← België

ECLI:BE:CABRL:2007:ARR.20070130.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 30 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2007:ARR.20070130.12 Rolnummer: 83AR2733 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2011-04-19 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 15:14 Fiche Artikel 1720 B.W. bepaalt dat de verhuurder verplicht is het goed in alle opzichten in goede staat van onderhoud te leveren. Deze leveringsplicht houdt in dat de verhuurder het goed dient te leveren in een dergelijke staat dat het gebruikt kan worden voor het doel waartoe het bestemd is. Door aan de waterverwarming - die op zich reeds een gevaarlijk toestel mag genoemd worden in kleine ruimtes - niet de nodige zorg te besteden, is de eigenares te kort gekomen aan haar contractuele verplichtingen t.a.v. de huurders. Dit maakt een contractuele fout uit die de oorzaak is van het schadegeval. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Wegens niet-naleving BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Fout - de schuld - Fout van het slachtoffer BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Huur - Huur onroerende goederen - Rechten en plichten verhuurder Vrije woorden: Verhuring. Huis. Badkamer. Bulex. Badverwarmer. Koolstofmonoxide. Vergiftiging. CO-intoxicatie. Verwarmingstoestel. Waterverwarmer.Samenloop van contractuele aansprakelijkheid en buitencontractuele aansprakelijkheid. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2007/ A.R. nr. 1983/AR/2733 INZAKE VAN : 1) De heer F. T., vertegenwoordigd door Meester DE VALCK loco Meester Eddy CONRUYT, advocaat te 1730 ASSE, Broekeweg 34, 2) Mevrouw H. T., vertegenwoordigd door Meester Annik HAEGEMAN, advocaat te 1081 BRUSSEL, F. Gasthuislaan 21, 3) De heer P. T., , 1ste kamer vertegenwoordigd door Meester Els MEYER loco Meester Leo GOOVAERTS, advocaat te 1200 BRUSSEL, Kerselarenlaan 116-118, alle in hun hoedanigheid van wettige erfgenamen van wijlen Mevrouw J. V., overleden op 24 februari 1999, appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 7 oktober 1983, TEGEN : 1) De heer A. B., en zijn echtgenote 2) Mevrouw L. D., samenwonende te X., geïntimeerden, de tweede in persoon verschijnende, beide vertegenwoordigd door Meester K. GODDEAU loco Meester Serge VANDERVEKEN, advocaat te 1070 BRUSSEL, Prins van Luiklaan 81, Samenvatting Artikel 1720 B.W. bepaalt dat de verhuurder verplicht is het goed in alle opzichten in goede staat van onderhoud te leveren. Deze leveringsplicht houdt in dat de verhuurder het goed dient te leveren in een dergelijke staat dat het gebruikt kan worden voor het doel waartoe het bestemd is. Door aan de waterverwarming - die op zich reeds een gevaarlijk toestel mag genoemd worden in kleine ruimtes - niet de nodige zorg te besteden, is de eigenares te kort gekomen aan haar contractuele verplichtingen t.a.v. de huurders. Dit maakt een contractuele fout uit die de oorzaak is van het schadegeval. Gelet op de procedurestukken buiten deze reeds vermeld in de tussenarresten van 7 juni 1985 en 8 maart 1995: § de conclusie van wijlen mevrouw V. neergelegd ter griffie op 12 februari 1999; § de dagvaarding tot gedwongen hervatting van het geding betekend op 14 november 2003 en neergelegd ter griffie op 26 november 2003; § de conclusie van de heer F. T. neergelegd ter griffie op 1 maart 2004; § de conclusie van mevrouw H. T. neergelegd ter griffie op 29 april 2004; § de conclusie van de heer P. T. neergelegd ter griffie van 30 april 2004; § de syntheseconclusie van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 28 mei 2004; Gehoord de advocaten in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 21 november 2006. De zaak werd volledig opnieuw hernomen gelet op de gewijzigde samenstelling van deze kamer van het hof. I. Voorwerp van de vorderingen en procedurele antecedenten. De oorspronkelijke eis van de echtgenoten B.-D., huidige geïntimeerden op hoofdberoep, strekte ertoe wijlen mevrouw J. V., weduwe van de heer C. T., waarvoor appellanten op hoofdberoep het geding verder zetten, te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 1.075.384 BEF (begrafeniskosten: 69.800 BEF, vermeerderd met de intresten vanaf 1 december 1980 + een morele schadevergoeding van 500.000 BEF voor elk van de ouders) voor het verlies van hun zoon, zijnde de genaamde P. B., overleden op 9 november 1980 (dagvaarding betekend op 18 februari 1982). De eerste rechter heeft bij vonnis van 7 oktober 1983

(1)de vordering integraal toegekend wat de begrafeniskosten betreft,
(2)aan elk van de ouders een morele schadevergoeding toegekend van 250.000 BEF, vermeerderd met de gerechtelijke intresten en
(3)wijlen mevrouw J. V. veroordeeld in de kosten van het geding. Het hoger beroep van huidige appellanten beoogt
(1)in hoofdorde, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren en
(2)in ondergeschikte orde, de door de eerste rechter toegekende bedragen minstens te horen herleiden. Bij incidenteel beroep vorderen geïntimeerden hen elk een morele schadevergoeding toe te kennen van 500.000 BEF in hoofdsom, zoals ze aanvankelijk gevraagd hadden. Bij tussenarrest gewezen op 7 juni 1985 besliste het hof dat
(1)in de huidige stand van het geding, een aanvullend deskundigenonderzoek - naast het deskundigenonderzoek verricht in het raam van het geseponeerde strafonderzoek - niet dienend voorkwam,
(2)alvorens verder recht te doen, (
  1. a)de heer A. V., zijnde een loodgieter, (
  2. b)mevrouw J. D., een vroegere huurster en (
  3. c)geïntimeerden zelf, dienden verhoord te worden, de personen vermeld onder punt (
  4. a)en (
  5. b)onder ede en de personen vermeld onder punt (
  6. c)via een persoonlijke verschijning, dit aangaande een aantal wel omschreven punten. De zaak werd vervolgens bij toepassing van artikel 1072, alinea 2 Ger.W. verwezen naar de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel teneinde een rechter - commissaris aan te duiden om de hiervoor bepaalde onderzoeksmaatregelen uit te voeren. Op 21 januari 1986 werd door een magistraat bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de heer A. V. onder ede verhoord en op 24 februari 1986 werd mevrouw J. D. onder ede verhoord. Op 21 januari 1986 werden geïntimeerden gehoord. Bij tussenarrest gewezen op 8 maart 1995 werd Prof. W. Geysen aangesteld als gerechtsdeskundige met o.m. als opdracht
(1)na te gaan of de verstikkingsdood van wijlen P. B. te wijten was aan koolstofmonoxydevergiftiging of aan iets anders,
(2)indien het zou gaan om een koolstofmonoxydevergiftiging, de oorzaak hiervan te onderzoeken,
(3)idem wanneer het overlijden het gevolg zou zijn geweest van een andere feitelijkheid en
(4)zijn technisch advies te geven over (
  1. a)eventuele gebreken aan het bulex - toestel, (
  2. b)de gesteldheid van de badkamer in haar geheel en (
  3. c)de verluchting in de badkamer in het bijzonder. De deskundige legde zijn verslag neer op 19 februari 1997. I. De Feiten. Samengevat komt het hierop neer dat de echtgenoten B.-D. een mondelinge huurovereenkomst afsloten met wijlen mevrouw V. op 3 april 1980 voor een appartement, gelegen te X., E.-straat 17. Deze huurovereenkomst ging volgens geïntimeerden in op 1 juli 1980 terwijl deze volgens appellanten inging in april 1980. Op 9 november 1980 omstreeks 19u45 hebben de echtgenoten B.-D. hun zoon, toen 16 jaar oud, dood terug gevonden in de badkamer, meer bepaald in het bad. Van deze feiten werd een geseponeerd repressief dossier opgesteld. In dit dossier zal een verbalisant noteren dat het overlijden het gevolg is van een verstikking door gas ("asphyxie par le gaz") en dat het overlijden werd vastgesteld door een arts op voornoemde datum omstreeks 21u. In het kader van het gerechtelijk onderzoek werd verder geen autopsie bevolen. I. Ten gronde. A. Standpunt van de partijen: Geïntimeerden wierpen na het neerleggen van het deskundigenverslag hierna volgende argumenten in: - Het overlijden is het gevolg van een koolstofmonoxydevergiftiging; - De oorzaak ervan is de slechte staat van de waterverwarmer; - De verluchting van de badkamer was tevens niet adequaat; - De eigenaar-verhuurder is aansprakelijk gezien zij het appartement in kwestie niet heeft geleverd in een goede staat van onderhoud. Geïntimeerden steunen hun vordering respectievelijk op de contractuele aansprakelijkheid en op artikel 1382 B.W.. Appellanten houden op hun beurt voor dat: - de huurders zelf onvoorzichtig geweest zijn (de verhuurder had de huurders verwittigd dat ze van de boiler moesten afblijven, de verluchtingsdoorgang boven het bad was afgesloten, geïntimeerden hadden hun zoon op de hoogte moeten brengen); - de expertise verricht werd na 15 jaar op een bulex, bewaard door geïntimeerden; - mevrouw V. wel alle nodige voorzorgsmaatregelen genomen heeft; - de bulex volgens het huurcontract onderhouden diende te worden door de huurders; - minstens de aansprakelijkheid moet verdeeld worden tussen partijen. B. Beslissing van het hof: 1. Wat de aansprakelijkheid betreft: De gerechtelijke deskundige komt in zijn verslag tot de hierna volgende definitieve besluiten: " 1. Uit het eerste technisch onderzoek van de kwestieuze geyser bleek dat de geyser in een dusdanig slechte staat verkeerde met een dusdanige hoge CO - afgifte dat een CO - intoxicatie in een kleine ruimte zeer snel moet volgen; 2. Uit een aanvullend onderzoek van het toestel op 28.03.96 is gebleken dat het onderzocht toestel fel vervuild was (niet onderhouden). Tijdens het reinigen werd een stofprop (bijlage 10) uit de venturi van de hoofdbrander verwijderd evenals een niet verwaarloosbare hoeveelheid (22 gram) gecorrodeerd materiaal uit de warmtewisselaar (bijlage 11). Na reiniging bleek de verbranding volledig correct te zijn met een CO afgifte van 86 ppm tegenover een maximaal toegelaten hoeveelheid van 1000 ppm. Nochtans toont het aanvullend onderzoek duidelijk aan dat dergelijke toestellen gevaarlijk blijven in een volledig gesloten kamer; 3. Uit een aanvullend onderzoek van de KVBG is gebleken dat de ombouw van het toestel van stadsgas op aardgas op een correcte manier gebeurde; 4. De plaatsing van de geyser was volgens de geldende normen; een schoorsteenaansluiting was niet vereist; 5. Alhoewel geen autopsie op het slachtoffer werd uitgevoerd lijkt het ons in het voorliggend geval, gelet op de extreem hoge CO - afgifte van het kwestieus toestel, nogal evident dat de doodsoorzaak te vinden is in een CO - intoxicatie; 6. De badkamer, alhoewel klein van afmetingen, was in normale omstandigheden voorzien van voldoende aanvoer van verse lucht en afvoer van verbrandingsgassen. Wij weten uiteraard niet met zekerheid of en zo ja welke openingen waren afgedekt: vermoedelijk was de ventilatieopening in de deur en boven het toilet open en was de ventilatieopening boven het bad gesloten. Het is duidelijk dat een afdekken van de aanvoer en/of afvoeropeningen, zeker in de gegeven omstandigheden, de snelheid van de CO - intoxicatie erg deed toenemen. De stand van de badkamerdeur is onzeker: uit de gegevens blijkt dat de deur min of meer dicht was; 7. Het feit dat bij thuiskomst van de ouders de waakvlam van het kwestieus toestel gedoofd was, vindt zijn oorzaak in een navolgend gebrek aan zuurstof in de badkamer. De zuurstof wordt uitgedreven door de zwaardere CO die de ruimte van onderuit geleidelijk zal opvullen. Uit een aanvullend onderzoek van het toestel is gebleken dat ook de beveiliging van de waakvlam defect is en bijgevolg bij gedoofde vlam de gastoevoer blijft stromen zolang er waterafname is van het toestel; 8. De weersomstandigheden, zoals weergegeven in de KMI - gegevens, hebben geen noemenswaardige rol gespeeld bij dit ongeval; 9. Uit alle thans beschikbare gegevens kan worden afgeleid dat vermoedelijk de vervuiling van de venturi - inlaat de oorzaak moet geweest zijn van de hoge concentratie aan CO - vorming bij de verbranding. " Uit de gegevens van het repressief dossier blijkt o.m. het volgende: - Op 9 november 1980 (datum van het ongeval) verklaarde de vader van het slachtoffer dat éénmaal binnen in het appartement hij licht zag in de badkamer, hij vervolgens de badkamerdeur opende, waarna hij zijn zoon vond. Op dat ogenblik ontsnapte gas uit de bulex doch de waakvlam was gedoofd. Hierna zette hij de bulex zonder problemen uit; - De verbalisanten zullen alsdan vaststellen dat de badkamerdeur onderaan voorzien was van een ventilatieopening en dat tegenover de deur in de muur een luchtgat was aangebracht; - Zij zullen tevens vaststellen dat het duidelijk gaat om een CO - vergiftiging en dat kwaad opzet in dit geval uitgesloten is; - De bulex zal hierna verzegeld worden in afwachting van verder onderzoek; - Op 15 november 1980 zal de eigenares van het appartement verklaren dat de vader van het slachtoffer haar ongeveer 14 dagen voordien had verwittigd dat de bulex defect was waarop zij zich in verbinding stelde met een loodgieter, de genaamde V. uit Schepdaal; - Op 7 januari 1981 werd de heer V. verhoord en zal hij verklaren inderdaad gecontacteerd te zijn geweest door mevrouw V. op het einde van de maand oktober 1980, dat zij hem toen vroeg de waterverwarmer te vervangen door een nieuw toestel doch dat hij vergat dit werk uit te voeren. Rond 15 november 1980 werd hij opnieuw gecontacteerd door mevrouw V. met de vraag of het werk intussen was uitgevoerd waarop hij negatief diende te antwoorden. De heer V. zal bij die gelegenheid ook meegeven voorheen nooit in dat appartement werken te hebben uitgevoerd ook niet aan de waterverwarmer in kwestie; - Op 26 januari 1981 plaatste de heer V. een nieuwe waterverwarmer in het bewuste appartement. Op 5 december 1980 werd, in het kader van het lopende strafonderzoek, een technisch verslag neergelegd door Ir. L. Vanneste en Ir. A. Peytier. Uit dit verslag blijkt o.m. het volgende: - de ouders van het slachtoffer bevestigden dat op de dag van de feiten zij licht zagen in de badkamer en de badkamerdeur gesloten was; - de verluchting van de badkamer gebeurde door toedoen van twee verluchtingsopeningen aangebracht onder het plafond, waarvan één altijd gesloten bleef (deze boven het bad), en door toedoen van een verluchtingsopening aangebracht in de deur; - wanneer de waterverwarmer ononderbroken aanstond om een volledig bad te vullen werd de atmosfeer in de badkamer onleefbaar ingevolge
(1)een zeer hoge toevoer van koolstofmonoxyde die dodelijk is en doordat
(2)de hoeveelheid zuurstof daalt beneden het leefbare; - om de proefnemingen te kunnen doen, werd gewerkt met een badkamerdeur die lichtjes open was wat inhoudt dat het gevaar nog groter was bij een volledig gesloten deur. Op 21 januari 1986 werden de ouders van het slachtoffer verhoord. Uit hun alsdan afgelegde verklaringen blijkt o.m. het volgende: - Volgens mevrouw D. hebben zij gedurende de eerste zeven maanden dat zij het appartement bewoonden geen problemen ondervonden met de badverwarmer, werden de verluchtingssystemen steeds optimaal gebruikt door ze in open toestand te laten, had zij de vrijdag vóór het ongeval nog zonder problemen een bad genomen, met dien verstande dat zij de badkamerdeur open had laten staan om haar echtgenoot te horen telefoneren en weet zij niets af omtrent de toestand van de verluchting, onmiddellijk na het ongeval; - De heer B. zal de verklaringen van zijn echtgenote bevestigen en verder nog verklaren dat hij geen aandacht heeft besteed aan de toestand van de verluchtingsopeningen onmiddellijk na het ongeval en dat de badkamerdeur lichtjes openstond toen hij zijn zoon gevonden heeft. Op diezelfde dag en op 24 februari 1986 zullen tevens de heer V. (de door de eigenares vóór het ongeval aangesproken loodgieter) en mevrouw J. D. (een vroegere huurster) onder ede verhoord worden. Uit hun alsdan afgelegde verklaringen blijkt o.m. het volgende: - Volgens de heer V. zou hij als "d " loodgieter van mevrouw V. éénmaal in het door het slachtoffer bewoonde appartement zijn geweest om na te gaan hoe een nieuwe badverwarmer kon geplaatst worden, voerde hij alsdan aan de geplaatste badverwarmer geen werken uit, plaatste hij na het ongeval een nieuwe badverwarmer in dat appartement, keerde hij nadien terug omwille van vochtinsijpeling in de badkamer en stelde hij, tijdens die laatste prestatie vast, dat er een dagblad was geplaatst voor de verluchtingsrooster aan de badkamerdeur. Hij zal nader preciseren vóór het ongeval geen dagblad te hebben gezien voor voornoemd verluchtingsrooster en dat hij persoonlijk van oordeel is dat dergelijke waterverwarmers beter thuis horen in een grote plaats om luchtzuiverheid in de hand te werken; - Volgens mevrouw D. bewoonde zij het bewuste appartement van 1978 tot begin 1980, heeft zij nooit enig probleem ondervonden met de badverwarmer, heeft zij er nooit een vakman of loodgieter bij moeten halen, werd zij nooit door de eigenares op de hoogte gebracht dat er problemen waren met die boiler en heeft zij in de badkamer nooit enig gevoel gehad van gebrek aan zuurstof. Er staat ontegensprekelijk vast dat het slachtoffer overleden is aan een koolstofmonoxydevergiftiging. Het feit dat geen autopsie werd uitgevoerd op het slachtoffer doet hieraan niets af. Er werd juist geen autopsie uitgevoerd omdat zowel de geneesheer die het slachtoffer onderzocht als de verbalisanten die nadien ter plaatse kwamen enkel konden vaststellen dat de enige doodsoorzaak voornoemde vergiftiging kon zijn. Zowel de experten, aangesteld in het kader van het gerechtelijk onderzoek, als de gerechtsdeskundige, aangesteld door het hof, komen eenvormig tot de conclusie dat de waterverwarmer, op het ogenblik van het ongeval, een dergelijke hoge graad van koolstofmonoxyde produceerde dat de badkamer, zelfs al tijdens het vullen van het bad, onleefbaar werd. Het feit dat de gerechtelijke deskundige meer dan 15 jaar na de feiten werd aangesteld, is niet ter zake dienend gezien de conclusie identiek is als van het onderzoek gevoerd onmiddellijk ná het ongeval. Dat er iets mis was met kwestieuze badverwarmer wordt bevestigd door de eigenares die tijdens het gerechtelijk onderzoek erkende dat ongeveer 14 dagen vóór het ongeval de vader van het slachtoffer haar had verwittigd dat de bulex defect was, reden waarom zij beroep deed op haar loodgieter, de heer V.. Deze laatste zal trouwens bevestigen rond die periode inderdaad gecontacteerd te zijn geweest door de eigenares met de vraag om een nieuwe boiler te plaatsen, opdracht die hij echter vergat uit te voeren. Er staat ook vast dat ná het ongeval inderdaad een nieuwe boiler geplaatst werd. De vorige huurster zowel als de ouders van het slachtoffer zullen elk bevestigen tot kort voor het ongeval geen problemen te hebben ondervonden met de badverwarmer. Hieruit volgt dat die problemen ontstaan zijn kort voordat het ongeval zich voordeed. Er staat tevens vast dat de badkamer voorzien was van drie verluchtingsopeningen - twee tegen het plafond aan en één in de deuropening - waarvan deze boven het bad dicht was (zie vaststellingen die gebeurden door de deskundigen onmiddellijk ná het ongeval) en op het ogenblik van het ongeval de badkamerdeur dicht was (eerst 6 jaar na de feiten zal de vader van het slachtoffer beweren dat de badkamerdeur lichtjes openstond terwijl hij voordien steeds het tegenovergestelde verklaard heeft). Dat de verluchtingsopening in de deur dicht zou zijn gemaakt met krantenpapier, is niet bewezen. Enkel de heer V. heeft het hierover wanneer hij veel later werken uitvoerde in het appartement dat toen niet eens meer bewoond was door geïntimeerden. De vraag stelt zich thans om welke reden de bulex kort vóór het ongeval defect werd. In tegenstelling met de experten aangesteld in het kader van het gerechtelijk onderzoek, ging de gerechtelijke expert over tot een technisch onderzoek op het toestel zelf. Hierbij kwam hij tot de bevinding dat het toestel sterk vervuild was (niet onderhouden). Tijdens het reinigen haalde de gerechtelijke expert immers een stofprop uit de venturi van de hoofdbrander alsmede een niet verwaarloosbare hoeveelheid gecorrodeerd materiaal uit de warmtewisselaar. Na reiniging bleek de brander opnieuw naar behoren te functioneren met een CO afgifte van 86 ppm terwijl maximaal 1.000 ppm toegelaten is. Appellanten zullen m.b.t. deze vaststelling opwerpen dat de kwestieuze boiler gedurende 15 jaar in het bezit is gebleven van geïntimeerden en dat deze omstandigheid de oorzaak is van de vastgestelde vervuiling. De gerechtelijke expert heeft hierop reeds geantwoord: " Wij kennen uiteraard de historiek van het kwestieuze toestel tussen het ogenblik van het ongeval in 1980 en 1996 niet, maar uit de resultaten van de eerste proef op 21.11.1995, en met name uit de hoge CO - afgifte, blijkt toch dat zeer waarschijnlijk de staat van het toestel ongeveer dezelfde is tijdens de proeven als tijdens het ongeval. Mogelijks is de metaalcorrosie in de warmtewisselaar in de tijd wat toegenomen, maar het is weinig waarschijnlijk, ook gelet op de resultaten, dat de stofprop in de venturi zijn oorzaak zou vinden in de bewaring. Uit een vergelijking van alle kenplaatgegevens blijkt het onderzochte toestel inderdaad het kwestieuze toestel van het ogenblik van het ongeval te zijn." Hieruit volgt dat het defect te wijten is aan het slechte onderhoud van de boiler (en niet omdat deze boiler opgesteld stond in een badkamer die door toedoen van de eigenaar niet voorzien was van voldoende verluchtingsvoorzieningen, zoals de eerste rechter stelde). Het door de gerechtelijk expert verwijderde materiaal wijst erop dat deze boiler reeds sedert verscheidene jaren slecht onderhouden werd en zodoende op het punt was gekomen dat hij helemaal niet meer afdoend functioneerde. Hiertegen zullen appellanten aanvoeren dat volgens de huurovereenkomst het aan de huurders toekwam de waterverwarmer te onderhouden en dat bij het verlaten van het appartement de huurders de waterverwarmer op hun kosten dienden na te zien met geschrift ter staving. Het hof stelt echter vast dat door appellanten geen enkel bewijs wordt voorgelegd dat de opeenvolgende huurders de waterverwarming op hun kosten lieten nazien terwijl dit uitdrukkelijk zou zijn voorgeschreven in de onderscheiden huurovereenkomsten. Zij leggen evenmin enig bewijs neer dat de eigenares van het appartement dit nazicht zelf liet uitvoeren, bij het in gebreke blijven van de huurders (kosten die zij eventueel kon verhalen op de huurders). M.b.t. het onderhoud van de boiler in het verleden wordt m.a.w. geen enkel stuk neergelegd. Bovendien heeft de heer V. die zich " de " loodgieter noemt van de eigenares verklaard vóór het ongeval nooit het appartement betreden te hebben. Deze vaststelling stemt overeen met de bevindingen van de gerechtelijke deskundige dat de boiler op het ogenblik van zijn onderzoek zeer sterk bevuild was en dus niet onderhouden was. Geïntimeerden treft geen enkel verwijt wat het onderhoud van de boiler betreft gezien zij er mochten van uitgaan dat de vorige huurder(s) het nodige had(den) gedaan, minstens dat de eigenares dit zou hebben gedaan bij het in gebreke blijven van de huurder(s). Geïntimeerden woonden bovendien nog niet zo lang in dat appartement - waarbij het niet uitmaakt of dat nu 4 maanden was vóór het ongeval of 7 maanden gezien bij een stelselmatig onderhoud de boiler hoe dan ook in die korte tijdspanne niet op een dergelijke wijze bevuild kon geraken -. Artikel 1720 B.W. bepaalt dat de verhuurder verplicht is het goed in alle opzichten in goede staat van onderhoud te leveren. Deze leveringsplicht houdt in dat de verhuurder het goed dient te leveren in een dergelijke staat dat het gebruikt kan worden voor het doel waartoe het bestemd is. Door aan de waterverwarming - die op zich reeds een gevaarlijk toestel mag genoemd worden in kleine ruimtes - niet de nodige zorg te besteden, is de eigenares te kort gekomen aan haar contractuele verplichtingen t.a.v. de huurders. Dit maakt een contractuele fout uit die de oorzaak is van het schadegeval. Appellanten menen dat de zoon van geïntimeerden eveneens onvoorzichtig is geweest en minstens voor een deel aansprakelijk dient gesteld te worden voor het schadegeval. Het feit dat de verluchtingsopening boven het bad afgesloten was en de badkamerdeur dicht was, maakt geen oorzaak van de schade uit. Vooreerst dient een badkamer niet om met open deuren een bad te nemen en wat het gesloten luik betreft zal de gerechtelijke deskundige enkel stellen dat hierdoor zich nog sneller de CO - intoxicatie voordeed. Hoe dan ook deed de CO - vergiftiging zich dermate snel voor - met of zonder gesloten luik - dat het nemen van een bad op zich levensgevaarlijk werd en enkel de dood als gevolg kon hebben. Appellanten menen tevens dat geïntimeerden hun zoon hadden dienen te verwittigen van de gevaren van een slecht functionerende gasinstallatie wat begin jaren '80 een algemeen gekend probleem was. Zij houden tevens voor dat mevrouw V. geïntimeerden aangemaand had om het toestel niet meer te gebruiken. Dat mevrouw V. geïntimeerden voor wat dan ook gewaarschuwd zou hebben, wordt door geen enkel concreet gegeven bewezen. Zij rept hierover met geen woord tijdens het gerechtelijk onderzoek. Bovendien was mevrouw V. zelf zich niet bewust van de gevaren die de bulex in haar appartement met zich meebracht gezien zij aan haar loodgieter enkel vroeg om een nieuw toestel te plaatsen, zonder aan te dringen op op een spoedige plaatsing, en het slechts ná het ongeval was dat zij opnieuw die loodgieter contacteerde met de vraag of dat toestel inmiddels geplaatst was. Wanneer de eigenares zich niet eens bewust was van de gevaren die een bepaalde toestand met zich kon meebrengen, is er geen reden voorhanden om dit wel aan te nemen voor haar huurders, niet vertrouwd zijnde met boilers en de werking ervan. Wat bovendien thans algemeen geweten is, is niet noodzakelijkerwijze het geval in 1980. Dat geïntimeerden zich niet bewust waren van de gevaren blijkt bovendien uit het feit dat de moeder van het slachtoffer de vrijdag vóór het ongeval zelf nog een bad nam en hierbij enkel door een gelukkige samenloop van omstandigheden alsdan de badkamerdeur openliet. Bijgevolg is geen enkele fout van geïntimeerden bewezen. Het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd, weliswaar op grond van andere motieven. Geïntimeerden steunen hun vordering tevens op grond van artikel 1382 B.W.. Wanneer een contractuele wanprestatie tevens een misdrijf uitmaakt (wat in deze zaak het geval is, meer bepaald het misdrijf van het onopzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen met de dood als gevolg), heeft de schadelijdende partij de keuze tussen een contractuele en een buitenconctractuele aansprakelijkheidsvordering tot schadeloosstelling van de door het misdrijf veroorzaakte schade. Gezien de vordering van geïntimeerden reeds gegrond werd verklaard op grond van de contractuele aansprakelijkheid, dient de andere ingeroepen rechtsgrond niet nader onderzocht te worden. Alle overige door partijen aangevoerde middelen zijn evenmin dienend in het licht van wat voorafgaat en hoeven bijgevolg ook geen verdere beoordeling. 2. Wat de schade betreft: Geïntimeerden vorderen nog steeds
(1)de begrafeniskosten ten bedrage van 69.800 BEF of 1.730,30 euro en
(2)een morele schadevergoeding voor elk van hen ten bedrage van 500.000 BEF of 12.394,68 euro . De eerste rechter herleidde de morele schade tot 250.000 BEF, reden waarom geïntimeerden incidenteel beroep instelden. Zij menen dat de door hen gevraagde bedragen voor morele schadevergoeding als redelijk en billijk voorkomt " in vergelijking met de bedragen toegekend aan ouders van verkeersslachtoffers en rekening houdende met de gangbare rechtspraak ". De zoon van geïntimeerden was 16 jaar op het ogenblik van het ongeval. Hij woonde nog bij zijn ouders. In de gegeven omstandigheden komt bijgevolg een morele schadevergoeding van 10.000 euro als billijk voor. Het incidenteel beroep komt in die mate gegrond voor. De begrafeniskosten worden naar behoren gestaafd en de omvang ervan wordt niet echt betwist. Op de begrafeniskosten worden intresten gevraagd vanaf 1 december 1980 en op de morele schadevergoeding vanaf 9 november 1980, datum van het ongeval, telkens aan de wettelijke intrestvoet. Appellanten menen dat het feit dat de procedure thans meer dan 22 jaar aansleept, gedeeltelijk te wijten is aan geïntimeerden en vragen de gerechtelijke intresten te schorsen wanneer het uitblijven van de gerechtelijke beslissing te wijten is aan de nalatigheid van geïntimeerden. Zij argumenteren verder dat de lange duur van de procedure minstens voor de helft te wijten is aan het stilzitten van geïntimeerden. De inleidende vordering werd betekend bij exploot van 18 februari 1982, het bestreden vonnis dateert van 7 oktober 1983 en hoger beroep werd aangetekend op 28 november
  1. Het eerste tussenarrest waarin een getuigenverhoor en een persoonlijke verschijning werd bevolen en de zaak opnieuw naar de rechtbank van eerste aanleg werd verzonden dateert van 7 juni
  2. Dat getuigenverhoor vond plaats op 21 januari en 24 februari
  3. De persoonlijke verschijning vond plaats op 21 januari
  4. Na het getuigenverhoor legden geïntimeerden eerst op 10 januari 1995 conclusies neer, zijnde 9 jaar later. Het tweede tussenarrest waarin een deskundigenonderzoek werd bevolen dateert van 8 maart
  5. Het deskundigenonderzoek werd neergelegd op 19 februari
  6. In 2004 werden nog conclusies neergelegd voor geïntimeerden. Er kan niet ontkend worden dat de lange duur van de procedure voor een stuk te wijten is aan geïntimeerden die soms vele jaren talmden om de procedure in staat te stellen. In de gegeven omstandigheden komt het derhalve aangewezen voor intresten toe te kennen aan een intrestvoet van 4% om hieraan tegemoet te komen. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; De tussenarresten van 7 juni 1985 en van 8 maart 1995 verder uitwerkend, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep beiden ontvankelijk. Verklaart het hoger beroep ongegrond en het incidenteel beroep gegrond in de hierna bepaalde mate, Hervormt het bestreden vonnis behalve in zoverre hierin de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de kosten worden begroot, en opnieuw recht sprekende voor het overige, Veroordeelt appellanten, in hun hoedanigheid van wettige erfgenamen van wijlen mevrouw J. V., elk voor hun erfdeel, tot betaling: - aan beide geïntimeerden op hoofdberoep het bedrag van DUIZEND ZEVENHONDERD DERTIG EURO DERTIG CENT ( euro 1.730,30), vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 1 december 1980 tot op de datum van huidig arrest, waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten, telkens aan een intrestvoet van 4%; - aan elk van de geïntimeerden op hoofdberoep het bedrag van TIENDUIZEND EURO ( euro 10.000) ten titel van morele schadevergoeding, vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 9 november 1980, datum van het ongeval, tot op de datum van huidig arrest, waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten, telkens aan een intrestvoet van 4%. Veroordeelt geïntimeerden op hoofdberoep tot 1/20 van de kosten in beide aanleggen en appellanten, elk voor hun erfdeel, tot de overige 19/20, in hun geheel begroot : - in hoofde van appellanten op euro 4.446,26 (200,79 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 84,66 rolrecht + 485,88 rechts-plegingsvergoeding + 60,74 + 60,74 aanvullende rechtsplegingsvergoedingen + 3.553,45 erelonen en onkosten deskundigenonderzoek), - in hoofde van geïntimeerden op euro 1.807,05 (66,01 dagvaarding + 37,80 rolrecht + 65,27 dagvaarding art. 751 Ger.W. + 200,79 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 355,65 registratierechten + 8,55 uitgifte + 485,88 rechtsplegingsvergoeding + 465,72 dagvaarding hervatting geding + 60,74 + 60,74 aanvullende rechtsplegingsvergoedingen beroep); Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 30/01/2007 waar aanwezig waren en zitting hielden : A. DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, K. MOENS, Raadsheer, P. LEFRANC, Raadsheer, V. DE VIS, Griffier. V. DE VIS P. LEFRANC K. MOENS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.