op te roepen, de omzetting te bevelen van het vruchtgebruik "toegekend aan de overlevende echtgenoot" en de omzettingsmodaliteit "als volgt vast te leggen : - begroting van het gebouw 50.000 euro , - rente toekomende aan Mevr. D. 19.060 euro ". 2. Zij legde uit dat zij de weduwe is van C. B., die overleden is te Brussel op 25 oktober 1991, dat zij en het enig kind dat uit dit huwelijk is geboren, M. B., de enige erfgenamen zijn van C. B. en dat zij de vruchtgebruikster en M. B. de naakte eigenares is van (onder meer) een onroerend goed te S., ...straat 75. 3. Zij vorderde de omzetting van haar vruchtgebruik op dit onroerend goed, als volgt : · het vruchtgebruik moet begroot worden op 38,12 % van de verkoopwaarde van het goed, gelet op haar leeftijd (zij is geboren op 24 juli 1932), · de waarde van het goed werd door een deskundige, bij de aangifte van de nalatenschap, met het akkoord van partijen, bepaald op 1.350.000 BEF of 33.465,63 euro, · rekening houdend met de belangrijke prijsevolutie in Brussel maar ook met de slechte staat van het goed, is de actuele waarde gelijk aan 50.000 euro, · de omzetting van het vruchtgebruik is dan een rente van 19.060 euro. 4. Indien er "daaromtrent onenigheid" is, verzocht zij om de aanstelling van een deskundige om de waarde van het goed te bepalen. 5. Zij verantwoordde haar verzoek tot omzetting van het vruchtgebruik door haar ouderdom, waardoor zij "het beheer van dit goed niet meer kan waarnemen". 6. Bij conclusie van 26 mei 2004 vorderde zij hetzelfde bedrag, maar dan provisioneel en ‘breidde' zij haar vordering ‘uit' met het verzoek een deskundige aan te stellen met een welbepaalde opdracht, die er op neerkwam de hypothetische waarde van het goed te bepalen "zonder rekening te houden met de beschadigingen die het heeft ondergaan ten gevolge van het gebrek aan onderhoud door de naakte eigenares" evenals de huurwaarde van het goed te bepalen "teneinde de Rechtbank toe te laten het bedrag van de vergoeding voor onbeschikbaarheid van het gebouw te bepalen vanaf het ontstaan van het vruchtgebruik tot op de datum van de afkoop". 7. M. B. besloot, samengevat, als volgt : · de vordering van P. D. is ongegrond, · minstens is de vordering slechts gegrond tot beloop van 1 euro als vergoeding voor het omgezet vruchtgebruik, · zij stelde een tegenvordering in met als voorwerp het vervallen verklaren van het vruchtgebruik van P. D., · zij vorderde akte van haar vordering tot betaling van een schadevergoeding van 25.000 euro, met dien verstande dat, "alvorens die vordering te behandelen", een deskundige diende te worden aangesteld met een welbepaalde opdracht. 8. P. D. argumenteerde dat deze tegenvordering onontvankelijk, minstens ongegrond is. 9. De eerste rechter besliste op 4 april 2006, samengevat, als volgt : · de hoofdeis is ontvankelijk, · "alvorens ten gronde recht te spreken" wordt een deskundige aangesteld met als opdracht "de waarde van het gebouw te begroten", · de tegenvordering is ontvankelijk en gegrond, en P. D. wordt vervallen verklaard van haar vruchtgebruik, · de zaak wordt "voor het overige" sine die uitgesteld. 10. De vertegenwoordigde partijen verklaarden ter zitting van 9 januari 2007 dat deze beslissing van 4 april 2006 niet werd betekend. Het hoger beroep 11. P. D. stelt hoger beroep in tegen de beslissing van 4 april 2006, bij verzoekschrift dat is neergelegd ter griffie van het hof op 5 mei 2006. 12. M. B. legde conclusie neer ter griffie van het hof op 24 juli 2006. Deze conclusie is neergelegd na het verstrijken van de termijn op 24 juni 2006, zoals bepaald ten verzoeke van partijen met toepassing van artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek bij beschikking van 12 juni 2006. M. B. stemt niet in met het behoud van deze conclusie. Deze conclusie van 24 juli 2006 wordt ambtshalve uit het debat geweerd. 13. De vertegenwoordigde partijen verklaarden ter zitting van 9 januari 2007 dat enkel moest worden geantwoord op de conclusie van 3 november 2006 voor P. D. en op de conclusie van 4 december 2006 voor M. B.. 14. M. B. herneemt haar oorspronkelijk verweer evenals haar oorspronkelijke tegenvordering tot betaling van een schadevergoeding, die zij nu begroot op 33.500 euro. Zij herneemt ook haar oorspronkelijke vordering tot aanstelling van een deskundige, maar nu in ondergeschikte orde. Beoordeling 15. Gelet op het hiervoor omschreven voorwerp van het geschil in hoger beroep, dient het hof te beslissen, eerst, of de tegenvordering van M. B., met als voorwerp het verval van het vruchtgebruik van P. D., ontvankelijk is, en, vervolgens, of deze tegenvordering gegrond is. Indien deze tegenvordering ontvankelijk is en gegrond, is de vordering van P. D. tot omzetting van haar vruchtgebruik ongegrond : zij is dan immers vervallen verklaard van haar vruchtgebruik. Indien deze tegenvordering onontvankelijk is of ontvankelijk maar ongegrond, dient te worden beslist, vooreerst, of de vordering van P. D. tot omzetting van het vruchtgebruik gegrond is en, vervolgens, indien deze vordering gegrond is, op welke wijze de omzetting dient te geschieden. 16. P. D. houdt voor dat de tegenvordering van M. B., met als voorwerp het vervallen verklaren van het vruchtgebruik van P. D., onontvankelijk is. 17. P. D. steunt deze onontvankelijkheid, vooreerst, op het gebrek aan "kanttekening bij de hypotheekbewaring" van de vordering "tot verval van het vruchtgebruik". Dit "gebrek aan inschrijving" wordt volgens haar "bestraft met nietigheid". 18. P. D. steunt de onontvankelijkheid van de tegenvordering van M. B., vervolgens, op de bewering dat een vordering tot verval van het vruchtgebruik "niet kan ingesteld worden (bij tegeneis) in het kader van een door de rechtbank zetelend in raadkamer onderzochte en beoordeelde eis (omzetting van het vruchtgebruik)". De vordering tot omzetting van vruchtgebruik is volgens haar een "eenzijdige procedure" waarbij er geen passieve figuur is. De andere partij - in dit geval M. B. - beschikt over geen enkele andere mogelijkheid dan een derdenverzet in te leiden binnen de maand van de betekening van het vonnis. De vordering tot verval van vruchtgebruik dient het voorwerp uit te maken van een "openbaar debat" (waarmee eigenlijk bedoeld wordt dat het moet gaan om een tegensprekelijk debat in een tegensprekelijke procedure) en kan dus niet ingesteld worden in een eenzijdige procedure. Tussen de vordering tot omzetting van vruchtgebruik en de vordering tot verval van vruchtgebruik is er geen "voldoende samenhang". 19. Deze twee onontvankelijkheidsexcepties zijn ongegrond. 20. Artikel 3, eerste alinea, van de Wet Voorrechten en Hypotheken schrijft voor dat geen eis strekkende tot vernietiging of tot herroeping van rechten voortvloeiende uit akten, aan overschrijving onderworpen, door de rechter ontvangen wordt, dan na te zijn ingeschreven op de kant der overschrijving van de titel van verkrijging, waarvan de vernietiging of de herroeping gevorderd wordt, en, in voorkomend geval, op de kant der overschrijving van de laatste overgeschreven titel. 21. De vordering tot vervallenverklaring van vruchtgebruik is in dit geval geen eis strekkende tot vernietiging of tot herroeping van rechten voortvloeiende uit akten, aan overschrijving onderworpen. 22. Het vruchtgebruik van P. D. vloeit voort uit een erfrecht dat haar, als langstlevende echtgenote, door de wet is toegekend. 23. De vordering tot vervallenverklaring van een dergelijk vruchtgebruik is niet onderworpen aan inschrijving op de kant omdat er geen titel van verkrijging is in de zin van de Wet Voorrechten en Hypotheken en omdat er geen overschrijving is van een dergelijke titel zodat er ook geen inschrijving op de kant kan zijn. 24. Het verzoekschrift in de zin van artikel 745sexies, § 2, eerste alinea, van het Burgerlijk Wetboek, dit is het verzoekschrift tot omzetting van het vruchtgebruik, is geen eenzijdig verzoekschrift maar wel een verzoekschrift op tegenspraak in de zin van artikelen 1034bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek omdat, krachtens artikel 745sexies, § 2, eerste alinea, van het Burgerlijk Wetboek, alle rechtverkrijgenden in het geding moeten worden geroepen bij gerechtsbrief. Het verzoekschrift leidt aldus, in tegenstelling tot een eenzijdig verzoekschrift, een tegensprekelijke procedure in, zoals deze zich overigens heeft afgespeeld zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Omdat de procedure tegensprekelijk is, kan de aangesproken partij, in dit geval M. B., een tegenvordering instellen bij conclusie. 25. In die omstandigheden is de tegenvordering van M. B. tot vervallenverklaring van het vruchtgebruik van P. D. ontvankelijk. 26. Gelet op de ontvankelijkheid van de tegenvordering tot vervallenverklaring van het vruchtgebruik, dient thans te worden beslist of deze tegenvordering gegrond is. 27. Krachtens artikel 618, eerste alinea, van het Burgerlijk Wetboek kan vruchtgebruik ook "eindigen" door het misbruik dat de vruchtgebruiker maakt van zijn genot, hetzij door het erf te beschadigen, hetzij door het bij gebrek aan onderhoud te laten vervallen. 28. In dit geval beroept M. B. zich kennelijk op het laten vervallen van de woning bij gebrek aan onderhoud. Zij verwijt P. D. met name zich niet te hebben ingelaten met de staat en het onderhoud van de woning, nadat zij, dit is M. B., deze woning in 1997 had verlaten. Zij maakt gewag van een "bewuste verloedering". 29. P. D. verweert zich door voor te houden dat de uitoefening van haar vruchtgebruik "verlamd" werd. Zij voegt eraan toe dat "er nooit een afgifte van het onroerend goed geweest is". Zij verwijst naar artikel 600 van het Burgerlijk Wetboek. 30. De beweringen van M. B. en P. D. kaderen in een welbepaalde feitelijke context. Partijen zijn het erover eens - zij voeren daarover geen betwisting - dat de woning de ouderlijke woning was van wijlen C. B. die door zijn vader bewoond werd tot aan diens overlijden in 1968, dat deze woning sedert 1968 tot 1984 (volgens M. B.) of 1986 (volgens P. D.) leegstond en vervolgens kosteloos ter beschikking werd gesteld van M. B. door C. B. bij wege van bruiklening. Deze kosteloze bewoning werd niet beëindigd bij het overlijden van C. B., in die zin dat M. B. vanaf dit overlijden in 1991 verder kosteloos de woning is blijven betrekken tot 1997 (volgens M. B.) of 2002-2003 (volgens P. D.). 31. Krachtens artikel 600 van het Burgerlijk Wetboek neemt de vruchtgebruiker de zaken in de staat waarin zij zich bevinden ; hij (in dit geval : zij) kan echter in het genot daarvan niet treden dan nadat hij (zij), in tegenwoordigheid van de eigenaar of deze behoorlijk opgeroepen zijnde, een boedelbeschrijving van de roerende goederen en een staat van de onroerende goederen die aan het vruchtgebruik onderworpen zijn, heeft doen opmaken. 32. Vermits in dit geval geen staat van de woning werd opgemaakt, zo redeneert P. D., had zij het genot niet van de woning, was er geen afgifte en was haar vruchtgebruik verlamd. 33. Deze beweringen zijn ongegrond. 34. In opdracht van de nalatenschap van C. B., die was opengevallen door zijn overlijden op 25 oktober 1991, werd immers op 27 maart 1992 de normale onderhandse verkoopwaarde van de woning bepaald door een deskundige (Marc GRILLET) aan de hand van, enerzijds, een gedetailleerde beschrijving van de toestand waarin de woning zich op dat ogenblik bevond, en van, anderzijds, de verkoopprijzen van vergelijkbare woningen in dezelfde gemeente. De waarde die door hem werd voorgesteld (1.350.000 BEF) werd overgenomen in de aangifte van nalatenschap die werd gedaan en ondertekend door P. D. en M. B.. Dit betekent dat, indien het al juist is dat in dit geval een staat moest worden opgemaakt, deze staat in alle geval is opgemaakt, zodat P. D. niet gegrond kan voorhouden dat zij niet in het genot is kunnen treden van de woning bij gebreke van een staat. Haar vruchtgebruik is dus niet "verlamd". 35. Omdat het vruchtgebruik van P. D. een erfrechtelijk vruchtgebruik is dat haar toekomt als erfgename en krachtens de wet, is er geen formele afgifte vereist, bijvoorbeeld door overhandiging van de sleutel en, zelfs indien deze al vereist zou zijn, is zulks in dit geval niet relevant omdat P. D. haar dochter verder kosteloos heeft laten wonen. P. D. ontkent overigens niet dat ook zij in het bezit was van een sleutel van de woning. In die omstandigheden klemt de vaststelling dat haar vruchtgebruik niet "verlamd" was des te meer. 36. Krachtens artikel 605, eerste alinea, van het Burgerlijk Wetboek is de vruchtgebruiker slechts verplicht de herstellingen tot onderhoud te doen. Krachtens artikel 605, tweede alinea, van het Burgerlijk Wetboek blijven de grove herstellingen ten laste van de eigenaar, "behalve indien zij veroorzaakt zijn door het verzuimen van herstellingen tot onderhoud sinds de aanvang van het vruchtgebruik, in welk geval de vruchtgebruiker ook daartoe verplicht is". Artikel 606 van het Burgerlijk Wetboek voegt eraan toe dat grove herstellingen zijn "die van zware muren en van gewelven, de vernieuwing van balken en van gehele daken" evenals "de vernieuwing van dijken en van steun- en afsluitingsmuren in hun geheel" met dien verstande dat alle andere herstellingen herstellingen tot onderhoud zijn. 37. De vraag is derhalve of (
- i)er in dit geval grove herstellingen nodig waren/zijn en of (
- ii)deze veroorzaakt zijn door het verzuim van herstellingen tot onderhoud sinds de aanvang van het vruchtgebruik. 38. Partijen zijn het erover eens dat de woning schade heeft ondergaan door branden in de aanpalende woningen, een eerste maal op 1 oktober 1999 en een tweede maal op 27 maart 2002. 39. Het hof beschikt over volgende elementen : · een schrijven van verzekeraar FORTIS aan P. D. van 14 mei 2001, waaruit blijkt dat M. B. aangifte heeft gedaan van een schadegeval op 1 oktober 1999 en waarin aan P. D. opgave van haar schade wordt gevraagd, · een schrijven van de GEMEENTE S. van 12 november 2001 aan Mevrouw B.-D. P., ...te ... BRUSSEL, waaruit blijkt dat proces-verbaal is opgesteld wegens niet-bewoning en niet-exploitatie, en dat de gevel zeer vuil is wegens gebrek aan onderhoud, · een schrijven van expert KAWA NV aan verzekeraar FORTIS van 13 november 2001, waaruit blijkt dat de woning vervallen is, dat de waterafvoer afgebrand is, dat de dakgoot ter hoogte van de eerste verdieping ontbreekt, en dat daardoor het water door de gemene muur en de voorgevel van het aanpalend gebouw sijpelt ; deze deskundige voegt eraan toe dat de verzekerde, die aangeduid wordt als D. P., nooit om het even welke vergoeding heeft gevraagd omdat de woning al jaren leegstaat en in verval is, en zich thans tot haar verzekeraar wendt omdat de buur vergoeding vordert ; indien in 1999 ware hersteld geweest was er nu geen schade geweest ; hij stelt voor om de polis op te zeggen en niet te vergoeden omwille van de nalatigheid van de verzekerde, · een brief van M. B. van 29 januari 2002 aan P. D., waaruit blijkt dat zij P. D. in gebreke stelt om dringend werken uit te voeren, · een brief van M. B. van 18 februari 2002 aan P. D., waaruit blijkt dat zij haar in gebreke stelt om dringend maatregelen te treffen naar aanleiding van de "slechte weersomstandigheden van de laatste dagen", · een brief van P. D. van 19 maart 2002 aan M. B., waarin zij mededeelt dat de herstellingen waarnaar M. B. verwees door haar dienden te worden uitgevoerd en waarin zij M. B. verzocht om daartoe onverwijld het nodige te doen. 40. Uit die feiten blijkt dat de herstellingen die nodig waren, grove herstellingen waren en dat zij niet veroorzaakt zijn door een verzuim aan onderhoudsherstellingen sedert de aanvang van het vruchtgebruik. Er is dus geen gegronde reden voorhanden om vast te stellen dat het vruchtgebruik beëindigd is of dat het vruchtgebruik "vervallen" is. 41. Vermits de ontvankelijke tegenvordering van M. B. niet leidt tot het vervallen verklaren van het vruchtgebruik, dient thans te worden beslist of er aanleiding is tot omzetting van het vruchtgebruik. 42. De vordering tot omzetting van het vruchtgebruik is in dit geval gegrond, gelet op de leeftijd van de vruchtgebruikster, P. D., gelet op de zeer gespannen en onverzoenlijke verhouding tussen P. D. en M. B. en gelet op de staat waarin de woning zich bevindt. 43. Om dezelfde redenen verkiest de rechtbank de partijen naar een notaris te verwijzen om de omzetting te laten plaatshebben volgens de procedure omschreven in de artikelen 1207 tot 1225 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtbank beschikt over die mogelijkheid op grond van artikel 745sexies, § 2, tweede alinea, van het Burgerlijk Wetboek. 44. Deze beslissing leidt ertoe (
- i)dat de aangestelde notaris de partijen zal inlichten over hun rechten en plichten, inzonderheid over de mogelijkheden tot omzetting van het vruchtgebruik en van de voordelen ervan zowel voor moeder als dochter, (
- ii)dat de aangestelde notaris verzoenend kan proberen alsnog een minnelijke regeling te bereiken en (iii) dat de notaris uiteindelijk een ontwerp met advies zal kunnen opstellen, in voorkomend geval na het noteren van de beweringen en zwarigheden van partijen, met eventuele verzending naar de rechter voor beslissing nopens bijvoorbeeld een openbare verkoping van de woning. 45. Vermits partijen het niet eens raken over de aan te stellen notaris, stelt het hof notaris Pierre VAN DEN EYNDE te S. aan met de opdracht die in het beslissend deel van dit arrest wordt omschreven en notaris Frederika LENS te VILVOORDE met de bevoegdheden vermeld in artikel 1209, derde alinea, van het Gerechtelijk Wetboek. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, (...) Verklaart de ingestelde rechtsmiddelen ontvankelijk. Verklaart de oorspronkelijke hoofdvordering van P. D. gegrond in die mate dat notaris Pierre VAN DEN EYNDE, Koningsstraat 207, bus 1, te 1210 S. gelast wordt met de omzetting van haar vruchtgebruik op het onroerend goed te S., ...straat 75, volgens de procedure omschreven in de artikelen 1207 tot 1225 van het Gerechtelijk Wetboek, en dat notaris Frederika LENS, Grote Markt 3, te 1800 VILVOORDE gelast wordt met de bevoegdheden vermeld in artikel 1209, derde alinea, van het Gerechtelijk Wetboek. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 22/01/2007 waar aanwezig waren en zitting hielden : A. DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, K. MOENS, Raadsheer, P. LEFRANC, Raadsheer, V. DE VIS, Griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div