← België

ECLI:BE:CABRL:2007:ARR.20071022.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 22 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2007:ARR.20071022.9 Rolnummer: 2000/AR148 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2011-11-14 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-02 16:11 Fiche Met de invoering van artikel 245 Sw. inzake de belangenneming heeft de wetgever willen vermijden dat personen die openbare functies vervullen zich in die hoedanigheid ook zouden inlaten met commerciële en private zaken waardoor ze door middel van hun ambt zichzelf ( kunnen ) ( laten ) bevoordelen. Bovendien wilde de wetgever dat de ambtenaren boven elke, ook de lichtste, verdenking zouden staan en dat zij door hun ambt persoonlijk voordeel zouden kunnen nastreven. Toepassing op een voorzitter en bediende van het OCMW. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare orde door ambtenaren - Belangenneming Vrije woorden: Artikel 245 Sw. Belangenneming. Verduistering. OCMW. Vooriztter. Bediende. Verjaring. Burgerlijke gevolgen van de belangenneming. Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - art. 245 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2007/ A.R. nr. 2000/AR/148 - 2000/AR/729 I. A.R. 2000/AR/148 INZAKE VAN : De heer G. P., appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 7 december 1999, vertegenwoordigd door Meester Dirk KAMERS, advocaat te 3440 DORMAAL, Neerlandenstraat 29, 1ste kamer TEGEN : 1) Het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN, afgekort O.C.M.W., VAN DE GEMEENTE X., vertegenwoordigd door haar voorzitter, en waarvan de kantoren gevestigd zijn te geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester LEMMENS, advocaat te 2) Mevrouw N. E., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Meester Raf VAES, advocaat te 3000 LEUVEN EN : II. A.R 2000/AR/729 INZAKE VAN : Mevrouw N. E., appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 7 december 1999, vertegenwoordigd door Meester Meester Raf VAES, advocaat te 3000 LEUVEN TEGEN : Het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN, afgekort O.C.M.W., VAN DE GEMEENTE X., vertegenwoordigd door haar voorzitter, en waarvan de kantoren gevestigd zijn te geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester LEMMENS, advocaat te IN AANWEZIGHEID VAN : De heer G. P., opgeroepen partij, vertegenwoordigd door Meester Dirk KAMERS, advocaat te ________________________________________________________________________________ Met de invoering van artikel 245 Sw. inzake de belangenneming heeft de wetgever willen vermijden dat personen die openbare functies vervullen zich in die hoedanigheid ook zouden inlaten met commerciële en private zaken waardoor ze door middel van hun ambt zichzelf ( kunnen ) ( laten ) bevoordelen. Bovendien wilde de wetgever dat de ambtenaren boven elke, ook de lichtste, verdenking zouden staan en dat zij door hun ambt persoonlijk voordeel zouden kunnen nastreven. Toepassing op een voorzitter en bediende van het OCMW. Gelet op de procedurestukken:  het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 7 december 1999, beslissing die betekend werd op 14 februari 2000;  het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 18 januari 2000;  de conclusie van de heer P. neergelegd ter griffie op 26 juli 2004;  de conclusie van mevrouw E. neergelegd ter griffie op 14 september 2004;  de conclusie van het O.C.M.W. neergelegd ter griffie op 17 september 2007. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 17 september 2007 en gelet op de stukken die zij neerlegden. In het kader van een goede rechtsbedeling behoort het de zaken I en II samen te voegen. De hogere beroepen werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. De oorspronkelijke eis van het O.C.M.W. strekte ertoe de heer P. en mevrouw E. solidair te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 112.875 BEF, plus de verwijlintresten, zijnde 72.240 BEF van 5 juni 1986 tot 4 juni 1994, plus de verwijlintresten vanaf 5 juni 1994 tot de datum van het tussen te komen vonnis, waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten. Bij tussenvonnis uitgesproken op 25 oktober 1996 werd de zaak naar de bijzondere rol verwezen omdat alsdan niet duidelijk was of het O.C.M.W. enig nadeel had geleden en/of de teruggevraagde fondsen wel eigendom waren van het O.C.M.W. In zijn eindvonnis van 7 december 1999 heeft de eerste rechter deze vordering integraal toegekend. Het hoger beroep van de heer P. beoogt de oorspronkelijke vordering van het O.C.M.W. ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren. Het hoger beroep van mevrouw E. beoogt de oorspronkelijke vordering van het O.C.M.W. niet toelaatbaar minstens ongegrond te horen verklaren. Het O.C.M.W. vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. II. De Feiten. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. Samengevat zijn hierna volgende gegevens essentieel voor de beoordeling van huidige zaak. Bij vonnis uitgesproken door de correctionele rechtbank te Leuven dd. 22 april 1991 werd(en): - de heer P. en mevrouw E. respectievelijk veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 4 maanden en een geldboete van 500 BEF en tot een hoofdgevangenisstraf van 1 maand en een geldboete van 500 BEF, met uitstel gedurende 3 jaar voor wat de uitgesproken hoofdgevangenisstraf betreft, uit hoofde van verduistering als openbaar officier of ambtenaar, met name als respectievelijk voorzitter van het O.C.M.W. en aangestelde van het O.C.M.W. Meer in het bijzonder liepen beide voornoemde personen een veroordeling op omdat zij een bedrag van 112.875 BEF, zijnde een commissieloon van 1,50% op de aankoop van kasbons die werden belegd voor patiënten van het O.C.M.W. - rusthuis voor een totaal bedrag van 7.525.000 BEF, hadden afgehaald van een rekening van het O.C.M.W. bij middel van een loketcheque en geplaatst hadden op een spaarboekje op naam van de heer P. bij de ASLK; - de eis van de burgerlijke partij, zijnde het O.C.M.W., ontvankelijk en gegrond verklaard en beide beklaagden dienvolgens veroordeeld in solidum te betalen aan de burgerlijke partij de som van 112.875 BEF, vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 5 juni tot op de datum van het vonnis, de gerechtelijke intresten vanaf deze laatste datum en de kosten. In het arrest van het hof van beroep te Brussel dd. 13 mei 1992, rechtdoende in strafzaken, werd(en): - op strafrechtelijk gebied, na herkwalificatie van de aan beklaagden ten laste gelegde feiten, de heer P. veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 4 maanden, met uitstel gedurende 3 jaar, en tot een geldboete van 500 BEF en mevrouw E. tot een hoofdgevangenisstraf van 3 maanden, , met uitstel gedurende 3 jaar, en tot een geldboete van 100 BEF; - de verbeurdverklaring uitgesproken van het bedrag van 112.875 BEF conform artikel 43bis Sw.; - op burgerlijk gebied vastgesteld dat het O.C.M.W. als burgerlijke partij niet verscheen ten einde haar eis gestand te doen en de kosten van beide aanleggen ten hare laste gelegd. M.b.t. die burgerlijke partijstelling blijkt uit het zittingsblad van 4 mei 1992 dat door de raadsman van beklaagden een stuk werd neergelegd inhoudend afstand van de burgerlijke partijstelling en dat op die zitting dezelfde raadsman verklaarde deze afstand te aanvaarden. Bij arrest uitgesproken door het Hof van Cassatie op 23 november 1993 werd het bestreden arrest vernietigd in zoverre hierin de verbeurdverklaring werd uitgesproken van het bedrag van 112.875 BEF omdat het artikel 43bis Sw., waarnaar verwezen werd in het bestreden arrest, als zodanig niet van toepassing was op het ogenblik van het plegen van de ten laste gelegde feiten. Het O.C.M.W. vordert thans via een burgerlijke procedure het bedrag van 112.875 BEF of 2.798,10 euro terug van beide betrokkenen. III. Beoordeling: A. Wat de ontvankelijkheid betreft van de oorspronkelijke vordering ( schending van artikel 25 e.v. Ger.W. ): Beide appellanten menen dat de oorspronkelijke vordering niet ontvankelijk is op grond van artikel 25 e.v. Ger.W. Zij menen dat in de strafprocedure reeds definitief beslist werd over de burgerlijke vordering en dat er bijgevolg thans niet opnieuw diezelfde vordering kan gebracht worden voor een civiele rechtbank zonder het gezag van het rechterlijk gewijsde van de beslissing genomen door de strafrechtbank te schenden. Het is inderdaad zo dat het O.C.M.W. zich burgerlijke partij stelde voor de correctionele rechtbank te Leuven en in die hoedanigheid de betaling vorderde vanwege beide beklaagden - huidige appellanten - van een bedrag van 112.875 BEF in hoofdsom, plus de vergoedende en de gerechtelijke intresten. Bij vonnis van 22 april 1991 liepen beide beklaagden een strafrechtelijke veroordeling op uit hoofde van het hen ten laste gelegde feit en werden zij op burgerlijk gebied in solidum veroordeeld tot betaling van het door het O.C.M.W. gevorderde bedrag, plus de intresten. Tegen dit vonnis werd hoger beroep aangetekend zowel door het Openbaar Ministerie als door de beide beklaagden. Deze laatste tekenden hoger beroep aan tegen alle beschikkingen van het eerste vonnis zowel op burgerlijk als op strafrechtelijk gebied. Het gezag van gewijsde dat aan de rechterlijke beslissingen kleeft van zodra ze gewezen zijn, verdwijnt wanneer deze beslissingen gewijzigd of vernietigd worden. Welnu bij arrest uitgesproken door het hof van beroep te Brussel, recht doende in strafzaken, werd bij arrest van 13 mei 1992 het vonnis gewezen in eerste aanleg hervormd zowel op strafrechtelijk gebied als op burgerlijk gebied. Meer bepaald werd op burgerlijk gebied vastgesteld dat de burgerlijke partij niet verschenen was teneinde haar eis gestand te doen en werden de kosten van haar actie in beide aanleggen ten haren laste gelegd. Dit houdt in dat door de strafrechtbank geen definitieve beslissing werd genomen op burgerlijk gebied gezien het hof, ingevolge de afwezigheid van de burgerlijke partij, zijnde het O.C.M.W., zich over het burgerlijk luik niet meer mocht buigen. Dit blijkt overigens ook uit het arrest van het Hof van Cassatie van 23 november 1993 waarin gesteld wordt dat in zoverre de voorziening ingesteld door beklaagden gericht is tegen de beslissingen op civielrechtelijk gebied, deze niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang. Gezien door de strafrechtbank geen definitieve beslissing werd genomen m.b.t. de vordering van het O.C.M.W. is het gerechtigd zijn burgerlijke vordering in te leiden voor een burgerlijke rechtbank en is zodoende huidige vordering wel degelijk ontvankelijk ( cfr. Cass., 12 september 1991, J.L.M.B., 1992, 39 ). B. Wat de ontvankelijkheid betreft van de oorspronkelijke vordering (schending van artikel 17 Ger.W. ): Appellanten zijn de mening toegedaan dat het O.C.M.W. niet beschikt over het vereiste belang omdat het niet aantoont dat het door hem gevorderde bedrag van 112.875 BEF hem toekomt en deze fondsen bijgevolg zijn eigendom zijn. Het feit dat het O.C.M.W. meent een nadeel te hebben ondergaan, volstaat om belang te hebben bij een instellen van een rechtsvordering. Of de gevraagde fondsen al dan niet zijn eigendom zijn, maakt deel uit van het debat ten gronde en deze vraagstelling heeft dan ook geen enkele repercussie op de ontvankelijkheid van de ingestelde vordering. C. Wat de verjaring betreft: Zowel de heer P. als mevrouw E. zijn de mening toegedaan dat huidige vordering verjaard is zich hierbij steunend op artikel 26 V.T.Sv. dat op het ogenblik van het instellen van huidige vordering ( exploot van 14 juni 1994 ) nog steeds van toepassing was. Artikel 26 V.T.Sv., zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 10 juni 1998 ( B.S. 17 juli 1998 ) tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, bepaalde: " De burgerlijke rechtsvordering uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van de schade. Zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering ". Uit de parlementaire voorbereiding van deze wet blijkt dat ze het rechtstreeks gevolg is van de arresten van het Grondwettelijk Hof van 21 maart 1995 ( B.S. 31 maart 1995 ) en 12 juli 1996 ( B.S. 14 augustus 1996 ), waarbij recht doende op prejudiciële vragen, gezegd werd voor recht dat het oude artikel 26 V.T.Sv. een schending uitmaakte van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en van het arrest van 19 februari 1997, waarbij het Grondwettelijk Hof zich onbevoegd verklaarde om de werking in de tijd van zijn arrest van 21 maart 1995 te bepalen. Het gevolg van deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof was dat voortaan in de gevallen waarop de toepassing van het oude artikel 26 V.T.Sv. tot een discriminatie leidde, de dertigjarige verjaringstermijn van het oude artikel 2262 B.W. van toepassing werd verklaard. Met de wet van 10 juni 1998 had de wetgever de bedoeling een einde te stellen aan deze "controversiële toestand" . De gemeenrechtelijke verjaringstermijnen werden gewijzigd in die zin dat de persoonlijke rechtsvorderingen verjaarden na 10 jaar en de rechtsvorderingen op grond van een strafrechtelijk beteugelde onrechtmatige daad in principe vielen onder de verjaringstermijn voor een louter civielrechtelijke onrechtmatige daad ( = absolute termijn van 20 jaar vanaf het schadeverwekkende feit, beperkt door een relatieve termijn van 5 jaar vanaf het ogenblik waarop de benadeelde kennis neemt van zowel de schade als de identiteit van de aansprakelijke ). De enige uitzondering op die gelijkschakeling tussen de verjaring van een burgerlijke vordering op grond van een misdrijf en de verjaring van een aansprakelijkheidsvordering op grond van een gewone onrechtmatige daad, is dat de verjaring van de burgerlijke vordering niet kan intreden zolang de verjaring van de strafvordering niet is ingetreden. De nieuwe verjaringswet deed overgangsrechtelijke problemen ontstaan voor wat de aansprakelijkheidsvorderingen betreft gegrond op strafbare feiten die dateerden van vóór de inwerkingtreding van deze wet ( = 27 juli 1998 ). Een zelfde probleem stelt zich voor wat de temporele werking betreft van de ongrondwettigheid van het oude artikel 26 V.T.Sv. m.b.t. deze vorderingen. De wet van 10 juni 1998 bevat dienaangaande een aantal overgangsbepalingen en artikel 11 bepaalt o.m. het volgende: " Wanneer de rechtsvordering bij een kracht van gewijsde gegane beslissing verjaard is verklaard vóór de inwerkingtreding van deze wet, kan deze inwerkingtreding niet tot gevolg hebben dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen ". Uit de voorbereidende werken blijkt dat het de bedoeling is geweest van de wetgever de nieuwe termijn toe te passen op alle rechtsvorderingen waarover nog niet definitief werd beslist. De werking in de tijd van de ongrondwettigheid van het oude artikel 26 V.T.Sv. op zichzelf wou noch het Grondwettelijk Hof ( zie arrest van 19 februari 1997 ) noch de wetgever in de nieuwe verjaringswet beperken. Uit het één en ander volgt dat de aansprakelijkheidsvorderingen die vóór het lentearrest van het Grondwettelijk Hof zouden zijn verjaard op grond van het oude artikel 26 V.T.Sv. opnieuw tot leven komen, onder voorbehoud van een reeds tussengekomen definitieve beslissing, zolang de dertigjarige termijn van het oude artikel 2262 B.W., bij het instellen van de vordering, nog niet is verlopen. De nieuwe verjaringswet is in principe vanaf haar inwerkingtreding wel van toepassing op een hangende procedure maar kan in een dergelijke procedure bovendien niet effectief worden toegepast gelet op de stuitende werking van de inleidende dagvaarding ( artikel 2244 B.W. ). Terwijl in principe na een stuitingsdaad de dag daarna de nieuwe termijn begint te lopen, blijft de stuiting in geval van een dagvaarding volgens een constante cassatierechtspraak voortduren tijdens de ganse procedure, ook tijdens de behandeling in cassatie ( zie o.m. Cass. 13 september 1993, Arr. Cass., 1993, 692; Cass. 30 juni 1997, Arr. Cass., 1997, 732 ). In een hangende procedure die reeds vóór de inwerkingtreding van de nieuwe verjaringswet hangende was, moet dus enkel nagegaan worden of de rechtsvordering volgens de oude dertigjarige termijn tijdig werd ingesteld ( zie o.m. Cass. , 29 september 2000, met noot van I. Claeys en P. Popelier, R.W. 2000-2001, p. 1166 e.v. ). De feiten die aan de beide appellanten ten laste werden gelegd dateren van 5 juni 1986 en er werd een burgerlijke vordering, gestoeld op deze feiten, betekend bij exploot van 14 juni 1994, d.i. binnen de termijn van 30 jaar zoals voorzien in het oude artikel 2262 B.W. Huidige vordering is bijgevolg niet verjaard en het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. D. Wat de grond van de zaak betreft: In deze context is het van belang te onderlijnen dat het door de correctionele rechtbank aangehouden feit ten laste van beide beklaagden - huidige appellanten - heromschreven werd in hoger beroep. Voor de correctionele rechtbank werden appellanten vervolgd wegens verduistering van het bedrag van 112.875 BEF in hun hoedanigheid van openbaar officier of ambtenaar of persoon met een openbare dienst belast, die geen zekerheid hadden gesteld ( inbreuk op het oude artikel 240 Sw. ). Verduistering houdt in essentie in dat een bepaald goed wordt achter gehouden en aan zijn normale bestemming ontrokken, wat gepaard kan gaan met toe-eigening van deze zaak ( Cass., 1 december 1978, Arr. Cass., 1978-79, 379 ). In hoger beroep werd dit feit echter heromschreven in die zin dat beklaagden geacht werden een inbreuk te hebben gepleegd op artikel 245 Sw., meer bepaald om in dezelfde omstandigheden van plaats en datum, als dader of mededader, als openbaar officier of ambtenaar, ieder met een openbare dienst belast zijnde, hetzij rechtstreeks hetzij door tussenpersonen of door schijnhandelingen, enig bedrag welk het ook zij, te hebben genomen of aanvaard in de verrichtingen, aanbestedingen, aannemingen of werken in regie waarover de heer P. ten tijde van de handeling geheel of ten dele het beheer of het toezicht had, namelijk een som van 112.875 BEF, zijnde een commissieloon van 1,5% op de aankoop van kasbons die werden belegd door patiënten van het O.C.M.W. - rusthuis ten bedrage van 7.525.000 BEF, te hebben afgehaald van voornoemde rekening bij middel van een loketcheque ( = misdrijf van belangenneming ). Met de invoering van voornoemd artikel 245 Sw. heeft de wetgever willen vermijden dat personen die openbare functies vervullen zich in die hoedanigheid ook zouden inlaten met commerciële en private zaken waardoor ze door middel van hun ambt zichzelf ( kunnen ) ( laten ) bevoordelen. Bovendien wilde de wetgever dat de ambtenaren boven elke, ook de lichtste, verdenking zouden staan en dat zij door hun ambt persoonlijk voordeel zouden kunnen nastreven ( zie A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, 4e herwerkte uitgave, p. 44 e.v., nr. 66 e.v. ). De burgerlijke rechter is gebonden door wat de strafrechter omtrent het feit zeker en noodzakelijk heeft beslist. Wat de noodzakelijkheid betreft, gaat het om de vaststellingen die de strafrechter noodzakelijk moet doen om zijn beslissing wettelijk te verantwoorden. Het gezag van gewijsde is niet enkel gehecht aan het dispositief van de beslissing over de strafvordering, doch ook aan de motieven die er de noodzakelijke grondslag van uitmaken. De burgerlijke rechter is bovendien gehouden de door de strafrechter aangenomen kwalificatie te eerbiedigen. Deze is immers de noodzakelijke steun van het dispositief ( zie R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, p. 770 e.v., nrs. 1903 e.v. ). De oorzaak van de herkwalificatie van het aan appellanten op strafgebied ten laste gelegde feit wordt teruggevonden in de hierna volgende motieven: " Overwegende dat eerste beklaagde ( = de heer P. ) als voorzitter van het O.C.M.W. van X. samen met tweede beklaagde ( = mevrouw E. ), personeelslid van het O.C.M.W., een overeenkomst met het plaatselijk agentschap van de A.S.L.K. afsloot waar onder meer in gestipuleerd stond dat aan eerste beklaagde een aanbrengingsvergoeding van 0,60% tot maximum 1,8% beloofd werd op de gelden die hij aanbracht; Overwegende dat eerste beklaagde uit hoofde van voormelde verbintenis vanwege de A.S.L.K. een aanbrengingsvergoeding ontving van 112.875 BEF, zijnde 1,5% van 7.525.000 BEF; Overwegende dat dit bedrag op de centrale zichtrekening van het O.C.M.W. gestort werd en naderhand via een door beide beklaagden ondertekende loketcheque gestort werd op de persoonlijke rekening van eerste beklaagde; Overwegende dat uit de elementen van de zaak voortvloeit dat de tenlastelegging zoals in de dagvaarding omschreven in hoofde van beide beklaagden ( = verduistering ) niet bewezen is, maar dat beklaagden een inbreuk hebben gepleegd op artikel 245 Sw... " ( onderstreping toegevoegd ). Hieruit blijkt dat het hof van beroep, zetelende op strafgebied, overging tot herkwalificatie van het aan appellanten ten laste gelegde feit omdat het hof van oordeel was dat het bedrag van 112.875 BEF wel degelijk bestemd was voor de heer P. als gevolg waarvan hij niet kon vervolgd worden wegens het achterhouden van fondsen bestemd voor derden of een ander doeleinde. In het licht van deze feitelijke achtergrond kon de heer P. alsmede mevrouw E. enkel vervolgd worden wegens het bekomen van een ( persoonlijk ) voordeel enkel en alleen omwille van hun hoedanigheid van openbaar officier of ambtenaar. Op strafrechtelijk gebied werd bijgevolg reeds zeker en noodzakelijk beslist dat het door de A.S.L.K. uitgekeerde bedrag van 112.875 BEF wel degelijk aan de heer P. persoonlijk toekwam en niet aan een derde, in casu het O.C.M.W. Het hof kan bijgevolg in huidige procedure enkel vaststellen dat de door het O.C.M.W. terug gevorderde fondsen toebehoorden aan de heer P. persoonlijk die ze nadien verdeelde tussen hem en mevrouw E.. Anders oordelen zou het gezag van gewijsde van de strafrechtelijke beslissing schenden. Het bestreden vonnis dient op dit punt hervormd te worden. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Voegt de zaken, ingeschreven op de algemene rol onder de nummers 2000/AR/148 en 2000/AR/729 samen. Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk doch ongegrond. Hervormt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre hierin de kosten begroot worden, en opnieuw recht sprekende, Verklaart de oorspronkelijke vordering ingesteld door het O.C.M.W. van X. ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt het O.C.M.W. van X. in de kosten van beide aanleggen, deze van het hoger beroep begroot - in hoofde van P. op euro 732,54 (185,92 rolrecht + 60,74 uitgavenvergoeding + 485,88 rechtsplegingsvergoeding), - in hoofde van E. op euro 546,62 (60,74 uitgavenvergoeding + 485,88 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van het O.C.M.W. op euro 485,88 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 22/10/07 waar aanwezig waren en zitting hielden : A. DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, E. JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, M. DEBAERE, Raadsheer, V. DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.