id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 24 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2007:ARR.20071224.8 Rolnummer: 2004AR3111 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2011-04-05 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-07-02 16:33 Fiche Voor de nakoming van artikel 1057,7° Ger.W. is het voldoende dat de appellant zijn bezwaren tegen de bestreden beslissing vermeldt. Die vermelding moet klaar en duidelijk genoeg zijn om de geïntimeerde in staat te stellen zijn conclusie voor te bereiden en om de appelrechter in staat te stellen de draagwijdte ervan na te gaan. Die verplichting houdt niet in dat ook de middelen tot staving van de grieven moeten vermeld worden. Bij het bepalen van de aanleggrens dient rekening gehouden te worden met het bedrag dat gevorderd werd in de laatste conclusie plus de vergoedende intresten. De gerechtelijke intresten, de kosten en de eventuele opgelegde dwangsommen tellen niet mee bij het bepalen van deze grens (zie artikel 557 Ger.W. dat tevens van toepassing is voor het bepalen van de aanleg). UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Tijdstip beoordeling GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Criteria materiële bevoegdheid - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Voorwaarden hoger beroep - Algemeen Vrije woorden: Artikel 1057, 7° Ger. W.Verzoekschrift in hoger beroep. Vermelding van de grieven? - Vaststelling van de aanleg Artikel 557 Ger. W. Laatste conclusie. Quid impact van de gerechtelijke intrest, gerechtskosten en dwangsommen. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 557 Gerechtelijk Wetboek - 1057, 7° Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2007/ A.R. nr. 2004/AR/3111 INZAKE VAN : De PROVINCIALE BRABANTSE ENERGIEMAATSCHAPPIJ, afgekort P.B.E., samenwerkende intercommunale vennootschap voor elektriciteits-, gas- en TV-dsitributie, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3210 LUBBEEK, sectie LINDEN, Diestsesteenweg 126, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 17 november 2004, vertegenwoordigd door Meester Dirk WOUTERS loco Meester Linda WIERINCKX, advocaat te 3210 LUBBEEK, Diestsesteenweg 103, 1ste kamer TEGEN : De naamloze vennootschap BRABAMIJ, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2910 ESSEN, Spjker 69, ingeschreven in het handelsregister van Antwerpen onder het nummer 244.791, en met ondernemingsnummer 0469.427.045, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Christophe LENDERS, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27, SAMENVATTING Voor de nakoming van artikel 1057,7° Ger.W. is het voldoende dat de appellant zijn bezwaren tegen de bestreden beslissing vermeldt. Die vermelding moet klaar en duidelijk genoeg zijn om de geïntimeerde in staat te stellen zijn conclusie voor te bereiden en om de appelrechter in staat te stellen de draagwijdte ervan na te gaan. Die verplichting houdt niet in dat ook de middelen tot staving van de grieven moeten vermeld worden. Bij het bepalen van de aanleggrens dient rekening gehouden te worden met het bedrag dat gevorderd werd in de laatste conclusie plus de vergoedende intresten. De gerechtelijke intresten, de kosten en de eventuele opgelegde dwangsommen tellen niet mee bij het bepalen van deze grens (zie artikel 557 Ger.W. dat tevens van toepassing is voor het bepalen van de aanleg). Gelet op de procedurestukken: § het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 17 november 2004, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; § het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 20 december 2004; § de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 25 mei 2005; § de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 30 juni 2005; Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 19 november 2007 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Voorwerp van de vorderingen. De oorspronkelijke eis van appellante strekte ertoe geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 1.130,94 euro + 591,02 euro , of 1.721,96 euro plus de vergoedende intresten vanaf 24 oktober 2001 op 1.130,94 euro en vanaf 26 oktober 2001 op 591,02 euro en de gerechtelijke intresten. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Het hoger beroep van appellante beoogt de toekenning te horen bekomen van haar aanvankelijke vordering. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. II. De Feiten. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. Samengevat komt het hierop neer dat geïntimeerde op 24 en 26 oktober 2001 graafwerken uitvoerde voor het aansluiten van een woning in de Acaciastraat te Diest op het gas - en elektriciteitsnet. Op voornoemde dagen deed zich telkens een schadegeval voor aan de aardgasaansluiting waarvan een minnelijke vaststelling werd opgesteld zonder erkenning van aansprakelijkheid. Appellante vordert thans de herstellingskosten terug van de aannemer die de aansluitingen beschadigde. III. Beoordeling. A. Wat de nietigheid/ontvankelijkheid betreft van het ( verzoekschrift in ) hoger beroep: Geïntimeerde werpt op dat het verzoekschrift in hoger beroep nietig is omdat hieruit niet kan afgeleid worden welke grieven appellante opwerpt tegen het bestreden vonnis. Zij beroept zich op artikel 1057, 7° Ger.W. dat op straffe van nietigheid voorschrijft dat het beroepsschrift een uiteenzetting dient te bevatten van de grieven. Zij meent door deze handelwijze in haar belangen te zijn geschaad. Voor de nakoming van artikel 1057,7° Ger.W. is het voldoende dat de appellant zijn bezwaren tegen de bestreden beslissing vermeldt. Die vermelding moet klaar en duidelijk genoeg zijn om de geïntimeerde in staat te stellen zijn conclusie voor te bereiden en om de appelrechter in staat te stellen de draagwijdte ervan na te gaan. Die verplichting houdt niet in dat ook de middelen tot staving van de grieven moeten vermeld worden ( Cass., 7 september 2000, Arr.Cass.2000, 1321 ). In het beroepsschrift beklaagt appellante er zich over dat geïntimeerde de ondergrondse kabels niet afdoend heeft gelokaliseerd en bij onmogelijkheid hiertoe niet voorafgaandelijk de eigenaar van de kabels heeft gecontacteerd. Appellante is de mening toegedaan dat een dergelijk handelen foutief is in de zin van de artikelen 1382 en 1384, lid 3 B.W. Het beroepsschrift voldoet bijgevolg aan de vereiste van artikel 1057,7° Ger.W. Ten overvloede wordt hieraan toegevoegd dat na het neerleggen van het verzoekschrift in hoger beroep geïntimeerde erin slaagde als eerste een omstandige conclusie neer te leggen ( conclusie neergelegd op 29 maart 2005 en volledig hernomen in de conclusie neergelegd op 30 juni 2005 ) waarin op uitgebreide wijze het standpunt van appellante weerlegd wordt wat aantoont dat zij geenszins in haar belangen geschaad werd. Geïntimeerde werpt verder op dat het hoger beroep niet ontvankelijk is " ratione summae ". Zij is de mening toegedaan dat gezien appellante in haar inleidende dagvaarding slechts een bedrag vorderde van 1.721,96 euro plus de vergoedende intresten het om een zaak gaat die niet vatbaar is voor hoger beroep gezien de oorspronkelijke vordering het bedrag van 1.860 euro niet overschreed ( toepassing van artikel 617 Ger.W. ). Bij het bepalen van de aanleggrens dient rekening gehouden te worden met het bedrag dat gevorderd werd in de laatste conclusie plus de vergoedende intresten. De gerechtelijke intresten, de kosten en de eventuele opgelegde dwangsommen tellen niet mee bij het bepalen van deze grens (zie artikel 557 Ger.W. dat tevens van toepassing is voor het bepalen van de aanleg). In haar ‘laatste ‘ conclusie vorderde appellante een bedrag van 1.721,96 euro plus de vergoedende intresten vanaf 24 oktober 2001 op 1.130,94 euro en vanaf 26 oktober 2001 op 591,02 euro (zie stuk 9 dossier eerste aanleg). Er is geen juridische grondslag voorhanden om in casu de vergoedende intresten niet in rekening te brengen omdat appellante naliet de rentevoet van de gevraagde vergoedende intresten te preciseren. De door appellante gevorderde bedragen (incluis de vergoedende intresten) werden door geïntimeerde - zelfs niet in de meest ondergeschikte orde - ooit betwist - ook niet in hoger beroep - zodat door alle partijen aangenomen werd dat minstens de wettelijke intrestvoet van 7% van toepassing was. Appellante houdt voor dat ook conventioneel een nalatigheidsintrest werd voorzien van 7% doch zij legt desbetreffend geen stukken neer. Indien bij de gevorderde hoofdsommen vanaf de respectieve vervaldagen - die evenmin betwist worden - de vergoedende intresten worden bijgeteld aan 7% tot aan de datum van de dagvaarding - betekend op 23 februari 2004 - wordt de aanleggrens van 1.860 euro ruimschoots overschreden. Het hoger beroep werd derhalve regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. B. Wat de grond van de zaak betreft:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.