← België

ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080121.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 21 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080121.10 Rolnummer: 1997AR1602 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-04-09 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-07-02 16:53 Fiche I. Schadeloosstelling. Vergoeding voor de schade van de ouders bestaande uit het moeten aanzien van het lijden van hun kind. De ernstige verbranding van een 11-jarig kind heeft ongetwijfeld ook geruime tijd een zwaar psychisch lijden veroorzaakt voor de ouders. Die schade wordt in casu in billijkheid geraamd op 2.000 EUR voor elk van de ouders. II. Brandwonden veroorzaken naar algemene bekendheid bijzonder erge pijnen, en in dit geval ging het om verbranding over 22,5 % van het lichaam van een kind. In de omstandigheden van de zaak is een vergoeding van 50 EUR/dag aan 100% inderdaad gerechtvaardigd. III. Schadepost bij verbranding van 22,5% van de lichaam, bestaande in zweetgevoeligheid en huidgevoeligheid bij het sporten en bij beroepsmatige verblijven in warme landen De schade uit de verstoring van de zweetfunctie, de huidkwetsbaarheid en de vertekening van het gevoel op de getroffen huid kan in casu in billijkheid geraamd worden op 2.000,00 EUR. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Lichamelijke schade BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Morele schade Vrije woorden: Ernstige verbranding van een kind. Morele schade voor de ouders. Esthetische schade van het kind (5,5 op schaal van 7). Begroting van diverse schadeposten. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2008/ A.R. nr. 1997/AR/1602 Onrechtmatige daad - menselijke schade INZAKE VAN : 1) De heer V. W., ... en zijn echtgenote, 2) Mevrouw D. M., optredend enerzijds elk in eigen naam, anderzijds als beheerders van de tussen hen bestaande huwgemeenschap, 3) De heer V. S., geboren op 8 mei 1980, de eerste en de tweede in persoon verschijnende, bijgestaan en de derde vertegenwoordigd door Meester Frans WOUTERS, advocaat te 3000 LEUVEN, Philipslaan 20, 1ste kamer appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 26 februari 1997, TEGEN : 1) De heer V. P., ... en zijn echtgenote 2) Mevrouw D. E., 3) samenwonende te geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Carine THIJS, advocaat te 3000 LEUVEN, Rijschoolstraat 1/11,

  1. De procedure In dit arrest oordeelt het hof verder over het hoger beroep tegen een vonnis dat na tegenspraak is gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 26 februari 1997 (AR 51.271/92). De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.
  2. Het onderwerp van de vordering Bij arrest van 27 februari 2001 heeft het hof het hoger beroep reeds gedeeltelijk gegrond verklaard. Het hof heeft de aansprakelijkheid vastgesteld van V. en D. en heeft hen veroordeeld tot betaling van provisionele bedragen aan V., D. en V., en heeft dr. 'T KINT aangesteld als deskundige. Het hof heeft V. en D. verder veroordeeld tot betaling van bedragen aan de LANDSBOND VAN CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, overeenkomstig zijn vordering. Appellanten vermelden in conclusie dat het arrest is betekend op 22 mei 2001 en dat geen voorziening in cassatie werd ingesteld. De deskundige heeft zijn verslag neergelegd op 19 oktober
  3. Appellanten vorderen de veroordeling van V. en D. tot betaling aan: - V. en D. voor de tussen hen bestaande huwgemeenschap: 10.125,00 EUR, plus de vergoedende intresten vanaf 1 juli 1992 en de gerechtelijke intresten. - W. V. in eigen naam 7.500,00 EUR, plus de vergoedende intresten vanaf 10 augustus 1991 en de gerechtelijke intresten. - M. D. in eigen naam 7.500,00 EUR, plus de vergoedende intresten vanaf 10 augustus 1991 en de gerechtelijke intresten. - S. V. 73.445,00 EUR, plus de vergoedende intresten op 8.445,00 EUR vanaf 15 maart 1992, op 65.000,00 EUR vanaf 10 augustus 1993 en de gerechtelijke intresten. Zij vragen aan S. V. "het in het deskundig verslag weerhouden voorbehoud te verlenen met betrekking tot littekencorrecties na de consolidatiedatum voor zover het correcties betreft waar sprake is van lokale huidirritaties en/of wanneer er een bepaalde zone te fel kyloïdaal littekenweefsel vormt waarvoor lokaal een corrigerende ingreep kan worden verricht, en een zelfde voorbehoud voor de vervanging van drukkledij. Tevens te zeggen dat deze voorbehouden niet in de tijd beperkt zijn". V. en D. vragen de gevorderde schadevergoedingen te beperken als volgt: - voor V. en D. voor de tussen hen bestaande huwgemeenschap: 7.663,14 EUR plus de vergoedende intresten vanaf 1 juli 1992 en de gerechtelijke intresten te verminderen met de betaalde provisie van 1.239,47 EUR en de hieraan verbonden kredietintresten. - voor D. in eigen naam 1.250,00 EUR plus de vergoedende intresten vanaf 10 augustus 1991 en de gerechtelijke intresten, te verminderen met de betaalde provisie van 2.478,94 EUR en de hieraan verbonden kredietintresten. - voor W. V. in eigen naam 1.250,00 EUR plus de vergoedende intresten vanaf 10 augustus 1991 en de gerechtelijke intresten, te verminderen met de betaalde provisie van 2.478,94 EUR en de hieraan verbonden kredietintresten. - voor S. V. 19.095 EUR (8.445 + 10.650) plus intresten op 8.445,00 euro vanaf 15 maart 1992 en op 10.650,00 euro vanaf 10 augustus 1993 te verminderen met de betaalde provisie van 9.915,74 EUR en de hieraan verbonden kredietintresten; ondergeschikt 26.945 EUR (8.445 +18500) met intresten op 8.445,00 EUR vanaf 15 maart 1992 en op 18.500,00 EUR vanaf 10 augustus 1993 te verminderen met de betaalde provisie van 9.915,74 EUR en de hieraan verbonden kredietintresten. Zij vragen aan S. V. voorbehoud te verlenen "met betrekking tot littekencorrecties na de consolidatiedatum voor zover het correcties betreft waar enkel sprake is van lokale huidirritaties en/of wanneer een bepaalde zone te fel kyloïdaal littekenweefsel vormt waarvoor lokaal een corrigerende ingreep dient te worden verricht, en hetzelfde voorbehoud voor de vervanging van drukkledij met uitsluiting van louter esthetische ingrepen".
  4. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 3.
  5. Het verslag van de deskundige De deskundige besluit: "
  6. Op 10-08-1991 liep het slachtoffer zware brandwonden op. Hij verbleef van 10-8-91 tot en met 20-9-91 in het Brandwondencentrum.
  7. Tijdelijke werkongeschiktheid 100% van 10-08-1991 tot en met 24-09-1991 50% van 25-09-1991 tot en met 06-10-1991 25% van 07-10-1991 tot en met 14-10-1991 100% van 15-10-1991 tot en met 16-10-1991 25% van 17-10-1991 tot en met 31-12-1991 15% van 01-01-1992 tot en met 15-12-1992 100% van 16-12-1992 tot en met 20-12-1992 15% van 21-12-1992 tot en met 09-08-1993 100% van 29-12-1993 tot en met 29-12-1993 100% van 23-02-1998 tot en met 24-02-1998
  8. De consolidatie der letsels trad in op 10-08-1993, zonder blijvende invaliditeit.
  9. Na de consolidatiedatum zullen waarschijnlijk nog littekencorrecties nodig zijn en zal nog vervanging van de drukkledij nodig zijn.
  10. Esthetische schade: Littekens zijn verspreid over het bijna volledige lichaam. De esthetische schade hiervan kan bepaald worden als graad 5,5 op de schaal van 7
  11. De behandelingen hebben ernstige morele schade veroorzaakt tijdens de volgende periodes 7/7 van 10-08-1991 tot en met 20-09-1991 6/7 van 21-09-1991 tot en met 31-10-1991 5/7 van 01-11-1991 tot en met 31-12-1991 3/7 van 01-01-1992 tot en met 09-08-1993 " 3.
  12. V. en D. hebben tot 1993 de bewijsstukken bijgehouden met betrekking tot de kosten van verzorging, voor in totaal 304.088 BEF. Zij stellen dat zij ook nadien nog kosten hebben moeten maken, en vragen daarom in totaal 10.000 EUR. V. en D. aanvaarden alleen de 304.088 BEF. Zij verwerpen de kosten van na de consolidatie, en laten gelden dat het bewijs van werkelijke uitgaven mogelijk was, zodat een forfaitaire begroting niet gerechtvaardigd is. De deskundige bepaalt de consolidatie inderdaad op 10 augustus 1993, maar hij vermeldt een littekenoperatie in 1998, en meent dat de drukkledij ook nog moet vervangen worden. Het moet aangenomen worden dat de operatie en de verzorging na de consolidatiedatum nog kosten hebben veroorzaakt (in het bijzonder remgeld en verplaatsingskosten), zij het minder dan voordien, wat wellicht de reden is geweest voor het niet langer bijhouden van stukken. In die omstandigheden kan de door stukken gestaafde 304.088 BEF (7.538,14 EUR) in billijkheid vermeerderd worden tot in totaal 8.500 EUR. V. en D. betwisten niet de door V. en D. gevorderde vergoeding van 125 EUR administratiekosten. Ook de gevorderde (gemiddelde) aanvangsdatum voor de intresten, 1 juli 1992, wordt niet betwist. 3.
  13. V. en D. vorderen elk een vergoeding van 7.500 EUR voor de schade bestaande uit het moeten aanzien van het lijden van hun kind. V. en D. bieden 1.250 EUR aan, en laten gelden dat het lijden beperkt was in de tijd en dat er geen levensgevaar is geweest. Het laatste klopt, maar de ernstige verbranding van een 11-jarig kind heeft ongetwijfeld ook geruime tijd een zwaar psychisch lijden veroorzaakt voor de ouders. Die schade wordt in billijkheid geraamd op 2.000 EUR voor elk van de ouders. Over de gevorderde aanvangsdatum voor de intresten, 10 augustus 1991, wordt geen betwisting gevoerd. 3.4 S. V. vordert een vergoeding voor morele schade in de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 50 EUR/dag, voor de bijzonder zware pijnen uit brandwonden over 22,5 % van zijn lichaam. V. en D. stemmen daarmee in voor zover alle morele schade tijdens tijdelijke arbeidsongeschiktheid daarmee wordt vergoed. Brandwonden veroorzaken naar algemene bekendheid bijzonder erge pijnen, en in dit geval ging het om verbranding over 22,5 % van het lichaam van een kind. In de omstandigheden van de zaak is een vergoeding van 50 EUR/dag aan 100% inderdaad gerechtvaardigd. S. V. berekent op die basis een totaal van 8.445,00 EUR voor deze post. V. en D. betwisten niet de gevorderde (gemiddelde) aanvangsdatum voor de intresten, 15 maart
  14. 3.
  15. S. V. vordert een vergoeding van 12.500 EUR voor een verminderde kans op de arbeidsmarkt, en 12.500 EUR voor de "andere" gevoeligheid van de getroffen lichaamsdelen. V. en D. voeren aan dat de deskundige adviseert geen blijvende werkonbekwaamheid vast te stellen, omdat de esthetische schade geen functionele beperkingen meebrengt. De deskundige heeft op opmerkingen van S. V. ter zake uitdrukkelijk geantwoord dat de esthetische schade niet zichtbaar is en het uitoefenen van een beroep niet hindert. Het blijkt inderdaad niet dat de esthetische schade op de onderbenen, de buik en de linkerarm het uitoefenen van een beroep hindert. Men kan zich beroepen voorstellen die het ontbloten van lichaamsdelen in min of meerdere mate meebrengen. S. V. geeft in conclusie het voorbeeld van de toeristische sector. Het blijkt echter niet dat de esthetische schade concrete aspiraties van het slachtoffer in de sector van mode, sport of animatie heeft onmogelijk gemaakt. Voor het uitoefenen van zo goed als alle beroepen is de hier bedoelde esthetische schade niet relevant. S. V. bewijst dus niet een beperking van zijn kansen op de arbeidsmarkt. In de laatste conclusie maakt S. V. nog melding van zweethinder en huidgevoeligheid bij het sporten en bij beroepsmatige verblijven in warme landen. V. en D. merken terecht op dat deze klachten niet nieuw zijn en overeenstemmen met wat reeds voor de deskundige werd beschreven als "irritatie ter hoogte van beide liezen bij vochtigheid (na baden)" en "het gevoel op de verbrande zones is "anders" ook voor partner en derden". Dat doet evenwel niets af aan de werkelijkheid van die klachten, die weliswaar geen implicaties hebben voor het eigenlijke arbeidsvermogen, maar die toch een hinder uitmaken en dus een te vergoeden schade. De schade uit de verstoring van de zweetfunctie, de huidkwetsbaarheid en de vertekening van het gevoel op de getroffen huid kan in billijkheid geraamd worden op 2.000,00 EUR. V. en D. betwisten niet de gevorderde aanvangsdatum voor de intresten, 10 augustus
  16. 3.
  17. Voor de esthetische schade vordert S. V. 40.000,00 EUR, op basis van 500,00 EUR/jaar op een levensverwachting van 80 jaar. V. en D. menen dat 500 EUR/jaar met een levensverwachting van 65 jaar (op 11 jaar) leidt tot 10.650 EUR. De esthetische schade staat in beginsel los van economisch verlies, en gelet op de overwegingen onder punt 3.
  18. is dat ook hier het geval. Er is dus geen aanleiding om de logica te volgen van een kapitalisatie. Uit het deskundig verslag blijkt ernstige tot zeer ernstige schade (5,5 op de schaal van 7), bovendien "verspreid over het bijna volledige lichaam", geleden vanaf de kindertijd, doorheen de puberteit en de periode van het leven waarin het uitzicht van het lichaam doorweegt bij sociale aanvaarding en bij zelfwaardegevoel. In de omstandigheden van de zaak is een vergoeding van 25.000,00 EUR gerechtvaardigd. Over de gevorderde aanvangsdatum voor de intresten, 10 augustus 1993, wordt geen betwisting gevoerd. 3.
  19. Partijen zijn het er over eens dat de bij arrest van 27 februari 2001 toegekende provisies en de creditintresten moeten worden aangerekend op de nu bepaalde vergoedingen. 3.
  20. V. en D. voeren aan dat het gebruik van "nieuwe tarieven" een aanpassing rechtvaardigt van de rentevoet van de vergoedende intresten tot 5 %. Een deel van de vergoedingen heeft evenwel betrekking op werkelijk gemaakte kosten, en voor het overige houdt het hof bij de raming van de posten in billijkheid rekening met de situering ervan in het verleden. In die omstandigheden is er geen reden om af te wijken van de wettelijke rentevoet. 3.
  21. Het voorbehoud dat beide partijen formuleren is identiek; de toevoeging door V. en D. met betrekking tot uitsluiting van louter esthetische ingrepen voegt daar niets aan toe. Het voorbehoud is uit zijn aard niet beperkt in de tijd. 3.
  22. In het arrest van 27 februari 2001 heeft het hof reeds V. en D. veroordeeld tot de kosten van de beide aanleggen, en heeft hef hof reeds de tot dan gemaakte kosten begroot, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen. Het hof kan nu dus geen toepassing meer maken van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd door de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Anderzijds kan het hof ook niet een aanvullende rechtsplegingsvergoeding toekennen, omdat het Koninklijk Besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, waarin die aanvullende rechtsplegingsvergoeding was bepaald, is afgeschaft door het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. OM DEZE REDENEN : HET HOF, rechtdoende na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Het hof spreekt verder recht als volgt: Veroordeelt P. V. en E. D. tot de betaling aan W. V. en M. D. van TIENDUIZEND ZESHONDERD VIJFENTWINTIG EURO (10.625,00 EUR), plus de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet op 4.000 EUR vanaf 10 augustus 1991 en op 8.625,00 EUR vanaf 1 juli
  23. Veroordeelt V. en D. tot de betaling aan S. V. van VIJFENDERTIGDUIZEND VIERHONDERD VIJFENVEERTIG EURO (35.445,00 EUR), plus de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet op 8.445,00 EUR vanaf 15 maart 1992, op 2.000,00 EUR vanaf 10 augustus 1993, en op 25.000,00 EUR vanaf 10 augustus 1993, Verleent aan S. V. voorbehoud met betrekking tot littekencorrecties na de consolidatiedatum voor zover het correcties betreft waar sprake is van lokale huidirritaties en/of wanneer er een bepaalde zone te fel kyloïdaal littekenweefsel vormt waarvoor lokaal een corrigerende ingreep kan worden verricht, en een zelfde voorbehoud voor de vervanging van drukkledij. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 21/01/08 waar aanwezig waren en zitting hielden : M. DEBAERE, Raadsheer, V. DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.